<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA2815</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T12:54:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA2815</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-06-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">33277</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA2815" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2815</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 1999/435 met annotatie van R.E.C.M. Niessen</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/420</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1999/919</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1999/31.15</rdf:li>
          <rdf:li>PJ 1999/85 met annotatie van prof. dr. P.M.C. de Lange</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2815">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2815</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:46:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2815 Parket bij de Hoge Raad , 30-06-1999 / 33277</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2815:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2815:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Nr. 33.277                     mr Van den Berge</para>
    <para>Derde Kamer B                  Conclusie inzake:</para>
    <para>Inkomstenbelasting 1993        X</para>
    <para>Parket, 21 september 1998      tegen</para>
    <para>De staatssecretaris van Financiën</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1. Feiten en procesgang</para>
    <para>1.1. Het beroep betreft de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem</para>
    <para>(hierna: het Hof) van 8 april 1997 nr.95/1920.&amp;lt;(1) Pensioen Jurisprudentie (PJ) 1997, 83 m.nt. J.Th.L. Brouwer; FED 1997/728.</para>
    <para>&amp;gt; Het is ingesteld door</para>
    <para>de belanghebbende.</para>
    <para>1.2. De belanghebbende is op 7 december 1993 met A (hierna: de</para>
    <para>gemachtigde) een overeenkomst aangegaan, het zgn. "B Plan". Volgens</para>
    <para>die overeenkomst, die in extenso is weergegeven in o. 1.3. van het</para>
    <para>Hof, diende de belanghebbende in de jaren 1993 tot en met 2008</para>
    <para>jaarlijks een bedrag te storten op een ten name van de gemachtigde</para>
    <para>staande bankrekening (een zgn. Rogirorekening). Zou de</para>
    <para>belanghebbende op 31 december 2008 nog in leven zijn, dan zou hij</para>
    <para>van de gemachtigde het saldo van die bankrekening op die datum</para>
    <para>ontvangen. Zou de belanghebbende voor 31 december 2008 komen te</para>
    <para>overlijden, dan zou de gemachtigde het saldo van de rekening op het</para>
    <para>moment van overlijden uitkeren aan de weduwe van de belanghebbende,</para>
    <para>c.q. aan zijn kinderen of zijn erfgenamen.</para>
    <para>1.3. De gemachtigde diende ingevolge de overeenkomst in december</para>
    <para>1993 zelf ook een bedrag op die bankrekening te storten. In de</para>
    <para>overeenkomst werd daaromtrent vermeld:</para>
    <para>"Van de zijde van de [gemachtigde] wordt uiterlijk 31 december</para>
    <para>1993 ƒ 200,- ten gunste van de deelnemer/begunstigden bij het</para>
    <para>opgebouwd vermogen bijgeschreven. Deze vrucht van ƒ 200,- (?)</para>
    <para>(is) bij de deelnemer (?) in het jaar dat de evenbedoelde</para>
    <para>'inkomsten' op de betreffende Rogiro rekening worden</para>
    <para>bijgeschreven, onderworpen aan de heffing van</para>
    <para>inkomstenbelasting. Hieraan staat echter in de weg het feit dat</para>
