<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA2825</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T21:12:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA2825</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-07-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">33357</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA2825" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2825</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002672&amp;artikel=8&amp;g=1999-07-20">Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RZA 1999, 166</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 1999/338 met annotatie van Hoogendoorn</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/726</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1999/1008</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1999/35.23</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2825">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2825</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:46:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2825 Parket bij de Hoge Raad , 20-07-1999 / 33357</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2825:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2825:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. 33.357                   Mr Van Soest</para>
    <para>Derde Kamer A                Conclusie inzake:</para>
    <para>Vennootschapsbelasting 1987  X B.V.</para>
    <para>Parket, 29 januari 1999      tegen</para>
    <para>de staatssecretaris van Financiën</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Korte beschrijving van de zaak.</para>
    <para>1.1. Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke</para>
    <para>uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam (hierna te noemen</para>
    <para>het Hof) van 7 mei 1997, nr. P92/4848, Fiscaal up to date</para>
    <para>(Futd) 3 juni 1997, blz. 6, punt 97-987. Het is ingesteld door</para>
    <para>de belanghebbende, X B.V. Van het beroep in cassatie is mel</para>
    <para>ding gemaakt in Futd 23 september 1997, blz. 12&amp;lt;(1)Vakstudie Nieuws 25 september 1997, blz. 3386, punt</para>
    <para>1.4.</para>
    <para>&amp;gt;.</para>
    <para>1.2. De belanghebbende is de moedermaatschappij in een fiscale</para>
    <para>eenheid (in de zin van art. 15 Wet op de vennootschapsbelas</para>
    <para>ting 1969 (Wet Vpb. 1969)) met D N.V. Hierna gebruik ik de</para>
    <para>term "belanghebbende" zonder onderscheid te maken tussen de</para>
    <para>beide vennootschappen.</para>
    <para>1.3. De belanghebbende oefent het ziektekostenverzekeringsbe</para>
    <para>drijf uit.</para>
    <para>1.4. In geschil is of er voor de heffing van vennootschapsbe</para>
    <para>lasting 1987 bij de winstbepaling rekening mee mag worden</para>
    <para>gehouden dat in latere jaren de door belanghebbende te ver</para>
    <para>richten uitkeringen en verstrekkingen ten behoeve van verze</para>
    <para>kerden zullen stijgen ten gevolge van de omstandigheid dat</para>
    <para>oudere mensen meer ziektekosten hebben dan jongere.</para>
    <para>1.5. Het Hof heeft het geschil ten nadele van de belanghebben</para>
    <para>de beslecht.</para>
    <para>1.6. Het beroep in cassatie is zonder motivering en voor het</para>
    <para>overige in overeenstemming met de desbetreffende voorschriften</para>
    <para>ingesteld. Na tijdige aanvulling steunt het op vier, in de</para>
    <para>aanvulling van het beroepschrift in cassatie, onder 1, blz. 2</para>
    <para>&amp;lt;- ? -</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>v., met Arabische cijfers genummerde, middelen van cassatie,</para>
    <para>die zodoende aangeduid worden met 1.1, 1.2, 1.3 en 1.4 en</para>
    <para>waarvan de gronden onder 3, blzz. 5 e. v., geformuleerd zijn</para>
    <para>onder het opschrift (blz. 5)</para>
    <para>"Toelichting (...)"</para>
    <para>1.7. De staatssecretaris van Financiën (hierna te noemen de</para>
    <para>Staatssecretaris&amp;lt;(2)Bedoeld is de staatssecretaris van Financiën die</para>
    <para>bevoegd is met betrekking tot belastingzaken. In de</para>
    <para>stukken van het thans te beoordelen geding is ook</para>
    <para>sprake van een andere staatssecretaris van Financiën,</para>
    <para>te weten degene die indertijd bevoegd was met</para>
    <para>betrekking tot, onder meer, verzekeringszaken. In mijn,</para>
    <para>toch al zo uitvoerige, conclusie speelt de laatstbe</para>
    <para>doelde staatssecretaris verder geen rol.&amp;gt;) heeft bij vertoogschrift in cassatie de</para>
    <para>middelen bestreden.</para>
    <para>1.8. De zaak is voor de belanghebbende pro forma bepleit door</para>
    <para>mr B. Emmerig en mr dr R. W. F. Hendriks, advocaten te</para>
    <para>'s-Hertogenbosch. Bij deze gelegenheid is - zo begrijp ik de</para>
    <para>pleitnota, onder 6.1, blz. 13 - middel 1.4 ingetrokken.</para>
    <para>2. De ontwikkeling van de rechtsstrijd.</para>
    <para>2.1. Het beroepschrift was klaarblijkelijk "pro forma" bedoeld,</para>
    <para>maar bevatte toch reeds (onder 6, blz. 2) een motivering,</para>
    <para>inhoudend:</para>
    <para>"(...) 6.1. Goed koopmansgebruik laat toe op stelselmati</para>
    <para>ge wijze in de winstbepalende balans rekening te houden</para>
    <para>met toekomstige verplichtingen c.q. kosten. Belanghebben</para>
    <para>de deed zulks voor zover die verplichtingen/kosten naar</para>
    <para>haar verwachting, rekening houdend met actuariële grond</para>
    <para>slagen, hoger waren dan de premies die zij voor de bekos</para>
    <para>tiging daarvan zou ontvangen. 6.2. Belanghebbende reser</para>
    <para>veerde op stelselmatige wijze de aanvankelijk ontvangen</para>
    <para>overschotpremie in een vergrijzingsreserve, waaruit op</para>
    <para>een later tijdstip het tekort op de premie wordt geput.</para>
    <para>Goed koopmansgebruik laat toe aldus baten toe te rekenen</para>
    <para>aan het (latere) jaar waarin de daartegenover staande</para>
    <para>kosten optreden. (...)"</para>
    <para>2.2. De aanvulling van het beroepschrift hield in (ik vermeld</para>
    <para>tussen haakjes nadere vindplaatsen),</para>
    <para>"(blz. 2) (...) 2.1.1 (...) dat naar mate een verzekerde</para>
    <para>ouder wordt de kans op schade (i.e. de kans op kwalen en</para>
    <para>gebreken) toeneemt. Indien men deze schade van jaar tot</para>
    <para>jaar in verzekering zou nemen, dan zou dit derhalve elk</para>
    <para>jaar tegen een hogere premie dienen te geschieden. Een</para>
    <para>zeer belangrijk gedeelte van de verzekeringen (...) die</para>
    <para>belanghebbende - langlopend - afsluit kent echter een</para>
    <para>gelijkblijvende premie die met het oog op de toekomstige</para>
    <para>kostenstijging in aanvang hoger wordt vastgesteld dan die</para>
    <para>voor een verzekering met een leeftijdsafhankelijke</para>
    <para>(=stijgende) premie. (...) 2.1.2 Teneinde voor de premie</para>
    <para>stelling van haar ziektekostenverzekeringen niet gebonden</para>
    <para>&amp;lt;- ? -</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>te worden aan de leeftijdsopbouw van het verzekerdenbe</para>
    <para>stand, werd (...) door belanghebbende het besluit genomen</para>
    <para>een voorziening voor veroudering op te bouwen. [Zij]</para>
    <para>heeft (...) daarom voor nieuw afgesloten ziektekostenver</para>
    <para>zekeringen een kapitaaldekkingstelsel op actuariële basis</para>
    <para>ingevoerd en (...) derhalve een zgn. vergrijzingsreserve</para>
    <para>voor ziektekostenverzekeringen opgebouwd. De door belang</para>
    <para>hebbende gevormde vergrijzingsreserve betreft een uit de</para>
    <para>aanvankelijke overschotpremies gevormde voorziening</para>
    <para>waaruit in een later stadium de tekorten op de alsdan</para>
    <para>verschuldigde premie worden geput. Per verzekerde zijn</para>
    <para>daartoe door de actuaris aan de hand van ervaringscijfers</para>
    <para>van belanghebbende de verwachte schadeuitkeringen vastge</para>
    <para>steld, alsmede de gelijkblijvende premie die nodig is om</para>
    <para>deze schadeuitkeringen te dekken. De (tempo-)verschillen</para>
    <para>tussen de werkelijke premie en de premie die correspon</para>
    <para>deert met het leeftijdsafhankelijke schadeniveau worden</para>
    <para>(als sprake is van een hogere werkelijke premie) aan de</para>
    <para>vergrijzingsreserve toegevoegd en (als sprake is van een</para>
    <para>lagere werkelijke premie) aan de vergrijzingsreserve</para>
    <para>onttrokken. Bij beëindiging van een verzekering wordt een</para>
    <para>eventueel nog bestaande vergrijzingsreserve opgeheven.</para>
    <para>(blz. 3) Deze vergrijzingsreserve is in wezen niets</para>
    <para>anders dan een actuarieel noodzakelijke "transitorische</para>
    <para>post" in verband met reeds ontvangen premiebestanddelen</para>
    <para>die op de toekomst betrekking hebben. (...) (blz. 9)</para>
    <para>(...) 4.1 Vorming en verdere uitbouw van de door belang</para>
    <para>hebbende opgevoerde vergrijzingsvoorziening is conform</para>
    <para>goed koopmansgebruik. (...)"</para>
    <para>2.3. Het vertoogschrift van de Belastingdienst/Grote onderne</para>
    <para>mingen P (hierna te noemen de Inspecteur) hield in:</para>
    <para>"(blz. 4) (...) 5.1.1. (...) Bij persoonsverzekeringen</para>
    <para>(ziekte (...)) stijgt het risico (de kans op schade) voor</para>
    <para>de verzekeraar bij toename van de leeftijd van de verze</para>
    <para>kerde. (...) Bij het vaststellen van de premie kan de</para>
    <para>verzekeraar (...) rekening houden met het risico geduren</para>
    <para>de de gehele verzekeringsduur. Het gevolg hiervan is dat</para>
    <para>een verzekerde de eerste jaren "te veel" premie betaalt</para>
    <para>maar als hij ouder is geworden "te weinig". De verzeke</para>
    <para>raar zal daarom gedurende de eerste jaren een deel van de</para>
    <para>premie reserveren en die reserve later aanwenden om het</para>
    <para>"tekort" op te vangen. (...) (blz. 5) (...) Fiscaal volgen</para>
    <para>wij in dit vertoogschrift de gangbare benaming</para>
    <para>"vergrijzingsreserve", ofschoon men hier zou moeten</para>
    <para>spreken van een voorziening. (...) 5.1.3. (...) de Verze</para>
    <para>keringskamer [heeft] de vorming van een vergrijzingsre</para>
    <para>serve voorgeschreven in verband met het gevaar, dat de</para>
    <para>verzekeraars in een "vergrijzingsspiraal" terecht zouden</para>
    <para>kunnen komen hetgeen tot insolventie zou kunnen leiden.</para>
    <para>De vergrijzingsspiraal ziet op de volgende situatie.</para>
    <para>(...) De omslagpremie van een bepaalde verzekeraar wordt</para>
    <para>bepaald door de totale te verwachten schade van de porte</para>
    <para>feuille van deze verzekeraar gelijkelijk om te slaan over</para>
    <para>alle verzekerden uit zijn portefeuille. Wanneer de pre</para>
    <para>mieberekening op basis van de eigen portefeuille ge</para>
    <para>schiedt, zal de premie voor verzekerden in een relatief</para>
    <para>"jonge" portefeuille beduidend lager uitvallen dan de</para>
    <para>premie voor verzekerden in een "oude" portefeuille. (...)</para>
    <para>Het gevolg hiervan is dat de verzekeraar met een "oude"</para>
    <para>portefeuille door zijn hoge premie onaantrekkelijk wordt</para>
    <para>voor nieuwe (meestal jonge) verzekerden, wat een steeds</para>
    <para>verdere vergrijzing van de "oude" portefeuille met</para>
    <para>meebrengt (...) (blz. 6) (...) Duidelijk is dat de voor</para>
    <para>schriften van de Verzekeringskamer zijn gebaseerd op de</para>
    <para>omstandigheid dat ziektekostenverzekeraars met een om</para>
    <para>slagfinancieringssysteem werken. (...) 5.2. (...) De</para>
    <para>ziektekostenverzekering is een zuivere schadeverzekering,</para>
    <para>waarbij een omslagstelsel en geen kapitaaldekkingstelsel</para>
    <para>gehanteerd wordt. Deze constatering is van belang in</para>
    <para>verband met de wijze waarop gereserveerd mag worden door</para>
    <para>de verzekeraar. (...) (blz. 7) (...) 5.2.3.1. (...)</para>
    <para>Aangezien de verzekeraar de feitelijke medische kosten</para>
    <para>vergoedt en de kosten van ziekenhuisverpleging en medi</para>
    <para>sche hulp voortdurend stijgen, zouden de verzekeraars op</para>
    <para>den duur geen onbeperkte dekking meer kunnen bieden, als</para>
    <para>er niet een mogelijkheid was de premie aan te passen aan</para>
    <para>het gestegen kostenpeil (...) Die mogelijkheid bestaat</para>
    <para>via de zogenaamde premie-aanpassingsclausule of herzie</para>
    <para>ningsclausule die het de verzekeraars mogelijk maakt</para>
    <para>premie en voorwaarden en bloc te herzien, daarom ook wel</para>
    <para>en bloc-clausule genoemd. De verzekeringnemer heeft het</para>
    <para>recht met een dergelijke verhoging respectievelijk wijzi</para>
    <para>ging niet accoord te gaan. Wanneer hij dit (...) meldt</para>
    <para>kan de verzekering worden beëindigd met restitutie van</para>
    <para>premie. (...) (blz. 8) (...) 5.2.4.1. (...) Bij omslagfi</para>
    <para>nanciering kan (...) géén wiskundige reserve (opgepotte</para>
    <para>premies, verhoogd met rente) gevormd worden. (...)</para>
    <para>5.2.4.2. (...) Moeilijkheid bij het hanteren van een</para>
    <para>kapitaaldekkingsysteem voor ziektekostenverzekeringen is,</para>
    <para>dat er geen sprake is van vaste uitkeringen maar van</para>
    <para>variërende kosten die worden vergoed wanneer ze gemaakt</para>
    <para>zijn. De opvatting die bijna altijd gehuldigd wordt bij</para>
    <para>het vaststellen van de te innen premies is derhalve, dat</para>
    <para>de meerschaden van de oudere verzekerden gefinancierd</para>
    <para>moeten worden uit het premie-overschot (minder schaden)</para>
    <para>van jongere verzekerden. (...) De veronderstelling is</para>
    <para>onjuist, dat voor elke verzekerde uit de op jongere</para>
    <para>leeftijd ontvangen premie een persoonlijke reserve ge</para>
    <para>vormd moet worden om de te verwachten hogere schade op</para>
    <para>latere leeftijd op te vangen. (...) (blz. 21) (...)</para>
    <para>5.4.1. (...) Binnen een omslagstelsel is geen voorziening</para>
    <para>voor veroudering mogelijk omdat alle kosten van jaar tot</para>
    <para>jaar over alle verzekerden worden omgeslagen. (...) In</para>
    <para>het omslagstelsel betaalt een jongere verzekerde een</para>
    <para>premie die hoger ligt dan de bij zijn leeftijd te ver</para>
    <para>wachten schade. Het verschil (...) wordt direct in het</para>
    <para>zelfde jaar aangewend ten behoeve van de oudere verzeker</para>
    <para>den in de portefeuille. (...) (blz. 22) 5.4.1.1. (...)</para>
    <para>Wanneer door het toe- en uittreden (inclusief overlijden)</para>
    <para>van verzekerden de leeftijdsopbouw vrijwel constant</para>
    <para>blijft zal de premie nauwelijks vari-eren. (...) (blz.</para>
    <para>23) (...) 5.4.1.5. (...) De gehele portefeuille als</para>
    <para>zodanig moet (ook voor goed koopmansgebruik) in</para>
    <para>ogenschouw worden genomen. (...) Een sluitende afbouw van</para>
    <para>de voorziening is niet gegeven. (blz. 29) (...) 5.4.2.8.</para>
    <para>(...) De realiteit gebiedt aan te nemen dat er altijd een</para>
    <para>aanvoer van jonge verzekerden zal zijn. (...) De</para>
    <para>vergrijzingsreserve moet in het omslagstelsel (...) op</para>
    <para>nihil worden gesteld, gegeven het uitgangspunt dat elk</para>
    <para>jaar zijn eigen lasten draagt. (...) (blz. 32) (...)</para>
    <para>5.4.3.5. En bloc-clausule (...) (blz. 33) Er wordt geen</para>
    <para>beperking aangebracht in de gevallen waarin de</para>
    <para>verzekeraar de premie mag verhogen. Ook veroudering kan</para>
    <para>derhalve de aanleiding zijn de premies te verhogen (...)</para>
    <para>(blz. 35) (...) Door middel van de en bloc-clausule kan</para>
    <para>de premie verhoogd worden in verband met de eventuele</para>
    <para>veroudering van het bestand. (...) (blz. 44) (...) 5.4.5.</para>
    <para>(...) De op basis van het Besluit reserves verzekeraars</para>
    <para>gevormde egalisatiereserve dient onder meer om de</para>
    <para>meerdere lasten van veroudering op te vangen. Een extra</para>
    <para>reservering ter zake van veroudering is dan niet meer</para>
    <para>mogelijk. De egalisatiereserve (...) is (...) een</para>
    <para>verzekeringstechnische schommelreserve geworden. (...)</para>
