<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA2840</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T16:59:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA2840</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-08-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">33627</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA2840" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2840</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2000/74 met annotatie van M.W.C. Feteris</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/541</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/741</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1999/1116, 1</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1999/38.4</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2840">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2840</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:46:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2840 Parket bij de Hoge Raad , 24-08-1999 / 33627</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2840:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2840:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. 33.627                   Mr Van Soest</para>
    <para>Derde Kamer A                Conclusie inzake:</para>
    <para>Heffingsrente inz. Vpb. 1990 A q. q.</para>
    <para>Parket, 29 januari 1999      tegen</para>
    <para>de staatssecretaris van Financiën</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Beschrijving van de zaak.</para>
    <para>1.1. Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke</para>
    <para>uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam (hierna te noemen</para>
    <para>het Hof) van 27 mei 1997, nr. P93/3876. Het is ingesteld door</para>
    <para>A als curator (hierna te noemen de Curator) in het op 26</para>
    <para>januari 1994 uitgesproken faillissement van de belanghebbende,</para>
    <para>X B.V. Van het beroep in cassatie is melding gemaakt in Vak</para>
    <para>studie Nieuws 18 september 1997, blz. 3213, punt 1.2.</para>
    <para>1.2. De belanghebbende heeft in oktober 1992 aangifte gedaan</para>
    <para>voor de vennootschapsbelasting 1990. Het aangiftebiljet, dat</para>
    <para>in fotokopie als bijlage 1&amp;lt;(1)Mijn nummering.</para>
    <para>&amp;gt; bij het vertoogschrift van de inspecteur van de</para>
    <para>Belastingdienst/Ondernemingen P (hierna te noemen de</para>
    <para>Inspecteur) tot de stukken van het geding behoort, vermeldde</para>
    <para>op blz. 9, onder 14 en 16, als belastbare winst en als belast</para>
    <para>baar bedrag telkens:</para>
    <para>"f29.5234375"</para>
    <para>1.3. Met dagtekening 30 november 1992 is aan de belanghebbende</para>
    <para>een voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting 1990 met</para>
    <para>aanslagnummer 111 opgelegd naar een belastbaar bedrag van</para>
    <para>ƒ 295.234.370,-. De voorlopige aanslag bedroeg ƒ 103.344.529,-.</para>
    <para>1.4. Bij brief van 28 november 1992, welke brief in fotokopie als</para>
    <para>bijlage 5 bij het vertoogschrift van de Inspecteur tot de</para>
    <para>stukken van het geding behoort, is van de zijde van de belang</para>
    <para>hebbende verzocht de voorlopige aanslag te verminderen tot</para>
    <para>nihil. Betoogd werd:</para>
    <para>&amp;lt;- ? -</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>"(...) Tijdens het invoeren van de aangifte</para>
    <para>computer zijn er centen, cq getallen achter de komma inge</para>
    <para>voerd. Het belastbaar bedrag (...) werd hierdoor</para>
    <para>f 4529,5234375 negatief i.p.v. neg. f 4530,-- Door het</para>
    <para>wegvallen van de eerste cijfers resulteerde ogenschijn</para>
    <para>lijk een zeer forse winst. Helaas is de werkelijkheid een</para>
    <para>negatief bedrag van ƒ 4530,-- conform de bij de aangifte</para>
    <para>bijgesloten jaarrekening. Een gecorrigeerd blad 9, van de</para>
    <para>aangifte treft u hierbij aan. Tevens verzoek om uitstel</para>
    <para>tijdens de behandeling van dit bezwaarschrift. (...)"</para>
    <para>1.5. Het Hof heeft overwogen (ik geef nadere vindplaatsen</para>
    <para>tussen haakjes aan):</para>
    <para>"(blz. 3) (...) 2.3. Op 10 december 1992 zijn de aanslag</para>
    <para>gegevens, die de aanslagregelend ambtenaar naar aanlei</para>
    <para>ding van de aangifte van belanghebbende had vastgesteld,</para>
    <para>ingetoetst in het geautomatiseerde systeem voor de ven</para>
    <para>nootschapsbelasting. De ingetoetste gegevens zijn via een</para>
    <para>netwerkverbinding door gegeven aan de Belastingdienst</para>
    <para>Centrale Beheerseenheid Ondernemingen te Apeldoorn (hier</para>
    <para>na: de CBO) ter berekening van de definitieve aanslag</para>
    <para>vennootschapsbelasting 1990 en ter vervaardiging van het</para>
    <para>dienaangaande aan belanghebbende te verzenden aanslagbil</para>
    <para>jet. Na onderzoek in verband met het verzoek van belang</para>
    <para>hebbende om vermindering van de voorlopige aanslag nam de</para>
    <para>inspecteur op 4 januari 1993 telefonisch contact op met</para>
    <para>de CBO ter blokkering van de verwerking van de definitie</para>
    <para>ve aanslag. De CBO, die verwerkte gegevens doorgeeft aan</para>
    <para>de Belastingdienst Centrale Belastingadministratie te</para>
    <para>Apeldoorn (hierna: de CBA), zegde de inspecteur de ge</para>
    <para>vraagde blokkering toe. 2.4. De CBO heeft een ten name</para>
    <para>van belanghebbende gesteld aanslagbiljet vennootschapsbe</para>
    <para>lasting 1990 vervaardigd met aanslagnummer 222, gedagte</para>
    <para>kend 30 januari 1993, luidende voor zover van belang:</para>
    <para>"Aanslag Vennootschapsbelasting 1. Bedrag van de aanslag</para>
    <para>nihil 2. Verrekende voorlopige aanslagen 103344529</para>
    <para>8. Vergoede heffingsrente 8853182</para>
    <para>11. Te verrekenen of terug te ontvangen 112197711</para>
    <para>12. Vastgestelde belastbare bedrag nihil 14. Belasting</para>
    <para>(...) 0" Dit aanslagbiljet is niet verzonden. Bij brief</para>
    <para>van 19 januari 1993 lichtte de CBO de CBA in als volgt:</para>
    <para>(blz. 4) "Hierbij deel ik U mede dat de hieronder vermel</para>
    <para>de tegenopdrachten* die zijn opgenomen in het bestand</para>
    <para>vpbaansverm is teruggenomen. Jaar 1990 Aanslagnummer 222</para>
    <para>Bedrag f 112.197.711,=" 2.5. Bij brief van 29 januari</para>
    <para>1993 berichtte de CBA belanghebbende, voor zover hier van</para>
    <para>belang, het volgende: "Hierbij deel ik u mede dat</para>
    <para>terugbetaling op het aanslagnummer 222 ten bedrage van</para>
    <para>f 112.197.711,= (...) als volgt is verwerkt:</para>
    <para>f 103.344.529,= (te weten: hoofdsom f 103.344.529,=</para>
    <para>(...)) is afgeboekt op aanslagnummer 111 f 8.853.182,=</para>
    <para>wordt aan u terugbetaald" Bij brief van 18 februari 1993</para>
    <para>deelde de CBA belanghebbende, voor zover hier van belang,</para>
    <para>&amp;lt;- ? -</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>het volgende mede: "Van de Centrale Beheereenheid Onder</para>
    <para>nemingen heb ik bericht ontvangen dat de teruggaaf Ven</para>
    <para>nootschapsbelasting 1990 aanslagnummer 222 ten bedrage</para>
    <para>van f 112.197.711.00 is teruggenomen. Op 3 februari 1993</para>
    <para>werd een bedrag van f. 8.853.182.00 (...) overgeschreven.</para>
    <para>Ik verzoek u het onverschuldigd aan u uitbetaalde bedrag</para>
    <para>van f. 8.853.182.00 aan mij terug te betalen door middel</para>
    <para>van storting of overschrijving op postrekening 244 55 88</para>
    <para>of bankrekening 6001 05 059 van de Centrale betalingsad</para>
    <para>ministratie te Apeldoorn." Het verzoek tot terugbetaling</para>
    <para>werd herhaald bij brief van 16 maart 1993. (...)"</para>
    <para>1.6. Uit de stukken van de thans te beslissen zaak blijkt dat</para>
    <para>sedert voorjaar 1993 ook een civiele procedure tussen de</para>
    <para>fiscus en de belanghebbende gevoerd wordt. Daarvan kunnen wij</para>
    <para>ons uit het dossier evenwel slechts een zeer onvolledig beeld</para>
    <para>vormen.</para>
    <para>1.7. Het Hof heeft overwogen:</para>
    <para>"(blz. 4) (...) 2.6. Gedagtekend 30 juni 1993 zond</para>
    <para>inspecteur belanghebbende een kennisgeving van ambtshalve</para>
    <para>vermindering luidende, voor zover hier van belang: "gelet</para>
    <para>op de onder nummer 111 vastgestelde aanslag; overwegende,</para>
    <para>dat de aanslag wordt verminderd overeenkomstig de inge</para>
    <para>diende aangifte; besluit ambtshalve een vermindering te</para>
    <para>verlenen tot het in de kolom "verschil" vermelde bedrag.</para>
    <para>De Inspecteur Verschil 103344529" Vervolgens zond</para>
    <para>inspecteur belanghebbende een correctiebeschikking hef</para>
    <para>fingsrente met dagtekening 23 juli 1993. De correctiebe</para>
    <para>schikking luidt, voor zover van belang: (blz. 5) "Deze</para>
    <para>beschikking is van kracht indien en voor zover de rechter</para>
    <para>zou oordelen dat de belastingdienst aan de [belanghebben</para>
    <para>de] een aanslag heeft opgelegd in de vennootschapsbelas</para>
    <para>ting over 1990 althans de beschikking heeft genomen [de</para>
    <para>belanghebbende] f. 8.853.182,= aan heffingsrente te</para>
    <para>vergoeden over de door [de belanghebbende] uit kracht van</para>
    <para>genoemde vermeende verschuldigde vennootschapsbelasting.</para>
    <para>(...) Overwegingen (...) De beschikking heffingsrente</para>
    <para>over 1990, waarbij [de belanghebbende] heffingsrente is</para>
    <para>vergoed en ten gevolge waarvan [de belanghebbende] boven</para>
    <para>genoemd bedrag aan heffingsrente is uitbetaald, is on</para>
    <para>juist, omdat deze vergoeding van heffingsrente in strijd</para>
    <para>zou komen met doel en strekking van de regeling de hef</para>
    <para>fingsrente in de artt. 30a e.v. van de AWR. [De belang</para>
    <para>hebbende] is immers uitsluitend ten gevolge van een fout</para>
    <para>in haar aangifte en een daarmee corresponderende fout in</para>
    <para>de vaststelling van de door de rechter veronderstelde</para>
    <para>aanslag, heffingsrente vergoed. (...) Besluit De inspec</para>
    <para>teur besluit hierbij op grond van hoofdstuk VA van de AWR</para>
    <para>bovenomschreven beschikking heffingsrente van</para>
    <para>f. 8.853.182,= te verminderen tot nihil." 2.7. Gedagtekend</para>
    <para>31 augustus 1993 is belanghebbende een aanslagbiljet met</para>
    <para>aanslagnummer 222 toegezonden, luidende voor zover van</para>
    <para>belang: "Aanslag Vennootschapsbelasting Jaar 1990</para>
    <para>Bedrag van de aanslag nihil 10. Te betalen nihil 11. Te</para>
    <para>verrekenen of terug te ontvangen nihil 12. Vastgestelde</para>
    <para>belastbare bedrag nihil 17. Niet tijdige aangifte Verho</para>
    <para>ging 0 Beperking 0" Bij brief van 21 september 1993</para>
    <para>maakte belanghebbende bezwaar tegen de definitieve aan</para>
    <para>slag vennootschapsbelasting 1990. Het bezwaarschrift</para>
    <para>luidt, voor zover van belang: "Tegen dit aanslagbiljet</para>
    <para>heeft De [belanghebbende] bezwaren. Aan de [belanghebben</para>
    <para>de] is reeds een definitieve aanslag vennootschapsbelas</para>
    <para>ting over het jaar 1990 opgelegd (aanslagnummer</para>
    <para>70.35.998.V06.0012). Het is derhalve niet mogelijk weder</para>
    <para>om over hetzelfde jaar een definitieve aanslag vpb op te</para>
    <para>leggen.""</para>
    <para>1.8. Tegen de beschikking van 23 juli 1993 heeft de belangheb</para>
    <para>bende beroep ingesteld&amp;lt;(2)Het was volgens de toen geldende tekst van art. 26, lid</para>
    <para>4, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) mogelijk</para>
    <para>met toestemming van de betrokken inspecteur het bezwaar</para>
    <para>stadium over te slaan. Het Hof heeft onder 1, blz. 1,</para>
    <para>vastgesteld dat de bedoelde toestemming verleend was.&amp;gt;.</para>
    <para>1.9. Het Hof heeft de beschikking vernietigd.</para>
    <para>1.10. Het beroep in cassatie is in overeenstemming met de</para>
    <para>desbetreffende vormvoorschriften ingesteld. Het steunt op</para>
    <para>vijf, met Romeinse cijfers genummerde, grieven, waarvan grief</para>
    <para>III uit vier, met kleine letters aangeduide, onderdelen be</para>
    <para>staat.</para>
    <para>1.11. Bij vertoogschrift in cassatie heeft de staatssecretaris</para>
    <para>van Financiën (hierna te noemen de Staatssecretaris) het</para>
    <para>beroep in cassatie bestreden.</para>
    <para>1.12. De zaak is voor de Curator pro forma bepleit door mr J.</para>
    <para>H. Sassen, advocaat te Arnhem.</para>
    <para>1.13. De aanslag d. d. 31 augustus 1993 is aan de orde in de</para>
    <para>bij Uw Raad aanhangige zaak nr. 33.626&amp;lt;(3)Vakstudie Nieuws 25 september 1997, blz. 3386, punt</para>
    <para>1.3.&amp;gt;; in die zaak neem ik</para>
    <para>geen conclusie.</para>
    <para>2. Aanslagregeling.</para>
    <para>2.1. HR 30 april 1930, Beslissingen in belastingzaken (B.) 4730, blz. 511, overwoog,</para>
    <para>"(...) dat (...) de vaststelling van een aanslag tot</para>
    <para>stand komt door de onderteekening van het betreffende</para>
    <para>register door den inspecteur en nu wel een vertraagde</para>
    <para>vaststelling aan de geldigheid van een aanslag in den weg</para>
    <para>kan staan, zoodat dan alleen de mogelijkheid tot navorde</para>
    <para>ren openblijft, doch het vertraagde uitreiken van het</para>
    <para>billet door den ontvanger, evenmin als de dagteekening</para>
    <para>van het billet, van invloed is op de geldigheid van den</para>
    <para>aanslag (...)"</para>
    <para>2.2. HR 20 februari 1935, B. 5800, blz. 372, overwoog,</para>
    <para>"(...) dat de (...) grief niet betrof de juistheid van</para>
    <para>aan belanghebbende opgelegde aanslagen, doch enkel de</para>
    <para>wijze, waarop de administratie zich (...) had gekweten</para>
    <para>van den haar (...) opgelegden plicht om aan den belas</para>
    <para>tingplichtige een behoorlijk opgemaakt aanslagbiljet toe</para>
    <para>te zenden; dat nu het toezenden van aanslagbiljetten aan</para>
    <para>belastingplichtigen behoort tot de invordering der belas</para>
    <para>ting, immers de eerste daad van invordering is, en ge</para>
    <para>schillen, die over die invordering kunnen rijzen, niet</para>
    <para>staan ter beoordeeling aan den raad van beroep, doch aan</para>
    <para>den burgerlijken rechter (...)"</para>
    <para>2.3. HR 23 november 1938, B. 6782, blz. 764, overwoog,</para>
    <para>"(...) dat (...) het vaststellen van een aanslag</para>
    <para>schiedt doordat de met de vaststelling belaste autoriteit</para>