    <para>de onderhavige overeenkomst in fiscale zin aan te merken is als</para>
    <para>een overeenkomst van levensverzekering. (?)"</para>
    <para>1.4. In zijn aangifte inkomstenbelasting 1993 nam de belanghebbende</para>
    <para>het bedrag van ƒ 200,- op onder de post 'rente van spaartegoeden</para>
    <para>(spaarrekeningen en/of andere vorderingen'. De inspecteur (het hoofd</para>
    <para>van de eenheid van de Belastingdienst Particulieren P, hierna; de</para>
    <para>Inspecteur) volgde de aangifte.</para>
    <para>&amp;lt;?</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>1.5. De belanghebbende maakte vervolgens bezwaar tegen de aanslag.</para>
    <para>1.6. De Inspecteur heeft het bezwaar afgewezen, overwegend:</para>
    <para>"Ik ben van mening dat de door (blh) afgesloten overeenkomst</para>
    <para>niet kan worden gekenmerkt als een overeenkomst van</para>
    <para>levensverzekering als bedoeld in (...) artikel 1, eerste lid,</para>
    <para>onderdeel b WTV. (...)</para>
    <para>Op grond van de (?) overeenkomst is bij in leven zijn het</para>
    <para>opgebouwde vermogen - premies plus behaald rendement -</para>
    <para>verzekerd: bij overlijden is dezelfde grootheid verzekerd. De</para>
    <para>overeenkomst bevat derhalve voor de verzekeringnemer geen enkele</para>
    <para>kans op voordeel als door de Verzekeringskamer wordt geëist.</para>
    <para>Mitsdien is in het onderhavige geval geen sprake van een</para>
    <para>overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in (art.) 25,</para>
    <para>eerste lid, onderdeel c, Wet IB, doch is veeleer een spaarvorm</para>
    <para>bedongen. Inkomsten op grond van deze spaarvorm dienen op de</para>
    <para>voet van (art.) 24, juncto 33 van de Wet IB in aanmerking te</para>
    <para>worden genomen.</para>
    <para>In casu heeft (de belanghebbende) ultimo 1993 f 200 rentedragend</para>
    <para>bijgeschreven gekregen. In ieder geval was het bedrag van f 200</para>
    <para>in 1993 vorderbaar en inbaar. Dit bedrag moet worden aangemerkt</para>
    <para>als een spaarpremie die als een afzonderlijke inkomst uit de</para>
    <para>spaarvorm wordt genoten. Ik ben dan ook van mening dat het</para>
    <para>bedrag van f 200 terecht als inkomsten uit spaartegoeden is</para>
    <para>aangegeven en dat de aanslag derhalve op een juist bedrag is</para>
    <para>vastgesteld."</para>
    <para>1.7. De belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld</para>
    <para>bij het Hof. In het beroepschrift aan het Hof betoogde de</para>
    <para>belanghebbende:</para>
    <para>"(?) De vrucht van f 200,-- waarvan het B Plan-certificaat</para>
    <para>gewaagt, maakt onderdeel uit [van de aangegeven rente]. (?)</para>
    <para>Van de zijde van de Belastingdienst wordt het standpunt</para>
    <para>gehuldigd dat het onderhavige B Plan niet als een overeenkomst</para>
    <para>van levensverzekering is te bestempelen terwijl de</para>
    <para>belanghebbende van mening is dat deze overeenkomst wel als</para>
    <para>zodanig is aan te merken. Mocht in casu geen sprake zijn van een</para>
    <para>kapitaalverzekering in fiscale zin dan wenst belanghebbende de</para>
    <para>tweehonderd gulden in de belastingheffing over het jaar 1993</para>
    <para>betrokken te zien. Voor het geval dit niet reeds uit de Wet [IB</para>
    <para>1964] voortvloeit, heeft de Belastingdienst zich bereid</para>
    <para>verklaard, belanghebbende hierin te volgen. In confesso is</para>
    <para>derhalve - als in casu geen kapitaalverzekering in fiscale zin</para>