    <para>(blz. 46) (...) 5.4.5.7. (...) Naast de afstemming van</para>
    <para>baten en lasten binnen omslagfinanciering door de</para>
    <para>verzekeraar zelf en de egalisatiereserve, zou door middel</para>
    <para>van een vergrijzingsreserve een derde buffer gevormd</para>
    <para>worden ter zake van hetzelfde risico hetgeen strijdig is</para>
    <para>met goed koopmansgebruik. (...)"</para>
    <para>2.4. Conclusie van repliek.</para>
    <para>2.4.1. De conclusie van repliek hield in:</para>
    <para>"(blz. 1) (...) De en-bloc clausule is bedoeld voor</para>
    <para>aanpassing van de premie aan stijging van het algemene</para>
    <para>kostenpeil. Zij wordt niet gebruikt voor aanpassing van</para>
    <para>de premie aan het individuele kostenpeil van een verzeke</para>
    <para>raar. (blz. 4) (...) In elk geval financierde belangheb</para>
    <para>bende op basis van kapitaaldekking. (...) De tarieven van</para>
    <para>belanghebbende blijven vele jaren dezelfde. Aanpassing in</para>
    <para>de hoogte vindt alleen plaats indien daartoe op grond van</para>
    <para>algemene prijsontwikkelingen reden is. (...) De premiere</para>
    <para>serve is het resultaat van het stelsel dat de verzeke</para>
    <para>ringsmaatschappij voor de bepaling van zijn winst voert.</para>
    <para>(...) (blz. 5) (...) Voorzover een premie voor een verze</para>
    <para>kerde hoger is vastgesteld dan het bedrag van de in het</para>
    <para>premiejaar verwachte schade is (...) daarin een spaardeel</para>
    <para>begrepen. Het staat de verzekeraar in principe vrij dit</para>
    <para>gedeelte te reserveren voor de dekking van het toekomstig</para>
    <para>risico van de betreffende verzekerde voorzover dat niet</para>
    <para>door toekomstige premiebetalingen wordt gedekt, hetzij</para>
    <para>dit gedeelte te gebruiken voor de dekking van schade die</para>
    <para>is opgekomen bij andere verzekerden in hetzelfde jaar</para>
    <para>(...) Een sluitende afbouw van de voorziening is bij be</para>
    <para>langhebbende wel degelijk aanwezig. Belanghebbende heeft</para>
    <para>dat eveneens gedaan. (...) (blz. 19) (...) 1 (...) Aan de</para>
    <para>orde is (...) niet de vraag of al dan niet een omslag</para>
    <para>stelsel werd gevoerd, maar of de vorm van kapitaaldekking</para>
    <para>die werd gepleegd c.q. de wijze waarop de passiefpost was</para>
    <para>berekend, de toets der kritiek kan doorstaan. (...) 2</para>
    <para>(...) (blz. 20) (...) Ook commercieel bestaat de vergrij</para>
    <para>zingsreserve. Het beleid van belanghebbende is nu juist</para>
    <para>het risico van vergrijzing op te vangen uit de daarvoor</para>
    <para>gevormde reserve, zodat deswege geen verhoging van pre</para>
    <para>mies behoeft plaats te vinden. Dit geldt zowel voor de</para>
    <para>vergrijzing van een enkele verzekerde als voor de ver</para>
    <para>grijzing van een gehele portefeuille. Systematisch gezien</para>
    <para>komt jaarlijks uit de gevormde vergrijzingsreserve dan</para>
    <para>ook precies het bedrag vrij dat nodig is om de gestegen</para>
    <para>kosten wegens vergrijzing op te vangen. (...) (blz. 21) 3</para>
    <para>(...) Op basis van de schadecijfers van belanghebbende en</para>
    <para>de premieontvangsten werd per leeftijdscategorie de</para>
    <para>contante waarde bepaald van de te verwachten schadeuitke</para>
    <para>ringen en de contante waarde van de te verwachten bate</para>
    <para>premies. (...) Het verschil (...) vormde de vergrijzings</para>
    <para>reserve. (...) (blz. 22) (...) 5 (...) Het karakter van</para>
    <para>de reserve bij belanghebbende kan het beste omschreven</para>
    <para>worden als een premiereserve. Door de toegepaste metho</para>
    <para>diek geeft zij een stelselmatige benadering van de con</para>
    <para>tante waarde van de verplichtingen jegens de verzekerden,</para>
    <para>verminderd met de contante waarde van de (...) te ontvan</para>
    <para>gen baten (...)"</para>
    <para>2.4.2. Als bijlage 2&amp;lt;(3)Mijn nummering.&amp;gt; was bij de conclusie van repliek gevoegd een</para>
    <para>opinie van prof. mr B. Wessels over de en-bloc-clausule.</para>
    <para>2.5. Conclusie van dupliek.</para>
    <para>2.5.1. De conclusie van dupliek hield in:</para>
    <para>"(blz. 16) (...) Of veroudering optreedt moet voor</para>
    <para>portefeuille in zijn geheel worden beschouwd. Indien men</para>
    <para>uitgaat van de veroudering per contract negeert men de</para>
    <para>werkwijze van belanghebbende. Dit is in strijd met het</para>
    <para>realiteitsbeginsel van goed koopmansgebruik. Verzekeren</para>
    <para>impliceert dat men naar de totale portefeuille kijkt en</para>
    <para>daar zijn premie mede op afstemt. (...) (blz. 17) (...)</para>
    <para>Belanghebbende staat niets in de weg om de premies te</para>
    <para>verhogen ter zake van de component "veroudering". (...)</para>
    <para>(blz. 19) (...) In casu is er geen sprake van een gelijk</para>
    <para>blijvende premie maar van een premie die verhoogd kan</para>
    <para>worden en verhoogd wordt. In zo'n geval kan in het geheel</para>
    <para>geen voorziening gevormd worden. (...) Er zijn geen</para>
    <para>belemmeringen om een premieverhoging door de (lees: te,</para>
    <para>v.S.) voeren mits (blz. 20) verzekeringnemer in de gele</para>
    <para>genheid wordt gesteld zijn verzekering te beëindigen.</para>
    <para>(...)"</para>
    <para>2.5.2. Als bijlage 1 was bij de conclusie van dupliek gevoegd een</para>
    <para>notitie van mr De Kort - de Wolde, plaatsvervangend Rijks</para>
    <para>advocaat&amp;lt;(4)Waar het Hof, onder 5.7.1, blz. 15, over de</para>
    <para>Landsadvocaat spreekt, vergist het zich.&amp;gt; te 's-Gravenhage, over de problematiek.</para>
    <para>2.6. Het Hof heeft de ter zitting van 31 mei 1994 van de zijde</para>
    <para>van de belanghebbende overgelegde pleitnota als in de bestre</para>
    <para>den uitspraak, onder 1, blz. 2, ingelast aangemerkt. Deze</para>
    <para>pleitnota, onder 1, blz. 1, hield in:</para>
    <para>"(...) Het gaat hierbij niet om het mogelijk ouder worden</para>
    <para>van de gemiddelde Nederlandse bevolking, noch om de</para>
    <para>toename van de kans op langer leven. (...) Met vergrij</para>
    <para>zing wordt hier bedoeld het door het geleidelijk ouder</para>
    <para>worden van een individuele verzekerde toenemen van de</para>
    <para>ziektekosten, welke toename zich individueel altijd</para>
    <para>voordoet en collectief voor de afzonderlijke maatschappij</para>
    <para>indien de gemiddelde portefeuilleleeftijd stijgt. Naast</para>
    <para>de omstandigheid dat de vergrijzingsreserve per contrac</para>
    <para>tant is opgebouwd en dus een goede weergave geeft van de</para>
    <para>rechten en verplichtingen van de maatschappij, waarborgt</para>
    <para>zij tevens dat de maatschappij, wanneer door een relatie</para>
    <para>ve achteruitgang van het aantal jonge toetreders de</para>
    <para>gemiddelde portefeuilleleeftijd stijgt, in staat blijft</para>
    <para>haar verplichtingen ten opzichte van al haar polishouders</para>
    <para>na te komen."</para>
    <para>2.7. Het Hof heeft de ter zitting van 31 mei 1994 door de</para>
    <para>Inspecteur overgelegde pleitnota als in de bestreden uitspraak</para>
    <para>t. a. p. ingelast aangemerkt. Deze pleitnota, blz. 1, hield in:</para>
    <para>"(...) 1 (...) De vergrijzingsreserve is niet per con</para>
    <para>tractant opgebouwd maar per leeftijdscategorie. (...) 2</para>
    <para>(...) Belanghebbende heeft geen gelijkblijvend tarief</para>
    <para>voor onbepaalde tijd afgesproken met haar verzekerden. Er</para>
    <para>is ook geen gelijkblijvend tarief ten aanzien van een</para>
    <para>component in de tarieven afgesproken. (...)"</para>
    <para>2.8. Het proces-verbaal van het verhandelde ten overstaan van</para>
    <para>de raadsheer-commissaris hield in (ik verwerk de opmerkingen</para>
    <para>die van de zijde van de belanghebbende bij brief van 26 juni</para>
    <para>1996 over het proces-verbaal gemaakt zijn, in het citaat; de</para>
    <para>bedoelde brief is in de bestreden uitspraak t. a. p. vermeld):</para>
    <para>"(blz. 1) (...) Partijen (...) hebben (...) verklaard:</para>
    <para>gemachtigde: (...) (blz. 2) (...) 5. (...) bij belangheb</para>
    <para>bende steeg de voorziening (...), maar alleen als gevolg</para>
    <para>van een stijging van het aantal verzekerden binnen de</para>
    <para>portefeuille. Als er geen nieuwe verzekerden bijkomen zal</para>
    <para>op een gegeven moment de voorziening dalen. (...) (blz.</para>
    <para>3) (...) 9. Bij belanghebbende werd de voorziening als</para>
    <para>gevolg van de gevolgde methode automatisch aangewend; aan</para>
    <para>de ene kant werd voor elke jongere gedoteerd, en aan de</para>
    <para>andere kant werd de voorziening voor elke oudere aange</para>
    <para>wend. (...) 11. De "en bloc"-clausule (...) is gemaakt</para>
    <para>voor landelijke aanpassingen aan inflatie, algemene</para>
    <para>kostenstijgingen etcetera. Het zou te ver voeren om de</para>
    <para>clausule aan te passen aan de leeftijd van de verzekerde</para>
    <para>personen, dit gebeurt dan ook niet. Het effect van de</para>
    <para>vergrijzing op de risicopremie is namelijk heel ingrij</para>
    <para>pend. (...)"</para>
    <para>2.9. Het Hof heeft de ter zitting van 20 augustus 1996 van de</para>
    <para>zijde van de belanghebbende overgelegde pleitnota als in de</para>
    <para>bestreden uitspraak t. a. p. ingelast aangemerkt. Deze pleit</para>
    <para>nota, blz. 1&amp;lt;(5)De faxnummering is telkens 2 hoger, doordat zij het</para>
    <para>schutblad en de begeleidende brief meetelt.&amp;gt;, hield in:</para>
    <para>"(...) Waar het in deze procedure om gaat is de vraag</para>
    <para>het aan [de belanghebbende] is toegestaan bij haar winst</para>
    <para>bepaling op ziektekostenverzekeringen een voorziening te</para>
    <para>treffen voor de schadeuitkeringen tengevolge van veroude</para>
    <para>ring van de verzekerden welke zij in 1987 in portefeuille</para>
    <para>heeft op basis van het wiskundig model als is toegepast.</para>
    <para>Daarbij is als uitgangspunt genomen dat [de belanghebben</para>
    <para>de] de premies berekent volgens een met de verzekerden</para>
    <para>overeengekomen tarief dat geldt totdat de verzekerde is</para>
    <para>overleden of totdat de polis om andere reden is beëin</para>
    <para>digd. In dat tarief is reeds rekening gehouden met de</para>
    <para>stijging van de schadeuitkeringen tengevolge van de</para>
    <para>veroudering van de verzekerde, zodat gesproken kan worden</para>
    <para>van een vast tarief. De ingevolge het tarief in rekening</para>
    <para>gebrachte premie kan "en bloc" door [de belanghebbende]</para>
    <para>naar boven worden aangepast. Dezerzijds wordt gesteld dat</para>
    <para>de aanpassing zich slechts richt op landelijke stijgingen</para>
    <para>van de kosten van de gezondheidszorg tengevolge van</para>
    <para>stijgingen van de medische kosten. Het is mogelijk dat</para>
    <para>zulk een stijging van de medische kosten mede wordt</para>
    <para>veroorzaakt door een stijging van de leeftijdsopbouw van</para>
    <para>de Nederlandse bevolking, doch als zulks al aan te tonen</para>
    <para>is, dan is dit effect toch verwaarloosbaar klein ten</para>
    <para>opzichte van het effect van een stijging van de leeftijd</para>
    <para>van een individuele verzekerde, daar men landelijk gezien</para>
    <para>te maken heeft met een gemiddelde stijging. (...)"</para>
    <para>2.10. Het Hof heeft de ter zitting van 20 augustus 1996 door</para>
    <para>de Inspecteur overgelegde pleitnota als in de bestreden uit</para>
    <para>spraak t. a. p. ingelast aangemerkt. Deze pleitnota, onder 5,</para>
    <para>blz. 6, hield in:</para>
    <para>"(...) Belanghebbende is met haar verzekeringnemers géén</para>
    <para>vast tarief overeengekomen. (...) Het is theoretisch en</para>
    <para>praktisch onmogelijk premieverhogingen te scheiden in</para>
    <para>"kosten van veroudering", "prijsstijgingen</para>
    <para>heidszorg" en "voortschrijding van de stand van de</para>
    <para>sche techniek". (...) De stelling van gemachtigde, dat</para>
    <para>het effect van de stijging van de medische kosten slechts</para>
    <para>voor een gering deel veroorzaakt wordt door de stijging</para>
    <para>van de leeftijdsopbouw van de Nederlandse bevolking, is</para>
    <para>op geen enkele wijze onderbouwd. Het is eerder aanneme</para>
    <para>lijk dat het niet verwaarloosbaar klein is. (...) In een</para>
    <para>afbouw van de reserve is niet voorzien. (...)"</para>
    <para>3. De bestreden uitspraak.</para>
    <para>Het Hof heeft overwogen,</para>
    <para>"(blz. 3) (...) 2.1. (...) dat uitsluitend in geschil</para>
    <para>of de vorming van een vergrijzingsreserve in het jaar</para>
    <para>1987 (...) is toegestaan. Kennelijk zijn partijen van</para>
    <para>oordeel dat bij bevestigende beantwoording van deze vraag</para>
    <para>de correctie vervalt en dat bij ontkennende beantwoording</para>
    <para>de uitspraak moet worden bevestigd. (...) (blz. 4) (...)</para>
    <para>2.4. (...) (blz. 5) (...) In beginsel konden (...) tarie</para>
    <para>ven niet gewijzigd worden en waren de verzekeringen niet</para>
    <para>opzegbaar door belanghebbende. Wel werden de tarieven</para>
    <para>regelmatig gewijzigd op grond van de zogenaamde en-bloc-</para>
    <para>clausule. 2.5. Deze clausule (...) luidt (...): De maat</para>
    <para>schappij heeft het recht de premie en/of voorwaarden van</para>
    <para>bepaalde groepen verzekeringen en bloc te wijzigen. (...)</para>
    <para>De verzekeringnemer wordt (...) geacht hiermee te hebben</para>
    <para>ingestemd tenzij hij (...) het tegendeel (...) bericht.</para>
    <para>De premie en/of voorwaarden zullen dan niet worden gewij</para>
    <para>zigd, terwijl de na die datum gemaakte kosten zullen</para>
    <para>worden vergoed in verhouding (...) (blz. 9) (...) 5.1.1.</para>
    <para>Het Hof begrijpt dat [de belanghebbende] verzekeringen</para>
    <para>afsluit (...), waarbij de hoogte van de premies veelal</para>
    <para>wordt bepaald door de leeftijd (...) bij toetreding, [en]</para>
    <para>dat in dat geval die premies naderhand niet worden ver</para>
    <para>hoogd op grond van het ouder worden van de individuele</para>
    <para>verzekerde (...) Op grond van de en-bloc-clausule kunnen</para>
    <para>de premies wel worden verhoogd voor alle of voor bepaalde</para>
    <para>groepen verzekerden. 5.1.2. Belanghebbende heeft (...)</para>
    <para>een vergrijzingsreserve gevormd. Belanghebbende volgde</para>
    <para>hierbij niet het systeem dat de Verzekeringskamer voor</para>
    <para>schreef doch het systeem van haar actuaris welk systeem</para>
    <para>tot een aanmerkelijk hogere reservering leidde. (blz. 11)</para>
    <para>(...) 5.4.1. Aan hetgeen (...) is vastgesteld ontleent</para>
    <para>het Hof het niet weerlegde vermoeden dat bij (...) be</para>
    <para>langhebbende (...) het omslagstelsel wordt toegepast,</para>
    <para>hetgeen in dit geval onder meer betekent dat de porte</para>
    <para>feuille van een maatschappij op dit terrein min of meer</para>
    <para>als een geheel wordt bezien en dat overschotten op jonge</para>
    <para>verzekerden worden gebruikt ter dekking van tekorten op</para>
    <para>oudere verzekerden. (...) Een dergelijk stelsel brengt</para>
    <para>(...) mede dat per polis bezien het risico en de hoogte</para>
    <para>van de premie niet steeds op elkaar afgestemd behoeven te</para>
    <para>zijn. Voldoende is dat per portefeuille bezien de totale</para>
    <para>premie is afgestemd op het totale risico. 5.4.2. (...) De</para>
    <para>omstandigheid dat in een aantal polissen de premiestel</para>
    <para>ling leeftijdafhankelijk was, hetzij per jaar hetzij</para>
    <para>afhankelijk van de entreeleeftijd, doet daar (...) onvol</para>
    <para>doende aan af. (...) (blz. 12) (...) 5.5.1. Goed koopmans</para>
    <para>gebruik staat toe dat een schadeverzekeraar (...) premies</para>
    <para>(...) passiveert (...) indien de verzekeraar na de</para>
    <para>balansdatum terzake van de ontvangen premies nog risico</para>
    <para>loopt. In het algemeen houdt een schadeverzekering in dat</para>
    <para>de verzekeraar een bepaald risico, in dit geval het</para>