    <para>den aanslag te boek stelt en die teboekstelling ondertee</para>
    <para>kent (...)"</para>
    <para>(in gelijke zin HR 14 oktober 1953, nr. 11.441, BNB 1953/278).</para>
    <para>2.4. HR 8 juni 1949, B. 8656, blz. 554, overwoog,</para>
    <para>"(...) dat art. 73 I. B., bepalende dat hij die bezwaar</para>
    <para>heeft tegen den hem opgelegden aanslag binnen twee maan</para>
    <para>den na de dagtekening van het aanslagbiljet een bezwaar</para>
    <para>schrift kan indienen (...), daarmede wel een voorschrift</para>
    <para>geeft aangaande het einde van de reclametermijn, doch</para>
    <para>niet beoogt te bepalen dat tegen een opgelegden aanslag</para>
    <para>niet terstond zou kunnen worden opgekomen (...)"</para>
    <para>2.5. Hof Amsterdam 27 december 1956, NJ 1957, 422, blz. 767,</para>
    <para>overwoog,</para>
    <para>"(...) dat (...) geïnt. de brief van 10 april 1953 niet</para>
    <para>als geldige ter-kennis-brenging van het bedrag der belas</para>
    <para>ting behoefde te beschouwen, weshalve hij ook de aanma</para>
    <para>ning van 20 april 1953 naast zich mocht neerleggen en</para>
    <para>terecht verzet deed tegen de tenuitvoerlegging van het</para>
    <para>dwangbevel (...)"</para>
    <para>2.6. De AWR, Stb. 1959, 301.</para>
    <para>2.6.1. De AWR houdt in de oorspronkelijke tekst in (ik nummer waar</para>
    <para>daar aanleiding toe is, de volzinnen):</para>
    <para>"(...) Art. 5. Als dagtekening van vaststelling van een</para>
    <para>belastingaanslag geldt de dagtekening van het aanslagbil</para>
    <para>jet waaruit van die aanslag blijkt. (...) Art. 11. 1. De</para>
    <para>aanslag wordt vastgesteld door de inspecteur. (...) Art.</para>
    <para>16. 1. (1e volzin) Indien enig feit grond oplevert voor</para>
    <para>het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is</para>
    <para>gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel</para>
    <para>dat een in de belastingwet voorziene vermindering of ont</para>
    <para>heffing ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ver</para>
    <para>leend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting</para>
    <para>navorderen. (2e volzin) Een feit, dat de inspecteur</para>
    <para>bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan</para>
    <para>geen grond voor navordering opleveren. (...) HOOFDSTUK V</para>
    <para>Bezwaar en beroep (...) HOOFDSTUK VIII Bijzondere bepa</para>
    <para>lingen (...)"</para>
    <para>2.6.2. De Memorie van toelichting, Bijlagen Handelingen Tweede</para>
    <para>Kamer, 1954-1955 - 4080, nr. 3, blz. 14, hield in:</para>
    <para>"(linkerkolom, 10e en laatste al.) Artikel 5. In verband</para>
    <para>met de termijnen (...) is het noodzakelijk, dat geen</para>
    <para>twijfel mogelijk is omtrent het tijdstip, waarop (rech</para>
    <para>terkolom, 1e al.) een belastingaanslag tot stand komt.</para>
    <para>Volgens de arresten van de Hoge Raad (...) is dit het</para>
    <para>tijdstip waarop de met het vaststellen van een belasting</para>
    <para>aanslag belaste autoriteit de aanslag te boek stelt en</para>
    <para>die teboekstelling ondertekent. Aangezien echter dit</para>
    <para>tijdstip de aangeslagene onbekend blijft, wordt in afwij</para>
    <para>king van de leer van de Hoge Raad voorgesteld, als dagte</para>
    <para>kening van vaststelling van een belastingaanslag te doen</para>
    <para>gelden de dagtekening van het aanslagbiljet waaruit van</para>
    <para>de aanslag blijkt. Daardoor zal het voor de aangeslagene</para>
    <para>mogelijk zijn na te gaan, of de termijn waarbinnen de</para>
    <para>belastingaanslag moet zijn opgelegd, is inachtgenomen."</para>
    <para>2.6.3. Blijkens de Memorie van antwoord, 1955-1956, nr. 5,</para>
    <para>blz. 5, rechterkolom, 2e al.,</para>
    <para>"(...) wil de [Staatssecretaris] gaarne toezeggen, dat</para>
    <para>aanslagbiljetten geen eerdere dagtekening zullen dragen</para>
    <para>dan die van het tijdstip van uitreiking."</para>
    <para>2.6.4. Het Verslag van het mondeling overleg, tevens eindver</para>
    <para>slag, 1957-1958, nr. 7, punt 9, blz. 6, behelsde de vraag</para>
    <para>(linkerkolom):</para>
    <para>"Hoe wordt de situatie, als de dagtekening door een</para>
    <para>omissie ontbreekt?";</para>
    <para>en het antwoord (rechterkolom),</para>
    <para>"(...) dat in dat geval een nieuw, ditmaal gedagtekend,</para>
    <para>aanslagbiljet zal worden uitgereikt."</para>
    <para>2.6.5. Minister Hofstra, Handelingen, blz. 869, rechterkolom,</para>
    <para>4e al., zei:</para>
    <para>"(...) De belastingadministratie zal een nieuw biljet</para>
    <para>uitreiken met een dagtekening die (...) niet vroeger zal</para>
    <para>liggen dan de dag, waarop dit tweede biljet wordt uitge</para>
    <para>reikt. (...)"</para>
    <para>2.6.6. De Memorie van antwoord, Bijlagen, Eerste Kamer, 1958-</para>
    <para>1959, nr. 7a, blz. 7, linkerkolom, 3e al., hield in:</para>
    <para>"(...) Zou het aanslagbiljet door een fout van de belas</para>
    <para>tingadministratie en dus buiten de schuld van de belas</para>
    <para>tingplichtige aan een verkeerd adres zijn gezonden en</para>
    <para>dientengevolge de belastingplichtige niet in staat zijn</para>
    <para>geweest tijdig een bezwaar- of beroepschrift in te die</para>
    <para>nen, dan zal hem een nieuw aanslagbiljet worden uitge</para>
    <para>reikt, dat niet eerder zal worden gedagtekend dan de dag</para>
    <para>van uitreiking van het nieuwe biljet. (...)"</para>
    <para>2.7. HR 6 juni 1973, nr. 17.106, BNB 1973/161 met noot J. P.</para>
    <para>Scheltens.</para>
    <para>2.7.1. Hof 's-Gravenhage bevestigde een navorderingsaanslag in</para>
    <para>de inkomstenbelasting 1969.</para>
    <para>2.7.2. Uw Raad overwoog,</para>
    <para>"(blz. 588, van regel 29 af) dat (...) belanghebbende</para>
    <para>(...) in de inkomstenbelasting (...) werd aangeslagen</para>
    <para>naar een belastbaar inkomen van f 29.119 (...); dat zulks</para>
    <para>daardoor is veroorzaakt dat een ambtenaar van het Cen</para>
    <para>traal bureau administratie heffing rijksbelastingen te</para>
    <para>Apeldoorn bij het ter verduidelijking opnieuw schrijven</para>
    <para>van het bedrag van het belastbare inkomen op de door de</para>
    <para>Inspecteur toegezonden elementennota ten bedrage van</para>
    <para>f 291.119 abusievelijk een van de cijfers 1 wegliet; dat</para>
    <para>(...), voor het geval (...) een aanslag tot een te laag</para>
    <para>bedrag is vastgesteld, (...) de te weinig geheven belas</para>
    <para>ting kan worden nagevorderd; dat hierop (...) deze uit</para>
    <para>zondering bestaat, dat een feit, dat de inspecteur bekend</para>
    <para>was of redelijkerwijs bekend&amp;lt;(4)Hier zijn enkele woorden geschrapt die in BNB ten</para>
    <para>gevolge van een drukfout dubbel waren afgedrukt (Lijst</para>
    <para>van verbeteringen en aanvullingen, blz. 26).&amp;gt; had kunnen zijn, geen grond</para>
    <para>tot navordering kan opleveren; dat deze uitzondering</para>
    <para>bedoeld is voor - en mitsdien (...) beperkt tot - die</para>
    <para>gevallen, waarin een aanslag bij de belastingplichtige de</para>
    <para>indruk kan wekken te berusten (...) op een - zij het</para>
    <para>mogelijk onjuiste - vaststelling van het belastbare</para>
    <para>inkomen door de inspecteur; dat onder deze uitzondering</para>
    <para>echter niet kan worden begrepen een geval als het onder</para>
    <para>havige, waarin bij het vaststellen van de aanslag het</para>
    <para>belastbare inkomen (...) zonder enige denkbare reden werd</para>
    <para>gesteld op ongeveer een tiende deel van het aangegeven</para>
    <para>belastbare inkomen en waarin duidelijk was - en door</para>
    <para>belanghebbende (...) ook onmiddellijk is begrepen - dat</para>
    <para>zulks berustte op een schrijf- of tikfout of daarmee</para>
    <para>gelijk te stellen vergissing (...)"</para>
    <para>(in ongeveer gelijke zin HR 12 december 1979, nr. 19.252, met</para>
    <para>mijn conclusie, BNB 1980/85 met noot Scheltens, betreffende</para>
    <para>een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting 1972).</para>
    <para>2.8. HR 1 december 1976, nr. 18.026, met mijn conclusie, BNB</para>
    <para>1977/18 met noot Scheltens, betrof de heffing van inkomstenbe</para>
    <para>lasting 1972.</para>
    <para>2.8.1. Ik betoogde:</para>
    <para>"(blz. 95, regels 45-54) Het door de fiscus als een</para>
    <para>Zauberlehrling gehanteerde tovermiddel van de automatise</para>
    <para>ring blijkt onder omstandigheden niet te stuiten in het</para>
    <para>verrichten van de aanvankelijk verlangde diensten. Dien</para>
    <para>tengevolge wordt Uw Raad in het onderhavige geval gecon</para>
    <para>fronteerd met een omkering van een bekend probleem van</para>
    <para>het administratieve recht: in plaats van een beschikking</para>
    <para>die niet op rechtsgeldige wijze is medegedeeld (...),</para>
    <para>geldt het hier de, nagenoeg perfecte, mededeling van iets</para>
    <para>dat geen beschikking is. (blz. 96, regels 8-50) In het</para>
    <para>onderhavige geval heeft (...) de belanghebbende uit de</para>
    <para>uitreiking van het duplicaat-aanslagbiljet door personen,</para>
    <para>voor wier handelingen de Inspecteur verantwoordelijk is</para>
    <para>(...), in verband met andere feiten die onder de verant</para>
    <para>woordelijkheid van de bevoegde Ontvanger vielen (de</para>
    <para>toezending van de accept-girokaart en het niet terugboe</para>
    <para>ken van de betaling), kunnen afleiden, dat een aanslag</para>
    <para>was opgelegd. De combinatie van deze uiterlijke schijn en</para>
    <para>de uitsluitende verantwoordelijkheid daarvoor bij de ter</para>
    <para>zake bevoegde autoriteiten dient, naar het mij voorkomt,</para>
    <para>voor wat de gunstige rechtsgevolgen van een aanslag voor</para>
    <para>de belanghebbende betreft, tot de zelfde rechtsgevolgen</para>
    <para>te leiden als de daadwerkelijke oplegging van een aanslag.</para>
    <para>Ik meen derhalve, dat correctie van de "aanslag", indien</para>
    <para>deze te laag was, niet alleen slechts kon geschieden</para>
    <para>onder de omstandigheden waaronder navordering mogelijk</para>
    <para>is, maar ook uitsluitend bij wege van navordering. (...)</para>
    <para>Navordering naar aanleiding van een feit is (...) niet</para>
    <para>mogelijk, indien dit feit de inspecteur bekend was ten</para>
    <para>tijde van de oplegging van de aanslag. Naar de heersende</para>
    <para>leer, die mij juist voorkomt, is voor de vaststelling van</para>
    <para>dit tijdstip art. 5 AWR van geen betekenis (...) en is</para>
    <para>derhalve het tijdstip van ondertekening van het kohier</para>
    <para>doorslaggevend (...)"</para>
    <para>2.8.2. Uw Raad overwoog (blz. 100, regels 26-56),</para>
    <para>"dat het Hof heeft vastgesteld: dat belanghebbende een</para>
    <para>accept-girokaart van het Centraal Betaalkantoor Rijksbe</para>
    <para>lastingen ontving, met vermelding dat hij f 3355 moest</para>
    <para>betalen; dat belanghebbende, aangezien hij geen aanslag</para>
    <para>biljet maar wel een accept-girokaart had ontvangen, op de</para>
    <para>inspectie een duplikaat van het aanslagbiljet heeft</para>
    <para>aangevraagd; dat hij daarop van de Inspecteur heeft</para>
    <para>ontvangen een duplikaat-aanslagbiljet, vermeldende een</para>
    <para>vastgesteld belastbaar inkomen van f 51.805 en een nog te</para>
    <para>betalen bedrag van f 3355; dat het Hof heeft geoordeeld,</para>
    <para>dat belanghebbende heeft moeten aannemen dat de aanslag</para>
    <para>die volgens het door de Inspecteur toegezonden duplikaat-</para>
    <para>aanslagbiljet aan hem was opgelegd, op regelmatige wijze</para>
    <para>en in overeenstemming met de op het bedoelde biljet</para>
    <para>vermelde gegevens was vastgesteld; dat het Hof voorts</para>
    <para>heeft vastgesteld: dat het volgens het biljet vastgestel</para>
    <para>de belastbare inkomen nagenoeg overeenkwam met het door</para>
    <para>belanghebbende aangegeven belastbare inkomen ten bedrage</para>
    <para>van f 51.071; dat belanghebbende, nadat hem het dupli</para>
    <para>kaat-aanslagbiljet was uitgereikt, op 14 mei 1975 het</para>
    <para>bedrag van f 3355 heeft betaald door middel van de ac</para>
    <para>cept-girokaart; dat het betaalde bedrag door de Ontvanger</para>
    <para>niet als onverschuldigd betaald is teruggegeven; dat het</para>
    <para>Hof heeft geoordeeld, dat door de laatstvermelde vastge</para>
    <para>stelde feiten belanghebbende in de gedachte dat hem een</para>
    <para>rechtsgeldige aanslag was opgelegd, moet zijn gesterkt;</para>
    <para>dat het Hof met voormelde vaststellingen en oordelen, die</para>
    <para>wegens hun feitelijke karakter in cassatie niet op hun</para>
    <para>juistheid kunnen worden getoetst, tot uitdrukking heeft</para>
    <para>gebracht, dat de toezending van het duplikaat-aanslagbil</para>
    <para>jet door personen voor wier handelingen de Inspecteur</para>
    <para>verantwoordelijk is, in verband met andere, onder verant</para>
    <para>woordelijkheid van de bevoegde Ontvanger vallende feiten,</para>
    <para>belanghebbende in de overtuiging heeft gebracht dat de in</para>
    <para>het duplikaat-aanslagbiljet vermelde aanslag was opge</para>
    <para>legd; dat dientengevolge, ook al was een aanslag als in</para>
    <para>het duplikaat-aanslagbiljet vermeld niet ten kohiere</para>
    <para>gebracht, het de Inspecteur, behoudens zijn bevoegdheid</para>
    <para>tot navordering zo daarvoor termen zouden zijn, niet meer</para>
    <para>vrijstond alsnog een voor belanghebbende minder gunstige</para>
    <para>aanslag ten kohiere te brengen (...)"</para>
    <para>2.9. HR 12 oktober 1977, nr. 18.335, BNB 1978/4 met noot H. J.</para>
    <para>Hofstra, blz. 31, regels 17-37, overwoog voor de heffing van</para>
    <para>inkomstenbelasting 1971,</para>
    <para>"dat een redelijke toepassing (...) zich ertegen verzet</para>
    <para>een belastingplichtige, die ermee bekend is dat zijn</para>
    <para>bezwaar bij uitspraak (...) is afgewezen en die van deze</para>
    <para>uitspraak in beroep komt vóór de terpostbezorging (...)</para>
    <para>van het afschrift daarvan, enkel vanwege die laatstge</para>
    <para>noemde omstandigheid niet-ontvankelijk te achten; dat</para>
    <para>niet anders dient te worden geoordeeld ingeval de belas</para>
    <para>tingplichtige weliswaar in beroep komt vóór de totstand</para>
    <para>koming van de (...) uitspraak (...), doch zulks doet in</para>
    <para>het gerechtvaardigd vertrouwen dat de Inspecteur op het</para>
    <para>bezwaarschrift (...) uitspraak (...) heeft gedaan; dat</para>
    <para>zodanig geval zich te dezen voordoet; dat toch (...) aan</para>