    <para>aanwezig is - dat de onderwerpelijke tweehonderd guldens in 1993</para>
    <para>zijn genoten in de zin van artikel 33 van de evenvermelde wet."</para>
    <para>1.8. In zijn vertoogschrift stelde de Inspecteur (blz. 2):</para>
    <para>"Indien (de) vraag [of het Plan een overeenkomst van</para>
    <para>levensverzekering in de zin van art. 25, lid 2 Wet IB 1964</para>
    <para>inhoudt] (?) ontkennend wordt beantwoord, is niet in geschil dat</para>
    <para>het bedrag van f 200, als inkomsten uit vermogen in de zin van</para>
    <para>artikel 24 van de Wet IB, is belast in 1993."</para>
    <para>1.9. Het Hof was met de Inspecteur van oordeel dat het B Plan niet</para>
    <para>als een overeenkomst van levensverzekering in de voormelde zin kon</para>
    <para>worden beschouwd en heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.</para>
    <para>1.10. Het beroep in cassatie van de belanghebbende steunt op een</para>
    <para>cassatiemiddel, waarin de eerstbedoelde beslissing van het Hof wordt</para>
    <para>bestreden.</para>
    <para>1.11. De Staatssecretaris van Financiën (hierna: de</para>
    <para>Staatssecretaris) heeft een vertoogschrift in cassatie ingediend.</para>
    <para>1.12. Bij Uw Raad is onder nr. 33.393 een beroep aanhangig waarin</para>
    <para>dezelfde/vergelijkbare vragen aan de orde zijn. Dat beroep is</para>
    <para>gericht tegen de uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam van 7</para>
    <para>mei 1997 nr. 95/5210.&amp;lt;(2) PJ 1997, 84 m.nt. Brouwer; Info-bulletin 97/370; V-N 1997, blz. 2905, pt.</para>
    <para>1.2 (samenvatting).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2. De Wet op het Levensverzekeringbedrijf</para>
    <para>2.1. Art. 1 Wet op het Levensverzekeringbedrijf (Wet van 22 december</para>
    <para>1922, Stb. 716) [hierna: WOL] hield in:</para>
    <para>"Deze wet verstaat onder:</para>
    <para>a. overeenkomsten van levensverzekering, de overeenkomsten tot</para>
    <para>het doen van geldelijke uitkeeringen, tegen genot van premie en</para>
    <para>in verband met het leven of den dood van den mensch, met dien</para>
    <para>verstande, dat overeenkomsten van ongevallenverzekering niet als</para>
    <para>overeenkomsten van levensverzekering worden beschouwd".</para>
    <para>De ontstaansgeschiedenis van deze omschrijving is beschreven door</para>
    <para>Brouwer.&amp;lt;(3) J.Th.L. Brouwer, Het begrip levensverzekering in de inkomstenbelasting na</para>
    <para>de Brede herwaardering, 1993 (hierna: Brouwer, a.w.), blz. 117 e.v.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.2. De omschrijving is gebaseerd op een definitie die werd</para>
    <para>opgesteld door een staatscommissie die onder voorzitterschap stond</para>
    <para>van Molengraaff, die zelf in 1912&amp;lt;(4) W.L.P.A. Molengraaff, Leidraad bij de beoefening van het Nederlandsche</para>
    <para>handelsrecht, 2e dr. 1912 blz. 727.</para>
    <para>&amp;gt; de volgende definitie van</para>
    <para>levensverzekering gaf:</para>
    <para>"De levensverzekering (?) omvat alle overeenkomsten omtrent</para>
    <para>uitkeering van een kapitaal of een rente, op levens- en</para>
    <para>sterftekansen gegrond (art. 308 K.&amp;lt;(5) Deze verwijzing geeft de herkomst van de woorden: 'op levens- en</para>
    <para>sterftekansen gegrond'.</para>
    <para>&amp;gt;), waarbij mitsdien de</para>
    <para>uitkeering of de premiebetaling of beide in eenigerlei opzicht</para>
    <para>afhankelijk worden gesteld van het in leven zijn of den dood van</para>
    <para>een of meer bepaalde personen."</para>