    <para>ziektekostenrisico, voor een bepaald tijdvak verzekert</para>
    <para>tegen een voor dat tijdvak geldende premie. Dit</para>
    <para>impliceert dat na het verstrijken van het tijdvak de</para>
    <para>premies voor een bepaalde tijdvak over dat tijdvak in</para>
    <para>beginsel geheel zijn verdiend (...) (blz. 14) (...)</para>
    <para>5.5.7. (...) uit hetgeen onder 2.4. en 2.5. (aangaande de</para>
    <para>mogelijkheid tot premieverhoging) is vastgesteld [volgt]</para>
    <para>dat de kosten voortvloeiend uit de veroudering van de</para>
    <para>portefeuille als geheel in beginsel in toekomstige pre</para>
    <para>mieverhogingen kunnen worden teruggevonden. (...) Niet</para>
    <para>aannemelijk is dat bij algemene premieverhogingen wordt</para>
    <para>onderscheiden tussen kostenstijgingen als gevolg van</para>
    <para>loon- en prijsstijgingen en hogere kosten als gevolg van</para>
    <para>een algehele vergrijzing van de Nederlandse bevolking.</para>
    <para>5.5.8. Tenslotte heeft belanghebbende niet aannemelijk</para>
    <para>gemaakt dat haar totale portefeuille een ongunstiger</para>
    <para>samenstelling heeft dan overeenkomt met de gemiddelde</para>
    <para>leeftijdsopbouw van de Nederlandse bevolking. (...) (blz.</para>
    <para>15) (...) 5.7.1. Nu [de belanghebbende] de voorwaarden</para>
    <para>van de afgesloten verzekeringsovereenkomsten, waaronder</para>
    <para>het bedrag van de verschuldigde premie, onder omstandig</para>
    <para>heden kan wijzigen (...) is (...) niet aannemelijk dat</para>
    <para>[de belanghebbende] gehouden is om na de balansdatum haar</para>
    <para>(onopzegbare) portefeuille verzekeringsovereenkomsten</para>
    <para>tegen een voor die portefeuille als geheel verliesgevende</para>
    <para>of onvoldoende rendabele premie voort te zetten. (...)"</para>
    <para>4. Belastingheffing ten laste van verzekeraars.</para>
    <para>4.1. Art. 10 Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 (Besluit IB</para>
    <para>1941), oorspronkelijke tekst, hield in:</para>
    <para>"1. Bij het berekenen van het (...) bedrijfs- of beroeps</para>
    <para>vermogen (...) worden de activa en passiva in aanmerking</para>
    <para>genomen en gewaardeerd volgens goed koopmansgebruik (...)</para>
    <para>3. Als aftrekbare passiva komen slechts in aanmerking ver</para>
    <para>plichtingen, welke (...) bestaan of welke plegen te</para>
    <para>ontstaan uit reeds bestaande rechtsverhoudingen."</para>
    <para>4.2. Het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 (Besluit</para>
    <para>Vpb. 1942), oorspronkelijke tekst, hield in:</para>
    <para>"(...) Art. 6. (...) 2. De winst wordt berekend op den</para>
    <para>voet van de artikelen 8 tot en met 12 (...) van het</para>
    <para>Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 (...) Art. 13. Bij</para>
    <para>het bepalen van de winst worden de volgende posten als</para>
    <para>bedrijfskosten beschouwd (...): (...) 3. bij verzeke</para>
    <para>ringsondernemingen: (...) b. de, ter zake van loopende</para>
    <para>verzekeringsovereenkomsten, door de techniek van het</para>
    <para>verzekeringsbedrijf geboden vergrooting van reserves,</para>
    <para>volgens (...) gestelde regelen; (...)"</para>
    <para>4.3. Art. 1, lid 1, 1e volzin, Zesde Aanvullingsbeschikking</para>
    <para>Vennootschapsbelasting 1942, Stcrt. 10 oktober 1944, nr. 190</para>
    <para>(Zesde Aanv.besch. Vpb. 1942), hield in:</para>
    <para>"Belastingplichtigen, die het verzekeringbedrijf uitoefe</para>
    <para>nen, mogen een onbelaste reserve (egalisatiereserve)</para>
    <para>hebben (...)"</para>
    <para>4.4. Bij resolutie van 18 november 1944, nr. 59, Belastingbe</para>
    <para>richten, oude reeks, Vpb. 72, werd een toelichting op de Zesde</para>
    <para>Aanv.besch. Vpb. 1942 gegeven. § 1, lid 2, van de toelichting</para>
    <para>hield in (blz. 2):</para>
    <para>"Tot de verzekeringstechnische reserves, bedoeld in art.</para>
    <para>13 Besluit Vennootschapsbelasting, behooren niet de</para>
    <para>premiereserves (wiskundige reserves) van levensverzeke</para>
    <para>raars. Immers deze premiereserves behooren tot de reeds</para>
    <para>volgens art. 10, lid 3, van het Besluit op de Inkomsten</para>
    <para>belasting 1941 aftrekbare passiva (...) Men kan zelfs in</para>
    <para>het algemeen zeggen, dat voormeld art. 10, lid 3, reeds</para>
    <para>een afdoende regeling treft voor alle (oneigenlijke)</para>
    <para>reserves, die de verzekeraar ook dan in zijn vermogensop</para>
    <para>stelling opnemen moet, indien voor hem het niveau van</para>
    <para>alle maatschappelijke gebeurtenissen constant blijft in</para>
    <para>verhouding tot den omvang van zijn verzekeringsportefeuil</para>
    <para>le, m.a.w. indien voor den (...) levensverzekeraar de</para>
    <para>sterfte, het beleggingsrendement en de kosten constant</para>
    <para>zouden blijven op het niveau, dat bij de vaststelling van</para>
    <para>de premie als gemiddelde werd verwacht. Een ieder weet</para>
    <para>echter, hoezeer het onwaarschijnlijk is, dat verschijnse</para>
    <para>len, welke verzekeraars bij hun premievaststelling in</para>
    <para>aanmerking moeten nemen, van jaar tot jaar constante</para>
    <para>uitkomsten geven. (...) De theorie van het bepalen van de</para>
    <para>premiën heeft (...) nog geenszins een zoodanigen invloed</para>
    <para>op de practijk ervan, dat het mogelijk is een tegelijk</para>
    <para>theoretisch verantwoorde en practisch gemakkelijk han</para>
    <para>teerbare regeling tot stand te brengen, waarbij tegemoet</para>
    <para>wordt gekomen aan het verlangen tot erkenning van de</para>
    <para>behoefte aan egalisatie, voorkomende (lees: voortkomende,</para>
    <para>v.S.) uit de gevolgen van het wisselvallige verloop van</para>
    <para>aan het verzekeringsbedrijf inhaerente factoren."</para>
    <para>4.5. Art. 9 Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964)</para>
    <para>houdt in:</para>
    <para>"De in een kalenderjaar genoten winst wordt bepaald</para>
    <para>volgens goed koopmansgebruik, met inachtneming van een</para>
    <para>bestendige gedragslijn (...)"</para>
    <para>4.6. De Wet Vpb. 1969 houdt in de voor 1987 geldende tekst in:</para>
    <para>"(...) Art. 8. 1. De winst wordt opgevat en bepaald</para>
    <para>voet van de artikelen (...) 9 tot en met 14a (...) van de</para>
    <para>Wet op de inkomstenbelasting 1964 (...) Art. 29. Wij</para>
    <para>behouden Ons voor (...) regelen te geven met betrekking</para>
    <para>tot bij verzekeringsondernemingen toelaatbaar te achten</para>
    <para>reserves, (...)"</para>
    <para>4.6.1. In het oorspronkelijke Ontwerp van wet, Bijlagen Handelingen</para>
    <para>Tweede Kamer, 1959-1960 - 6000, nr. 2, kwam de regeling die ik</para>
    <para>zojuist uit art. 29 Wet Vpb. 1969 citeerde, nog niet voor.</para>
    <para>4.6.1.1. De Memorie van toelichting, nr. 3, blz. 15, hield in:</para>
    <para>"(linkerkolom, 3e al.) Wat betreft de levensverzekerings</para>
    <para>ondernemingen zij erop gewezen dat in de loop van de tijd</para>
    <para>bij deze ondernemingen de risicofactor geleidelijk zeer</para>
    <para>belangrijk is beperkt en thans een vrijwel statisch</para>
    <para>karakter heeft verkregen. (...) (4e al.) Voor schadever</para>
    <para>zekeraars echter, waarbij (...) risico-beperkende elemen</para>
    <para>ten niet of in veel mindere mate aanwezig zijn, draagt</para>
    <para>het bedrijfsrisico een dynamisch karakter. Het financiële</para>
    <para>risico dat deze verzekeraars lopen, onder meer door cala</para>
    <para>miteiten, kan de schadeuitkeringen, welke zij gehouden</para>
    <para>zijn te doen, dusdanig doen cumuleren dat zij in een</para>
    <para>bepaald jaar tot excessieve verliezen van de maatschappij</para>
    <para>leiden. (5e en laatste al.) Het vorenstaande leidt tot de</para>
    <para>conclusie dat er slechts aanleiding bestaat voor de</para>
    <para>schadeverzekeraars de bijzondere positie, welke zij in</para>
    <para>het huidige fiscale bestel innemen, te blijven erkennen.</para>
    <para>De ondergetekenden zijn van mening dat zulks niet zal</para>
    <para>moeten geschieden door bestendiging van een fiscale</para>
    <para>egalisatiereserve. (...) Wel zijn de ondergetekenden van</para>
    <para>oordeel dat een bijzondere fiscale voorziening, beperkt</para>
    <para>tot een vereffening van negatieve bedrijfsresultaten met</para>
    <para>winsten, voor de schadeverzekeraars gerecht- (rechterko</para>
    <para>lom, 1e al.) vaardigd is. (...) In het wetsontwerp wordt</para>
    <para>daarom voorgesteld het aantal carry-backjaren (...) voor</para>
    <para>schadeverzekeringsmaatschappijen te vermeerderen met vier</para>
    <para>jaar."</para>
    <para>4.6.2. Het Nader voorlopig verslag, 1968-1969, nr. 19, hield</para>
    <para>de vraag in,</para>
    <para>"(blz. 20, linkerkolom, 4e al.) (...) waarom niet de ver</para>
    <para>plichte waarborg welke de wet op het schadeverzekerings</para>
    <para>bedrijf eist, erkend zou kunnen worden als bedrijfslast.</para>
    <para>(...) (blz. 21, rechterkolom, 3e al.) (...) leden (...)</para>
    <para>waren (...) overtuigd (...) niet van de noodzaak om in</para>
    <para>het bijzonder voor de schadeverzekeringsmaatschappijen</para>
    <para>het instituut van de egalisatiereserve of een daarmede te</para>
    <para>vergelijken fiscale tegemoetkoming (als zodanig kan huns</para>
    <para>inziens niet een verlengde carry-back gelden) volledig af</para>
    <para>te schaffen. (7e en laatste al.) (...) Een vordering tot</para>
    <para>belastingteruggave in geval van verlies geeft aan de</para>
    <para>schadeverzekeraar niet dezelfde positie als de solvabili</para>
    <para>teitsreserve, die de Wet op het Schadeverzekeringsbedrijf</para>
    <para>eist en die voor een verantwoorde bedrijfsvoering noodza</para>
    <para>kelijk is."</para>
    <para>4.6.3. Bij brief van de minister en de staatssecretaris van</para>
    <para>Financiën, nr. 20, werd betoogd:</para>
    <para>"(blz. 1, 4e al.) Met de Nederlandse Vereniging ter</para>
    <para>Bevordering van het Levensverzekeringswezen hebben (...)</para>
    <para>besprekingen plaatsgevonden (...) Als een uitvloeisel van</para>
    <para>deze besprekingen zullen de levensverzekeringsmaatschap</para>
    <para>pijen de wijze van winstberekening (...) veranderen (...)</para>
    <para>(5e en laatste al.) (...) De ondergetekenden hebben in</para>
    <para>het bereikte resultaat ten aanzien van de winstberekening</para>
    <para>(...) aanleiding gevonden terug te komen op hun (...)</para>
    <para>voornemen (...) de egalisatiereserve van levensverzeke</para>
    <para>raars af te breken. Zij stellen zich voor (...) (blz. 2,</para>
    <para>1e al.) (...) dit instituut (...) om te bouwen tot een</para>
    <para>reserve, die meer is afgestemd op de aan het karakter van</para>
    <para>het verzekeringsbedrijf eigen risico's."</para>
    <para>4.6.4. Naar bij brief van de Staatssecretaris, nr. 21, werd</para>
    <para>betoogd,</para>
    <para>"(3e al.) (...) zal een enigszins andere bestemming van</para>
    <para>de egalisatiereserve worden vastgesteld, waardoor deze</para>
    <para>duidelijk het karakter van een verzekeringstechnische</para>
    <para>reserve krijgt. Wanneer een omrekening van de premiere</para>
    <para>serve (...) noodzakelijk is (...) zal een verhoging van</para>
    <para>deze reserve voortaan ten laste van de egalisatiereserve</para>
    <para>moeten komen. (...) Voorts zullen bepaalde beleggingsver</para>
    <para>liezen op de egalisatiereserve in mindering worden ge</para>
    <para>bracht. (4e al.) In het overleg tussen ondergetekende en</para>
    <para>de Nederlandse Vereniging ter Bevordering van het levens</para>
    <para>verzekeringswezen is voorts een regeling getroffen inzake</para>
    <para>een gewijzigde berekening van de jaarlijkse fiscale winst</para>
    <para>van levensverzekeringmaatschappijen, met name ten aanzien</para>
    <para>van de berekening van de premiereserve en de verantwoor</para>
    <para>ding van de kortingen op premies voor collectieve pensi</para>
    <para>oencontracten."</para>
    <para>4.6.5. De Nadere memorie van antwoord, nr. 22, hield in:</para>
    <para>"(blz. 23, rechterkolom, 5e al.) Ten einde de schadever</para>
    <para>zekeringsmaatschappijen een rechtvaardige behandeling</para>
    <para>deelachtig te doen worden (...) en ter bevordering van</para>
    <para>een zo evenwichtig mogelijk wettelijk systeem, dient naar</para>
    <para>het oordeel van de ondergetekenden ook aan schadeverzeke</para>
    <para>ringsmaatschappijen een egalisatiereserve volgens de</para>
    <para>nieuwe opzet te worden toegestaan, waarmede dan de aan</para>
    <para>vankelijk voorgestelde verruimde mogelijkheid tot achter</para>
    <para>waartse verrekening van verliezen komt te vervallen.</para>
    <para>(...) (6e al.) De ondergetekenden hebben zich de voor</para>
    <para>schadeverzekeringsmaatschappijen te treffen regeling in</para>
    <para>hoofdzaken als volgt gedacht. (blz. 24, rechterkolom, 4e</para>
    <para>al.) (...) Daarbij is mede in de overwegingen betrokken,</para>
    <para>dat de schadeverzekeraars een wettelijke plicht hebben te</para>
    <para>reserveren. De ondergetekenden zijn overigens van oor</para>
    <para>deel, dat die verplichting geenszins met zich brengt dat</para>
    <para>de reservering ten laste van de fiscale winst dient te</para>
    <para>geschieden."</para>
    <para>4.6.6. Naar het Verslag van het mondeling overleg, nr. 25,</para>
    <para>inhield,</para>
    <para>"(blz. 1, 2e al.) (...) zijn (...) weergegeven (...)</para>
    <para>de rechterkolom de (...) antwoorden en beschouwingen van</para>
    <para>de zijde van de bewindsman. (blz. 18, punt 49, rechterko</para>
    <para>lom, 4e en laatste al.) (...) De egalisatiereserve beoogt</para>
    <para>zowel een stootkussen te zijn voor het opvangen van</para>
    <para>negatieve technische resultaten voor zover deze in het</para>
    <para>kader van de bedrijfsuitoefening normaal te achten zijn,</para>
    <para>als rekening te houden met de omstandigheid, dat de</para>
    <para>tarieven van de schadeverzekeraars meermalen tijdelijk</para>
    <para>achterblijven bij het schadeverloop."</para>
    <para>4.7. HR 15 oktober 1980, nr. 19.707, met mijn conclusie, BNB</para>
    <para>1981/85 met noot J. Verburg&amp;lt;(6)FED, Vpb.'69:Art.8:16 met noot J. Hoogendoorn.&amp;gt;.</para>
    <para>4.7.1. Ik betoogde,</para>
    <para>"(blz. 440, regels 16-30) 5. (...) dat de betekenis van</para>
    <para>goed koopmansgebruik voor de berekening van de jaarwinst</para>
    <para>beoordeeld moet worden ongeacht het bestaan van een</para>
    <para>egalisatiereserve en ongeacht de omvang daarvan. 6. (...)</para>
    <para>(blz. 441, regels 17-42) goed koopmansgebruik gedoogt</para>
    <para>geen maatstaf die een - in beginsel willekeurig - uitstel</para>
    <para>van winstneming (...) medebrengt. (...) de reserve is</para>
    <para>niet ongeoorloofd omdat de egalisatiereserve bestaat,</para>
    <para>maar de reserve is naar goed koopmansgebruik ongeoorloofd</para>
    <para>en daarom bestaat de egalisatiereserve."</para>
    <para>4.7.2. Naar Verburg annoteerde (onder 3, blz. 462, regels 21-</para>
    <para>39),</para>
    <para>"valt het op dat het Hof de vraag of het systeem van</para>
    <para>fiscale winstberekening in alle opzichten spoort met goed</para>
    <para>koopmansgebruik, niet los heeft kunnen zien van de aanwe</para>
    <para>zigheid van een egalisatiereserve. (...) Voor de A-G is</para>
    <para>het klip en klaar (...) Toch blijven er onduidelijkheden</para>
    <para>die een verklaring behoeven. (...) M.i. terecht heeft de</para>
    <para>H.R. de gerezen geschillen binnen het raam van goed</para>
    <para>koopmansgebruik tot een oplossing gebracht. (...)"</para>
    <para>4.8. In zijn conclusie voor HR 29 oktober 1986, nr. 23.288,</para>
    <para>BNB 1987/86 met noot G. Slot, betoogde de toenmalige advocaat-</para>
    <para>generaal Verburg (onder 4, blz. 509):</para>
    <para>"De egalisatiereserve (...) is bedoeld om te fungeren als</para>
    <para>stootkussen (...) voor het opvangen van verliezen die het</para>
    <para>gevolg zijn van het verschijnsel dat de typisch aan het</para>
    <para>verzekeringsbedrijf gebonden factoren slechts tot op</para>
    <para>zekere hoogte voorspelbaar en berekenbaar zijn. (...)"</para>
    <para>4.9. Hoogendoorn, Maandblad belastingbeschouwingen (MBB),</para>