    <para>belanghebbende in verband met zijn bezwaarschrift uitstel</para>
    <para>van betaling is verleend; dat (...) de Ontvanger (...)</para>
    <para>aan belanghebbende (...) heeft bericht: "Het uitstel van</para>
    <para>betaling wordt thans ingetrokken omdat volgens mededeling</para>
    <para>van de Inspecteur het bezwaarschrift is afgewezen."; dat</para>
    <para>(...) belanghebbende, gezien voormeld bericht van de</para>
    <para>Ontvanger, erop mocht vertrouwen dat (...) de Inspecteur</para>
    <para>(...) uitspraak op het bezwaarschrift had gedaan (...)"</para>
    <para>2.10. HR 5 juli 1982, nr. 21.144, BNB 1982/296 met noot F. W.</para>
    <para>G. M. van Brunschot, blz. 1478, regels 32-35, overwoog voor de</para>
    <para>heffing van inkomstenbelasting 1975,</para>
    <para>"dat (...) artikel 16, lid 1, laatste volzin, van</para>
    <para>Algemene wet inzake rijksbelastingen met het voorschrift</para>
    <para>dat een feit dat de inspecteur bekend was of redelijker</para>
    <para>wijs bekend had kunnen zijn geen grond voor navordering</para>
    <para>kan opleveren, (...) het oog heeft op bekendheid met het</para>
    <para>feit ten tijde van het vaststellen van de primitieve</para>
    <para>aanslag (...)"</para>
    <para>2.11. HR 6 juli 1983, nr. 21.052, met mijn conclusie, BNB</para>
    <para>1984/30 met noot Scheltens, blz. 182, regels 37-50, overwoog</para>
    <para>voor de premieheffing volksverzekeringen 1968 tot en met 1970,</para>
    <para>"dat, ook indien op een aanslagbiljet de dagtekening</para>
    <para>ontbreekt, de aangeslagene over de inachtneming van [de]</para>
    <para>termijn niet in onzekerheid kan verkeren indien hij het</para>
    <para>aanslagbiljet vóór de afloop van die termijn heeft ont</para>
    <para>vangen; dat in het onderhavige geval (...) voor belang</para>
    <para>hebbende geen twijfel kan hebben bestaan over de vraag of</para>
    <para>[de] aanslagen zijn vastgesteld binnen de (...) termijn</para>
    <para>(...); dat derhalve, gelet op de (...) strekking van</para>
    <para>artikel 5 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,</para>
    <para>het ontbreken van de dagtekening op het aanslagbiljet te</para>
    <para>dezen geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de</para>
    <para>daaruit blijkende aanslagen (...)"</para>
    <para>2.12. HR 1 mei 1985, nr. 22.680, met conclusie van de advocaat-</para>
    <para>generaal Moltmaker, BNB 1985/204 met noot Hofstra.</para>
    <para>2.12.1. Hof Arnhem 21 december 1983 vernietigde een door het</para>
    <para>zuiveringschap West-Overijssel gevorderd bedrag wegens veront</para>
    <para>reinigingsheffing oppervlaktewateren 1979.</para>
    <para>2.12.2. Naar Uw Raad, onder 5.2, blz. 1084, regels 13-22, overwoog,</para>
    <para>"(...) heeft het Hof (...) het, ook voor een heffing als</para>
    <para>de onderwerpelijke te maken, onderscheid tussen enerzijds</para>
    <para>de - voor de toepassing van de Algemene wet inzake rijks</para>
    <para>belastingen als vaststelling van de aanslag aan te merken</para>
    <para>- vaststelling van het gevorderde bedrag en anderzijds de</para>
    <para>- voor die toepassing als uitreiking van een aanslagbil</para>
    <para>jet op te vatten - kennisgeving van het gevorderde bedrag</para>
    <para>uit het oog verloren. Die kennisgeving (...) mag immers</para>
    <para>niet worden vereenzelvigd met de vaststelling van het</para>
    <para>gevorderde bedrag door het daartoe aangewezen orgaan van</para>
    <para>het Zuiveringschap (...)"</para>
    <para>2.13. R. M. P. G. Cobben, Weekblad voor fiscaal recht (WFR)</para>
    <para>1989/5885, blz. 1206, onder 3.4, betoogt:</para>
    <para>"(...) Een belastingaanslag wordt (...) ingevolge</para>
    <para>Algemene wet bestuursrecht&amp;lt;(5)De lezer geve zich er rekenschap van dat mw. Cobben dit</para>
    <para>schreef toen de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nog in</para>
    <para>het voorstelstadium verkeerde.&amp;gt; geldig bekend gemaakt indien</para>
    <para>deze aan de belastingschuldige wordt toegezonden (...)</para>
    <para>Dit is de praktijk, zodat geen verandering in het fiscale</para>
    <para>recht is te verwachten (...)"</para>
    <para>2.14. HR 6 december 1989, nr. 25.888, BNB 1990/176 met noot</para>
    <para>Hofstra.</para>
    <para>2.14.1. Hof 's-Gravenhage 15 januari 1988 vernietigde een</para>
    <para>navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting 1978.</para>
    <para>2.14.2. Uw Raad, onder 4, blz. 1267, regels 48-56, overwoog:</para>
    <para>"Artikel 5 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen</para>
    <para>beoogt (...) het voor de aangeslagene mogelijk te maken</para>
    <para>na te gaan of de termijn waarbinnen de belastingaanslag</para>
    <para>moet zijn opgelegd, is in acht genomen. Indien, zoals in</para>
    <para>het onderwerpelijke geval, de dagtekening van het aan</para>
    <para>slagbiljet wél, maar de terpostbezorging daarvan niet</para>
    <para>binnen de voor navordering geldende wettelijke termijn</para>
    <para>heeft plaatsgevonden, komt de waarborg die voor de belas</para>
    <para>tingplichtigen is gelegen in evenvermelde strekking van</para>
    <para>artikel 5 slechts dan behoorlijk tot zijn recht wanneer</para>
    <para>voor de toepassing van die bepaling wordt aangenomen dat</para>
    <para>de terpostbezorging van het aanslagbiljet in de plaats</para>
    <para>komt van de dagtekening daarvan. (...)";</para>
    <para>en verwierp het beroep in cassatie.</para>
    <para>2.14.3. Hofstra annoteerde, refererend aan (blz. 1270, regels 12-35)</para>
    <para>"6. (...)  De wat ongelukkige toezegging in de MvA (...)</para>
    <para>De strekking van art. 5 AWR is (...) aan de belasting</para>
    <para>schuldige in twijfelgevallen een (bindende) aanwijziging</para>
    <para>(lees: aanwijzing, v.S.) te verschaffen omtrent het</para>
    <para>tijdstip waarop de aanslag werd vastgesteld. (...)"</para>
    <para>2.15. HR 6 december 1989, nr. 25.909, BNB 1990/177 met noot</para>
    <para>Hofstra, onder 4.1, blz. 1275, overwoog, inzake een nahef</para>
    <para>fingsaanslag in de omzetbelasting 1980 - 1984, in gelijke zin</para>
    <para>als hiervóór uit het arrest van 6 december 1989, nr. 25.888,</para>
    <para>geciteerd, en overwoog vervolgens (regels 25-41):</para>
    <para>"Indien het aanslagbiljet als gevolg van een aan</para>
    <para>belastingadministratie te verwijten onjuiste adressering</para>
    <para>door de belastingplichtige niet binnen de termijn is</para>
    <para>ontvangen, geldt als datum van terpostbezorging de datum</para>
    <para>van verzending aan het juiste adres. Dit lijdt uitzonde</para>
    <para>ring indien (...) de belastingplichtige niettemin binnen</para>
    <para>de termijn op de hoogte was van de verzending van het</para>
    <para>aanslagbiljet en mitsdien bij hem geen twijfel erover kan</para>
    <para>hebben bestaan dat de aanslag was vastgesteld binnen die</para>
    <para>termijn. 4.2. Nu (...) niet (...) zich te dezen de onder</para>
    <para>4.1 vermelde uitzondering heeft voorgedaan (...), volgt</para>
    <para>uit het onder 4.1 overwogene dat de aanslag, gelet op de</para>
    <para>(...) termijn, ten onrechte is opgelegd voor zover de</para>
    <para>daarin begrepen belasting betrekking heeft op het gedeel</para>
    <para>te van het tijdvak dat is gelegen vóór 1 januari 1981.</para>
    <para>(...)"</para>
    <para>2.16. De Invorderingswet 1990, Stb. 221 (Inv.wet 1990), en de</para>
    <para>Invoeringswet Inv.wet 1990, Stb. 222.</para>
    <para>2.16.1. Art. 8, lid 1, Inv.wet 1990, oorspronkelijke tekst, luidt:</para>
    <para>"De ontvanger bezorgt het door de inspecteur opgemaakte,</para>
    <para>voor de belastingschuldige bestemde, aanslagbiljet ter</para>
    <para>post of reikt het hem uit."</para>
    <para>2.16.2. Art. 5, lid 1, AWR werd bij de Invoeringswet Inv.wet</para>
    <para>1990 met ingang van 1 juni 1990 geredigeerd:</para>
    <para>"(1e volzin) De vaststelling van een belastingaanslag</para>
    <para>schiedt door het ter zake daarvan opmaken van een aan</para>
    <para>slagbiljet door de inspecteur. (2e volzin) De dagtekening</para>
    <para>van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vast</para>
    <para>stelling van de belastingaanslag. (3e volzin) De inspec</para>
    <para>teur stelt het aanslagbiljet ter invordering van de</para>
    <para>daaruit blijkende belastingaanslag aan de ontvanger ter</para>
    <para>hand."</para>
    <para>2.16.3. Ter toelichting van het nieuwe art. 5 AWR werd opge</para>
    <para>merkt (Memorie van toelichting, Tweede Kamer, 1988-1989 -</para>
    <para>21.135, nr. 3):</para>
    <para>"(blz. 9, 9e&amp;lt;(6)De opschriften niet afzonderlijk geteld.&amp;gt; en laatste al.) De redaktie van artikel 5 -</para>
    <para>dat het tijdstip van vaststelling van een belastingaan</para>
    <para>slag en de relatie tussen het vaststellen van een aanslag</para>
    <para>en het opmaken van een aanslagbiljet regelt - is aange</para>
    <para>past in verband met het vervallen van het kohier (...)</para>
    <para>(blz. 10, 1e al.) (...) Het meest voor de hand liggend en</para>
    <para>het meest praktisch is het om de inspecteur het aanslag</para>
    <para>biljet te laten opmaken waarmee hij dan tevens de aanslag</para>
    <para>vaststelt. Hiertoe strekt de eerste volzin van het eerste</para>
    <para>lid. (2e al.) De tweede volzin van het eerste lid van</para>
    <para>artikel 5 komt overeen met de inhoud van het bestaande</para>
    <para>artikel. (3e al.) Opmerking verdient dat het vervallen</para>
    <para>van het kohier en de nieuwe wijze van vaststelling van de</para>
    <para>belastingaanslag geen invloed heeft op de positie van de</para>
    <para>belastingplichtige c.q. de belastingschuldige. Op grond</para>
    <para>van het thans vervallen artikel 5 gold immers ook al als</para>
    <para>dagtekening van vaststelling van een belastingaanslag de</para>
    <para>dagtekening van het aanslagbiljet waaruit van die aanslag</para>
    <para>blijkt. Hieraan is onder meer voor de belastingplichtige</para>
    <para>de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift</para>
    <para>gekoppeld. Het vervallen van het kohier en de nieuwe</para>
    <para>wijze van vaststelling van de aanslag hebben hierop geen</para>
    <para>invloed. (...) (4e al.) De derde volzin van het eerste</para>
    <para>lid markeert de overgang van de heffingsfase naar invor</para>
    <para>deringsfase (vergelijk artikel 8, eerste lid, van de</para>
    <para>Invorderingswet [1990]); de bepaling is vergelijkbaar met</para>
    <para>de slotzinsnede van artikel 1 van de Invorderingswet</para>
    <para>1845, waarin werd bepaald dat de kohieren aan de ontvan</para>
    <para>ger ter invordering ter hand werden gesteld."</para>
    <para>2.16.4. De Leidraad Invordering 1990, oorspronkelijke tekst,</para>
    <para>houdt in:</para>
    <para>"(...) Artikel 8. § 1. (...) 1. Artikel 8 van de wet</para>
    <para>bevat de bepalingen die het begin van de invordering van</para>
    <para>een belastingaanslag regelen. De inspecteur stelt het</para>
    <para>bedrag van de aanslag vast en maakt ter zake daarvan een</para>
    <para>aanslagbiljet op. Daarmede wordt de uit de wet voort</para>
    <para>vloeiende materiële schuld geformaliseerd. Vervolgens</para>
    <para>bezorgt de ontvanger het voor de belastingschuldige</para>
    <para>bestemde aanslagbiljet ter post of reikt het hem uit,</para>
    <para>waardoor voor de belastingschuldige een betalingsver</para>
    <para>plichting ontstaat. (...) 2. Artikel 8, eerste lid, van</para>
    <para>de wet verplicht de ontvanger het door de inspecteur</para>
    <para>opgemaakte aanslagbiljet ter post te bezorgen of aan de</para>
    <para>belastingschuldige uit te reiken. De terpostbezorging of</para>
    <para>uitreiking vormt de eerste daad van invordering. Overi</para>
    <para>gens zal de terpostbezorging van het aanslagbiljet veelal</para>
    <para>namens de ontvanger door de Centrale heffingsadministra</para>
    <para>tie rijksbelastingen (...) te Apeldoorn (...) geschieden.</para>
    <para>(...) 3. Voor de verzending van de aanslagbiljetten (...)</para>
    <para>maakt de ontvanger gebruik van de diensten van de P.T.T.-</para>
    <para>post. (...) 4. Indien de ontvanger zulks wenselijk acht</para>
    <para>bezorgt hij het aanslagbiljet niet per post, maar reikt</para>
    <para>hij het biljet aan belastingschuldige (...) uit. (...)"</para>
    <para>2.17. HR 17 oktober 1990, nr. 26.299, met mijn conclusie, BNB</para>
    <para>1991/118 met noot Scheltens, onder 4.3, blz. 729, regels 20-</para>
    <para>26, overwoog voor de heffing van inkomstenbelasting 1985:</para>
    <para>"Op [het], aan het aanslagbiljet te ontlenen en in het</para>
    <para>belang van de rechtszekerheid te beschermen vertrouwen</para>
    <para>kan de belastingplichtige zich (...) niet met vrucht</para>
    <para>beroepen indien hem ten tijde van de uitreiking van het</para>
    <para>aanslagbiljet reeds vanwege de inspecteur was kenbaar</para>
    <para>gemaakt dat de daarin opgenomen aanslag ten gevolge van</para>
    <para>een door de Inspecteur nader aangeduide misslag van</para>
    <para>feitelijke of rechtskundige aard onjuist was vastgesteld</para>
    <para>en mitsdien in zoverre niet als definitieve vaststelling</para>
    <para>van de belastingschuld kon gelden doch door een navorde</para>
    <para>ring op dit punt zou worden gevolgd. (...)"</para>
    <para>2.18. HR 21 november 1990, nr. 26.910, BNB 1991/132 met noot</para>
    <para>Scheltens, onder 4.2, overwoog voor de heffing van inkomsten</para>
    <para>belasting 1984:</para>
    <para>"(blz. 813, van regel 56 af) Het Hof heeft (...) vastge</para>
    <para>steld dat op het tijdstip waarop het renseignement ter</para>
    <para>inspectie binnenkwam, de primitieve aanslag reeds was</para>
    <para>vastgesteld en de Inspecteur niet meer in staat was de</para>
    <para>verzending van het aanslagbiljet te verhinderen. (blz.</para>
    <para>814, tot en met regel 3) Hiervan uitgaande heeft het Hof</para>
    <para>zonder schending van het recht kunnen oordelen dat te</para>
    <para>dezen geen sprake is van een feit als bedoeld in de</para>
    <para>tweede volzin van artikel 16, lid 1, van de Algemene wet</para>
    <para>inzake rijksbelastingen."</para>
    <para>2.19. Naar Hof 's-Gravenhage, MK IV, 8 maart 1993, nr. 92/</para>
    <para>0628, Vakstudie Nieuws 22 juli 1993, blz. 2320, punt 5, inzake</para>
    <para>een geschil over omzetbelasting overwoog (blz. 2321),</para>
    <para>"(...) 6.3. (...) kan de Inspecteur, indien belasting die</para>
    <para>op aangifte behoort te worden voldaan (...) niet is</para>
    <para>betaald, de te weinig geheven belasting naheffen. Met</para>
    <para>(...) niet betaald zijn wordt (...) gelijkgesteld het</para>