    <para>2.3. In het Voorlopig verslag inzake de WOL werd voorgesteld de term</para>
    <para>'gegrond op levens- en sterftekansen' in de WOL-definitie over te</para>
    <para>nemen.&amp;lt;(6) Kamerstukken II, 1921-1922 - 60, nr. 4 blz. 15.</para>
    <para>&amp;gt; Minister Heemskerk&amp;lt;(7) Memorie van antwoord WOL 1922, Kamerstukken II, 1921-1922 - 60, nr. 5,</para>
    <para>blz. 11. Zie ook Brouwer, a.w. blz. 125.</para>
    <para>&amp;gt; gaf echter de voorkeur aan de wat</para>
    <para>algemenere formulering 'in verband met' omdat dan ook de</para>
    <para>deelnemingen in een spaarkas onder de wet zouden vallen.&amp;lt;(8) De uitkering o.g.v. een spaarkas is afhankelijk van het aantal deelnemers</para>
    <para>dat op de afgesproken datum nog in leven is. De grootte van de uitkering is</para>
    <para>echter niet gebaseerd op een berekening, gemaakt aan de hand van de levens-</para>
    <para>en sterftetafels. Minister Heemskerk nam kennelijk dat men derhalve niet</para>
    <para>kon zeggen dat de uitkering op levens- en sterftekansen gegrond was.</para>
    <para>Molengraaff vatte dat 'gegrond zijn' in zijn omschrijving zelf minder zwaar</para>
    <para>op. Hij eiste slechts dat uitkering (of premiebetaling) in enigerlei</para>
    <para>opzicht afhankelijk was gesteld van leven of dood.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>2.4. Brouwer (a.w. blz. 122) laat zien dat de staatscommissie-</para>
    <para>Molengraaff aanvankelijk uitging van een omschrijving waarin de</para>
    <para>overeenkomst van levensverzekering werd aangeduid als een</para>
    <para>'verzekering', maar die term later heeft laten vervallen. Volgens</para>
    <para>Brouwer (a.w. blz. 95, 128) hield dat verband met het feit, dat men</para>
    <para>de overeenkomst van levensverzekering als een 'onechte verzekering'</para>
    <para>zag, duidelijk te onderscheiden van de (echte) verzekeringen in de</para>
    <para>zin van schadeverzekeringen.</para>
    <para>2.5. Brouwer (a.w. blz. 131) heeft verder betoogd dat Molengraaff</para>
    <para>zijn definitie bedoelde als een 'signalement', afgeleid uit de</para>
    <para>toenmalige levensverzekeringspraktijk. Ook de in art. 1 WOL</para>
    <para>opgenomen omschrijving moet volgens Brouwer worden opgevat als een</para>
    <para>omschrijving die de toenmalige praktijk moest omvatten; hij leidt</para>
    <para>dat onder andere af uit het doel van de WOL.&amp;lt;(9) Brouwer, a.w. blz. 151 j° blz. 123, 133/4; zie ook blz. 148 en G.G.</para>
    <para>Brouwer, Lijfrente en lijfrenteclausule, 2e dr. 1967.</para>
    <para>&amp;gt; Dit doel was om, gezien</para>
    <para>het bijzondere karakter van het levensverzekeringsbedrijf, meer</para>
    <para>inzicht te krijgen in de soliditeit van de verzekeraars, om die</para>
    <para>soliditeit te waarborgen en om te waken voor de belangen van de</para>
    <para>verzekerden in gevallen van insolventie.&amp;lt;(10) Kamerstukken II, 1921-1922 - 60, nr. 3, blz. 2/3.</para>
    <para>&amp;gt; Zoals ook Brouwer aangeeft</para>
    <para>(a.w. blz. 149-150) was het gezien dit doel begrijpelijk dat de</para>
    <para>regering ook de spaarkas onder de definitie van het begrip</para>
    <para>levensverzekering wilde brengen (en daarmee het spaarkasbedrijf</para>
    <para>onder het toezicht van de Verzekeringskamer) omdat het ook hier</para>
    <para>langlopende verplichtingen betreft. Nu werden ook in die tijd, zoals</para>
    <para>Brouwer laat zien (a.w. blz. 134 e.v. en 146), polissen afgesloten</para>