    <para>november 1987, blz. 264, onder 1, betoogt,</para>
    <para>"(...) dat de egalisatiereserve (...) gedacht is als</para>
    <para>aanvulling - correctie, zo men wil - op de bestaande</para>
    <para>regels voor de winstverantwoording op lopende&amp;lt;(7)Cursivering van Hoogendoorn.&amp;gt; verzeke</para>
    <para>ringscontracten. Op de lopende contracten wordt winst</para>
    <para>verantwoord. Dit, terwijl de werkelijke uitkomst op deze</para>
    <para>contracten nog onzeker is. De opzet was om toevoegingen</para>
    <para>aan een verzekeringstechnische egalisatiereserve te</para>
    <para>erkennen als bedrijfskosten, terwijl onttrekkingen aan</para>
    <para>deze reserve onder de baten zouden dienen te worden</para>
    <para>gerangschikt. Zowel de toevoegingen als de onttrekkingen</para>
    <para>zouden verband dienen te houden met de wisselvalligheden</para>
    <para>in het schadeverloop (...) Kort gezegd: winst uit onder</para>
    <para>schaden reserveren teneinde verliezen uit overschaden uit</para>
    <para>de reserve te dekken. (...)"</para>
    <para>4.10. A. J. van Soest Belastingen, 19e druk, 1997, nr. 3.9.4,</para>
    <para>blz. 609, betoogt:</para>
    <para>"Artikel 29 (...) Het gaat hier niet om het geven van</para>
    <para>aanwijzingen omtrent de grootte van bepaalde door goed</para>
    <para>koopmansgebruik reeds vereiste passiefposten, die men bij</para>
    <para>verzekeringsmaatschappijen wel pleegt aan te duiden als</para>
    <para>reserves, met name om de premiereserve, maar om de bedra</para>
    <para>gen die, na de berekening van het belastbare bedrag</para>
    <para>volgens hoofdstuk II, fiscaal (voorlopig) onbelast kunnen</para>
    <para>worden gelaten. (...)"</para>
    <para>5. Toekomstige lasten en goed koopmansgebruik.</para>
    <para>5.1. HR 12 december 1934, Beslissingen in belastingzaken (B.)</para>
    <para>5743, blz. 265, overwoog,</para>
    <para>"(...) dat in belanghebbendes voorstelling hier aanwezig</para>
    <para>is een transactie, die zich over meer dan één jaar uit</para>
    <para>strekt, immers hij voor een aantal jaren verplichtingen</para>
    <para>als borg op zich nam, terwijl hij voor het loopen van het</para>
    <para>daaraan verbonden risico ƒ 11.111,10 ontving; dat voor de</para>
    <para>berekening van de opbrengst eener dergelijke in een</para>
    <para>bedrijf gesloten transactie iedere methode toelaatbaar</para>
    <para>is, die niet strijdig is met goed koopmansgebruik; dat</para>
    <para>als zoodanig bij een transactie als de onderhavige,</para>
    <para>zoowel toelaatbaar is een methode, waarbij geenerlei</para>
    <para>opbrengst aangenomen wordt, voordat door het afloopen van</para>
    <para>de borgtocht gebleken is, welk resultaat de transactie</para>
    <para>heeft opgeleverd, als een methode, waarbij voor ieder</para>
    <para>jaar, dat de borgtocht zal duren, een evenredig deel van</para>
    <para>de ontvangen risicopremie als bate wordt aangenomen,</para>
    <para>terwijl eindelijk onder bijzondere omstandigheden niet</para>
    <para>ontoelaatbaar zou kunnen zijn om de premie aanstonds na</para>
    <para>ontvangst als bate te verantwoorden (...)"</para>
    <para>5.2. HR 27 mei 1936, B. 6120, overwoog,</para>
    <para>"(blz. 212) (...) dat de raad (blz. 213) van beroep</para>
    <para>beschikking van den inspecteur heeft vernietigd (...) op</para>
    <para>de navolgende gronden: dat belanghebbende (...) het</para>
    <para>stelsel kon kiezen, dat hij, waar de transactie in haar</para>
    <para>geheel door den onbepaalden duur van de borgtocht zich</para>
    <para>over een aantal jaren kon uitstrekken, afwachtte, wat</para>
    <para>daarvan de einduitkomst zou zijn om alsdan zijn even</para>
    <para>tueele betaling als borg met de ontvangen uitkeeringen en</para>
    <para>regresmogelijkheden te verrekenen en het saldo als winst</para>
    <para>of verlies in de bedrijfsboekhouding te verantwoorden;</para>
    <para>dat bij dit stelsel de noodzakelijkheid niet bestaat om</para>
    <para>telken jare het bij den borgtocht geloopen risico te</para>
    <para>waardeeren (...) (blz. 214) (...); O. dat (...) uit het</para>
    <para>zinsverband van 's raads uitspraak volgt, dat (...)</para>
    <para>belanghebbende het door den raad aangeduide, en niet in</para>
    <para>strijd met goed koopmansgebruik geachte stelsel inderdaad</para>
    <para>gekozen heeft; Verwerpt het beroep."</para>
    <para>5.3. HR 8 oktober 1952, nr. 11.042, B. 9260, blz. 169, over</para>
    <para>woog,</para>
    <para>"(...) dat er (...) voor belanghebbende een verplichting</para>
    <para>tot uitkering van een pensioen aan haar gewezen directeur</para>
    <para>ontstond en belanghebbende alstoen (...) hetzij deze</para>
    <para>verplichting op haar fiscale balans als schuld kon kapi</para>
    <para>taliseren, hetzij - als zijnde dit niet in strijd met</para>
    <para>goed koopmansgebruik - de pensioenuitkeringen van jaar</para>
    <para>tot jaar ten laste van haar verlies- en winstrekening kon</para>
    <para>brengen (...)"</para>
    <para>5.4. HR 8 april 1953, nr. 11.257, BNB 1953/146 met noot H. J.</para>
    <para>Hellema, blz. 378, regels 24-34, overwoog,</para>
    <para>"dat (...) voor belanghebbende (...) jegens H onherroepe</para>
    <para>lijke pensioensverplichtingen zijn ontstaan, die regelma</para>
    <para>tig op het bedrijf zijn blijven drukken; O. dat het met</para>
    <para>goed koopmansgebruik strookt dergelijke verplichtingen</para>
    <para>gedurende den tijd, dat de werknemer zijn dienstbetrek</para>
    <para>king vervult, van jaar tot jaar te passiveren (...); dat</para>
    <para>echter goed koopmansgebruik ook toelaat passivering van</para>
    <para>de pensioenverplichtingen&amp;lt;(8)Op het ogenblik waarop ik dit schrijf, heb ik niet de</para>
    <para>beschikking over de originele tekst van het arrest en</para>
    <para>kan ik dus niet nagaan of inderdaad de term "pensi</para>
    <para>oenverplichtingen" de ene keer wel en de andere keer</para>
    <para>niet met een tussen-s is ge speld.&amp;gt; na te laten in afwachting of</para>
    <para>zij daadwerkelijk tot uitkeringen zullen leiden en eerst,</para>
    <para>indien zulks het geval is, de gedane uitkeringen ten</para>
    <para>laste te brengen van de winst van de jaren, waarin zij</para>
    <para>zullen plaats vinden (...)"</para>
    <para>5.5. HR 4 januari 1956, nr. 12.572, BNB 1956/59, blz. 135,</para>
    <para>regels 28-32, overwoog,</para>
    <para>"(...) dat een stelsel van voorraadwaardering, waarbij</para>
    <para>den kostprijs een aftrek van 10% wordt toegepast met het</para>
    <para>oog op de mogelijkheid in het algemeen, dat zich ten</para>
    <para>aanzien van de waar, welke gedurende geruimen tijd moet</para>
    <para>worden opgelegd, een prijsdaling zal voordoen, niet in</para>
    <para>overeenstemming is met goed koopmansgebruik (...)"</para>
    <para>5.6. HR 25 april 1956, nr. 12.765, BNB 1956/180, blz. 391,</para>
    <para>regels 39-42, overwoog,</para>
    <para>"dat goed koopmansgebruik er zich tegen verzet voor</para>
    <para>winstberekening over enig jaar (...) tot uiting te bren</para>
    <para>gen een niet in dat jaar geleden doch pas bij het opmaken</para>
    <para>van de balans van dat jaar voor een volgend jaar verwacht</para>
    <para>nadeel (...)"</para>
    <para>5.7. HR 16 mei 1956, nr. 12.733, BNB 1956/205 met noot E.</para>
    <para>Tekenbroek, blz. 468, regels 24-27, overwoog voor de heffing</para>
    <para>van inkomstenbelasting 1948,</para>
    <para>"dat aan verplichtingen, welke uit een reeds bestaande</para>
    <para>rechtsverhouding plegen te ontstaan, eerst kan worden</para>
    <para>gedacht, indien niet alleen de mogelijkheid aanwezig is</para>
    <para>dat de verplichtingen ontstaan, doch ook een behoorlijke</para>
    <para>kans bestaat op de verwerkelijking van die mogelijkheid</para>
    <para>(...)"</para>
    <para>5.8. HR 24 april 1957, nr. 13.145, BNB 1957/207 met noot M. J.</para>
    <para>H. Smeets, blz. 532, regels 41-49, overwoog,</para>
    <para>"dat, toen de vennootschap (...) pensioenverplichtingen</para>
    <para>op zich nam tegenover haar personeel, deze ten aanzien</para>
    <para>van de wijze, waarop die verplichtingen tot uitdrukking</para>
    <para>zouden worden gebracht voor haar jaarlijkse winstbereke</para>
    <para>ning, heeft gekozen voor een stelsel, waarbij de jaar</para>
    <para>lijkse passivering van die verplichtingen werd nagelaten</para>
    <para>en de te verstrekken uitkeringen ten laste zouden komen</para>
    <para>van de jaren, waarin deze zouden plaatsvinden; dat zulk</para>
    <para>een stelsel (...) met goed koopmansgebruik niet in strijd</para>
    <para>is (...)"</para>
    <para>5.9. HR 8 mei 1957, nr. 12.931, BNB 1957/208 met noot Smeets,</para>
    <para>blz. 537, regels 34-42, overwoog,</para>
    <para>"(...) dat weliswaar als regel kan worden aangenomen, dat</para>
    <para>een stelsel van jaarlijkse winstberekening voor de belas</para>
    <para>tingheffing als strokende met goed koopmansgebruik be</para>
    <para>hoort te worden aanvaard, indien dat stelsel is gegrond</para>
    <para>op hetgeen de bedrijfseconomie omtrent de juiste wijze</para>
    <para>van winstbepaling leert, doch deze regel uitzondering</para>
    <para>moet lijden niet alleen ingeval het volgen van het be</para>
    <para>drijfseconomische inzicht tot strijd met enig voorschrift</para>
    <para>der belastingwetgeving zou voeren, maar evenzeer indien</para>
    <para>daardoor aan den algemenen opzet of een beginsel van de</para>
    <para>belastingwet (...) te kort zou worden gedaan (...)"</para>
    <para>5.10. HR 2 oktober 1957, nr. 13.220, BNB 1957/300 met noot</para>
    <para>Smeets, blz. 763, regels 3-13, overwoog,</para>
    <para>"dat (...) het niet in overeenstemming is met goed koop</para>
    <para>mansgebruik om voor de winstberekening voor enig jaar</para>
    <para>(...) tot uitdrukking te brengen verliezen, welke zullen</para>
    <para>kunnen ontstaan als gevolg van factoren, die eerst in het</para>
    <para>volgende jaar kunnen optreden - in dit geval de mogelijk</para>
    <para>afwijzende reactie van het publiek ten aanzien van be</para>
    <para>paalde stoffen in het komende verkoopseizoen - ook al zou</para>
    <para>de ervaring leren, dat de betreffende factor telkenjare</para>
    <para>met betrekking tot enig gedeelte van den voorraad pleegt</para>
    <para>op te treden (...)"</para>
    <para>5.11. Hof 's-Hertogenbosch 8 november 1957, nr. 130/1956 R,</para>
    <para>BNB 1958/266, blz. 658, regels 35-52, overwoog,</para>
    <para>"dat de onderhavige uitkering ad f 30.000 diende ter</para>
    <para>vervanging van de vergoeding, welke de N.V. jaarlijks aan</para>
    <para>belangh. betaalde in verband met de hogere bedrijfskos</para>
    <para>ten, welke hij had tengevolge van het door mijnverzakking</para>
    <para>wegvallen van de voor zijn bedrijf benodigde waterkracht;</para>
    <para>dat (...) genoemde uitkering in feite een vergoeding door</para>
    <para>derden vormt van toekomstige bedrijfskosten van belangh.;</para>
    <para>dat het bedrijfseconomisch juist moet worden geacht, dat</para>
    <para>de uitkering door belangh. wordt verdeeld over de jaren,</para>
    <para>waarop de kosten, ter vergoeding waarvan de uitkering</para>
    <para>geschiedde, betrekking hebben; dat een dergelijke verde</para>
    <para>ling derhalve evenzeer in overeenstemming met goed koop</para>
    <para>mansgebruik, dat de basis vormt voor de bepaling van de</para>
    <para>jaarwinst, moet worden geacht (...)"</para>
    <para>(5.12. HR 16 december 1959, nr. 14.108, BNB 1960/24, is in de</para>
    <para>stukken van de thans te beslissen zaak ter sprake gebracht,</para>
    <para>maar het is hiervoor niet van belang, aangezien het niet</para>
    <para>betrekking heeft op goed koopmansgebruik, maar op de uitleg</para>
    <para>ging van de gevolgde bestendige gedragslijn.)</para>
    <para>5.13. Hof 's-Hertogenbosch 24 mei 1962, nr. 658/1961, BNB 1963/55,</para>
    <para>blz. 150, regels 37-45, overwoog,</para>
    <para>"dat de ontvangen afkoopsommen (...) zijn uitgekeerd</para>
    <para>wegens kosten of te verwachten kosten van herstel van</para>
    <para>zoutschade (...), derhalve wegens gemaakte of nog te</para>
    <para>maken bedrijfskosten; dat het bedrijfseconomisch juist</para>
    <para>moet worden geacht, dat de afkoopsommen worden toegere</para>
    <para>kend aan de jaren, waarin de kosten tot herstel van de</para>
    <para>zoutschade - ter vergoeding waarvan deze afkoopsommen</para>
    <para>werden ontvangen - zijn of worden gemaakt; dat een derge</para>
    <para>lijke toerekening evenzeer in overeenstemming met goed</para>
    <para>koopmansgebruik, dat de basis voor de bepaling van de</para>
    <para>jaarwinst vormt, moet worden geacht"</para>
    <para>5.14. Th. S. IJsselmuiden, De fiscale balans, 1963&amp;lt;(9)Het jaartal is niet in het boek vermeld, maar het kan</para>
    <para>uit de vakliteratuur, met name J. J. Hof, Maandblad</para>
    <para>voor Belastingrecht (M.v.B.), januari 1964, jaargang</para>
    <para>32, nr. 3, blz. 54, opgemaakt worden.&amp;gt;, blz. 104, onder 1, betoogt:</para>
    <para>"(...) Om een voorziening in de fiscale balans te treffen</para>
    <para>moeten de risico's, lasten, verliezen en uitgaven, beoor</para>
    <para>deeld naar de gegevens op de balansdatum, zijn: a. naar</para>
    <para>aard bepaald; b. naar omvang en tijd genoegzaam meetbaar;</para>
    <para>c. waarschijnlijk; d. veroorzaakt door de bedrijfsuitoe</para>
    <para>fening van het jaar ten laste waarvan de voorziening</para>
    <para>wordt gevormd. (...)"</para>
    <para>5.15. Hof Amsterdam 8 maart 1966, nr. 255/1965, BNB 1967/20,</para>
    <para>overwoog,</para>
    <para>"(blz. 51, regel 58) (...) dat in het algemeen het slui</para>
    <para>ten van schadeverzekeringsovereenkomsten de (blz. 52, tot</para>
    <para>en met regel 20) verzekeraar geen aanleiding vermag te</para>
    <para>geven tot het vormen van fiscaal aftrekbare reserves,</para>
    <para>anders dan die geregeld in de Zesde Aanv. besch. Ve.B.;</para>
    <para>dat toch toekomstige schaden gedekt plegen te worden door</para>
    <para>toekomstige premies, zodat elk jaar zijn eigen lasten</para>
    <para>draagt; O. dat belangh. aanspraak maakt op het passiveren</para>
    <para>van een verplichting (...) - ook wel aangeduid als "ver</para>
    <para>grijzingsreserve" - omdat bij gelijkblijvende premie het</para>
    <para>risico dat zij ten opzichte van haar verzekerden lijdt,</para>
    <para>bij het klimmen der jaren toeneemt; O. dat echter niet is</para>
    <para>aangetoond, dat de samenstelling van de onderhavige</para>
    <para>verzekeringsportefeuille - bestaande uit uitgestelde</para>
    <para>invaliditeitsverzekeringen (...) - in de loop der jaren</para>
    <para>ongunstiger wordt in die zin, dat de gemiddelde leeftijd</para>
    <para>van de verzekerden aan een stijging zou zijn onderworpen;</para>
    <para>dat toch, indien de gemiddelde leeftijd der verzekerden</para>
    <para>ongeveer gelijk blijft, bij een vaste premie als in casu,</para>
    <para>het toenemende risico op de met de oudere verzekerden</para>
    <para>lopende contracten gecompenseerd wordt met het lagere</para>
    <para>risico op die, gesloten met jongere contractanten; dat</para>
    <para>voorts, indien al bedoelde samenstelling ongunstiger zou</para>
    <para>worden, belangh. het (...) in de hand had de jaarpremie</para>
    <para>te verhogen en dusdoende het evenwicht te herstellen; dat</para>
    <para>immers juist met het oog op deze mogelijkheid de contrac</para>
    <para>ten van jaar tot jaar zijn aangegaan (...)"</para>
    <para>5.16. Hof Amsterdam 24 april 1967, nr. 345/1966, BNB 1967/236,</para>
    <para>overwoog,</para>
    <para>"(blz. 725, regels 28-33) dat belangh. (...) met artsen</para>
    <para>(...) overeenkomsten aanging, waarbij zij (...) het</para>
    <para>risico dekte van invaliditeit (...); (blz. 727, van regel</para>
    <para>15 af) dat (...) het risico wegens uitkeringen ingevolge</para>
    <para>de onderhavige invaliditeitsverzekeringen voor belangh.</para>
    <para>stijgt met het ouder worden van elke verzekerde; dat</para>
    <para>(...) met ingang van 1962 de toen lopende contracten voor</para>
    <para>belangh. de verplichting inhielden een per contract</para>
    <para>stijgend risico te verzekeren tegen een gelijkblijvende</para>
    <para>premie, zodat g.k.g. zo al niet gebood dan toch toeliet</para>