    <para>geval waarin, naar aanleiding van een ingevolge de belas</para>
    <para>tingwet gedaan verzoek, ten onrechte teruggaaf van belas</para>
    <para>ting is verleend. (...) 6.4. Voor terugvordering bij wege</para>
    <para>van beschikking bestaat niet een wettelijke basis. De</para>
    <para>Inspecteur heeft niet gesteld dat de onderwerpelijke</para>
    <para>beschikking moet worden aangemerkt als een naheffingsaan</para>
    <para>slag. Daargelaten of conversie van de beschikking in een</para>
    <para>naheffingsaanslag juridisch mogelijk is, zou (...) in dit</para>
    <para>geval voor conversie reeds geen plaats zijn, omdat (...)</para>
    <para>de Inspecteur (...) mede ter zake van de onderhavige</para>
    <para>aangelegenheid aan belanghebbende al een naheffingsaan</para>
    <para>slag heeft opgelegd. (...)"</para>
    <para>2.20. Met ingang van 1 januari 1994 is de Awb van kracht. Zij</para>
    <para>houdt in de oorspronkelijke tekst in:</para>
    <para>"(...) Art. 3:40. Een besluit treedt niet in werking</para>
    <para>voordat het is bekendgemaakt. Art. 3:41. De bekendmaking</para>
    <para>van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn</para>
    <para>gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen</para>
    <para>(...)"</para>
    <para>2.21. Met ingang van 1 januari 1994 werd art. 8, lid 1,</para>
    <para>Inv.wet 1990 geredigeerd:</para>
    <para>"De ontvanger maakt de belastingaanslag bekend door</para>
    <para>toezending of uitreiking van het door de inspecteur voor</para>
    <para>de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet."</para>
    <para>2.22. G. J. van Leijenhorst, BNB 1995/12, blz. 109, regels 48-</para>
    <para>51, betoogt inzake heffingen door lagere overheden:</para>
    <para>"Voor het onderhavige geval is het subtiele onderscheid</para>
    <para>tussen de vaststelling van de aanslag en de uitreiking</para>
    <para>van het aanslagbiljet niet zo relevant. Niet in geschil</para>
    <para>is dat de aanslag bevoegdelijk is vastgesteld en dat de</para>
    <para>vaststelling van de aanslag aan belanghebbende is bekend</para>
    <para>gemaakt door de uitreiking van het aanslagbiljet (...)"</para>
    <para>2.23. J. W. Ilsink en I. M. Fliers, Fiscaal bestuursproces</para>
    <para>recht, 1995, nr. 25, onder b, blz. 46, betogen:</para>
    <para>"(...) De belastingaanslag is een hybride figuur. Dat</para>
    <para>komt omdat onderscheid moet worden gemaakt tussen heffing</para>
    <para>en invordering. De vaststelling van een aanslag - dat is</para>
    <para>de laatste daad van heffing - geschiedt door de inspec</para>
    <para>teur door het opmaken van het aanslagbiljet dat vervol</para>
    <para>gens aan de ontvanger ter hand wordt gesteld; art. 5, lid</para>
    <para>1, AWR. De bekendmaking van de belastingaanslag - dat is</para>
    <para>de eerste invorderingsdaad - gebeurt door de ontvanger</para>
    <para>door toezending (...) van het door de inspecteur opge</para>
    <para>maakte aanslagbiljet; art. 8 Inv.w. Voor het antwoord op</para>
    <para>de vraag of een aanslag tijdig (...) is opgelegd, is in</para>
    <para>beginsel niet de bekendmaking maar de vaststelling van de</para>
    <para>aanslag doorslaggevend. Dat blijkt uit art. 5, lid 1,</para>
    <para>tweede volzin, AWR (...) In zoverre geldt voor het belas</para>
    <para>tingrecht dus een afwijking van de art. 3:40 en 3:41 Awb.</para>
    <para>De Belastingdienst moet er dan wel voor zorgen dat het</para>
    <para>tijdstip van verzending van het aanslagbiljet ligt vóór</para>
    <para>de dagtekening. Bij de parlementaire behandeling van de</para>
    <para>AWR is dat (...) toegezegd. (...) De Hoge Raad (...)</para>
    <para>heeft die toezegging zo opgevat dat, indien een aanslag</para>
    <para>binnen de verjaringstermijn is vastgesteld maar pas</para>
    <para>daarna ter post is bezorgd, de datum van terpostbezorging</para>
    <para>geldt als datum van vaststelling. (...) Bij een belas</para>
    <para>tingaanslag geldt dus: dagtekening of latere bekendma</para>
    <para>king."</para>
    <para>2.24. HR 25 oktober 1995, nr. 30.122, BNB 1996/35 met noot Van</para>
    <para>Leijenhorst, onder 3.3, blz. 337, regels 38-41, overwoog voor</para>
    <para>de heffing van vennootschapsbelasting 1987,</para>
    <para>"(...) dat (...) de aanslag (...) in overeenstemming</para>
    <para>met de aanslag zoals de Inspecteur die beoogde vast te</para>
    <para>stellen. Dit brengt mee dat de Inspecteur een ambtelijk</para>
    <para>verzuim heeft begaan, dat niet berust op een met een</para>
    <para>schrijf- of tikfout gelijk te stellen vergissing. (...)"</para>
    <para>3. Heffingsrente.</para>
    <para>3.1. Blijkens Geschriften van de Vereniging voor Administratief</para>
    <para>Recht XXIII, 1951,</para>
    <para>"(blz. 23) (...) vraagt [H. D. van Wijk] zich af</para>
    <para>voorwaarde niet (...) van drieërlei soort is (...):</para>
    <para>opschortend, ontbindend, verplichtend? Stellig komen de</para>
    <para>ontbindende en (blz. 24) de opschortende voorwaarde in</para>
    <para>het administratieve recht veel minder voor dan de ver</para>
    <para>plichtende, maar spreker (...) meent (...) dat dit een</para>
    <para>gevolg is van structuurverschil tussen administratief</para>
    <para>recht en privaatrecht: de eenzijdigheid van de beschik</para>
    <para>king. Dit neemt echter niet weg dat ook de opschortende</para>
    <para>en ontbindende voorwaarde bij administratieve beschikkin</para>
    <para>gen zeer goed denkbaar zijn. (...)"</para>
    <para>(zie voorts Van Wijk/W. Konijnenbelt/R. M. van Male, Hoofd</para>
    <para>stukken van administratief recht, 10e druk, 1997, blz. 228,</para>
    <para>noot 193, nr. 6.52).</para>
    <para>3.2. De Wet van 26 maart 1987, Stb. 120.</para>
    <para>3.2.1. In 1987 werd in de AWR ingevoegd:</para>
    <para>"(...) HOOFDSTUK VA Heffingsrente Art. 30a. 1. Met betrek</para>
    <para>king tot de (...) vennootschapsbelasting wordt rente -</para>
    <para>heffingsrente - berekend ingeval een voorlopige aanslag</para>
    <para>tot een negatief bedrag [of] een aanslag (...) wordt</para>
    <para>vastgesteld. (...) Art. 30b. 1. Heffingsrente wordt</para>
    <para>vergoed over het negatieve bedrag van de voorlopige</para>
    <para>aanslag, over het negatieve bedrag van de aanslag, alsme</para>
    <para>de over het bedrag van de teruggaaf. (...) Art. 30c. 1.</para>
    <para>(1e volzin) Heffingsrente wordt in rekening gebracht over</para>
    <para>het bedrag van de aanslag voor zover dit bedrag uitgaat</para>
    <para>boven het bedrag van de aanslag dat zou zijn verschuldigd</para>
    <para>ingeval de aanslag zou zijn vastgesteld overeenkomstig de</para>
    <para>aangifte (...) Art. 30d. 1. De inspecteur stelt het</para>
    <para>bedrag van de heffingsrente vast bij beschikking. 2. (1e</para>
    <para>volzin) Het bedrag van de heffingsrente wordt op het</para>
    <para>aanslagbiljet (...) afzonderlijk vermeld. 3. De ontvanger</para>
    <para>betaalt de te vergoeden heffingsrente uit (...)"</para>
    <para>3.2.2. Ter toelichting werd betoogd (Memorie van toelichting,</para>
    <para>1985-1986 - 19.557, nr. 3):</para>
    <para>"(blz. 3, 4e al.) De te vergoeden en de in rekening</para>
    <para>brengen rente worden al naar gelang de situatie die het</para>
    <para>betreft berekend door de inspecteur dan wel de ontvanger.</para>
    <para>Enerzijds betreft het rente die wordt vergoed dan wel in</para>
    <para>rekening wordt gebracht in verband met het late tijdstip</para>
    <para>van het opleggen van de aanslag (...) Anderzijds gaat het</para>
    <para>om rente die in rekening wordt gebracht in verband met de</para>
    <para>te late betaling van een opgelegde aanslag alsmede te</para>
    <para>vergoeden rente in verband met een betaalde aanslag die</para>
    <para>later wordt verminderd. Bij het aanbrengen van dit onder</para>
    <para>scheid hebben wij ons in de eerste plaats laten leiden</para>
    <para>door de wens de regeling zowel voor de belastingplichti</para>
    <para>gen als voor de belasting dienst zo eenvoudig mogelijk te</para>
    <para>doen zijn. In verband daarmee hebben wij ons niet strikt</para>
    <para>menen te moeten baseren op het bestaande onderscheid</para>
    <para>tussen heffing en invordering c.q. op de bestaande taak</para>
    <para>verdeling tussen inspecteur en ontvanger. (blz. 15, 5e</para>
    <para>al.) (...) Artikel 30d bevat de formele aspecten van de</para>
    <para>regeling van de heffingsrente."</para>
    <para>3.2.3. De Memorie van antwoord, 1986-1987, nr. 6, hield in:</para>
    <para>"(blz. 1, 1e al.) (...) Dit voorstel maakt (...) een eind</para>
    <para>aan de bestaande onevenwichtigheid dat aan belasting</para>
    <para>plichtigen wel rente in rekening kan worden gebracht bij</para>
    <para>belastingschulden, zonder dat zij recht op rentevergoe</para>
    <para>ding hebben bij terug te ontvangen belastingbedragen.</para>
    <para>(...) (blz. 9, 3e al.) (...) Het indertijd&amp;lt;(7)Te weten ter gelegenheid van een eerder ingediend, maar</para>
    <para>vervolgens ingetrokken, wetsvoorstel tot regeling van</para>
    <para>deze problematiek.&amp;gt; aangevoerde</para>
    <para>voordeel van het aanmerken van rente als belasting, te</para>
    <para>weten het voorkomen dat de rente invloed heeft op het</para>
    <para>fiscale inkomen, spreekt ons niet zo aan. Uitgaande van</para>
    <para>het gegeven dat het daadwerkelijk rente is die betaald</para>
    <para>dan wel ontvangen wordt, is het als zodanig in aanmerking</para>
    <para>nemen ook volstrekt logisch. Wij zien geen reden om deze</para>
    <para>rente anders te behandelen dan alle overige betaalde of</para>
    <para>ontvangen rente. (...) (4e al.) (...) Het (...) is (...)</para>
    <para>bij het in rekening brengen van heffingsrente irrelevant</para>
    <para>of de door de inspecteur aangebrachte correctie de belas</para>
    <para>tingplichtige kan worden aangerekend; de rente wordt in</para>
    <para>rekening gebracht om te voorkomen dat er ten onrechte</para>
    <para>rente-voordeel zou worden genoten. (...)"</para>
    <para>3.2.4. De Memorie van antwoord, Eerste Kamer, nr. 154a, blz.</para>
    <para>4, 6e al., hield in:</para>
    <para>"Naar aanleiding van de vraag van (...) leden (...)</para>
    <para>inzake [een] hun onduidelijke (...) alinea (...) merken</para>
    <para>wij het volgende op. In de door deze leden bedoelde</para>
    <para>passage gaat het erom in hoeverre kan worden afgeweken</para>
    <para>van het uitgangspunt dat renteberekening plaatsvindt ter</para>
    <para>wegneming van objectief economisch voor- of nadeel, in de</para>
    <para>stukken hebben wij verdedigd dat zulks mogelijk, ja zelfs</para>
    <para>geboden is, in situaties waarin de belastingplichtige van</para>
    <para>zijn kant aktie heeft ondernomen om rentenadeel voor de</para>
    <para>fiscus te voorkomen door - tijdig - een correcte aangifte</para>
    <para>te doen. Als in zo'n geval de fiscus niet tijdig reageert</para>
    <para>door het opleggen van een (voorlopige) aanslag, dient</para>
    <para>naar onze mening renteberekening over het bedrag van de -</para>
    <para>na 15 maanden - opgelegde aanslag achterwege te blijven,</para>
    <para>ondanks het feit dat bij de belastingplichtige objectief</para>
    <para>economisch rentevoordeel te constateren valt. Vloeit het</para>
    <para>rentenadeel echter voort uit het feit dat de belasting</para>
    <para>plichtige - al dan niet bewust - een te lage aangifte</para>
    <para>heeft gedaan, dan is dit voor zijn rekening."</para>
    <para>3.3. De resolutie van 28 december 1989, nr. AFZ89/6907, Vak studie Nieuws 11 januari 1990, blz. 98, punt 7, houdt in,</para>
    <para>"(...) dat (...) geen berekening van heffingsrente plaats</para>
    <para>vindt bij positieve voorlopige aanslagen (...) Met name</para>
    <para>leidt dit tot ongewenste gevolgen indien de voorlopige</para>
    <para>aanslag door een vergissing tot een te hoog bedrag is</para>
    <para>vastgesteld. Indien, onder instandhouding van een (hoge)</para>
    <para>voorlopige aanslag (...) de definitieve aanslag, leidende</para>
    <para>tot een negatief saldo, wordt opgelegd, wordt heffings</para>
    <para>rente vergoed over dat saldo vanaf het drempeltijdvak.</para>
    <para>(...) Derhalve ontstaat een rentenadeel voor de Staat</para>
    <para>(...) Aangezien de heffingsrentevergoeding als gevolg van</para>
    <para>de tot nu toe gevolgde werkwijze niet in overeenstemming</para>
    <para>is met de bedoeling van de wet verdient het aanbeveling,</para>
    <para>alvorens de (definitieve) elementennota aan het CAB in te</para>
    <para>zenden, voor elk middel na te gaan of een voorlopige</para>
    <para>aanslag buiten het drempeltijdvak is opgelegd én, zo deze</para>
    <para>hoger is dan de nog op te leggen definitieve aanslag, de</para>
    <para>voorlopige aanslag aanstonds te verminderen. (...)"</para>
    <para>3.4. De resolutie van 2 juli 1991, nr. CA91/78, Vakstudie</para>
    <para>Nieuws 18 juli 1991, blz. 1996, punt 10, onder 3, houdt in:</para>
    <para>"(blz. 1997) (...) De inspecteur zal (...) bij zijn</para>
    <para>besluit om een voorlopige aanslag te verminderen of een</para>
    <para>negatieve definitieve aanslag op te leggen de consequen</para>
    <para>ties van de renteregeling in acht moeten nemen. (...)</para>
    <para>Voorbeeld 2. (...) Als er een verbeterde aangifte ontvan</para>
    <para>gen wordt na het drempeltijdvak dat een hoger belastbaar</para>
    <para>inkomen bevat dan de eerdere aangifte en er wordt een</para>
    <para>nadere voorlopige aanslag opgelegd dan leidt dat bij de</para>
    <para>definitieve aanslag tot een per saldo te betalen bedrag</para>
    <para>van nihil. En tot het niet in rekening brengen van hef</para>
    <para>fingsrente. Bij de ontvangst van een verbeterde aangifte</para>
    <para>zal moeten worden nagegaan of de aanslag niet direct</para>
    <para>definitief geregeld kan worden. Indien dit niet mogelijk</para>
    <para>is, dan toch zo snel mogelijk een voorlopige aanslag</para>
    <para>opleggen. (...) Voorbeeld 4. Als na het drempeltijdvak</para>
    <para>een te hoge voorlopige (ambtshalve) aanslag is op- (blz.</para>
    <para>1998) gelegd en wordt gevolgd door een definitieve nega</para>
    <para>tieve aanslag na het drempeltijdvak wordt heffingsrente</para>
    <para>vergoed. (...) Het eventuele nadeel dat voor belasting</para>
    <para>plichtige of Rijk ontstaat door deze handelwijze van de</para>
    <para>inspecteur wordt voorkomen door het verminderen van de</para>
    <para>(nadere) voorlopige aanslag."</para>
    <para>3.5. H. Buter, WFR 1991/5979, betoogt onder de onderkop</para>
    <para>"(blz. 1400) (...) INVORDERINGS- EN HEFFINGSRENTE NADER</para>
    <para>BESCHOUWD 1 (...) (blz. 1401) De opzet van dit artikel</para>