    <para>waarbij het spaarkarakter overheerste. Brouwer leidt uit een en</para>
    <para>ander af, dat dergelijke polissen eveneens onder de definitie van</para>
    <para>art. 1 WOL vallen.&amp;lt;(11) Brouwer, a.w. blz. 151/2. Zie ook Drost, VerzekeringsArchief 1966, blz.</para>
    <para>233/4</para>
    <para>&amp;gt; In de in art. 1 WOL opgenomen omschrijving</para>
    <para>ontbreekt volgens Brouwer (a.w. blz. 126) 'het kanselement geheel".</para>
    <para>2.6. Deze redengeving is echter, zoals Brouwer toegeeft (a.w. blz.</para>
    <para>144-146), niet geheel concludent omdat in de toenmalige praktijk ook</para>
    <para>zuivere spaarcontracten voorkwamen: polissen, afgesloten tegen</para>
    <para>betaling van een som ineens en recht gevend op een kapitaal op een</para>
    <para>vaste datum, onafhankelijk van het in leven zijn op die datum</para>
    <para>terwijl duidelijk is dat die polissen niet onder de definitie van</para>
    <para>art. 1 WOL vallen: er is dan immers geen enkel verband met het leven</para>
    <para>of sterven. Ook uit de doelstelling van de WOL kan niet worden</para>
    <para>afgeleid dat de in art. 1 WOL opgenomen definitie ook ziet op</para>
    <para>overeenkomsten die niet kunnen worden aangemerkt als kanscontracten.</para>
    <para>De WOL werd ingevoerd om de verzekeringnemers te beschermen. Die</para>
    <para>bescherming had zin voor de gevallen waarin verzekeraars risico's op</para>
    <para>zich namen; ten aanzien van spaarcontracten was die bescherming niet</para>
    <para>nodig.&amp;lt;(12) Ook na 1922 sloten verzekeraars dergelijke spaarcontracten af. Dat de</para>
    <para>Verzekeringskamer daar (aanvankelijk) niet tegen optrad (Brouwer, a.w. blz.</para>
    <para>146) acht ik gelet op de doelstelling van de WOL niet onbegrijpelijk.</para>
    <para>&amp;gt; Daar staat weliswaar tegenover dat de overeenkomst van</para>
    <para>levensverzekering in art. 1 WOL niet werd uitgeduid als een</para>
    <para>verzekering, maar het gaat mij - nu andere concrete aanwijzingen in</para>
    <para>die richting ontbreken - toch te ver om daaruit af te leiden dat men</para>
    <para>ook contracten die niet te beschouwen waren als kanscontracten tot</para>
    <para>de in art. 1 WOL bedoelde overeenkomsten van levensverzekering heeft</para>
    <para>willen rekenen.</para>
    <para>2.7. De omschrijving van Molengraaff laat, duidelijker dan de</para>
    <para>definitie van art. 1 WOL, zien dat ook contracten waarbij alleen de</para>
    <para>premiebetaling afhankelijk is van het leven en de uitkering op vaste</para>
    <para>datum moet plaatsvinden, tot de levensverzekeringen behoren.&amp;lt;(13) Zie Brouwer, a.w. blz. 147/8; Asser-Clausing-Wansink, Bijzondere</para>
    <para>overeenkomsten VI, 1998, nr. 340, blz. 321 en R.E.C.M. Niessen, Brede</para>
    <para>herwaardering I, 1992, blz. 182.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>3. Schadeverzekeringen</para>
    <para>3.1. In 1964 kwam de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf tot stand</para>
    <para>(Wet van 23 september 1964, Stb. 409). In art. 1 onder a van die wet</para>
    <para>werden overeenkomsten van schadeverzekering omschreven als:</para>
    <para>"overeenkomsten van verzekering, welke niet zijn overeenkomsten</para>
    <para>in verband met het leven of de dood van de mens, met dien</para>
    <para>verstande, dat overeenkomsten van ongevallenverzekering als</para>
    <para>overeenkomsten van schadeverzekering worden beschouwd".</para>
    <para>3.2. In de Kroonjurisprudentie inzake die bepaling werd voor de</para>