    <para>dit tot uiting te brengen bij de winstberekening over</para>
    <para>1962 en derhalve een deel van de premie te beschouwen als</para>
    <para>staande tegenover het in latere jaren te dragen risico;</para>
    <para>dat hieraan niet afdoet, dat, indien telkens een voldoen</para>
    <para>de aantal jongeren zal toetreden, belangh. hetgeen zij</para>
    <para>ingevolge haar verplichtingen tegenover de in 1962 verze</para>
    <para>kerde personen in toekomstige jaren zal hebben te vol</para>
    <para>doen, zou kunnen betalen uit de in die jaren ontvangen</para>
    <para>premiën, daar g.k.g. in het algemeen niet eist, dat men</para>
    <para>uit lopende contracten in de toekomst voortvloeiende</para>
    <para>verplichtingen buiten aanmerking laat bij de winstbereke</para>
    <para>ning wegens de verwachting, dat uit toekomstige transac</para>
    <para>ties met andere personen, genoeg zal worden ontvangen</para>
    <para>boven de in die jaren ten aanzien van die personen na te</para>
    <para>komen verplichtingen om eerstgenoemde verplichting na te</para>
    <para>leven, terwijl het Hof geen grond ziet voor het stand</para>
    <para>punt, dat hier een uitzondering op de voormelde in het</para>
    <para>algemeen geldende regel aanwezig zou zijn; dat het voren</para>
    <para>staande temeer klemt, omdat op het toetreden van jongeren</para>
    <para>in een mate van enig belang (...) niet mocht worden</para>
    <para>vertrouwd, daar (...) belangh. niet streeft naar het</para>
    <para>toetreden van nieuwe gegadigden tot deze niet (blz. 728,</para>
    <para>tot en met regel 2) lonende verzekeringsvorm en jongere</para>
    <para>artsen verzekeringen plegen te sluiten bij de maatschap</para>
    <para>pijen van welke zij geld kunnen lenen (...)"</para>
    <para>5.17. HR 29 januari 1969, nr. 16.064, BNB 1969/80 met noot J.</para>
    <para>E. A. M. van Dijck, blz. 227, van regel 48 af, overwoog,</para>
    <para>"dat het met goed koopmansgebruik strookt, dat een werk</para>
    <para>gever verplichtingen tot (...) uitkering van pensioenen,</para>
    <para>voortvloeiende uit onherroepelijke toezeggingen aan (...)</para>
    <para>werknemers, van jaar tot jaar passiveert (...); dat</para>
    <para>echter ook met goed koopmansgebruik overeenstemt zodanige</para>
    <para>passivering achterwege te laten en de met de (...) uitke</para>
    <para>ring van pensioenen gemoeide bedragen te brengen ten</para>
    <para>laste van de winst van het jaar, waarin die (...) uitke</para>
    <para>ring plaatsvindt (...)"</para>
    <para>5.18. Hof Amsterdam 24 september 1970, nr. 282/70, BNB 1971/ 197,</para>
    <para>overwoog&amp;lt;(10)Naar mijn indruk zijn bij de redactie van de uitspraak</para>
    <para>enkele misslagen begaan, die aan de begrijpelijkheid</para>
    <para>afbreuk doen. Ik hoop de strekking van het betoog</para>
    <para>optimaal weer te geven met behulp van enkele</para>
    <para>bekortingen. Ik heb er evenwel geen goed lopende</para>
    <para>(bij)zinnen van kunnen maken. &amp;gt;,</para>
    <para>"(blz. 703, van regel 46 af) (...) dat de aan belangh.</para>
    <para>(...) door de gemeente Z ter zake van de ontruiming van</para>
    <para>het bij hem voor bedrijfsdoeleinden in gebruik zijnde</para>
    <para>gehuurde perceel en de verplaatsing van het bedrijf naar</para>
    <para>een ander huurpand bepaalde schadeloosstelling (...)</para>
    <para>kennelijk mede was bestemd als tegemoetkoming in die</para>
    <para>verplaatsing samenhangende met toekomstige hogere be</para>
    <para>drijfskosten, welke in feite ook moesten worden gemaakt</para>
    <para>(...); O. dat het deel der schadeloosstelling, dat geacht</para>
    <para>kan worden te staan tegenover toekomstige hogere uitgaven</para>
    <para>niet is een in het onderwerpelijke jaar behaald voordeel,</para>
    <para>dat uit de onderneming wordt verkregen en mitsdien niet</para>
    <para>een bestanddeel van de winst van dat jaar (...); (blz.</para>
    <para>704, regels 3-6) dat het (...) zowel met bedrijfseconomi</para>
    <para>sche inzichten, als met het winstbegrip der (...) wet in</para>
    <para>overeenstemming is om ten bedrage van [genoemd] deel op</para>
    <para>de balans (...) een passiefpost - een zogenaamde</para>
    <para>transitoire post - op te voeren (...)"</para>
    <para>5.19. Hof Arnhem 18 december 1970, nr. 341/1970, BNB 1971/220,</para>
    <para>overwoog,</para>
    <para>"(blz. 769, regels 5-7) dat in de pensioenbrieven welke</para>
    <para>aan de beide directeuren zijn uitgereikt m.b.t. de ver</para>
    <para>plichtingen voortvloeiende uit de verhoging, is vermeld</para>
    <para>dat op de balans een aparte post pensioenreserve zal wor</para>
    <para>den opgenomen; (...) (blz. 770, regels 30-47) O. omtrent</para>
    <para>het geschil: dat in de aangiften voor de heffing van de</para>
    <para>venn.bel. (...) niet (...) ter zake van de verhoging van</para>
    <para>de pensioenrechten welke (...) aan de beide directeuren</para>
    <para>werden toegekend een stelsel van winstberekening werd</para>
    <para>gekozen waarbij de in eigen beheer gehouden pensioenver</para>
    <para>plichtingen van jaar tot jaar zouden worden gepassiveerd;</para>
    <para>dat g.k.g. voor de jaarlijkse winstberekening niet dwingt</para>
    <para>tot een stelsel waarbij de in eigen beheer gehouden</para>
    <para>pensioenverplichtingen worden gepassiveerd; dat ook met</para>
    <para>g.k.g. overeenstemt een passivering achterwege te laten</para>
    <para>en de met de uitkering van pensioenen gemoeide bedragen</para>
    <para>te brengen ten laste van de winst van het jaar, waarin de</para>
    <para>uitkering plaatsvindt; dat (...) de zinsnede in de pensi</para>
    <para>oenbrieven m.b.t. de te vormen pensioenreserve hieraan</para>
    <para>niet in de weg staat, daar het bij het bepalen van de</para>
    <para>jaarlijkse winst voor de heffing van de venn.bel. niet</para>
    <para>ongeoorloofd is een dergelijke toezegging met betrekking</para>
    <para>tot passivering buiten aanmerking te laten (...)"</para>
    <para>5.20. HR 8 december 1971, nr. 16.610, BNB 1972/26 met noot H. J.</para>
    <para>Hofstra, blz. 89, regels 20-36, overwoog voor de heffing van</para>
    <para>vennootschapsbelasting 1967&amp;lt;(11)De lezer bedenke dat art. 9a Wet IB 1964 eerst met</para>
    <para>ingang van 1973 geldend recht is.&amp;gt;,</para>
    <para>"dat (...) bij de onderhavige pensioenregeling de werkne</para>
    <para>mer voor elk jaar dat hij bij de onderneming werkzaam is</para>
    <para>geweest, niet alleen verkrijgt een recht op toekomstig</para>
    <para>pensioen berekend naar zijn salaris op het einde van het</para>
    <para>jaar, maar tevens een pensioenaanspraak berekend naar het</para>
    <para>bedrag waarmede de pensioengrondslag bij het einde van de</para>
    <para>dienstbetrekking als gevolg van de maatschappelijke</para>
    <para>ontwikkeling - welvaartstoename en/of inflatie - de bij</para>
    <para>het einde van het desbetreffende jaar aanwezige pensioen</para>
    <para>grondslag zal overtreffen (...); dat (...) het niet in</para>
    <para>strijd is met g.k.g. om bij&amp;lt;(12)Dit woord is bij latere verbetering in BNB ingevoegd</para>
    <para>(Lijst van verbeteringen en aanvullingen, blz. 24).&amp;gt; de jaarlijkse winstbepaling</para>
    <para>ook met laatstbedoelde pensioenaanspraak rekening te</para>
    <para>houden, daar ook deze pensioenaanspraak het karakter</para>
    <para>heeft van beloning voor in het desbetreffende jaar door</para>
    <para>de werknemer verrichte arbeidsprestaties en dienvolgens</para>
    <para>als bedrijfslast van dat jaar; dat hieraan (...) niet</para>
    <para>afdoet, dat deze pensioenaanspraak verband houdt met</para>
    <para>omstandigheden, die zich ná het desbetreffende jaar</para>
    <para>voordoen (...)"</para>
    <para>5.21. Hof 's-Gravenhage, Eerste Meerv. Belastingk., 11 oktober</para>
    <para>1972, BNB 1973/215, blz. 815, regels 15-26, overwoog voor de</para>
    <para>heffing van inkomstenbelasting van een glashandelaar,</para>
    <para>"dat (...) het snijverlies als regel bij levering aan</para>
    <para>afnemers wordt doorberekend, zodat de mogelijke waarde</para>
    <para>vermindering van de voorraad tengevolge van de aanwending</para>
    <para>in het bedrijf van de belangh. terstond pleegt te worden</para>
    <para>goedgemaakt door de aan de afnemers in rekening gebrachte</para>
    <para>prijzen; dat onder deze omstandigheden g.k.g. niet toe</para>
    <para>laat het mogelijke snijverlies reeds bij de aanschaffing</para>
    <para>van de voorraad in mindering te brengen op de aanschaf</para>
    <para>fingskosten door een gedeelte van de voorraad op nihil te</para>
    <para>waarderen; dat het immers niet in overeenstemming is met</para>
    <para>g.k.g. om (...) tot uitdrukking te brengen verliezen - te</para>
    <para>minder wanneer deze, zoals in het onderhavige geval,</para>
    <para>terstond plegen te worden goedgemaakt -, welke zullen</para>
    <para>kunnen ontstaan als gevolg van factoren, die eerst in een</para>
    <para>volgend jaar kunnen optreden (...)"</para>
    <para>5.22. HR 28 maart 1973, nr. 17.038, BNB 1974/30 met noot Slot,</para>
    <para>betrof de heffing van vennootschapsbelasting ten laste van een</para>
    <para>kredietinstelling.</para>
    <para>5.22.1. Hof Amsterdam 8 juni 1972, blz. 115, regels 23-28, overwoog,</para>
    <para>"dat (...) hetgeen belanghebbende voorstaat niet neerkomt</para>
    <para>op een lagere waardering van vorderingen, doch op de</para>
    <para>vorming van een reserve  of waarborgfonds met het oog op</para>
    <para>het krediettoezicht door de Nederlandsche Bank, die</para>
    <para>immers kan ingrijpen bij onvoldoende dekkingen voor</para>
    <para>verstrekte voor verstrekte kredieten; dat echter de</para>
    <para>wettelijke voorschriften de vorming van een zodanige</para>
    <para>reserve voor de berekening van de belastbare winst niet</para>
    <para>toelaten (...)"</para>
    <para>5.22.2. Het hiertegen gerichte middel van cassatie hield in:</para>
    <para>"(blz. 115, van regel 54 af) Art. 11 van de Wet toezicht</para>
    <para>kredietwezen (...) geeft de Nederlandsche Bank de be</para>
    <para>voegdheid de (...) kredietinstellingen richtlijnen voor</para>
    <para>hun bedrijfsvoering te geven in het belang van de solva</para>
    <para>biliteit en liquiditeit dezer instellingen. (blz. 116,</para>
    <para>tot en met regel 21) De dekkingsvoorschriften van voor</para>
    <para>noemde Bank voor verstrekte kredieten vormen een onder</para>
    <para>deel van genoemde, op de wet steunende richtlijnen. Een</para>
    <para>waardering van uitstaande kredieten, zodanig, dat is</para>
    <para>voldaan aan deze dekkingsvoorschriften, kan, wegens het</para>
    <para>dringende karakter van deze voorschriften, niet anders</para>
    <para>dan in overeenstemming zijn met het fiscale goed koop</para>
    <para>mansgebruik. De door het Hof bedoelde reserve of waar</para>
    <para>borgfonds mist dan ook zelfstandige betekenis en stelt</para>
    <para>uitsluitend voor een uit de Wet toezicht kredietwezen</para>
    <para>voortvloeiende correctie van de (nominale) waarde van de</para>
    <para>debiteuren. (...) Welk gebruik bij een effecten-krediet</para>
    <para>instelling goed is, kan de Nederlandsche Bank beter dan</para>
    <para>wie ook bepalen. Aangezien de bank de wettelijke plicht</para>
    <para>heeft de belangen van de schuldeisers van de kredietin</para>
    <para>stelling te beschermen, zijn haar voorschriften bepalend</para>
    <para>voor het ondernemersbeleid en dus ook voor het (fiscale)</para>
    <para>goed koopmansgebruik van deze instelling. (...)"</para>
    <para>5.22.3. Uw Raad overwoog (blz. 116, regels 23-32),</para>
    <para>"dat het middel (...) berust op de stelling, dat</para>
    <para>richtlijnen, door de Nederlandsche Bank ingevolge artikel</para>
    <para>11 van de Wet toezicht kredietwezen aan de (...) instel</para>
    <para>lingen voor hun bedrijfsvoering gegeven, bepalend zijn</para>
    <para>voor het goede koopmansgebruik (...); dat evenwel inge</para>
    <para>volge (...) genoemd artikel 11 de Nederlandsche Bank N.V.</para>
    <para>deze richtlijnen kan geven in het belang van de solvabi</para>
    <para>liteit en liquiditeit van bedoelde instellingen; dat</para>
    <para>mitsdien deze richtlijnen andere maatstaven kunnen aan</para>
    <para>leggen dan de maatstaf van goed koopmansgebruik (...)"</para>
    <para>5.22.4. Slot, blz. 117, regels 8-11, annoteerde:</para>
    <para>"(...) Men kan (...) de conclusie verdedigen dat</para>
    <para>voorschriften van de Verzekeringskamer voor de berekening</para>
    <para>van de winst van verzekeringsondernemingen niet bepalend</para>
    <para>zijn voor het fiscale goed koopmansgebruik. (...)"</para>
    <para>5.23. HR 1 oktober 1975, nr. 17.700, BNB 1976/194 met noot J.</para>
    <para>P. Scheltens, blz. 807, regels 28-50, overwoog voor de heffing</para>
    <para>van vennootschapsbelasting 1971,</para>
    <para>"dat, zo een ondernemer ter dekking van de door hem</para>
    <para>jegens zijn personeel aangegane pensioenverplichtingen</para>
    <para>verzekeringsovereenkomsten sluit ingevolge welke hij</para>
    <para>jaarlijks premie(s) betaalt, het niet met goed koopmans</para>
    <para>gebruik in strijd is ter zake van de aldus gedekte pensi</para>
    <para>oenverplichtingen te volstaan met de in een jaar aan de</para>
    <para>verzekeraar betaalde premie(s) ten laste van de winst</para>
    <para>over dat jaar te brengen, ook al betreft een deel van de</para>
    <para>premie(s) aanspraken op nog niet ingegaan pensioen over</para>
    <para>dienstjaren, welke reeds waren verstreken op het moment</para>
    <para>van het sluiten van de verzekeringsovereenkomsten; dat</para>
    <para>immers niet in strijd is met goed koopmansgebruik de</para>
    <para>lasten, verbonden aan laatstbedoelde pensioenaanspraken,</para>
    <para>door middel van een zogenaamde "inhaalpremie" (gelijke</para>
    <para>lijk) te verdelen over de jaren, verlopende tussen het</para>
    <para>sluiten van de verzekeringsovereenkomsten en het jaar van</para>
    <para>het ingaan van het desbetreffende pensioen; dat wel in</para>
    <para>strijd zou zijn met goed koopmansgebruik om - zoals</para>
    <para>belanghebbende blijkens de uitspraak van het Hof wil -</para>
    <para>niet alleen de in 1971 verschuldigd geworden premie, maar</para>
    <para>ook de contante waarde van de in latere jaren te betalen</para>
    <para>premies ten laste van de winst van het jaar 1971 te</para>
    <para>brengen; dat immers aldus ten laste van de winst van dat</para>
    <para>jaar mede zouden worden gebracht premies, welke eerst na</para>
    <para>dat jaar verschuldigd worden; dat (...) de Wet op de</para>
    <para>jaarrekening van ondernemingen niet dwingt tot een andere</para>
    <para>fiscale winstberekening dan de door belanghebbende met</para>
    <para>betrekking tot de "backserviceverplichtingen" tot</para>
    <para>gevolgde (...)"</para>
    <para>5.24. HR 20 april 1977, nr. 1017, met mijn conclusie, BNB 1978/195</para>
    <para>met noot P. den Boer&amp;lt;(13)NJO 1977, 7 met noot R. A. Mörzer Bruijns.&amp;gt;, blz. 1048, regels 17-20, overwoog,</para>
    <para>"dat (...) volgens goed koopmansgebruik (...) vergoedin</para>
    <para>gen (...), voor zover zij betrekking hebben op behoorlijk</para>
    <para>aanwijsbare, in de komende jaren ten laste van de winst</para>
    <para>uit onderneming te brengen bedrijfskosten, kunnen worden</para>
    <para>gepassiveerd (...)"</para>
    <para>5.25. In mijn conclusie voor HR 8 november 1978, nr. 18.980, BNB</para>
    <para>1978/326, blz. 1650, regels 37-42, betoogde ik als volgend uit</para>
    <para>de wet en de jurisprudentie&amp;lt;(14)De lezer bedenke dat ik toen uiteraard geen rekening</para>
    <para>kon houden met latere ontwikkelingen in de</para>
    <para>jurisprudentie.&amp;gt;,</para>
    <para>"(...) dat voor het opvoeren van een passiefpost (...)</para>
    <para>vereist is: a. een rechtsverhouding; b. de "behoorlijke"</para>
    <para>kans dat daaruit verplichtingen ontstaan; c. die naar</para>
    <para>goed koopmansgebruik ten laste behoren te komen van het</para>
    <para>desbetreffende jaar."</para>
    <para>5.26. HR 15 oktober 1980, nr. 19.707, BNB 1981/85 met noot</para>
    <para>Verburg, blz. 459, regels 18-26, overwoog,</para>
    <para>"dat (...) de prestaties van een schadeverzekeraar -</para>
    <para>weten het overnemen van schaderisico's - tijdens de</para>