    <para>is, te benadrukken dat sprake is van een partiële&amp;lt;(8)Cursivering van Buter.&amp;gt; rege</para>
    <para>ling, waarin zowel bewust als ongewild gaten zijn gela</para>
    <para>ten. (...) (blz. 1403) 4.2 (...) Heffingsrente bij de</para>
    <para>[vennootschapsbelasting] wordt vergoed over negatieve</para>
    <para>voorlopige of definitieve aanslagen, en voorts over</para>
    <para>verminderingen van aanslagen, voor zover een negatieve of</para>
    <para>(indien de aanslag reeds negatief was) een meer negatieve</para>
    <para>aanslag ontstaat. (...) (blz. 1404) (...) 5.2 (...) ter</para>
    <para>illustratie (...) etaleer ik een aantal curiositeiten</para>
    <para>(...): - (...) BV A dient op 1 juli 1991 een aangifte</para>
    <para>vennootschapsbelasting over 1988 in, waarbij een verlies</para>
    <para>van f 100.000 wordt aangegeven. Door een administratieve</para>
    <para>fout wordt, voor de vaststelling van een voorlopige</para>
    <para>aanslag een belastbaar bedrag van + f 100.000 verwerkt.</para>
    <para>Een half jaar later wordt de definitieve aanslag vastge</para>
    <para>steld op nihil. Door verrekening van de voorlopige aan</para>
    <para>slag wordt over het verrekende bedrag de van 1 april 1990</para>
    <para>af berekende heffingsrente (over f 100.000) "vergoed"</para>
    <para>(...) - (...) (blz. 1406) 5.4 (...) Over negatieve (defi</para>
    <para>nitieve) aanslagen wordt heffingsrente vergoed. Deze</para>
    <para>ontstaan door verrekening van hogere voorheffingen (...),</para>
    <para>of van te hoge voorlopige aanslagen. In het laatste geval</para>
    <para>bestaat echter geen reden tot vergoeding van heffingsren</para>
    <para>te. De negatieve aanslag die door de verrekening ont</para>
    <para>staat, heeft geen andere betekenis dan dat de voorlopige</para>
    <para>aanslag, voor zover die te hoog was, ongedaan wordt</para>
    <para>gemaakt. Dat is in feite niets anders dan een mutatie in</para>
    <para>de voorlopige aanslag. Datzelfde kan ook worden bewerk</para>
    <para>stelligd door, voordat de definitieve aanslag wordt</para>
    <para>vastgesteld, de voorlopige aanslag te verminderen. (...)</para>
    <para>(blz. 1408) (...) 8 (...) Als ten gevolge van onjuiste</para>
    <para>informatie of van administratieve fouten te weinig rente</para>
    <para>is berekend of te veel is vergoed, is het moeilijk of</para>
    <para>onmogelijk deze fouten te herstellen. (...) 10 (...)</para>
    <para>gebreken zouden bijvoorbeeld op de volgende manier kunnen</para>
    <para>worden weggenomen. (blz. 1409) (...) b. Het verdient</para>
    <para>aanbeveling de bepalingen in art. 16 (...) AWR zodanig te</para>
    <para>wijzigen dat elke onjuiste vaststelling van [heffingsren</para>
    <para>te] door middel van navordering (...) kan worden gecorri</para>
    <para>geerd. (...) c. Heffingsrente sluit aan bij de materiële</para>
    <para>belastingschuld. Een vreemde eend in de bijt is echter de</para>
    <para>vergoeding van heffingsrente ten gevolge van de verreke</para>
    <para>ning van te hoge voorlopige aanslagen. Dit wordt zicht</para>
    <para>baar wanneer de vervaldag van de voorlopige aanslag na</para>
    <para>het drempeltijdvak ligt. In dat geval wordt over een</para>
    <para>langere periode (heffings)rente vergoed dan waartoe</para>
    <para>bedrijfseconomisch gezien aanleiding bestaat. (...)"</para>
    <para>3.6. Wet van 12 december 1991, Stb. 697.</para>
    <para>3.6.1. Met ingang van 1 januari 1992&amp;lt;(9)Het ingangstijdstip is aldus nader geregeld bij Wet van</para>
    <para>12 december 1991, Stb. 698.&amp;gt; werd art. 30e AWR geredigeerd:</para>
    <para>"1. (1e volzin) De inspecteur stelt het bedrag van</para>
    <para>heffingsrente vast bij beschikking. (2e volzin) Met</para>
    <para>betrekking tot deze beschikking zijn de bepalingen in de</para>
    <para>belastingwet die gelden voor de belastingaanslag ter zake</para>
    <para>waarvan heffingsrente wordt berekend, van overeenkomstige</para>
    <para>toepassing, met dien verstande dat met betrekking tot</para>
    <para>beschikkingen ter zake van voorlopige aanslagen die tot</para>
    <para>een negatief bedrag zijn vastgesteld uitsluitend de</para>
    <para>bepalingen van de hoofdstukken V en VIII van deze wet van</para>
    <para>overeenkomstige toepassing zijn. 2. (1e volzin) Het</para>
    <para>bedrag van de heffingsrente wordt op het aanslagbiljet of</para>
    <para>op het afschrift van de uitspraak of van de kennisgeving</para>
    <para>afzonderlijk vermeld. (2e volzin) Ingeval de eerste</para>
    <para>volzin geen toepassing vindt, blijkt het bedrag van de</para>
    <para>heffingsrente uit het afschrift van de beschikking. 3.</para>
    <para>Ingeval de belastingplichtige bezwaar heeft tegen de</para>
    <para>beschikking waarbij de heffingsrente is vastgesteld, kan</para>
    <para>hij, in de gevallen waarin hij tevens bezwaar maakt tegen</para>
    <para>de aanslag (...) onderscheidenlijk beroep instelt tegen</para>
    <para>de navorderingsaanslag, het bezwaar vervatten in het</para>
    <para>bezwaarschrift waarbij bezwaar wordt gemaakt tegen de</para>
    <para>aanslag (...) onderscheidenlijk in het beroepschrift</para>
    <para>waarbij het beroep wordt ingesteld tegen de navorderings</para>
    <para>aanslag. (...)"</para>
    <para>3.6.2. Ter toelichting werd betoogd (Memorie van toelichting,</para>
    <para>Tweede Kamer, 1988-1989 - 21.198, nr. 3, blz. 114):</para>
    <para>"(5e al.) Artikel 30e bewerkstelligt in de eerste plaats</para>
    <para>een zekere stroomlijning van de bezwaar- en de beroeps</para>
    <para>procedure voor de gevallen waarin naast een belastingaan</para>
    <para>slag een beschikking inzake [heffingsrente] is opgelegd.</para>
    <para>Hiertoe strekt de tweede volzin van het eerste lid. Met</para>
    <para>deze bepaling wordt bereikt dat de bepalingen van de</para>
    <para>belastingwet, waaronder ook de Algemene wet inzake rijks</para>
    <para>belastingen wordt begrepen, die gelden voor de belasting</para>
    <para>aanslag ter zake waarvan heffingsrente wordt berekend,</para>
    <para>van overeenkomstige toepassing zijn op de beschikking</para>
    <para>waarbij de heffingsrente wordt vastgesteld. Hierdoor</para>
    <para>volgt een beschikking inzake heffingsrente het regime van</para>
    <para>de aanslag ter zake waarvan de heffingsrente wordt bere</para>
    <para>kend. (7e en laatste al.) Deze opzet maakt het vervolgens</para>
    <para>mogelijk de afzonderlijke bezwaren en beroepen in één</para>
    <para>geschrift te verenigen (...)"</para>
    <para>3.7. Bij Wet van 30 september 1992, Stb. 508, zijn nadere</para>
    <para>wijzigingen in deze materie aangebracht, maar deze hebben voor</para>
    <para>de thans te beslissen zaak geen betekenis.</para>
    <para>3.8. HR 22 juni 1994, nr. 29.830, BNB 1994/255 met noot</para>
    <para>Scheltens&amp;lt;(10)FED 1994/509 met noot J. J. Vetter.&amp;gt;, betrof bij de heffing van inkomstenbelasting 1988</para>
    <para>in rekening gebrachte heffingsrente.</para>
    <para>3.8.1. Hof Amsterdam 29 juni 1993, nr. 91/6028, overwoog:</para>
    <para>"(blz. 1936, regels 44-56) 5.4. Pas na de vaststelling</para>
    <para>van de aanslaggegevens en de verzending daarvan naar</para>
    <para>"Apeldoorn" is de uitgereikte aangifte, ver na het ver</para>
    <para>strijken van de indieningstermijn, ter inspectie binnen</para>
    <para>gekomen. Bij de uitspraak op het bezwaarschrift is de</para>
    <para>aanslag vastgesteld overeenkomstig het alsnog ontvangen</para>
    <para>aangiftebiljet. Onder deze omstandigheden kan niet worden</para>
    <para>gezegd dat de aanslag is "vastgesteld overeenkomstig</para>
    <para>aangifte", zoals bedoeld in artikel 30c, eerste lid, AWR.</para>
    <para>Onder de vaststelling van de aanslag overeenkomstig de</para>
    <para>aangifte in bedoelde zin moet worden verstaan de vast</para>
    <para>stelling ter inspectie door de aanslagregelende ambtenaar</para>
    <para>aan de hand van een ter inspectie aanwezig aangiftebil</para>
    <para>jet. Het bepaalde in artikel 5, eerste lid, AWR dat de</para>
    <para>dagtekening van het aangiftebiljet geldt als dagtekening</para>
    <para>van de vaststelling van de belastingaanslag, doet daaraan</para>
    <para>niet af. De strekking van die bepaling is het voor de</para>
    <para>aangeslagene mogelijk te maken na te gaan of de termijn</para>
    <para>waarbinnen de belastingaanslag moet zijn opgelegd, in</para>
    <para>acht is genomen. (...) (blz. 1937, regels 10-13) 5.5. Het</para>
    <para>in rekening brengen van heffingsrente is niet juist in de</para>
    <para>situatie waarin het de fiscus zelf is aan te rekenen dat</para>
    <para>het nadeel ontstaat, omdat hij, hoewel hem daartoe de</para>
    <para>benodigde gegevens ter beschikking stonden, geen gebruik</para>
    <para>heeft gemaakt van de mogelijkheid een voorlopige aanslag</para>
    <para>op te leggen (...)"</para>
    <para>3.8.2. De Staatssecretaris, blz. 1938, regels 21-23, voerde in</para>
    <para>cassatie aan:</para>
    <para>"Voor de bepaling van de verschuldigdheid van heffings</para>
    <para>rente, alsmede de berekening daarvan is naar mijn mening</para>
    <para>niet beslissend of een voorlopige aanslag kon worden</para>
    <para>opgelegd (...), maar uitsluitend of een voorlopige aan</para>
    <para>slag is opgelegd."</para>
    <para>3.8.3. Uw Raad overwoog (onder 3, blz. 1934, regels 16-25):</para>
    <para>"Het Hof heeft - terecht ervan uitgaande dat voor</para>
    <para>toepassing van artikel 30c van de Algemene wet inzake</para>
    <para>rijksbelastingen (...) de aanslag is opgelegd zonder dat</para>
    <para>aangifte was gedaan - geoordeeld dat (...)  slechts</para>
    <para>heffingsrente mag worden berekend over het bedrag van de</para>
    <para>aanslag, verminderd met het bedrag van de voorlopige</para>
    <para>aanslag die de Inspecteur (...) had kunnen opleggen (...)</para>
    <para>Dit oordeel kan echter (...) niet als juist worden aan</para>
    <para>vaard. De (...) wetsgeschiedenis (...) is onvoldoende</para>
    <para>grond om de wettekst terzijde te stellen. (...)"</para>
    <para>3.8.4. Vetter annoteerde (onder 2):</para>
    <para>"(blz. 2297) (...) Noch de wettekst of de wetsgeschiede</para>
    <para>nis van de heffingsrenteregeling, noch de wettekst of de</para>
    <para>wetsgeschiedenis van (...) art. 5, eerste lid, AWR geven</para>
    <para>aanleiding te veronderstellen dat dit artikel niet van</para>
    <para>toepassing zou zijn in heffingsrentevraagstukken. Het</para>
    <para>(...) lijkt erop dat het gerechtshof (en de Hoge Raad) om</para>
    <para>praktische redenen naar een doel toe hebben geredeneerd.</para>
    <para>(...) (blz. 2298) (...) De doelredenering (...) levert</para>
    <para>een praktische oplossing. In de wettekst is niet verdis</para>
    <para>conteerd dat de inspecteur na verzending van de diskette</para>
    <para>met gegevens naar "Apeldoorn" blijkbaar niet in het</para>
    <para>proces van het aanmaken van een aanslagbiljet meer kan</para>
    <para>ingrijpen en dat het (blijkbaar) op technische problemen</para>
    <para>stuit om de verwerkingstijd van de gegevens door</para>
    <para>"Apeldoorn" te verkorten (...) Gegeven de (...) stelling</para>
    <para>dat ingrijpen in het "Apeldoornse" proces na verzending</para>
    <para>van de gegevens door de aanslagregelend ambtenaar niet</para>
    <para>meer mogelijk is, lijkt het redelijk om art. 5, AWR</para>
    <para>beperkt uit te leggen. Ook voor de toepassing van de</para>
    <para>heffingsrenteregeling moet het tijdstip waarop de aan</para>
    <para>slagregelend ambtenaar de gegevens naar "Apeldoorn" zendt</para>
    <para>in het licht van dat gegeven worden gezien als het tijd</para>
    <para>stip waarop de heffingsrentebeschikking is vastgesteld.</para>
    <para>(...)"</para>
    <para>3.9. HR 30 november 1994, nr. 29.232, met mijn conclusie, BNB</para>
    <para>1995/30, onder 3.3, overwoog inzake bij de heffing van ven</para>
    <para>nootschapsbelasting 1985 in rekening gebrachte heffingsrente,</para>
    <para>"(blz. 307, van regel 54 af) (...) dat (...) voor het</para>
    <para>verschuldigd worden van heffingsrente beslissend is of de</para>
    <para>(definitieve) aanslag uitgaat boven het bedrag van de</para>
    <para>aanslag dat verschuldigd zou zijn geweest in geval de</para>
    <para>aanslag zou zijn vastgesteld overeenkomstig de aangifte</para>
    <para>met inbegrip van de aanvullingen daarop voor zover deze</para>
    <para>zijn gedaan binnen het drempeltijd- (blz. 308, tot en met</para>
    <para>regel 5) vak. De (...) wetsgeschiedenis biedt (...) geen</para>
    <para>grond deze wettelijke regeling terzijde te stellen door</para>
    <para>voor het verschuldigd worden van heffingsrente beslissend</para>
    <para>te achten of de fiscus, los van de aangifte en binnen het</para>
    <para>drempeltijdvak gedane aanvullingen daarop, op enig tijd</para>
    <para>stip vóór het opleggen van de (definitieve) aanslag over</para>
    <para>de juiste gegevens kon beschikken. (...)"</para>
    <para>3.10. Bij besluit van de Staatssecretaris van 17 februari</para>
    <para>1995, Vakstudie Nieuws 23 maart 1995, blz. 1067, punt 5, zijn</para>
    <para>vragen en antwoorden over de heffingsrente vastgesteld. Zij</para>
    <para>houden in:</para>
    <para>"(blz. 1068) (...) 2. Casus: een voorlopige aanslag</para>
    <para>opgelegd conform het aangegeven belastbaar inkomen. Als</para>
    <para>gevolg van een administratieve fout is de aanslag te laag</para>
    <para>vastgesteld (f 30.000 in plaats van f 300.000) waarbij</para>
    <para>een aanzienlijk bedrag aan heffingsrente wordt vergoed.</para>
    <para>De belastingplichtige verzoekt vervolgens om een navorde</para>
    <para>ringsaanslag. Vraag: is het mogelijk deze heffingsrente</para>
    <para>terug te vorderen? Antwoord: Ja, op grond van art. 30e</para>
    <para>dient er een nieuwe beschikking heffingsrente opgemaakt</para>
    <para>te worden waarbij het bedrag van de heffingsrente op</para>
    <para>nihil wordt gesteld met daarin vermeld het terug te</para>
    <para>betalen bedrag aan heffingsrente. (...) (blz. 1069) (...)</para>
    <para>4. Vraag: is er een mogelijkheid tot herziening van de</para>
    <para>beschikking betreffende heffingsrente, indien te weinig</para>
    <para>heffingsrente in rekening is gebracht? Antwoord: Heffings</para>
    <para>rente wordt vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschik</para>
    <para>king waarbij de berekening van de heffingsrente wordt</para>
    <para>beheerst door een eigen regime. Normaal gesproken wordt</para>
    <para>het bedrag van de heffingsrente vermeld op het aanslag</para>
    <para>biljet, maar het is ook mogelijk dat deze beschikking bij</para>
    <para>aparte kennisgeving wordt bekendgemaakt (art. 30e, lid 1</para>
    <para>en 2 AWR). Gelet op deze omstandigheden is het zeer goed</para>