    <para>uitleg van de term 'overeenkomsten van verzekering' aangesloten bij</para>
    <para>de definitie van (overeenkomst van) verzekering van art. 246 W.v.K.&amp;lt;(14) KB 13 juni 1978 no. 29, AB 1978, 495 en KB 1 augustus 1986, nr. 1985,</para>
    <para>Stcrt. 1986, nr. 175 blz. 4/5. In dezelfde zin KB 18 maart 1978, nr. 67 en</para>
    <para>KB 29 augustus 1978, nr. 69, opgenomen in Verzekering en kans, 1998, blz.</para>
    <para>71 e.v.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>3.3. De Wet op het schadeverzekeringsbedrijf werd in 1986 opgevolgd</para>
    <para>door de Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf (Wet van 18 december</para>
    <para>1985, Stb. 705). De omschrijving van het begrip schadeverzekering</para>
    <para>werd niet gewijzigd.</para>
    <para>4. De Wet toezicht verzekeringsbedrijf</para>
    <para>4.1. Teneinde een geïntegreerde toezichtswetgeving op het schade- en</para>
    <para>het levensverzekeringsbedrijf tot stand te brengen, werd in 1986 de</para>
    <para>"Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf" gewijzigd in "Wet toezicht</para>
    <para>verzekeringsbedrijf" en werd de WOL ingetrokken (Wet van 18 december</para>
    <para>1986, Stb. 637, hierna: WTV 1986).</para>
    <para>4.2. In art.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c WTV 1986 werden</para>
    <para>overeenkomsten van levensverzekering omschreven als:</para>
    <para>"(?) overeenkomsten van verzekering tot het doen van geldelijke</para>
    <para>uitkeringen in verband met het leven of de dood van de mens, met</para>
    <para>dien verstande dat overeenkomsten van ongevallenverzekering niet</para>
    <para>als overeenkomsten van levensverzekering worden beschouwd".</para>
    <para>Ter toelichting op de nieuwe omschrijving werd gesteld&amp;lt;(15) Memorie van toelichting, Kamerstukken II, 1985-1986, 19 329, nr. 3, blz.</para>
    <para>10.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"De omschrijving (?) van (het) begrip(?) «overeenkomsten van</para>
    <para>levensverzekering» (?) (is) inhoudelijk gelijk aan die van de</para>
    <para>huidige wet, doch redactioneel is aangesloten bij de definitie</para>
    <para>(?) van «overeenkomsten van schadeverzekering» (?)."</para>
    <para>4.3. Een hierna (par. 9) nog te noemen werkgroep (de Werkgroep)&amp;lt;(16) FED 1993/525, blz. 1984.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>stelde in een rapport, op 1 juni 1993 uitbracht aan de</para>
    <para>Verzekeringskamer:</para>
    <para>"In de oude definitie van de (WOL) (...), was het woord</para>
    <para>'verzekering' niet opgenomen. Volgens de uitleg van de</para>
    <para>Verzekeringskamer diende daarvan wel steeds sprake te zijn om</para>
    <para>een overeenkomst als een levensverzekeringsovereenkomst te</para>
    <para>kunnen beschouwen. &amp;lt;(17) De Werkgroep noemde geen vindplaatsen.</para>
    <para>&amp;gt;(?) Zoals ook uit de toelichting bij de WTV</para>
    <para>blijkt, is bij de invoering van die wet geen andere toepassing</para>
    <para>beoogd dan onder het regime van de WOL&amp;lt;(18) Volgt verwijzing naar de hiervoor geciteerde passage uit de MvT inzake de</para>
    <para>Wet van 18 december 1986, Stb. 637.</para>
    <para>&amp;gt; (?). De conclusie is dan</para>
    <para>ook dat de uitleg die de Verzekeringskamer gaf aan de definitie</para>
    <para>van overeenkomsten van levensverzekering van de WOL, in de tekst</para>
    <para>van de WTV-definitie is neergelegd. (?). "</para>
    <para>4.4. Volgens Tulfer&amp;lt;(19) P.M. Tulfer (hoofd juridische zaken bij de Verzekeringskamer en voorzitter</para>