    <para>gehele duur van de premietijdvakken worden verricht; dat</para>
    <para>dit (...), gezien de werking van de wet van de grote</para>
    <para>getallen, met zich brengt dat de winst in beginsel tijds</para>
    <para>evenredig aan de premietijdvakken dient te worden toege</para>
    <para>rekend; dat dit anders zou kunnen zijn indien het schade</para>
    <para>verloop gedurende de premietijdvakken anders dan tijds</para>
    <para>evenredig zou zijn (...)"</para>
    <para>5.27. HR 9 juni 1982, nr. 21.120, BNB 1982/200, blz. 877, van</para>
    <para>regel 53 af, overwoog,</para>
    <para>"dat het (...) in overeenstemming is met goed koopmansge</para>
    <para>bruik om vergoedingen, die een ondernemer in verband met</para>
    <para>de verplaatsing van zijn bedrijf ontvangt als tegemoetko</para>
    <para>ming in hogere huisvestings- en financieringskosten, te</para>
    <para>passiveren indien en voor zover deze vergoedingen betrek</para>
    <para>king hebben op behoorlijk aanwijsbare, in de komende</para>
    <para>jaren ten laste van de winst uit onderneming te brengen</para>
    <para>bedrijfskosten (...)"</para>
    <para>5.28. HR 9 juni 1982, nr. 21.210, BNB 1982/231 met noot</para>
    <para>Verburg, weigerde een notaris een voorziening voor zijn toe</para>
    <para>komstige verplichtingen jegens het Notarieel Pensioenfonds, nu</para>
    <para>deze geheel afhankelijk waren van toekomstige winst.</para>
    <para>5.29. C. T. M. Wolters, Voorzieningen in het verzekeringsbedrijf,</para>
    <para>1984, betoogt:</para>
    <para>"(blz. 245) VII. (...) De verwachte ziektekosten nemen</para>
    <para>toe met de leeftijd van de verzekerde. (...) Wanneer een</para>
    <para>ziektekostenverzekeraar een portefeuille heeft met een</para>
    <para>relatief hoge gemiddelde leeftijd - dit impliceert een</para>
    <para>grote verwachte schade en dus een hoge premie - is hij</para>
    <para>niet aantrekkelijk voor jonge verzekerden. Het gevolg</para>
    <para>hiervan is dat de portefeuille verder vergrijst en er een</para>
    <para>nog hogere premie berekend moet worden. (...) (blz. 247)</para>
    <para>7.1.1. (...) Een van de moeilijkheden bij de hantering van</para>
    <para>het kapitaaldekkingssysteem voor financiering van de</para>
    <para>ziektekostenverzekering is dat (...) geen sprake is van</para>
    <para>vaste uitkeringen, maar dat hier kosten vergoed moeten</para>
    <para>worden die bij ziekte daadwerkelijk gemaakt zijn. Deze</para>
    <para>kosten (kosten van de gezondheidszorg) zijn, zoals be</para>
    <para>kend, aan sterke veranderingen onderhevig. Het overgrote</para>
    <para>deel van de ziektekostenverzekeraars financiert de verze</para>
    <para>keringen van ziektekosten dan ook via het omslagstelsel.</para>
    <para>(...) In het omslagstelsel betaalt een jongere een premie</para>
    <para>die hoger ligt dan de bij zijn leeftijd behorende ver</para>
    <para>wachte schade. Het verschil tussen premie en verwachte</para>
    <para>schade wordt direkt, dat wil zeggen in hetzelfde jaar,</para>
    <para>gebruikt ten behoeve van de oudere verzekerden in de</para>
    <para>portefeuille. Dezen betalen immers een premie die lager</para>
    <para>ligt dan de bij hun leeftijd behorende verwachte schade.</para>
    <para>(...) (blz. 261) 7.2. (...) In het omslagstelsel is een</para>
    <para>oudere (...) afhankelijk van het feit of er voldoende</para>
    <para>jongeren in de portefeuille aanwezig zijn om de premie</para>
    <para>voor hem draagbaar te houden. In het voorgaande is duide</para>
    <para>lijk gemaakt dat - zeker voor een portefeuille met een</para>
    <para>ongunstige leeftijdsopbouw - het gevaar bestaat dat een</para>
    <para>portefeuille vergrijst (vergrijzingsspiraal). Het is</para>
    <para>immers de vraag of toekomstige jongere generaties in</para>
    <para>voldoende mate kunnen en willen bijdragen in de hoge</para>
    <para>lasten van de dan oudere verzekerden (...) Het omslag</para>
    <para>stelsel kan voor een ziektekostenverzekeraar die in deze</para>
    <para>vergrijzingsspiraal terechtkomt, tot insolventie leiden</para>
    <para>indien de benodigde (steeds hogere!) premie niet meer</para>
    <para>opgebracht kan worden. Om dit vergrijzingsgevaar voor een</para>
    <para>portefeuille te kunnen opvangen zijn voorzieningen nodig.</para>
    <para>De Verzekeringskamer verplicht sinds 1973 de ziektekos</para>
    <para>tenverzekeraars dan ook tot het beschikken over een zgn.</para>
    <para>vergrijzingsreserve. (...)"</para>
    <para>5.30. Hoogendoorn, MBB, maart 1986, blz. 63, ziet</para>
    <para>"(...) de egalisatiereserve als een noodzakelijke aanvul</para>
    <para>ling op de fiscaal aanvaarde technische voorzieningen,</para>
    <para>zoals (...) vergrijzingsreserve (...) Feitelijk verricht</para>
    <para>dan de egalisatiereserve de functie van een extra techni</para>
    <para>sche voorziening boven de conventionele voorzieningen.</para>
    <para>(...)"</para>
    <para>5.31. A. Oosenbrug, MBB, oktober 1986, blz. 240, onder 6,</para>
    <para>betoogt:</para>
    <para>"(...) Het opvoeren van een vergrijzingsreserve is binnen</para>
    <para>het kader van goed koopmansgebruik noodzakelijk. (...)</para>
    <para>Tenslotte kan worden opgemerkt, dat het voorgaande niet</para>
    <para>exclusief voor ziektekostenverzekeringen geldt, maar m.m.</para>
    <para>opgaat voor alle vormen van persoonsgebonden schadeverze</para>
    <para>keringen."</para>
    <para>5.32. HR 4 juli 1990, nr. 25.804, BNB 1990/264, overwoog:</para>
    <para>"(blz. 1879, regel 52) 4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat</para>
    <para>(...) (blz. 1880, tot en met regel 16) (...) de onzeker</para>
    <para>heden die zich voordoen bij de schatting van de kans dat</para>
    <para>een vennootschapsdirecteur over 23 jaar gebruik kan en</para>
    <para>zal maken van zijn recht op vervroegde uittreding met</para>
    <para>behoud van een deel van zijn salaris, zo groot zijn dat</para>
    <para>de in het onderhavige geval daarop aanwezig te achten</para>
    <para>kleine kans onvoldoende is om enig bedrag ter zake van de</para>
    <para>op belanghebbende rustende verplichting ten laste van de</para>
    <para>winst over 1979 te brengen. 4.2. Goed koopmansgebruik</para>
    <para>laat toe dat bij de bepaling van de uit een onderneming</para>
    <para>in enig jaar genoten winst in de balans per einde van het</para>
    <para>jaar een passiefpost wordt opgevoerd voor verplichtingen</para>
    <para>die kunnen voortvloeien uit een reeds bestaande rechts</para>
    <para>verhouding, mits op de verwezenlijking van die mogelijk</para>
    <para>heid een behoorlijke kans bestaat. Een zodanige behoor</para>
    <para>lijke kans heeft het Hof hier niet aanwezig geoordeeld.</para>
    <para>(...) Van dit oordeel uitgaande heeft het Hof terecht</para>
    <para>beslist dat goed koopmansgebruik niet toestaat op de</para>
    <para>balans per ultimo 1979 ter zake van de onderhavige ver</para>
    <para>plichting enig bedrag te passiveren."</para>
    <para>5.33. HR 10 oktober 1990, nr. 26.662, BNB 1990/332, overwoog:</para>
    <para>"(blz. 2376, regels 40-51) 4.1. (...) De uitvoering van</para>
    <para>de VUT-regeling van werknemers in het horeca- en aanver</para>
    <para>wante bedrijf, waartoe belanghebbendes onderneming be</para>
    <para>hoort, is opgedragen aan een bedrijfsfonds. (...) Op</para>
    <para>belanghebbende als individuele ondernemer rust geen</para>
    <para>andere verplichting dan die van de jaarlijkse betaling</para>
    <para>van een loonsompremie. (...) 4.2. (...) (blz. 2377, tot en</para>
    <para>met regel 4) (...) deze verplichting tot premiebetaling</para>
    <para>[vindt] haar grondslag (...) in de bedrijfsuitoefening</para>
    <para>van toekomstige jaren, en goed koopmansgebruik [laat]</para>
    <para>niet [toe] voor een zodanige verplichting een</para>
    <para>passiefpost te vormen."</para>
    <para>(vergelijk Hof Amsterdam 13 augustus 1991, nr. 1999/89, Vak</para>
    <para>studie Nieuws 19 september 1991, blz. 2499, punt 2.1).</para>
    <para>5.34. L. G. M. Stevens, Pensioen in de winstsfeer, FED Fiscale</para>
    <para>brochures, IB, 3e druk, 1993, betoogt:</para>
    <para>"(blz. 69) (...) 4.2 (...) (blz. 70) (...) gangbare dek</para>
    <para>kingstelsels voor de pensioenverplichtingen zijn: a.</para>
    <para>omslagstelsel (par. 4.3); (...) c. kapitaaldekkingstelsel</para>
    <para>(par. 4.5). 4.3 Het omslagstelsel (...) (blz. 71) (...)</para>
    <para>tijdens de periode waarin nog geen pensioenuitkeringen</para>
    <para>verschuldigd zijn, wordt de verlies- en winstrekening</para>
    <para>niet door het bestaan van een pensioenverplichting be</para>
    <para>roerd. Pas wanneer de uitkeringen beginnen te vloeien</para>
    <para>worden deze ten laste van de verlies- en winstrekening</para>
    <para>gebracht. (...) (blz. 73) (...) 4.5 Het kapitaaldekking</para>
    <para>stelsel 4.5.1 (...) Uitgangspunt van dit dekking- en</para>
    <para>waarderingstelsel is dat de pensioenverplichtingen tij</para>
    <para>dens de opbouwperiode systematisch op de balans tot</para>
    <para>uitdrukking worden gebracht. (...)"</para>
    <para>5.35. Oosenbrug, Levensverzekeraar en vennootschapsbelasting,</para>
    <para>1993, betoogt:</para>
    <para>"(blz. 229) (...) 15.4.3.5. (...) Om uitspraken te kunnen</para>
    <para>doen over de met een bepaalde portefeuille behaalde</para>
    <para>resultaten, moet er inzicht zijn in de verwachte verdere</para>
    <para>ontwikkeling van die portefeuille. Alleen door het af</para>
    <para>schatten van de toekomstige rechten en verplichtingen,</para>
    <para>kan worden vastgesteld welk deel van de baten al als</para>
    <para>winst kan worden verantwoord. Dit afschatten van de</para>
    <para>toekomstige rechten en verplichtingen geschiedt op basis</para>
    <para>van de Wet van de grote aantallen. Hiertoe dienen dan</para>
    <para>uiteraard wel de verdelingsfuncties inzake die toekomsti</para>
    <para>ge rechten en verplichtingen bekend te zijn. Die verde</para>
    <para>lingsfuncties zijn samengestelde&amp;lt;(15)Cursivering van Oosenbrug.&amp;gt; verdelingsfuncties die</para>
    <para>zijn opgebouwd uit: - verdelingsfuncties voor sterfte; -</para>
    <para>verdelingsfuncties voor kosten, en - verdelingsfuncties</para>
    <para>voor intrest. Kunnen de op korte termijn geldende verde</para>
    <para>lingsfuncties inzake de leeftijd- en geslachtgebonden</para>
    <para>sterfte al slechts bij benadering wordt vastgesteld; voor</para>
    <para>de verder in de toekomst geldende verdelingsfuncties</para>
    <para>vormt dit een nog groter probleem. In welke richting en</para>
    <para>in welke mate de actuele verdelingsfuncties - onder</para>
    <para>invloed van opkomst en ondergang van ziekten (aids,</para>
    <para>asbestosis), van welvaartsveranderingen e.d. - verschui</para>
    <para>ven is zeker over de langere termijn maar met een uiter</para>
    <para>mate beperkte graad van betrouwbaarheid in te schatten.</para>
    <para>(...) (blz. 231) (...)  15.4.5. (...) Zoals uit de voor</para>
    <para>gaande paragrafen blijkt, kleven er (voor levensverzeke</para>
    <para>raars) nogal wat speculatieve elementen aan de actuariële</para>
    <para>benadering van het realisatiebeginsel. Wordt er voor de</para>
    <para>fiscale resultaatbepaling uitgegaan van de actuariële</para>
    <para>benadering, dan bevat dus ook die fiscale resultaatbepa</para>
    <para>ling nogal wat speculatieve elementen. (...) (blz. 254)</para>
    <para>18.3.2.3. (...) Blijkens de door A-G Verburg (...) gegeven</para>
    <para>omschrijving van het doel van de egalisatiereserve (...)</para>
    <para>(blz. 255) (...) bestaat de rol van de egalisatiereserve</para>
    <para>ook juist uit het mitigeren van de bezwaren die kleven</para>
    <para>aan het toepassen van de actuariële benadering (...)"</para>
    <para>5.36. HR 7 juli 1993, nr. 28.448, BNB 1993/336 met noot Slot,</para>
    <para>blz. 2405, regels 5-30, overwoog,</para>
    <para>"3.4.4. (...) dat vanaf het tijdstip waarop ten aanzien</para>
    <para>van een bepaalde werknemer een behoorlijke kans is ont</para>
    <para>staan dat hij aan de VUT-regeling zal deelnemen, de</para>
    <para>verplichtingen tegenover deze werknemer worden opgeroepen</para>
    <para>door de uitoefening van de dienstbetrekking, voor zover</para>
    <para>deze na bedoeld tijdstip wordt voortgezet. Alsdan laat</para>
    <para>goed koopmansgebruik toe de uit deze verplichtingen</para>
    <para>voortvloeiende lasten te verdelen over de jaren waarin de</para>
    <para>dienstbetrekking na dit tijdstip voortduurt. (...) 3.5.2.</para>
    <para>(...) dat de jaarlijkse dotatie aan de VUT-voorziening</para>
    <para>geen invloed behoort te ondergaan van de werknemersbij</para>
    <para>dragen. Deze werknemersbijdragen in de financiering van</para>
    <para>de VUT-regeling behoren tot de winst te worden gerekend</para>
    <para>in het jaar van inhouding. (...)"</para>
    <para>5.37. HR 8 september 1993, nr. 28.871, BNB 1994/92 met noot E.</para>
    <para>Aardema&amp;lt;(16)Vakstudie Nieuws 21 oktober 1993, blz. 3183, punt 10.&amp;gt;, onder 3.3, blz. 664, regels 5-14, overwoog:</para>
    <para>"(...) Goed koopmansgebruik gebiedt (...) dat de opbreng</para>
    <para>sten van een in het kader van een onderneming verrichte</para>
    <para>levering of dienst tot uitdrukking wordt gebracht uiter</para>
    <para>lijk op het tijdstip waarop de levering of de dienst ten</para>
    <para>uitvoer is gebracht. Met betrekking tot de vergoeding</para>
    <para>voor het leasen van een auto brengt dit mee dat deze</para>
    <para>vergoeding wordt genoten naar gelang van het tijdsverloop</para>
    <para>van het leasecontract. De uit een zodanig contract voort</para>
    <para>vloeiende kosten dienen in aanmerking te worden genomen</para>
    <para>in het jaar waarin zij worden gemaakt. (...) goed koop</para>
    <para>mansgebruik [staat] niet toe dat de volgens een voorcal</para>
    <para>culatie te behalen winst gelijkmatig wordt toegerekend</para>
    <para>aan de periode waarin het contract loopt. (...)"</para>
    <para>5.38. D. Brüll, J. W. Zwemmer en R. P. C. Cornelisse, Goed</para>
    <para>koopmansgebruik, FED Fiscale brochures, IB, 5e druk, 1994, nr.</para>
    <para>4.3.1, blz. 46, betogen:</para>
    <para>"(...) In de vorige druk merkten wij op dat in de op dat</para>
    <para>moment geldende rechtspraak vrijwel overal de grens van</para>
    <para>het voorzichtige bereikt is. Zelfs merkten wij op dat een</para>
    <para>stap verder ons bij het hypochondrische zou brengen. Naar</para>
    <para>onze opvatting is echter een zekere kentering opgetreden</para>
    <para>in de in recente jaren gewezen rechtspraak. (...)"</para>
    <para>5.39. Hof Amsterdam 20 september 1994, nr. 93/1109, FED 1996/ 63&amp;lt;(17)Vakstudie Nieuws 2 februari 1995, blz. 463, punt 1.4,</para>
    <para>meldde dat de belanghebbende beroep in cassatie had</para>
    <para>ingesteld. Uw Raad heeft, naar mij ambtshalve bekend</para>
    <para>is, bij ongepubliceerd arrest van 7 februari 1996, nr.</para>
    <para>30.718, op dat beroep beslist. Evenwel had zowel het</para>
    <para>beroep in cassatie als het arrest uitsluitend betrek</para>
    <para>king op de proceskosten.&amp;gt;, overwoog,</para>
    <para>"(blz. 237) (...) 5.10.4. (...) dat premies die moeten</para>
    <para>worden toegerekend aan na de balansdatum doorlopende</para>
    <para>premietijdvakken en schades (...) waaruit na de balansda</para>
    <para>tum betalingsverplichtingen zijn voortgevloeid of zullen</para>
    <para>voortvloeien, in voldoende mate in andere passiefposten</para>
    <para>dan de vergrijzingsreserve zijn verdisconteerd. 5.10.5.</para>
    <para>Het voorgaande brengt mede dat goed koopmansgebruik niet</para>
    <para>toestaat enig bestanddeel van over verstreken verzeke</para>
    <para>ringstijdvakken ontvangen premies als nog niet verdiend</para>
    <para>te passiveren. 5.11. Vervolgens zal het hof bezien of</para>
    <para>goed koopmansgebruik toestaat per de balansdatum op</para>
    <para>andere gronden een voorziening (...) te vormen ter zake</para>
    <para>van een te verwachten toeneming van schades bij vergrij</para>
    <para>zing van de verzekerden. Goed koopmansgebruik staat zulks</para>
    <para>toe indien op de balansdatum objectief bezien juridisch</para>
    <para>afdwingbare verplichtingen bestaan. Dit is mede het geval</para>