    <para>verdedigbaar dat de inspecteur het bedrag van de hef</para>
    <para>fingsrente bij aparte beschikking kan herzien. Deze</para>
    <para>beschikking dient wel genomen te worden met inachtneming</para>
    <para>van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voor</para>
    <para>wat betreft de termijn waarbinnen dit moet geschieden kan</para>
    <para>aansluiting gezocht worden bij de termijn waarbinnen de</para>
    <para>aanslag kan worden opgelegd (art. 11 AWR) of kan worden</para>
    <para>nagevorderd (art. 16 AWR) omdat krachtens art. 30e,</para>
    <para>eerste lid AWR de regels van de AWR van overeenkomstige</para>
    <para>toepassing zijn. Bij de berekening van de heffingsrente</para>
    <para>in geval van herziening van de beschikking betreffende de</para>
    <para>heffingsrente kan de heffingsrente uiteraard niet meer</para>
    <para>bedragen dan bij een juiste gang van zaken in rekening</para>
    <para>gebracht had moeten worden. (...) (blz. 1072) (...) 16.</para>
    <para>Vraag: dient heffingsrente in rekening te worden ge</para>
    <para>bracht, indien een ondernemer geen of te weinig omzetbe</para>
    <para>lasting in rekening brengt en de Belastingdienst de (...)</para>
    <para>omzetbelasting naheft? (...) Antwoord: Ingevolge art.</para>
    <para>30a, lid 2, letter a AWR dient heffingsrente in rekening</para>
    <para>te worden gebracht, indien de verschuldigd belasting meer</para>
    <para>bedraagt dan die welke is aangegeven. (...) de omstandig</para>
    <para>heid dat de Staat wellicht geen rentenadeel heeft, is</para>
    <para>niet relevant. (...) Volgens deze tekst en de toelichting</para>
    <para>daarop (...) is niet het complex van leverancier, afnemer</para>
    <para>en de Belastingdienst van belang, maar de relatie die de</para>
    <para>leverancier met de Belastingdienst heeft. In deze relatie</para>
    <para>is sprake van rentenadeel, omdat de leverancier te weinig</para>
    <para>belasting aangeeft en voldoet. (...)"</para>
    <para>3.11. L. A. de Blieck, P. J. van Amersfoort, J. de Blieck en</para>
    <para>E. A. G. van der Ouderaa, Algemene wet inzake rijksbelastin</para>
    <para>gen, 4e druk, 1995, nr. 10.7.1, blz. 334, betogen:</para>
    <para>"(...) Uit de omstandigheid dat de heffing van heffings</para>
    <para>rente een geheel eigen regime kent - de heffing bij</para>
    <para>beschikking - waarbij de bepalingen inzake navordering</para>
    <para>(...) niet van (overeenkomstige) toepassing zijn ver</para>
    <para>klaard en eigen herstelbepalingen (...) ontbreken, kan</para>
    <para>worden afgeleid dat herstel van een beschikking heffings</para>
    <para>rente zelf niet mogelijk is. (...)"</para>
    <para>3.12. C. A. Goosen, WFR 1996/6181, blz. 69, onder 4.4, be</para>
    <para>toogt:</para>
    <para>"(...) Een enigszins uitzonderlijke situatie doet zich</para>
    <para>voor als tot een te hoog bedrag heffingsrente is vergoed.</para>
    <para>De staatssecretaris is van mening (...) dat in een derge</para>
    <para>lijk geval, op grond van art. 30e, AWR, een nieuwe be</para>
    <para>schikking heffingsrente met een bedrag "nihil" kan worden</para>
    <para>afgegeven, waarmede de eerste beschikking heffingsrente</para>
    <para>wordt verrekend. Feitelijk betekent zulks een navordering</para>
    <para>van heffingsrente. (...) Uit de wetsgeschiedenis blijkt</para>
    <para>(...) dat met art. 30e AWR met name een stroomlijning in</para>
    <para>bezwaar- en beroepsprocedures werd beoogd (...) Er wordt</para>
    <para>geen blijk gegeven van de bedoeling om bijvoorbeeld op</para>
    <para>enige wijze navordering van heffingsrente mogelijk te</para>
    <para>maken. In de AWR is overigens nergens voorzien in de</para>
    <para>mogelijkheid om te weinig geheven heffingsrente na te</para>
    <para>vorderen. Art. 16 AWR spreekt zeer nadrukkelijk over "te</para>
    <para>weinig geheven belasting&amp;lt;(11)Cursivering van Goosen.&amp;gt;". (...) Ik acht de opvatting</para>
    <para>van de staatssecretaris dan ook een zeer extensieve</para>
    <para>interpretatie van de wet (...)"</para>
    <para>3.13. Hof 's-Gravenhage, MK I, 26 maart 1996, nr. 95/4211,</para>
    <para>Vakstudie Nieuws 5 september 1996, blz. 3219, punt 1, onder</para>
    <para>6.2, overwoog inzake bij de heffing van vennootschapsbelasting</para>
    <para>1983 in rekening gebrachte heffingsrente (blz. 3223):</para>
    <para>"De Inspecteur had de mogelijkheid voordat het drempel</para>
    <para>tijdvak afliep, een nadere voorlopige aanslag op te</para>
    <para>leggen, welke in overeenstemming had kunnen zijn met zijn</para>
    <para>opvatting over de toepasselijkheid van de deelnemings</para>
    <para>vrijstelling. Hij heeft (...) ook beoogd een dergelijke</para>
    <para>nadere voorlopige aanslag op te leggen. Dat hij door een</para>
    <para>fout ter inspectie daarin niet is geslaagd, dient voor</para>
    <para>rekening te komen van de fiscus. Het verzoek namens</para>
    <para>belanghebbende (...) tot vernietiging van de nadere</para>
    <para>voorlopige aanslag heeft in deze geen effekt gehad, nu</para>
    <para>(...) het intoetsen (...) van de cijfers van de aangifte</para>
    <para>in het computerbestand van de belastingdienst, los van</para>
    <para>elk verzoek en los van - zoals hier - elke wetenschap bij</para>
    <para>de Inspecteur over in zijn ogen noodzakelijke correcties</para>
    <para>op de aangifte, onontkoombaar leidt tot verlaging van de</para>
    <para>voorlopige aanslagen tot een niveau in overeenstemming</para>
    <para>met de aangifte. De effekten van deze administratieve</para>
    <para>procedure dienen eveneens voor rekening van de fiscus te</para>
    <para>komen. Het toepassen van heffingsrente is derhalve niet</para>
    <para>terecht. (...)"</para>
    <para>3.14. Hof 's-Gravenhage, MK I, 23 april 1996, nr. 95/0908,</para>
    <para>Vakstudie Nieuws 12 september 1996, blz. 3284, punt 5, over</para>
    <para>woog inzake heffingsrente in verband met de heffing van inkom</para>
    <para>stenbelasting 1988 (blz. 3286):</para>
    <para>"(...) 6.5.1. Volgens de tweede volzin van artikel 30e,</para>
    <para>AWR, waarbij tevens wordt gelet op de in de bijzin ver</para>
    <para>vatte uitzondering, zijn van overeenkomstige toepassing</para>
    <para>de bepalingen van de AWR, voor zover zij op de oorspron</para>
    <para>kelijke aanslag, ter zake waarvan heffingsrente in reke</para>
    <para>ning wordt gebracht, zien. Dit brengt naar 's Hofs oor</para>
    <para>deel mee dat eveneens van toepassing is de voor het</para>
    <para>opleggen van de aanslag geldende termijn van drie jaar ex</para>
    <para>artikel 11 AWR. Deze termijn was op 31 december 1993</para>
    <para>verstreken. 6.5.2. Naar het oordeel van het Hof kan deze</para>
    <para>toepassing tevens worden gegrond op het rechtszekerheids</para>
    <para>beginsel dat aan vermeld artikel 11 AWR ten grondslag</para>
    <para>ligt, namelijk dat een belastingplichtige niet geruime</para>
    <para>tijd na het verstrijken van het belastingjaar nog met een</para>
    <para>aanslag kan worden geconfronteerd. Datzelfde beginsel</para>
    <para>geldt ten aanzien van het in rekening brengen van hef</para>
    <para>fingsrente evenzeer, zij het dat een belastingplichtige</para>
    <para>heffingsrente verschuldigd wordt vanwege de omstandigheid</para>
    <para>dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke</para>
    <para>hij heeft aangegeven. 6.5.3. Het in 6.5.1 en 6.5.2 over</para>
    <para>wogene heeft voorts tot gevolg dat wanneer de termijn van</para>
    <para>artikel 11 AWR is verstreken het in rekening brengen van</para>
    <para>heffingsrente alleen nog mogelijk is met dienovereen</para>
    <para>komstige toepassing van artikel 16 AWR. (...)"</para>
    <para>3.15. HR 19 juni 1996, nr. 30.241, met conclusie van</para>
    <para>Moltmaker, BNB 1996/302 met noot Scheltens, betrof een vergoe</para>
    <para>ding van invorderingsrente in verband met een vermindering van</para>
    <para>successierecht.</para>
    <para>3.15.1. Naar Moltmaker betoogde,</para>
    <para>"(blz. 2497, regels 39-44) -2.1.4. (...) kan (...) het</para>
    <para>verschil tussen heffingsrente en invorderingsrente,</para>
    <para>alsmede de samenhang tussen beide het best worden ge</para>
    <para>5illustreerd met enkele voorbeelden (...) (blz. 2498,</para>
    <para>regels 9-21) -2.2.2. [Er] is (...) een voorlopige aanslag</para>
    <para>van ƒ 9000 opgelegd (...) Vervolgens wordt (...) een</para>
    <para>definitieve aanslag opgelegd ten bedrage van (na verreke</para>
    <para>ning van de voorlopige aanslag) ƒ 3000 negatief. Hef</para>
    <para>fingsrente wordt vergoed over ƒ 3000 (...) -2.2.3. Indien</para>
    <para>in het voorbeeld onder 2.2.2 de inspecteur, in plaats van</para>
    <para>een negatieve definitieve aanslag op te leggen, deze</para>
    <para>(...) had vastgesteld op nihil en de voorlopige aanslag</para>
    <para>had verminderd met ƒ 3000, zou vergoeding van heffings</para>
    <para>rente niet aan de orde komen (...) (blz. 2499, regels 6-</para>
    <para>35) -2.2.6. (...) Het onbevredigende hiervan is dat de</para>
    <para>verschuldigdheid van rente in belangrijke mate kan afhan</para>
    <para>gen van de vraag of de inspecteur al dan niet een voorlo</para>
    <para>pige aanslag oplegt (...) Echter nog onbevredigender is</para>
    <para>het feit, dat de omvang van de rentevergoeding afhangt</para>
    <para>van de beslissing van de inspecteur op het moment van de</para>
    <para>definitieve aanslag (c.q. op het moment van de verminde</para>
    <para>ringsbeschikking) over de weg waarlangs hij tot de juiste</para>
    <para>heffing komt (...) De vraag is, of er (...) voor het</para>
    <para>verschil een redelijke rechtvaardiging is te vinden.</para>
    <para>-2.2.7. Voor de beoordeling van deze vraag kan het van</para>
    <para>belang zijn of de inspecteur (...) werkelijk de bevoegd</para>
    <para>heid heeft de voorlopige aanslag te vernietigen. Die</para>
    <para>vernietiging is namelijk overbodig als de inspecteur</para>
    <para>materieel hetzelfde resultaat kan bereiken door het</para>
    <para>vaststellen van de definitieve aanslag op een terug te</para>
    <para>betalen bedrag. Uit art. 15 AWR zou kunnen worden afge</para>
    <para>leid, dat de laatstbedoelde methode de "normale" methode</para>
    <para>is. M.a.w. de andere methode: vaststelling van de defini</para>
    <para>tieve aanslag op nihil met vernietiging van de voorlopige</para>
    <para>aanslag heeft iets kunstmatigs. Dit neemt echter niet</para>
    <para>weg, dat ook een voorlopige aanslag (...) een belasting</para>
    <para>aanslag is (...) en de inspecteur derhalve de bevoegdheid</para>
    <para>heeft deze ambtshalve te verminderen, tenzij het tegen</para>
    <para>deel uitdrukkelijk zou zijn bepaald. Nu dit laatste niet</para>
    <para>het geval is, neem ik aan, dat in beginsel beide methoden</para>
    <para>aan de inspecteur ter beschikking staan."</para>
    <para>3.15.2. Uw Raad overwoog (onder 3.4, blz. 2493, regels 38-45):</para>
    <para>"Nu bij letterlijke toepassing van (...) de Wet als</para>
    <para>gevolg van de door de Inspecteur gevolgde werkwijze het</para>
    <para>door belanghebbende geleden rentenadeel slechts zeer ten</para>
    <para>dele zou worden vergoed, en voor het dan onvergoed blij</para>
    <para>vende rentenadeel ook niet op andere wijze in een tege</para>
    <para>moetkoming is voorzien (...) strookt het met de strekking</para>
    <para>(...), het ongedaan maken van rentenadeel bij teveel</para>
    <para>betaalde belasting, aan de door de Inspecteur gevolgde</para>
    <para>werkwijze dezelfde gevolgen te verbinden als zouden zijn</para>
    <para>ingetreden indien hij de (...) andere mogelijkheid zou</para>
    <para>hebben benut."</para>
    <para>3.16. In de thans te beslissen zaak is nog niet van toepassing de</para>
    <para>bij Wet van 13 december 1996, Stb. 655, gewijzigde redactie</para>
    <para>van het inmiddels in plaats van art. 30a, lid 1, AWR gekomen</para>
    <para>art. 30f, lid 1, AWR.</para>
    <para>3.16.1. Deze redactie houdt in:</para>
    <para>"Met betrekking tot de (...) vennootschapsbelasting wordt</para>
    <para>rente - heffingsrente - berekend ingeval een voorlopige</para>
    <para>aanslag [of] een aanslag (...) wordt vastgesteld."</para>
    <para>3.16.2. Naar ter toelichting werd betoogd (Memorie van toe</para>
    <para>lichting, 1996-1997 - 25.051, nr. 3, blz. 10, 5e al.),</para>
    <para>"(...) wordt een onevenwichtigheid in de oude regeling</para>
    <para>met betrekking tot de heffingsrente weggenomen. Deze</para>
    <para>onevenwichtigheid is dat wel heffingsrente wordt vergoed</para>
    <para>over voorlopige aanslagen tot een negatief bedrag, maar</para>
    <para>dat geen heffingsrente in rekening wordt gebracht over</para>
    <para>voorlopige aanslagen tot een positief bedrag."</para>
    <para>3.17. Van Wijk/Konijnenbelt/Van Male, a. w., hoofdstuk 8,</para>
    <para>betoogt:</para>
    <para>"(blz. 420) (...) 2. (...) De begunstigende beschikking</para>
    <para>die ziet op een aflopende handeling is na afloop van de</para>
    <para>handeling in beginsel niet meer vatbaar voor opzegging:</para>
    <para>voor terugneming of wijziging ex tunc is dan alleen</para>
    <para>plaats als de wettelijke regeling er uitdrukkelijk in</para>
    <para>voorziet of als de beschikking ten onrechte blijkt te</para>
    <para>zijn verleend  en de gemaakte fout te wijten is aan de</para>
    <para>houder van de beschikking. (...) (blz. 421) (...) 3.</para>
    <para>(...) Gebonden beschikkingen kunnen in beginsel uitslui</para>
    <para>tend worden ingetrokken voorzover de wettelijke regeling</para>
    <para>dat uitdrukkelijk toelaat; afgezien daarvan is het alleen</para>
    <para>wanneer iemand een gebonden begunstigende beschikking</para>
    <para>heeft verkregen door onjuiste of onvolledige informatie</para>
    <para>te verschaffen, aanvaardbaar dat ook wanneer de wet deze</para>
    <para>situatie niet heeft voorzien, intrekking of wijziging kan</para>
    <para>volgen zodra het "bedrog" wordt ontdekt: anders zou</para>
    <para>immers een situatie die én in strijd met de wet is én</para>
    <para>strijdig met het gelijkheidsbeginsel blijven bestaan. Het</para>
    <para>gaat hier trouwens om wijziging of intrekking als sanctie</para>
    <para>(...) In andere gevallen is wijziging of intrekking van</para>
    <para>een gebonden beschikking echter alleen toelaatbaar voor</para>
    <para>zover de wettelijke regeling daarin voorziet. (...)"</para>
    <para>3.18. HR 12 september 1997, nr. 16.405, met conclusie van de</para>
    <para>advocaat-generaal Mok, NJ 1998, 145 met noot J[.] B[.] M[.]</para>
    <para>V[ranken].</para>
    <para>3.18.1. Uw Raad overwoog:</para>
    <para>"(blz. 734, rechterkolom) (...) 3.2.1. In de onderhavige</para>