    <para>van die Werkgroep), Pensioen &amp; Praktijk, november 1993, blz. 5, r.k. (in</para>
    <para>1995 verschenen als De Verzekeringskamer en de levensverzekering, aldaar</para>
    <para>blz. 8).</para>
    <para>&amp;gt; had de wetgever de civielrechtelijke begrippen</para>
    <para>'levensverzekering' en 'verzekering' op het oog. Wat dat laatste</para>
    <para>begrip betreft, verwees hij daartoe naar de in par. 3.2 genoemde</para>
    <para>Kroonbeslissingen ten aanzien van de Wet op het</para>
    <para>schadeverzekeringsbedrijf. Bij de parlementaire behandeling van het</para>
    <para>ontwerp-WTV 1986 zijn die beslissingen echter niet aan de orde</para>
    <para>gesteld.</para>
    <para>De Werkgroep&amp;lt;(20) FED 1993/525, blz. 1984.</para>
    <para>&amp;gt; en Tulfer&amp;lt;(21) T.a.p. blz. 5.</para>
    <para>&amp;gt; nemen ook aan dat de aanduiding van de</para>
    <para>overeenkomst van levensverzekering als 'verzekering' betekent, dat</para>
    <para>sprake moet zijn van een kansovereenkomst (art. 7A:1811 BW).</para>
    <para>4.5. Anders Brouwer (a.w. blz. 128-130), die er op wijst dat het bij</para>
    <para>de invoering van de WTV 1986 ging om aanpassing van de nationale</para>
    <para>regelingen aan Europese richtlijnen op het gebied van verzekeringen.</para>
    <para>De aanpassingen die de definitie van levensverzekering onderging,</para>
    <para>waren slechts bijzaak; de wetgever beoogde daarmee zijns inziens</para>
    <para>geen wijziging van het karakter van de overeenkomst van</para>
    <para>levensverzekering. Wel is duidelijk dat de wetgever met de</para>
    <para>aanduiding van de overeenkomst van levensverzekering als</para>
    <para>'verzekering' aansloot bij de terminologie van het in dat jaar</para>
    <para>ingediende titel/boek 7 NBW (zie hierna, par. 5).&amp;lt;(22) Zie verder Asser-Clausing-Wansink, Deel VI, De verzekeringsovereenkomst,</para>
    <para>1998, nr. 335 e.v.</para>
    <para>&amp;gt; Zie voor een</para>
    <para>beschouwing over de verschillen tussen de WOL-definitie en de</para>
    <para>omschrijving in de WTV verder Asser-Clausing-Wansink.&amp;lt;(23) A.w. nrs. 338 (blz. 316 e.v.) en 340, (blz. 321).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>4.7. Bij Wet van 20 juni 1990, Stb. 337, werd onderdeel c van art.</para>
    <para>1, lid 1 WTV 1986 verletterd tot onderdeel b. Bij Wet van 9 maart</para>
    <para>1994, Stb. 252, werd de WTV 1986 opgevolgd door de Wet toezicht</para>
    <para>verzekeringsbedrijf 1993 (WTV 1993). Bij Wet van 10 juli 1995, Stb.</para>
    <para>368, werd art. 1, lid 1 WTV 1993 aangepast om ook zgn. uitvaart-</para>
    <para>verzekeringen onder die wet te brengen.</para>
    <para>5. Het ontwerp Nieuw BW 1986</para>
    <para>5.1. Art. 7A:1811 BW houdt in:</para>
    <para>"1. Eene kans-overeenkomst is eene handeling, waarvan</para>
    <para>uitkomsten, met betrekking tot voordeel en nadeel, het zij voor</para>
    <para>alle partijen, het zij voor eenige derzelve, van eene onzekere</para>
    <para>gebeurtenis afhangen.</para>
    <para>2. Van dien aard zijn:</para>
    <para>De overeenkomst van verzekering;</para>
    <para>Lijfrenten;</para>
    <para>(?)."&amp;lt;(24) Omdat een tegen betaling van een koopsom afgesloten polis die recht geeft</para>
    <para>op een uitkering van een vaste som bij overlijden een kansovereenkomst is,</para>
    <para>zal onder 'onzekere gebeurtenis' ook moeten worden begrepen een voorval dat</para>
    <para>slechts qua tijdstip onzeker is. Een en ander betekent ook dat de kenschets</para>