    <para>indien op de balansdatum een rechtsverhouding bestaat en</para>
    <para>er op die datum een behoorlijke kans aanwezig is dat</para>
    <para>daaruit in de toekomst betalingsverplichtingen zullen</para>
    <para>voortvloeien, die door de bedrijfsuitoefening van ver</para>
    <para>streken jaren zijn opgeroepen. In dit verband stelt</para>
    <para>belanghebbende (...) dat Schade&amp;lt;(18)Hof Amsterdam onderscheidt de moedermaatschappij in de</para>
    <para>betrokken fiscale eenheid ("belanghebbende") en de</para>
    <para>dochtermaatschappij ("Schade") die met de</para>
    <para>vergrijzingsproblematiek te maken heeft. &amp;gt; gehouden zou zijn na de</para>
    <para>balansdatum verzekeringen te continueren tegen een niet</para>
    <para>kostendekkend of niet of minder rendabele premie, daar</para>
    <para>deze verzekeringen niet door haar kunnen worden opgezegd</para>
    <para>en in feite premieverhoging niet of niet volledig moge</para>
    <para>lijk is. 5.12. Nu Schade de voorwaarden van de afgesloten</para>
    <para>verzekeringsovereenkomsten, waaronder het bedrag van de</para>
    <para>verschuldigde premie, onder omstandigheden kan wijzigen</para>
    <para>is niet aannemelijk dat Schade gehouden is om na de</para>
    <para>balansdatum haar (onopzegbare) portefeuille verzekerings</para>
    <para>overeenkomsten tegen een voor die portefeuille als geheel</para>
    <para>verliesgevende of onvoldoende rendabele premie voort te</para>
    <para>zetten. Van een verplichting in bovengenoemde zin, laat</para>
    <para>staan van een behoorlijke kans dat daaruit betalingsver</para>
    <para>plichtingen zouden voortvloeien, is derhalve geen sprake.</para>
    <para>(...) Niet is aannemelijk gemaakt dat op de balansdatum</para>
    <para>een behoorlijke kans aanwezig was dat de portefeuille van</para>
    <para>belanghebbende meer zou vergrijzen dan de Nederlandse</para>
    <para>verzekerde bevolking als geheel. (...) (blz. 238) (...)</para>
    <para>5.14. De omstandigheid dat de Verzekeringskamer om rede</para>
    <para>nen van solvabiliteit de vorming van een vergrijzingsre</para>
    <para>serve heeft geëist, is voor het goede koopmansgebruik</para>
    <para>(...) niet bepalend. (...)"</para>
    <para>5.40. Bij de voorbereiding van de Wet toezicht natura-uit</para>
    <para>vaartverzekeringsbedrijf, Stb. 1995, 368, werd het volgende</para>
    <para>gezegd (Handelingen Eerste Kamer, 4 juli 1995):</para>
    <para>"(blz. 36-1426, rechterkolom, 1e al.) De heer Van Dijk</para>
    <para>(...): (...) (blz. 1427, middenkolom, 5e en laatste al.)</para>
    <para>(...) De wet verplicht de verzekeraar om toereikende</para>
    <para>technische voorzieningen aan te houden, die prudent zijn</para>
    <para>vastgesteld. (...) Deze technische voorzieningen hebben</para>
    <para>(...) het karakter van een wettelijk verplichte voorzie</para>
    <para>ning ter hoogte van de berekende of geschatte verplich</para>
    <para>tingen van de verzekeraar tegenover zijn polishouders. Op</para>
    <para>de balans vormen zij daarmee geen onderdeel van het eigen</para>
    <para>vermogen van de verzekeraar maar van zijn toekomstige</para>
    <para>verplichtingen. Deelt de minister mijn mening dat de</para>
    <para>jaarlijkse mutaties in deze voorzieningen in de verlies-</para>
    <para>en winstrekening ten volle mogen worden afgetrokken voor</para>
    <para>de berekening van de vennootschaps- (rechterkolom, 1e</para>
    <para>al.) belasting? (...) (3e al.) Minister Zalm: (...) (blz.</para>
    <para>1428, linkerkolom, 4e en laatste al.) (...) Wij moeten</para>
    <para>een goed onderscheid maken. Zo ziet de Verzekeringskamer</para>
    <para>vooral op de soliditeit van de verzekeraar. Dus de toe</para>
    <para>voegingen aan de reserves kunnen in de ogen van de (mid</para>
    <para>denkolom, 1e al.) Verzekeringskamer nooit groot genoeg</para>
    <para>zijn. Dat is altijd goed voor de soliditeit en de conti</para>
    <para>nuïteit. (2e al.) De belastingdienst (...) moet ook bekijken</para>
    <para>of de winst niet te veel gedrukt wordt door grote</para>
    <para>toevoegingen aan de reserves. Dus de belastingdienst</para>
    <para>heeft uit een andere invalshoek een afzonderlijk oordeel</para>
    <para>met als basis het goed koopmansgebruik. (...) Overigens</para>
    <para>is in de jurisprudentie dit zelfstandige beoor</para>
    <para>delingsrecht van de fiscus op de redelijkheid van de</para>
    <para>getroffen voorziening erkend. (...) (3e al.) De heer Van</para>
    <para>Dijk (...): (...) (6e en laatste al.) (...) Als blijkt</para>
    <para>dat die technische voorzieningen op goede gronden, geba</para>
    <para>seerd op een actuariële verklaring, zijn vastgesteld en</para>
    <para>een goede afspiegeling zijn van de toekomstige verplich</para>
    <para>tingen van het verzekeringsbedrijf, is de minister dan</para>
    <para>niet met mij van mening dat die niet als eigen kapitaal</para>
    <para>beschouwd moeten worden, maar de vorm van een schuld</para>
    <para>hebben en zodanig in de verlies- en winstrekening ver</para>
    <para>werkt dienen te worden dat zo'n bedrijf over een deel van</para>
    <para>die voorzieningen geen vennootschapsbelasting betaalt?</para>
    <para>(rechterkolom, 2e al.) Minister Zalm: (...) Het antwoord</para>
    <para>hierop is mijns inziens zonder meer bevestigend. (3e al.)</para>
    <para>De kwesties met de fiscus gaan over de onmatigheid, dus</para>
    <para>over de vraag of het inderdaad een redelijke voorziening</para>
    <para>is. Daarbij kan niet gevaren worden op het oordeel van de</para>
    <para>Verzekeringskamer, omdat deze louter minimale eisen</para>
    <para>stelt. Als een bedrijf meer wil reserveren, is dat in de</para>
    <para>optiek van de Verzekeringskamer winst. Maar de belasting</para>
    <para>dienst kan de mening zijn toegedaan dat het grenzen</para>
    <para>overschrijdt. Uiteindelijk is een beroep op de rechter</para>
    <para>mogelijk. Het gaat erom of de vraag die wij in abstracto</para>
    <para>met "ja" beantwoorden in concreto in die zin wordt beant</para>
    <para>woord dat er van prudente voorziening sprake is dan wel</para>
    <para>van een overmatige voorziening."</para>
    <para>5.41. HR 8 juli 1996, nr. 31.422, met mijn conclusie, BNB</para>
    <para>1997/37 met noot Slot, onder 3.3, blz. 239, regels 38-44,</para>
    <para>overwoog:</para>
    <para>"Indien de uitoefening van een onderneming noodzakelij</para>
    <para>kerwijze leidt tot kosten die worden opgeroepen door de</para>
    <para>productie in enig jaar van de in de onderneming voortge</para>
    <para>brachte zaken, doch pas in een volgend jaar tot een</para>
    <para>uitgaaf leiden (...) handelt een belastingplichtige niet</para>
    <para>in strijd met goed koopmansgebruik door die kosten toe te</para>
    <para>rekenen aan de productie van bedoelde zaken, en zonodig</para>
    <para>daartoe in de eindbalans van het desbetreffende jaar tot</para>
    <para>het bedrag van die kosten een voorziening op te nemen."</para>
    <para>5.42. Fiscale encyclopedie De Vakstudie, deel 2, art. 9 Wet IB</para>
    <para>1964, aant. 152, blz. 165 (Suppl. 1017 (juli 1996)), betoogt&amp;lt;(19)Cursiveringen van De Vakstudie.&amp;gt;:</para>
    <para>"(...) Zijn (...) pensioenverplichtingen aangegaan</para>
    <para>worden deze in eigen beheer gehouden (...), dan kan de</para>
    <para>werkgever verschillende stelsels volgen om de pensioen</para>
    <para>last ten laste van zijn winst te brengen. Te weten: - het</para>
    <para>omslagstelsel, waarbij de pensioenlast wordt gebracht ten</para>
    <para>laste van het jaar waarin de pensioenuitkeringen werke</para>
    <para>lijk plaatsvinden. (...); - het kapitaaldekkingstelsel,</para>
    <para>waarbij tijdens de actieve periode van de werknemer</para>
    <para>jaarlijks de aangroei van de verplichtingen door passive</para>
    <para>ring ten laste van de winst wordt gebracht, zodat een</para>
    <para>kapitaal wordt opgebouwd dat voldoende is om de werkne</para>
    <para>mers te zijner tijd het hun toekomende pensioen te kunnen</para>
    <para>uitkeren. (...)"</para>
    <para>5.43. HR 4 september 1996, nr. 31.077, BNB 1996/356, onder</para>
    <para>3.4, blz. 2918, regels 8-12, overwoog,</para>
    <para>"(...) dat de onderhavige tantièmes werden toegekend bij</para>
    <para>de vaststelling van de definitieve jaarrekening over het</para>
    <para>jaar 1991. Hieruit volgt dat - nu (...) de tantièmes</para>
    <para>betrekking hadden op werkzaamheden verricht in het jaar</para>
    <para>1991 - belanghebbende niet handelde in strijd met goed</para>
    <para>koopmansgebruik door die tantièmes ten laste van de winst</para>
    <para>van dat jaar te brengen."</para>
    <para>5.44. HR 26 februari 1997, nr. 31.803, met mijn conclusie, BNB</para>
    <para>1997/218 met noot Aardema.</para>
    <para>5.44.1. Ik betoogde (blz. 1655, regels 7-22):</para>
    <para>"-7.9. Het gaat er (...) om dat de ondernemer gelijkmatig</para>
    <para>vloeiende betalingen ontvangt voor een prestatie of</para>
    <para>prestaties die hem normaliter met het tijdsverloop stij</para>
    <para>gende bedragen kosten. -7.10. In die situatie vindt de</para>
    <para>ondernemer in de eerdere betalingen mede de vergoeding</para>
    <para>voor de latere uitgaven. -7.11. (...) Wat goed koopmans</para>
    <para>gebruik voor de belanghebbende betekent, moet afgemeten</para>
    <para>worden aan haar eigen bedrijfshuishouding. -7.12. Het</para>
    <para>dunkt mij derhalve naar goed koopmansgebruik, minst</para>
    <para>genomen, geoorloofd met het hiervóór onder 7.10 bedoelde</para>
    <para>verband rekening te houden op een wijze die een ongelijk</para>
    <para>matigheid in de periodieke winstbepaling zo goed mogelijk</para>
    <para>voorkomt dan wel corrigeert."</para>
    <para>5.44.2. Uw Raad overwoog (onder 3.4.2, blz. 1647, tot en met</para>
    <para>regel 6):</para>
    <para>"Indien een ondernemer een vergoeding ontvangt, die (...)</para>
    <para>niet ten volle betrekking heeft op reeds geleverde pres</para>
    <para>taties, doch mede in de toekomst nog te verrichten pres</para>
    <para>taties betreft, staat goed koopmansgebruik toe ter zake</para>
    <para>van het aan de toekomstige prestaties toe te rekenen deel</para>
    <para>van die vergoeding een voorziening te vormen en aldus de</para>
    <para>met laatstbedoelde prestaties te behalen winst pas te</para>
    <para>verantwoorden naarmate deze worden verricht."</para>
    <para>5.45. A. J. van Soest, a. w., nr. 1.3.10.10, blz. 116, be</para>
    <para>toogt:</para>
    <para>"(...) Worden verplichte pensioenen ten laste van het</para>
    <para>ondernemingsvermogen (...) uitgekeerd (...), dan zal men</para>
    <para>een keuze hebben uit twee methoden (...): men kan eenvou</para>
    <para>dig elk jaar de uitgekeerde pensioenen ten laste van de</para>
    <para>winst brengen (het zogenaamde omslagstelsel (...)), ofwel</para>
    <para>men kan op het ogenblik waarop de verplichting ontstaat,</para>
    <para>ter zake een post onder het passief opnemen (...); deze</para>
    <para>post moet aangroeien naarmate de verplichting op een</para>
    <para>hoger bedrag moet worden geschat, en afnemen naarmate</para>
    <para>door de uitbetaling van pensioen en het ouder worden van</para>
    <para>gepensioneerden de verplichting een lagere schatting</para>
    <para>rechtvaardigt; deze toenemingen en afnemingen zullen dan</para>
    <para>respectievelijk ten laste en ten bate van de winst moeten</para>
    <para>komen (het zogenaamde kapitaaldekkingsstelsel). (...)"</para>
    <para>5.46. Hofstra en Stevens, Inkomstenbelasting, 5e druk, 1998,</para>
    <para>nr. 294, betogen:</para>
    <para>"(blz. 281) Bij de waardering van de (...) pensioenver</para>
    <para>plichtingen komen (...) vragen aan de orde. De eerste is</para>
    <para>welke systemen - ter keuze van de belastingplichtige -</para>
    <para>kunnen worden toegelaten. (...) toegelaten systemen</para>
    <para>worden onderscheiden in het omslagstelsel [en] het kapi</para>
    <para>taaldekkingsstelsel (...) (blz. 282) Het omslagstelsel</para>
    <para>houdt in dat tijdens de diensttijd niet wordt gereser</para>
    <para>veerd, maar dat de pensioenuitkeringen worden gebracht</para>
    <para>ten laste van het jaar waarin zij worden uitbetaald. De</para>
    <para>Hoge Raad erkende dit stelsel als (fiscaal) goed koop</para>
    <para>mansgebruik (...)"</para>
    <para>5.47. HR 26 augustus 1998, nr. 33.417, BNB 98/409&amp;lt;(20)Futd 20 oktober 1998, blz. 5, punt 98-1676; De</para>
    <para>naamlooze vennootschap, november 1998, blz. 262, met</para>
    <para>noot H. G. M. Dijstelbloem; Weekblad voor fiscaal recht</para>
    <para>1998/6318, blz. 1723 met noot P. F. Goes; MBB, december</para>
    <para>1998, blz. 399 met noot P. H. M. Flipsen; Fiscaal</para>
    <para>ondernemingsrecht, december 1998, blz. 247 met noot P.</para>
    <para>H. J. Essers.&amp;gt;, onder 3.6, blz. 3384, regels 17-24, overwoog,</para>
    <para>"(...) dat (...) moet worden toegestaan dat bij de bepa</para>
    <para>ling van de winst voor een zeker jaar ter zake van toe</para>
    <para>komstige uitgaven een passiefpost wordt gevormd, indien</para>
    <para>die uitgaven hun oorsprong vinden in feiten of omstandig</para>
    <para>heden, die zich in de periode voorafgaande aan de balans</para>
    <para>datum hebben voorgedaan en ook overigens aan die periode</para>
    <para>kunnen worden toegerekend, en ter zake waarvan een rede</para>
    <para>lijke mate van zekerheid bestaat dat zij zich zullen</para>
    <para>voordoen."</para>
    <para>6. Middel 1.1 en de beoordeling ervan.</para>
    <para>6.1. De belanghebbende heeft gesteld dat zij ziektekostenver</para>
    <para>zekeringscontracten afsluit, waarbij de ziektekosten van een</para>
    <para>ouder wordende verzekerde gedekt worden tegen een jaarlijkse,</para>
    <para>niet met de leeftijd van de verzekerde stijgende, premie.</para>
    <para>6.2. De Inspecteur heeft daartegenover aangevoerd dat bij</para>
    <para>zulke contracten premieverhoging op grond van veroudering niet</para>
    <para>is uitgesloten.</para>
    <para>6.3. Het Hof is op dit geschilpunt niet ingegaan met betrek</para>
    <para>king tot afzonderlijke contracten, maar slechts met betrekking</para>
    <para>tot "de portefeuille als geheel", de "totale portefeuille" van</para>
    <para>de belanghebbende en "een algehele vergrijzing van de Neder</para>
    <para>landse bevolking".</para>
    <para>6.4. Voorzover de inhoud van de afzonderlijke contracten ter</para>
    <para>beoordeling van middel 1.1 van belang is, zal er dus veronder</para>
    <para>stellenderwijs van uitgegaan moeten worden dat de stellingen</para>
    <para>van de belanghebbende juist zijn.</para>
    <para>6.5. Het aldus opgevatte contract zal, op zichzelf beoordeeld,</para>
    <para>bij overigens evenwichtige verhoudingen naar verwachting in de</para>
    <para>eerste jaren de belanghebbende meer premie dan schade opleve</para>
    <para>ren (onderschade) en in latere jaren meer schade dan premie</para>
    <para>(overschade).</para>
    <para>6.6. Goed koopmansgebruik zal, toegepast op dit ene contract,</para>
    <para>toestaan dat uit de onderschade een voorziening wordt gevormd:</para>
    <para>aan het eind van elk van de eerste jaren moet de belanghebben</para>
    <para>de erop rekenen dat zij in de toekomst schade moet vergoeden</para>
    <para>waar geen even hoge premie tegenover staat.</para>
    <para>6.7. De gevormde voorziening zal alsdan opgeheven moeten</para>
    <para>worden, naar gelang de latere jaren verstrijken, uiteindelijk</para>
    <para>voor het geheel bij de beëindiging van het contract voor</para>
    <para>hetgeen alsdan nog mocht resteren.</para>
    <para>6.8. Dienaangaande voert de belanghebbende in middel 1.1 aan</para>
    <para>(blz. 10),</para>
    <para>"(...) dat ná de balansdatum de schade-uitkeringen ten</para>
    <para>gevolge van de door [de belanghebbende] afgesloten verze</para>
    <para>keringsovereenkomsten zullen toenemen tengevolge van het</para>
    <para>ouder worden van de betreffende verzekerden. Uit de</para>
    <para>berekeningen (...) blijkt dat de verwachte toename van de</para>
    <para>premies die ter zake van de betreffende verzekeringsover</para>
    <para>eenkomsten nog zullen worden betaald, zal achterblijven</para>
    <para>ten opzichte van de verwachte toename van de schade-</para>
    <para>uitkeringen. Het optredend tekort betreft een verlies dat</para>