    <para>procedure vordert de Ontvanger een bedrag van f 143.988</para>
    <para>(...) op grond van onverschuldigde betaling (...) Daartoe</para>
    <para>heeft de Ontvanger gesteld dat de Inspecteur bij het</para>
    <para>opstellen van de kennisgeving van ambtshalve vermindering</para>
    <para>een vergissing heeft gemaakt door (...) als "eerder</para>
    <para>vastgesteld bedrag" een bedrag van f 257.583 te vermelden</para>
    <para>(...) Nu het bij wege van compromis vastgestelde inkomen</para>
    <para>(...) leidde tot een verschuldigde belasting ten bedrage</para>
    <para>van f 99.914, had R. slechts aanspraak op restitutie van</para>
    <para>een bedrag van f 13.681. Hem is derhalve een bedrag van</para>
    <para>f 143.988 (...) te veel uitbetaald. (...) 3.2.3. Het Hof</para>
    <para>heeft (...) geoordeeld dat het in de kennisgeving (...)</para>
    <para>vermelde bedrag (...) een met een kennelijke verschrij</para>
    <para>ving gelijk te stellen administratieve misslag vormt, die</para>
    <para>voor R. gemakkelijk kenbaar was, dat die verschrijving</para>
    <para>onvoldoende rechtsgrond voor de betaling door de Ontvan</para>
    <para>ger oplevert en dat in zoverre het door R. gedane beroep</para>
    <para>op de formele rechtskracht van beschikking van de Inspec</para>
    <para>teur als grondslag voor de betaling van de Ontvanger niet</para>
    <para>opgaat. (...) Voorts heeft het Hof (...) geoordeeld dat</para>
    <para>de omstandigheid dat de misslag niet langs formeel admi</para>
    <para>nistratiefrechtelijke weg (door middel van een navorde</para>
    <para>ringsaanslag) kon worden hersteld, aan (...) terugvorde</para>
    <para>ring niet in de weg staat (...) (blz. 735, linkerkolom)</para>
    <para>(...) 3.4. Middel II (...) betoogt dat (...) het Hof</para>
    <para>heeft miskend dat in het onderhavige geval [de] navorde</para>
    <para>ringsmogelijkheid is vervallen, omdat de termijn (...) is</para>
    <para>verstreken. Het middel kan echter bij gebrek aan feite</para>
    <para>lijke grondslag niet tot cassatie leiden, nu het Hof</para>
    <para>(...) ervan is uitgegaan dat navordering niet mogelijk</para>
    <para>was."</para>
    <para>3.18.2. JBMV annoteerde:</para>
    <para>"(blz. 735, rechterkolom) (...) 1. Het recht is degene</para>
    <para>die wil profiteren van een kenbare&amp;lt;(12)Cursivering van JBMV.&amp;gt; vergissing van een</para>
    <para>ander niet gunstig gezind. Terecht niet. (...) (blz. 737,</para>
    <para>linkerkolom) (...) 6. (...) De Hoge Raad heeft (...) de -</para>
    <para>wat ik zou willen noemen - harde hoofdregel toegepast dat</para>
    <para>degene die wil profiteren van een kenbare vergissing van</para>
    <para>een ander niet beschermd wordt en dat degene die zich</para>
    <para>vergist heeft een vordering uit onverschul- (rechterko</para>
    <para>lom) digde betaling voor de civiele rechter kan instel</para>
    <para>len. Alleen wanneer de kwestie bestuursrechtelijk is</para>
    <para>geregeld (met alle complicaties die dat kan hebben),</para>
    <para>treedt de civiele rechter terug. (...)"</para>
    <para>3.19. HR 8 mei 1998, nr. 16.553, met conclusie van Mok, Recht</para>
    <para>spraak van de Week 1998, 104&amp;lt;(13)FED 1998/792 met noot F. J. Streppel.&amp;gt;, overwoog:</para>
    <para>"(blz. 678 (...) 3.1. (...) (iv) (...) Bij de voorlopige</para>
    <para>aangifte (...) is opgegeven dat het belastbaar inkomen</para>
    <para>van Lenger over het jaar 1989 naar schatting niet meer</para>
    <para>dan f 50.000 bedroeg. De belastingdienst heeft Lenger op</para>
    <para>grondslag van deze voorlopige aangifte geen voorlopige</para>
    <para>aanslag opgelegd. (v) Bij (...) onderzoek is in de loop</para>
    <para>van 1991 gebleken dat de voorlopige aangifte onjuist was.</para>
    <para>Aan Lenger (blz. 679) is vervolgens op 31 maart 1992</para>
    <para>alsnog een voorlopige aanslag opgelegd tot een bedrag van</para>
    <para>ruim f 5.700.000. (...) (vi) Volgens de in de betrokken</para>
    <para>periode geldende belastingwetgeving kan de belasting</para>
    <para>dienst aan Lenger over het bedrag van f 5.700.000 (...)</para>
    <para>geen heffingsrente in rekening brengen. (...) In dit</para>
    <para>geval liep (...) het drempeltijdvak (...) af op 1 april</para>
    <para>1991. Over de periode daarna kan volgens art. 30c (oud)</para>
    <para>AWR slechts heffingsrente in rekening worden gebracht,</para>
    <para>indien de definitieve aanslag in positieve zin afwijkt</para>
    <para>van de aangifte. Dat is hier niet het geval. In de defi</para>
    <para>nitieve aangifte van Lenger is de aanmerkelijk belang</para>
    <para>winst over het jaar 1989 wèl opgegeven. (...) 3.3. (...)</para>
    <para>de regeling van de AWR, voor zover hier van be- (blz.</para>
    <para>680) lang, [leent] zich naar haar aard niet voor aanvul</para>
    <para>ling door de gewone rechter met privaatrechtelijke in</para>
    <para>strumenten, die dan aan de Staat ten dienste zouden staan</para>
    <para>zonder dat daarvoor de voorschriften betreffende heffing</para>
    <para>en haar gevolgen zouden gelden. (...)"</para>
    <para>3.20. HR 23 december 1998, nr. 32.754, met mijn conclusie,</para>
    <para>Vakstudie Nieuws 7 januari 1999, afl. 2, blz. 128, punt 7.</para>
    <para>3.20.1. Hof Amsterdam 6 november 1996 stelde de volgende feiten vast</para>
    <para>(blz. 129):</para>
    <para>"(...) 1.2. Belanghebbende heeft in 1990 zijn (...)</para>
    <para>onderneming gestaakt. In zijn aangifte inkomstenbelasting</para>
    <para>voor dat jaar vroeg hij in verband daarmee om toepassing</para>
    <para>van het bijzonder tarief voor f 354.702. In de bij de</para>
    <para>aangifte meegezonden specificatie (...) is dit bedrag</para>
    <para>aangemerkt als "liquidatiewinst". (...) 1.6. De (...)</para>
    <para>aanslag (...) is berekend naar een belastbaar inkomen van</para>
    <para>f 403.393. Op het bedrag van de liquidatiewinst (...) was</para>
    <para>(...) een tarief van 20% toegepast. (...) Saldo te verre</para>
    <para>kenen/terug te ontvangen belasting f 97.339 met inbegrip</para>
    <para>van f 8664 te vergoeden heffingsrente."</para>
    <para>3.20.2. Naar ik betoogde,</para>
    <para>"(blz. 130) (...) 8.1 (...) kan in het met ingang van</para>
    <para>1992 geldende art. 30e, lid 1, 2e volzin, AWR geen rege</para>
    <para>ling gelezen worden van de eventuele herzienbaarheid van</para>
    <para>beschikkingen inzake heffingsren- (blz. 131) te. Zowel</para>
    <para>naar de wetsgeschiedenis als naar de tekst strekt de</para>
    <para>overeenkomstige toepassing van de belastingwet niet zo</para>
    <para>ver dat daarin een regeling valt te lezen die zou inhou</para>
    <para>den dat de beschikking onder omstandigheden voor herzie</para>
    <para>ning vatbaar is, al dan niet. 8.2. Temeer geldt dat voor</para>
    <para>het jaar 1990, waarvoor nog het veel summierdere art. 30d</para>
    <para>AWR geldt, een dergelijke regeling ontbreekt. 8.3. (...)</para>
    <para>de jurisprudentie van Uw Raad over fouten als schrijf- en</para>
    <para>tikfouten (...) 8.4. (...) berust erop dat een aanslag</para>
    <para>die een als zodanig kenbare fout in de bedoelde zin</para>
    <para>bevat, in zoverre door de inspecteur niet bedoeld is als</para>
    <para>een ambtelijke beslissing en door de geadresseerde zo ook</para>
    <para>niet opgevat mocht worden. 8.5. Het herstel van de fout</para>
    <para>kan dan geschieden in de vorm van een navorderingsaan</para>
    <para>slag. 8.6. Ik merk hierbij op dat op het zojuist bedoelde</para>
    <para>punt Uw Raad tot op zekere hoogte rechtsscheppend te werk</para>
    <para>heeft moeten gaan. Het uitgangspunt - dat de aanslag niet</para>
    <para>serieus gemeend was - had ook kunnen leiden tot de oplos</para>
    <para>sing dat alsnog een verbeterde (primitieve) aanslag</para>
    <para>opgelegd had kunnen worden. En het had ook kunnen leiden</para>
    <para>tot een verwijzing naar de mogelijkheden van het privaat</para>
    <para>recht. 8.7. Nu Uw Raad eenmaal de navorderingsaanslag</para>
    <para>heeft verkozen, komt het ook voor de verbetering van de</para>
    <para>beschikking inzake heffingsrente in aanmerking dit bij de</para>
    <para>oplegging van de navorderingsaanslag te doen. (...)"</para>
    <para>3.20.3. Uw Raad, onder 3.2, blz. 131, overwoog:</para>
    <para>"Nu de navorderingsaanslag niet in afwijking van</para>
    <para>aangifte is vastgesteld, kan geen heffingsrente in reke</para>
    <para>ning worden gebracht (...)"</para>
    <para>4. De bestreden uitspraak.</para>
    <para>Het Hof heeft overwogen:</para>
    <para>"(blz. 10) 5.5. (...) Een biljet (...) dat niet is uitge</para>
    <para>reikt en ook niet is beoogd te worden opgemaakt ter</para>
    <para>uitreiking, maar zijn ontstaans- en bestaansgrond slechts</para>
    <para>vindt in een (...) interne, praktische reden van uitvoe</para>
    <para>ringstechnische aard, kan (...) niet worden aangemerkt</para>
    <para>als een ter zake van de vaststelling van de aanslag</para>
    <para>opgemaakt aanslagbiljet. Zulks ligt ook voor de hand</para>
    <para>omdat aldus wordt bereikt, enerzijds dat de inspecteur</para>
    <para>zijn werkproces te dezer zake naar eigen inzicht en</para>
    <para>vrijheid kan inrichten zonder daarbij te worden gehinderd</para>
    <para>door de vraag wanneer precies wat is vastgesteld, en</para>
    <para>anderzijds dat de belastingplichtige wordt gevrijwaard</para>
    <para>van gebondenheid aan rechtsbetrekkingen waarvan het</para>
    <para>ontstaan voor hem niet of nauwelijks valt na te gaan.</para>
    <para>Hiermede in overeenstemming is in artikel 3:40 van de</para>
    <para>Algemene wet bestuursrecht bepaald dat een besluit - in</para>
    <para>casu de vaststelling van de aanslag - niet in werking</para>
    <para>treedt voordat het is bekend gemaakt. Het Hof verwerpt de</para>
    <para>stelling van belanghebbende dat zij mocht aannemen dat</para>
    <para>uiterlijk 30 januari 1993 een aanslag vennootschapsbelas</para>
    <para>ting 1990 was vastgesteld. De brief van de CBA van 29</para>
    <para>januari 1993 kan, gelet op zijn inhoud en herkomst, door</para>
    <para>belanghebbende redelijkerwijs niet zijn opgevat als de</para>
    <para>vaststelling van een belastingaanslag door de inspecteur.</para>
    <para>5.6. Mutatis mutandis heeft voor de formaliteit van de</para>
    <para>vaststelling van de heffingsrente hetzelfde te gelden als</para>
    <para>voor de vaststelling van de aanslag vennootschapsbelas</para>
    <para>ting. Voor de materiële vaststelling van de heffingsrente</para>
    <para>komt daar nog bij dat bij gebreke van een aanslag ven</para>
    <para>nootschapsbelasting tot een negatief bedrag in het geheel</para>
    <para>geen heffingsrente kan worden vergoed. (blz. 11) Het</para>
    <para>vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de correctiebe</para>
    <para>schikking heffingsrente van 23 juli 1993, hoezeer ook</para>
    <para>genomen onder voorwaarden, moet worden vernietigd, nu</para>
    <para>daarbij een niet vastgestelde en derhalve niet bestaande</para>
    <para>beschikking heffingsrente wordt verminderd tot nihil.</para>
    <para>(...)"</para>
    <para>5. De middelen.</para>
    <para>5.1. Middel II bevat een rechtsklacht, en middel III motive</para>
    <para>ringsklachten, tegen het oordeel dat niet in januari 1993 een</para>
    <para>(definitieve) aanslag in de vennootschapsbelasting 1990 aan de</para>
    <para>belanghebbende is opgelegd.</para>
    <para>5.2. De middelen I en IV bevatten klachten over de oordelen</para>
    <para>inzake de correctiebeschikking.</para>
    <para>5.3. Middel V bevat een klacht over de proceskosten.</para>
    <para>6. Beoordeling van middel II.</para>
    <para>6.1. De AWR tot 1 juni 1990.</para>
    <para>6.1.1. Met art. 5 AWR heeft het formele belastingrecht uit</para>
    <para>drukkelijk afscheid genomen van de voordien geldende vaste</para>
    <para>jurisprudentie, ingevolge welke de totstandkoming van de</para>
    <para>belastingaanslag bepaald werd doordat de inspecteur zijn</para>
    <para>handtekening plaatste. Deze ondertekening, voor de burger niet</para>
    <para>kenbaar, mocht naar het oordeel van de wetgever niet beslis</para>
    <para>send zijn voor de beantwoording van de vraag of de belasting</para>
    <para>aanslag binnen de daarvoor geldende termijn opgelegd was.</para>
    <para>6.1.2. Beslissend werd in plaats daarvan de dagtekening van</para>
    <para>het aanslagbiljet.</para>
    <para>6.1.3. Loste deze keuze problemen op, zij liet niet na nieuwe</para>
    <para>problemen te scheppen.</para>
    <para>6.1.4. De ene zijde van de problematiek werd door de wetgever</para>
    <para>van 1959 onderkend: het is mogelijk dat de aangeslagene van de</para>
    <para>datum van het aanslagbiljet pas kennisneemt na verloop van</para>
    <para>tijd en dat de termijn voor de oplegging van de belastingaan</para>
    <para>slag inmiddels verstreken is.</para>
    <para>6.1.4.1. Dienaangaande heeft Uw Raad in beginsel streng vast</para>
    <para>gehouden aan de eis dat voor de aangeslagene kenbaar moet zijn</para>
    <para>dat de belastingaanslag binnen de termijn vastgesteld, gedag</para>
    <para>tekend en toegezonden of uitgereikt is.</para>
    <para>6.1.4.2. Uit dien hoofde werden: (het arrest van 1983) aansla</para>
    <para>gen gehandhaafd, waarvan bleek uit een aanslagbiljet dat tij</para>
    <para>dig, zij het ongedagtekend, ter kennis van de aangeslagene was</para>
    <para>gebracht; (het arrest van 6 december 1989, nr. 25.888) een</para>
    <para>navorderingsaanslag vernietigd, waarvan bleek uit een aanslag</para>
    <para>biljet dat binnen de termijn wel gedagtekend, maar niet ver</para>
    <para>zonden was; (het arrest van 6 december 1989, nr. 25.909) een</para>
    <para>naheffingsaanslag verminderd met het bedrag dat betrekking had</para>
    <para>op aangelegenheden waarvoor de termijn verstreken was op het</para>
    <para>moment waarop het desbetreffende aanslagbiljet rechtsgeldig</para>
    <para>verzonden was.</para>
    <para>6.1.4.3. Reeds hieruit volgt dat Uw Raad niet meer vasthoudt</para>
    <para>aan de strenge scheiding tussen heffing en invordering in die</para>
    <para>zin dat de uitreiking van het aangiftebiljet bij uitsluiting</para>
    <para>zou behoren tot het domein van de invordering, waarover niet</para>
    <para>de belastingrechter, maar de burgerlijke rechter zou hebben te</para>
    <para>oordelen: op grond van feilen in de uitreiking kan onder</para>
    <para>omstandigheden de belastingaanslag in de belastingprocedure</para>
    <para>vernietigd of verminderd worden.</para>
    <para>6.1.4.4. Inderdaad is dit de consequentie van art. 5 AWR,</para>
    <para>oorspronkelijke tekst, zoals dit voorschrift blijkens de</para>
    <para>wetsgeschiedenis moet worden opgevat.</para>