    <para>zijn oorsprong vindt in de bestaande rechtsverhouding</para>
    <para>tussen [de belanghebbende] en haar verzekeringsnemers.</para>
    <para>(...)"</para>
    <para>6.9. De Staatssecretaris stelt daartegenover (vertoogschrift</para>
    <para>in cassatie, blz. 1):</para>
    <para>"(...) Onjuist is belanghebbendes mening dat de schade-</para>
    <para>uitkeringen na balansdatum door het ouder worden van de</para>
    <para>verzekerden zullen toenemen (...) Elk jaar zullen er</para>
    <para>immers nieuwe jonge verzekerden bijkomen en oudere verze</para>
    <para>kerden overlijden. De gemiddelde leeftijd zal ongeveer</para>
    <para>gelijk blijven (...) en daarmee zal ook het schadebedrag</para>
    <para>behoudens bijzondere omstandigheden jaarlijks ongeveer</para>
    <para>gelijk zijn. (...)"</para>
    <para>6.10. Het Hof acht in dit opzicht klaarblijkelijk beslissend hoe</para>
    <para>de belanghebbende van jaar tot jaar haar premie op de gehele</para>
    <para>categorie van contracten bepaalt. Het stelt vast dat dit het</para>
    <para>omslagstelsel is en maakt daaruit de gevolgtrekking dat goed</para>
    <para>koopmansgebruik niet gedoogt de methodiek van het</para>
    <para>kapitaaldekkingstelsel toe te passen.</para>
    <para>6.11. Naar het mij voorkomt, is het goede koopmansgebruik, dat</para>
    <para>de belastingrechtelijke jaarwinstbepaling beheerst, niet</para>
    <para>afhankelijk van het bedrijfsbeleid dat de onderneming in haar</para>
    <para>prijsstelling volgt.</para>
    <para>6.12. Met andere woorden: ook al regelt de schadeverzekerings</para>
    <para>onderneming haar premietarieven naar het omslagstelsel, dan</para>
    <para>nog is het haar toegestaan voor de winstbepaling op haar</para>
    <para>afzonderlijke contracten het kapitaaldekkingstelsel te volgen.</para>
    <para>6.13. Zou men daartegenover de redenering van de Staatssecre</para>
    <para>taris volgen, dan zou de belanghebbende gedwongen worden</para>
    <para>bestaande verplichtingen te verwaarlozen op grond dat andere</para>
    <para>contracten haar op dat ogenblik lagere lasten bezorgen.</para>
    <para>6.14. Indien goed koopmansgebruik een dergelijke verevening al</para>
    <para>gedoogt, ertoe dwingen doet het naar mijn oordeel zeker niet.</para>
    <para>6.15. Immers is deze verevening afhankelijk van het blijven</para>
    <para>binnenkomen van zulke andere contracten, een veronderstelling</para>
    <para>die uitgaat van een optimisme dat aan goed koopmansgebruik</para>
    <para>niet inherent is.</para>
    <para>6.16. Nu hebben de partijen ook gestreden over het antwoord op</para>
    <para>de vraag of de door de belanghebbende getroffen voorziening</para>
    <para>voorzag in afbraakregels die met goed koopmansgebruik stroken.</para>
    <para>6.17. Ook in dit opzicht heeft het Hof in het midden gelaten</para>
    <para>hoe de feitelijke situatie was.</para>
    <para>6.18. Naar ik meen, volgt uit het vorenstaande dat de erken</para>
    <para>ning van de voorziening noodzakelijkerwijs meebrengt op welke</para>
    <para>wijze zij wordt afgebroken.</para>
    <para>6.19. Ik meen daarom dat middel 1.1 in beginsel opgaat.</para>
    <para>6.20. Nu bestrijdt de belanghebbende in middel 1.1 mede dat</para>
    <para>zij het omslagstelsel zou hebben toegepast.</para>
    <para>6.21. Mij dunken 's Hofs overwegingen in dit opzicht niet</para>
    <para>afdoende met redenen omkleed.</para>
    <para>6.22. Met name zie ik niet in waarom hetgeen het Hof onder</para>
    <para>5.4.2 overweegt, op zou gaan: indien aangenomen wordt dat in</para>
    <para>een aantal polissen de premiestelling leeftijdafhankelijk was,</para>
    <para>te weten afhankelijk van de entreeleeftijd, dan is toch al</para>
    <para>thans voor die polissen het kapitaaldekkingstelsel gevolgd.</para>
    <para>6.23. Naar mijn oordeel gaat derhalve middel 1.1 op.</para>
    <para>7. Middel 1.2 en de beoordeling ervan.</para>
    <para>7.1. Middel 1.2 heeft betrekking op de en-bloc-clausule.</para>
    <para>7.2. Naar het mij voorkomt, gaat middel 1.2 in zoverre op dat</para>
    <para>ook in dit opzicht niet relevant is wat met de portefeuille</para>
    <para>als geheel kan gebeuren.</para>
    <para>7.3. Ik meen dan ook dat het voor de beslissing op het thans</para>
    <para>aanhangige beroep in cassatie niet van belang is in te gaan op</para>
    <para>al hetgeen voor het Hof dienaangaande is aangevoerd, en ik zal</para>
    <para>er derhalve mee volstaan middel 1.2 gegrond te bevinden.</para>
    <para>7.4. Mocht Uw Raad daaromtrent nadere beschouwingen op prijs</para>
    <para>stellen, dan zal het Openbaar Ministerie zich daartoe met</para>
    <para>genoegen zetten.</para>
    <para>8. Reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten.</para>
    <para>8.1. Art. 5, lid 4, Besluit op de Winstbelasting 1940 hield in:</para>
    <para>"Tot de passiva (...) behooren reserves tot (...) gelijk</para>
    <para>matige verdeeling van kosten en lasten."</para>
    <para>8.2. Raad van Beroep (R.v.B.) Alkmaar 9 maart 1942, B. 7638,</para>
    <para>overwoog,</para>
    <para>"(blz. 90) (...) dat het risicofonds is gevormd door</para>
    <para>exploitatieoverschotten in goede jaren te reserveeren</para>
    <para>(...); dat dit fonds (...) dient om eventueele tekorten</para>
    <para>en buitengewone bedrijfsuitgaven op te vangen, teneinde</para>
    <para>dan in staat (blz. 91) te zijn den melkleveranciers</para>
    <para>steeds een prijs te betalen (...), die aan de marktnotee</para>
    <para>ringen beantwoordt (...)",</para>
    <para>en verwierp de kwalificatie van dit risicofonds als reserve</para>
    <para>tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten.</para>
    <para>8.3. R.v.B. Arnhem 15 december 1942, M.v.B., jaargang 12, nr.</para>
    <para>2, blz. 31, overwoog&amp;lt;(21)Naar mijn indruk zijn bij de redactie van de uitspraak</para>
    <para>enkele misslagen begaan. Deze doen evenwel, ook zonder</para>
    <para>correctie, aan de begrijpelijkheid nauwelijks afbreuk.&amp;gt;,</para>
    <para>"(blz. 31) (...) dat appellante het bedrijf uitoefent van</para>
    <para>verzekeraar tegen (...) schaden (...); dat appellante</para>
    <para>stelt het noodig te hebben geoordeeld een voorziening te</para>
    <para>treffen tegen den invloed van mogelijk abnormale schade</para>
    <para>in eenig jaar en, teneinde te bereiken dat in den loop</para>
    <para>der jaren de verhouding van de schaden tot de premiën zoo</para>
    <para>gelijkmatig mogelijk blijven, een reservefonds heeft</para>
    <para>gevormd, waaraan worden toegevoegd de bedragen waarmede</para>
    <para>de in eenig jaar betaalde en per ultimo December van dat</para>
    <para>jaar nog onvereffende schaden onder het gemiddelde scha</para>
    <para>debedrag der voorafgaande 20 jaren blijven, terwijl op</para>
    <para>deze reserve in mindering zullen worden gebracht de</para>
    <para>bedragen waarmede die schaden in eenig jaar het gemiddel</para>
    <para>de bedrag overtreffen. (...) (blz. 32) (...) Overwegende,</para>
    <para>dat de (...) reserve door appellante is gevormd met de</para>
    <para>bedoeling de uit toekomstige onzekere gebeurtenissen</para>
    <para>voortvloeiende, ieder jaar sterk wisselende schaden te</para>
    <para>egaliseeren, nu een dergelijke bedoeling naar een techni</para>
    <para>sche en wetenschappelijke maatstaf beoordeeld, in het</para>
    <para>belang van den goeden gang van appellant's verzekerings</para>
    <para>bedrijf kan worden geacht en daarom aanvaardbaar is en</para>
    <para>aanvaard moet worden (...)"</para>
    <para>8.4. HR 5 oktober 1955, nr. 12.401, BNB 1955/346, blz. 786,</para>
    <para>regels 10-18, overwoog,</para>
    <para>"(...) dat een reserve tot gelijkmatige verdeling van</para>
    <para>kosten en lasten (...) dient om kosten en lasten, die</para>
    <para>door de bedrijfsuitoefening over enig jaar noodzakelijk</para>
    <para>zijn geworden, ten laste van dat jaar te brengen ook al</para>
    <para>zijn zij daarin niet in uitgaaf gekomen; dat echter de in</para>
    <para>de jaren na 1946 te betalen bijslagen op pensioen, die</para>
    <para>belanghebbende door middel van een reserve tot gelijkma</para>
    <para>tige verdeling van kosten en lasten ten laste van het</para>
    <para>jaar 1946 wil brengen, niet door de bedrijfsuitoefening</para>
    <para>van dat jaar noodzakelijk zijn geworden (...)"</para>
    <para>8.5. Art. 13, lid 1, Wet IB 1964 houdt in de voor 1987 gelden</para>
    <para>de tekst in:</para>
    <para>"Bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst</para>
    <para>kan worden gereserveerd tot gelijkmatige verdeling van</para>
    <para>kosten en lasten (...)"</para>
    <para>8.6. HR 8 juni 1977, nr. 18.110, met mijn conclusie, BNB 1979/5,</para>
    <para>betrof een middel van cassatie waarin Hof Amsterdam 20</para>
    <para>februari 1976 schending of verkeerde toepassing van art. 13</para>
    <para>Wet IB 1964 werd verweten.</para>
    <para>8.6.1. Ik concludeerde tot verwerping van het middel en tot</para>
    <para>vernietiging ambtshalve van de bestreden uitspraak op grond</para>
    <para>van schending of verkeerde toepassing van art. 9 Wet IB 1964.</para>
    <para>8.6.2. Uw Raad verwierp het beroep op basis van overwegingen</para>
    <para>die uitsluitend betrekking hadden op de toepassing van art. 13</para>
    <para>Wet IB 1964.</para>
    <para>8.7. HR 20 augustus 1980, nr. 19.897, BNB 1981/1 met noot</para>
    <para>Verburg, blz. 9, regels 5-8, overwoog,</para>
    <para>"dat een reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten</para>
    <para>lasten, zoals bedoeld in artikel 13 van de Wet op de</para>
    <para>inkomstenbelasting 1964, slechts kan worden gevormd voor</para>
    <para>zover het gaat om kosten welke zijn opgeroepen door de</para>
    <para>bedrijfsuitoefening van een bepaald jaar doch die eerst</para>
    <para>in een later jaar tot een piek in de uitgaven leiden</para>
    <para>(...)"</para>
    <para>8.8. HR 11 juli 1984, nr. 22.146, met mijn conclusie, BNB</para>
    <para>1985/1 met noot Slot, onder 4.3, blz. 21, regels 7-18, over</para>
    <para>woog:</para>
    <para>"Indien en voor zover ultimo 1979 met betrekking tot</para>
    <para>1979 vallende jaren de stellige verwachting bestond dat</para>
    <para>voor werknemers van belanghebbende de mogelijkheid zal</para>
    <para>blijven bestaan bij het bereiken  van een bepaalde leef</para>
    <para>tijd gebruik te maken van een regeling welke voorziet in</para>
    <para>periodieke uitkeringen na vrijwillig vervroegd uittreden</para>
    <para>(hierna aan te duiden als een VUT-regeling), is het</para>
    <para>belanghebbende toegestaan op de voet van artikel 13 van</para>
    <para>de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een reserve tot</para>
    <para>gelijkmatige verdeling van kosten en lasten te vormen</para>
    <para>voor de in bedoelde jaren aan een VUT-regeling verbonden</para>
    <para>uitgaven. Een dergelijke reserve wordt opgebouwd door</para>
    <para>voor ieder der werknemers, die in de jaren waarop een</para>
    <para>stellige verwachting als hiervoor omschreven betrekking</para>
    <para>heeft de leeftijd zullen bereiken waarop zij van de VUT-</para>
    <para>regeling gebruik kunnen maken, jaarlijks een gedeelte van</para>
    <para>de totale kosten van de VUT-regeling te reserveren.</para>
    <para>(...)"</para>
    <para>(vergelijk Hof Amsterdam 27 februari 1985, nr. 3097/84, Vak</para>
    <para>studie Nieuws 25 mei 1985, blz. 1055, punt 15).</para>
    <para>8.9. HR 6 november 1991, nr. 27.602, BNB 1992/9, blz. 71, regels</para>
    <para>12-40, overwoog:</para>
    <para>"3.1. (...) Volgens (...) de regeling (...) dienen</para>
    <para>werkgevers aan B een bijdrage te betalen van 0,6 percent</para>
    <para>van de loonsom. Deze gelden dienen ter financiering van</para>
    <para>de kosten in verband met vrijwillig vervroegd uittreden</para>
    <para>van werknemers die van de regeling gebruik willen maken.</para>
    <para>(...) 3.4. (...) belanghebbende [heeft] door de betaling</para>
    <para>van een percentage van de loonsom volledig aan de uit de</para>
    <para>bedrijfsuitoefening van het betrokken jaar voortvloeiende</para>
    <para>verplichting (...) voldaan, en aldus [vindt] de verplich</para>
    <para>ting tot toekomstige premiebetalingen haar grondslag</para>
    <para>(...) in de bedrijfsuitoefening van toekomstige jaren.</para>
    <para>Hieruit vloeit voort dat het belanghebbende niet is</para>
    <para>toegestaan te dier zake een reserve tot gelijkmatige</para>
    <para>verdeling van kosten en lasten te vormen."</para>
    <para>8.10. HR 25 augustus 1993, nr. 28.872, BNB 1993/338 met noot</para>
    <para>Slot, onder 3.3, blz. 2427, regels 42-51, overwoog:</para>
    <para>"(...) De betalingen van belanghebbende aan de Stichting</para>
    <para>worden (...) aldus bepaald dat zij een benadering vormen</para>
    <para>van de bedragen die jaarlijks ter zake van de ingegane</para>
    <para>VUT-verplichtingen door de Stichting worden uitgekeerd.</para>
    <para>Aldus blijven verplichtingen die voor belanghebbende naar</para>
    <para>stellige verwachting in de toekomst zullen ontstaan ter</para>
    <para>zake van in het onderhavige jaar nog niet ingegane VUT-</para>
    <para>uitkeringen haar zelve aangaan, hetgeen meebrengt dat het</para>
    <para>haar vrijstaat een reserve tot gelijkmatige verdeling van</para>
    <para>kosten en lasten, als bedoeld in artikel 13 van de Wet op</para>
    <para>de inkomstenbelasting 1964, te vormen voor deze verplich</para>
    <para>tingen, voor zover zij worden opgeroepen door de be</para>
    <para>drijfsuitoefening in het onderhavige jaar, doch pas in de</para>
    <para>toekomst tot uitgaven zullen leiden."</para>
    <para>8.11. Het Hof heeft overwogen (onder 5.8, blz. 16):</para>
    <para>"(...) Een dergelijke reserve kan worden gevormd voor</para>
    <para>toekomstige uitgaven die door de bedrijfsuitoefening in</para>
    <para>enig jaar zijn opgeroepen en die in de toekomst tot een</para>
    <para>piek in de uitgaven zullen leiden. Niet is aannemelijk</para>
    <para>gemaakt dat deze situatie zich voordoet."</para>
    <para>8.12. Middel 1.3 houdt in (blz. 15),</para>
    <para>"(...) dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van</para>
    <para>de omstandigheid dat de ziektekosten van een verzekerde</para>
    <para>stijgen naar mate deze verzekerde ouder wordt (...)</para>
    <para>Alsdan valt niet in te zien dat geen sprake is van een</para>
    <para>piek in de uitgaven (...)"</para>
    <para>8.13. Naar het mij voorkomt, gaat het middel niet op: al zou juist</para>
    <para>zijn dat de uitgaven de premie overtreffen, dan nog gebeurt</para>
    <para>dat niet bij wijze van "piek".</para>
    <para>9. De inzake het materiële geschil te nemen beslissing.</para>
    <para>9.1. Ik bevind de middelen 1.1 en 1.2 gegrond.</para>
    <para>9.2. Dit impliceert dat een "vergrijzingsreserve" in de</para>
    <para>brede betekenis die de partijen aan dit begrip hebben toege</para>
    <para>kend, bij de winstbepaling van de belanghebbende over 1987</para>
    <para>gevormd mag worden.</para>
    <para>9.3. Over de uitgangspunten en berekeningen, die aan die</para>
    <para>vorming ten grondslag gelegd zouden moeten worden, zouden nog</para>
    <para>vele beschouwingen gehouden kunnen worden.</para>
    <para>9.4. Ik begrijp echter overweging 2.1 van het Hof, alsmede de</para>
    <para>terugneming van middel 1.4 door de belanghebbende, aldus dat</para>
    <para>de partijen bewust voor het geval dat enige vergrijzingsreser</para>
    <para>ve erkend wordt, hebben afgezien van verdere geschilpunten</para>
    <para>over de uitwerking daarvan.</para>
    <para>9.5. Zulks brengt mee dat Uw Raad, middel 1.1 gegrond bevin</para>
    <para>dende, ten principale recht kan doen in de door de belangheb</para>
    <para>bende nader voorgestane zin.</para>
    <para>9.6. Dienovereenkomstig zal ik concluderen.</para>
    <para>10. Conclusie.</para>
    <para>De middelen 1.1 en 1.2 gegrond</para>
    <para>bevindende, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden</para>
    <para>uitspraak en van de uitspraak van de Inspecteur en tot</para>
    <para>vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag</para>
    <para>van ƒ 6.538.168,-, met dienovereenkomstige vermindering van de</para>
    <para>heffingsrente.</para>
    <para>De</para>
    <para>Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge</para>
    <para>Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>