    <para>6.1.5. De andere zijde van de problematiek werd door de wetge</para>
    <para>ver van 1959 niet of nauwelijks onderkend: de omstandigheid</para>
    <para>dat een belastingaanslag inhoudelijk - en trouwens ook naar de</para>
    <para>vorm - de nodige tijd vóór de dagtekening van het aanslagbil</para>
    <para>jet tot stand moet komen, a fortiori als men vasthoudt aan het</para>
    <para>vereiste van verzending niet later dan op de door die dagteke</para>
    <para>ning aangegeven dag.</para>
    <para>6.1.5.1. Voor deze problematiek legt Uw Raad op grond van de</para>
    <para>geschiedenis en de strekking van art. 5 AWR, oorspronkelijke</para>
    <para>tekst, het voorschrift beperkt uit.</para>
    <para>6.1.5.2. Zo aanvaardt Uw Raad: (vergelijk de arresten van 1949</para>
    <para>en 1977) dat tegen een aanslag bezwaar gemaakt kan worden</para>
    <para>voordat het aanslagbiljet is gedagtekend en uitgereikt; (het</para>
    <para>arrest van 1973 en vele andere) dat voor de kwalificatie van</para>
    <para>een misslag als schrijf- of tikfout of daarmee gelijk te</para>
    <para>stellen vergissing, beslissend is hoe de feitelijke situatie</para>
    <para>was op het tijdstip waarop de misslag begaan werd; (vergelijk</para>
    <para>de arresten van 1982 en 21 november 1990, zoals ze hoogstwaar</para>
    <para>schijnlijk opgevat mogen worden) dat voor de "nieuw"-heid van</para>
    <para>een feit (als bedoeld in art. 16, lid 1, 2e volzin, AWR) het</para>
    <para>tijdstip beslissend is, waarop de inspecteur met het feit nog</para>
    <para>daadwerkelijk iets kon doen; (het arrest van 17 oktober 1990)</para>
    <para>dat een correctie die de burger bereikt vóór het aanslagbil</para>
    <para>jet, prevaleert boven de inhoud van het aanslagbiljet; (het</para>
    <para>arrest van 22 juni 1994) dat voor het in rekening brengen van</para>
    <para>heffingsrente de aangifte alleen betekenis heeft indien de</para>
    <para>inspecteur er bij de aanslagregeling daadwerkelijk gebruik van</para>
    <para>heeft kunnen maken.</para>
    <para>6.1.6. Ik constateer dat reeds vóór 1 juni 1990 de uitreiking</para>
    <para>van het aanslagbiljet niet over de grens van heffing en invor</para>
    <para>dering lag, maar op die grens&amp;lt;(14)Ik meen mijn mening, bij uitzondering, met behulp van</para>
    <para>cursiveringen te mogen beklemtonen.&amp;gt;. Met andere woorden: de uitrei</para>
    <para>king behoort zowel tot de heffing als tot de invordering.</para>
    <para>6.2. De AWR en de Inv.wet 1990 van 1 juni 1990 tot 1 januari</para>
    <para>1994.</para>
    <para>6.2.1. De wetgever van 1990 heeft de consequentie getrokken</para>
    <para>van de in 1959 gemaakte keuze (en van de technische ontwikke</para>
    <para>ling) in die zin dat van ondertekening door de inspecteur nu</para>
    <para>helemaal geen sprake meer is.</para>
    <para>6.2.2. Toch bestaat nog steeds een onderscheid tussen de taak</para>
    <para>van de inspecteur en die van de ontvanger; de inspecteur maakt</para>
    <para>het aanslagbiljet op en stelt het aan de ontvanger ter hand;</para>
    <para>en vervolgens bezorgt de ontvanger het ter post of reikt hij</para>
    <para>het uit.</para>
    <para>6.2.3. Indien men hier, als vanouds, de grens tussen heffing</para>
    <para>en invordering strikt wil definiëren, dan ligt deze waar de</para>
    <para>inspecteur het gedagtekende aanslagbiljet, nadat hij dat</para>
    <para>opgemaakt heeft, aan de ontvanger ter hand stelt.</para>
    <para>6.2.4. Ik meen evenwel dat Uw Raad zich zo strikt niet zal</para>
    <para>opstellen. Met name meen ik dat Uw Raad ook na 1 juni 1990</para>
    <para>belastingaanslagen waarvan blijkt uit te laat of verkeerdelijk</para>
    <para>geadresseerd ter post bezorgde aanslagbiljetten, die dientenge</para>
    <para>volge niet binnen de termijn ter kennis van de aangeslagene</para>
    <para>komen, tot vernietiging - in de belastingprocedure - zal</para>
    <para>doemen, ongeacht of de misslag voor verantwoordelijkheid van</para>
    <para>de inspecteur of van de ontvanger komt. Zulks wordt gerecht</para>
    <para>vaardigd door de wetsgeschiedenis van 1959, die van belang</para>
    <para>gebleven is, nu het oorspronkelijke art. 5 AWR gehandhaafd is</para>
    <para>in het nieuwe art. 5, lid 1, 2e volzin, AWR&amp;lt;(15)Bij de raadpleging van het betoog van Ilsink en mw.</para>
    <para>Fliers lette men erop dat zij weliswaar "in beginsel</para>
    <para>niet de bekendmaking maar de vaststelling van de</para>
    <para>aanslag doorslaggevend" achten, maar meteen laten</para>
    <para>volgen: "De Belastingdienst moet er dan wel voor zorgen</para>
    <para>dat het tijdstip van verzending van het aanslagbiljet</para>
    <para>ligt vóór de dagtekening."&amp;gt;.</para>
    <para>6.2.5. Derhalve neem ik ook voor de periode van 1 juni 1990</para>
    <para>tot en met 1993 aan dat de uitreiking van het aanslagbiljet</para>
    <para>zowel tot de heffing behoort als tot de invordering.</para>
    <para>6.2.6. Voor het onderhavige geval betekent dit, dat het aan</para>
    <para>slagbiljet dat, naar uit 's Hofs uiteenzetting volgt, onder</para>
    <para>verantwoordelijkheid van de Inspecteur tot stand is gekomen,</para>
    <para>maar is "teruggenomen" voordat het aan de ontvanger c. q.</para>
    <para>degenen die onder diens verantwoordelijkheid werken, ter hand</para>
    <para>werd gesteld, geen vastgestelde aanslag representeert.</para>
    <para>6.3. Nu zou onder omstandigheden (vergelijk het arrest van</para>
    <para>1976) de belanghebbende uit de ontvangst van bijna ƒ 9 miljoen</para>
    <para>en de voordien ontvangen brief van de CBA wellicht hebben</para>
    <para>kunnen afleiden dat te haren opzichte een aanslag/beschikking</para>
    <para>was uitgevaardigd, waaruit een haar toekomende betaling in die</para>
    <para>orde van grootte zou voortvloeien.</para>
    <para>6.4. Maar klaarblijkelijk heeft het Hof niet aangenomen dat</para>
    <para>zulke omstandigheden zich voordeden.</para>
    <para>6.5. Ik meen dat van dit oordeel, als van feitelijke aard, in</para>
    <para>cassatie moet worden uitgegaan.</para>
    <para>6.6. Op grond van een en ander meen ik dat middel II faalt.</para>
    <para>7. Beoordeling van middel III.</para>
    <para>7.1. Middel III komt erop neer dat de vaststaande feiten geen</para>
    <para>andere gevolgtrekking toelaten dan dat uiterlijk op 30 januari</para>
    <para>1993 een definitieve aanslag in de vennootschapsbelasting 1990</para>
    <para>en een beschikking tot vergoeding van heffingsrente tot stand</para>
    <para>zijn gekomen.</para>
    <para>7.2. Naar ik meen, kon en mocht het Hof anders oordelen en</para>
    <para>behoefde het zijn oordeel niet nader te motiveren dan het</para>
    <para>heeft gedaan.</para>
    <para>7.3. Naar mijn gevoelen scharnieren de motiveringsklachten in</para>
    <para>middel III om de stelling in middelonderdeel III, c (beroep</para>
    <para>schrift in cassatie, blz. 11):</para>
    <para>"(...) Beoogd werd de aanslag en de daarin opgenomen</para>
    <para>beschikking niet ter kennis van de belanghebbende te</para>
    <para>brengen door de verzending daarvan te blokkeren. (...)"</para>
    <para>7.4. Terecht beschouwt de Curator deze stelling als essentieel.</para>
    <para>7.5. Zij leidt echter tot een andere uitkomst dan de Curator</para>
    <para>betoogt: doordat de Inspecteur dit oogmerk had en doordat aan</para>
    <para>dit oogmerk door de Belastingdienst uitvoering is gegeven, is</para>
    <para>de aanslagregeling onvoltooid gebleven.</para>
    <para>7.6. Dat de belanghebbende geruime tijd later met een beroep</para>
    <para>op de Wet openbaarheid van bestuur kennis heeft kunnen nemen</para>
    <para>van het opgemaakte document - met een kruis erdoor - kan in</para>
    <para>geen enkel opzicht in de plaats treden van terpostbezorging of</para>
    <para>uitreiking vanwege de ontvanger.</para>
    <para>7.7. Ik meen dat middel III faalt.</para>
    <para>8. Beoordeling van de middelen I en IV.</para>
    <para>8.1. Nu uit 's Hofs overwegingen volgt dat in januari 1993</para>
    <para>geen (definitieve) aanslag in de vennootschapsbelasting 1990</para>
    <para>en ook geen beschikking tot vergoeding van heffingsrente tot</para>
    <para>stand is gekomen, werd niet voldaan aan de opschortende voor</para>
    <para>waarde, waaronder de correctiebeschikking volgens haar eigen</para>
    <para>bewoordingen van kracht is.</para>
    <para>8.2. Uitgaande van de m. i. juiste opvatting dat aan een</para>
    <para>bestuursrechtelijke beschikking een opschortende voorwaarde</para>
    <para>verbonden kan worden, volgt dus uit het rechterlijke oordeel</para>
    <para>dat de correctiebeschikking niet van kracht is.</para>
    <para>8.3. Het Hof had dit tot uiting kunnen brengen door op het</para>
    <para>beroep tegen de correctiebeschikking die, onder opschortende</para>
    <para>voorwaarde genomen, beschikking te bevestigen, welk dictum zou</para>
    <para>betekenen dat de correctiebeschikking, nu de opschortende</para>
    <para>voorwaarde niet vervuld is, niet van kracht is.</para>
    <para>8.4. Mij dunkt dat dit dictum een aanzienlijk risico voor</para>
    <para>verwarring zou hebben opgeroepen.</para>
    <para>8.5. Ik acht het daarom gerechtvaardigd, zo nodig "op gronden</para>
    <para>van proceseconomie", dat het Hof er de voorkeur aan heeft</para>
    <para>gegeven de correctiebeschikking zonder meer te vernietigen.</para>
    <para>8.6. Daardoor werd het juiste resultaat bereikt, dat de correc</para>
    <para>tiebeschikking van ieder rechtsgevolg ontdaan werd, en zulks</para>
    <para>zonder kans op verwarring.</para>
    <para>(8.7. In verband daarmee meen ik te kunnen afzien van de</para>
    <para>behandeling van de vraag of correctiebeschikkingen inzake</para>
    <para>heffingsrente in haar algemeenheid geoorloofd zijn, al dan</para>
    <para>niet, en van de betekenis die het arrest van 1998 voor de</para>
    <para>beantwoording van die vraag wellicht zou kunnen hebben.)</para>
    <para>8.8. Ik meen daarom dat de middelen I en IV niet tot cassatie</para>
    <para>kunnen leiden.</para>
    <para>9. Beoordeling van middel V.</para>
    <para>9.1. Het Hof heeft overwogen (onder 8, blz. 11):</para>
    <para>"(...) Het Hof acht termen aanwezig de inspecteur</para>
    <para>veroordelen in de kosten (...) De aanwezige samenhang</para>
    <para>tussen de zaken (...) wordt hierbij in aanmerking geno</para>
    <para>men. (...) In verband met de samenhang tussen de (...)</para>
    <para>zaken wordt de kostenveroordeling per zaak beperkt (...)"</para>
    <para>9.2. Middel V betwist dat van "samenhangende zaken" sprake is.</para>
    <para>9.3. Het vertoogschrift in cassatie houdt in (blad 1&amp;lt;(16)Mijn nummering.&amp;gt;):</para>
    <para>"(...) 's Hofs oordeel dat de zaken (...) samenhangende</para>
    <para>zaken vormen (...) is van feitelijke aard en niet onbe</para>
    <para>grijpelijk. Hierbij merk ik op dat beide zaken voorvloei</para>
    <para>en uit dezelfde feiten (...) In het beroepschrift tegen</para>
    <para>de uitspraak op het bezwaarschrift tegen de aanslag (...)</para>
    <para>heeft de curator verzocht beide zaken te voegen (...) Het</para>
    <para>feit dat het ene beroep bij het Hof is ingediend door de</para>
    <para>belastingadviseur van belanghebbende en het andere beroep</para>
    <para>door de curator, heeft alles te maken met het feit dat de</para>
    <para>belanghebbende in staat van faillissement is verklaard.</para>
    <para>(...) Het enkele feit dat een periode van bijna twee jaar</para>
    <para>is gelegen tussen het indienen van de twee beroepschrif</para>
    <para>ten is een gevolg van het feit dat belanghebbende in de</para>
    <para>ene zaak (...) rechtstreeks beroep heeft ingesteld en dat</para>
    <para>in de andere zaak eerst een bezwaarprocedure is doorlo</para>
    <para>pen. (...)"</para>
    <para>9.4. Art. 3 Besluit proceskosten fiscale procedures (Besluit</para>
    <para>PFP) houdt in:</para>
    <para>"1. Samenhangende zaken worden (...) beschouwd als één</para>
    <para>zaak. 2. Samenhangende zaken zijn: gelijktijdig of nage</para>
    <para>noeg gelijktijdig door een [belanghebbende] tegen nage</para>
    <para>noeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden inge</para>
    <para>stelde beroepen waarin rechtsbijstand (...) is verleend</para>
    <para>door één of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde</para>
    <para>samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk</para>
    <para>van de zaken nagenoeg identiek konden zijn."</para>
    <para>9.5. HR 15 juli 1997, nr. 32.588, BNB 1997/316, blz.2572,</para>
    <para>regels 13-21, overwoog inzake een naheffingsaanslag parkeerbe</para>
    <para>lastingen en een beschikking betreffende kosten voor het</para>
    <para>aanbrengen en verwijderen van een wielklem:</para>
    <para>"-3.3. De naheffingsaanslag en de beschikking betreffen</para>
    <para>hetzelfde belastbare feit en hangen ook overigens zo zeer</para>
    <para>met elkaar samen dat de uitspraken op de daartegen ge</para>
    <para>richte bezwaarschriften moeten worden beschouwd als</para>
    <para>nagenoeg identieke besluiten in de zin van artikel 3, lid</para>
    <para>2, van het Besluit. -3.4. Nu die besluiten voorts in de</para>
    <para>beide op 23 mei 1995 gedateerde beroepschriften - (...)</para>
    <para>het resultaat van splitsing van een eerder ingediend</para>
    <para>beroepschrift - op vergelijkbare gronden werden bestre</para>
    <para>den, laat het voorgaande geen andere gevolgtrekking toe</para>
    <para>dan dat hier sprake is van samenhangende zaken in de zin</para>
    <para>van artikel 3 van het Besluit."</para>
    <para>9.6. Naar het mij voorkomt, heeft de Staatssecretaris er terecht</para>
    <para>op gewezen dat het tijdsverloop tussen het ene beroepschrift</para>
    <para>en het andere voortvloeit uit de omstandigheid dat de</para>
    <para>belanghebbende er in de ene zaak voor gekozen heeft het be</para>
    <para>zwaarstadium over te slaan.</para>
    <para>9.7. Deze keuze speelt in het Besluit PFP geen rol, hetgeen</para>
    <para>begrijpelijk is nu zij onder vigeur van het formele belasting</para>
    <para>recht voor 1994 en volgende jaren niet meer open staat.</para>
    <para>9.8. Ik meen daarom dat het Hof ondanks dit tijdsverloop en</para>
    <para>ongeacht de overige verschillen tussen de beide zaken, kon en</para>
    <para>mocht beslissen dat van samenhangende zaken sprake is.</para>
    <para>9.9. Ik meen dan ook dat middel V niet tot cassatie kan lei</para>
    <para>den.</para>
    <para>10. Conclusie.</para>
    <para>De middelen alle ongegrond</para>
    <para>bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep.</para>
    <para>De</para>
    <para>Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge</para>
    <para>Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>