    <para>die Asser-Hartkamp 4-II, 10e dr. 1997, nr. 70, blz. 61 van</para>
    <para>kansovereenkomsten geeft: "Of de ene partij op grond van de op zich genomen</para>
    <para>verplichting, uiteindelijk aan de ander iets zal moeten geven, dan wel</para>
    <para>hoeveel hij zal moeten geven, wordt afhankelijk gesteld van een onzekere</para>
    <para>gebeurtenis, terwijl de overeenkomst juist met het oog op die onzekere</para>
    <para>gebeurtenis werd aangegaan (?)", niet volledig is. Die omschrijving dekt</para>
    <para>niet het geval waarin het kanselement zit in het tijdstip waarop moet</para>
    <para>worden gepresteerd (zoals bij de zojuist bedoelde verzekeringsvorm het</para>
    <para>geval is). Zie voor het begrip kansovereenkomst verder Brouwer, a.w. blz.</para>
    <para>49 e.v.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>5.2. In het ontwerp Nieuw BW wordt de kansovereenkomst niet meer</para>
    <para>omschreven. Wel vindt men het kans-element terug in de omschrijving</para>
    <para>van de overeenkomst van verzekering</para>
    <para>(art. 7.17.1.1 lid 1 ontw. NBW&amp;lt;(25) Kamerstukken II, 1985-1986 19 529, nr. 2.</para>
    <para>&amp;gt;):</para>
    <para>"Verzekering is een overeenkomst waarbij de ene partij,</para>
    <para>verzekeraar, zich tegen het genot van premie jegens haar</para>
    <para>wederpartij, de verzekeringnemer, verbindt tot het doen van een</para>
    <para>of meer uitkeringen, en bij het sluiten der overeenkomst voor</para>
    <para>partijen geen zekerheid bestaat, dat, wanneer of tot welk bedrag</para>
    <para>enige uitkering moet worden gedaan, of hoe lang de</para>
    <para>overeengekomen premiebetaling zal duren. Zij is hetzij</para>
    <para>schadeverzekering, hetzij sommenverzekering."</para>
    <para>In art. 7.17.3.9 ontw. NBW wordt (de overeenkomst van)</para>
    <para>levensverzekering omschreven als</para>
    <para>"(?) de in verband met het leven of de dood gesloten</para>
    <para>sommenverzekering met dien verstande dat ongevallenverzekering</para>
    <para>niet als levensverzekering wordt beschouwd."</para>
    <para>5.3. In de MvT&amp;lt;(26) Kamerstukken II, 1985-1986 19 529, nr. 3, blz. 44.</para>
    <para>&amp;gt; werd gesteld:</para>
    <para>"Mede gelet op de algemene definitie van verzekering (...)</para>
    <para>definitie van levensverzekering volgens het onderhavige ontwerp</para>
    <para>nagenoeg gelijk aan die welke in artikel 1 onder a van de (WOL</para>
    <para>1922) (?) is vervat."</para>
    <para>5.4. Asser-Clausing-Wansink (a.w. blz. 314) beschouwen de</para>
    <para>omschrijving die het ontw. NBW van (de overeenkomst van)</para>
    <para>levensverzekering geeft ook maatgevend voor het huidige civiele</para>
    <para>recht.</para>
    <para>6. Enige fiscale jurisprudentie</para>
    <para>6.1. De omschrijving van Molengraaff vindt men als heersende</para>
    <para>rechtsopvatting terug in HR 9 december 1959, BNB 1960/21 m.nt. H.</para>
    <para>Schuttevaêr, waarin het Arnhemse Hof overwoog</para>
    <para>"dat (?) naar de heersende rechtsopvatting de levensverzekering</para>
    <para>omvat alle overeenkomsten omtrent de uitkering van een kapitaal</para>
    <para>of een rente, op levens- en sterftekansen gegrond, waarbij de</para>
    <para>uitkering of de premiebetaling of beide in enigerlei opzicht</para>
    <para>afhankelijk werden gesteld van het in leven zijn of de dood van</para>
    <para>een of meer bepaalde personen."</para>
    <para>en waarin de Hoge Raad de tegen die beslissing gerichte klacht</para>
    <para>afwees.</para>
    <para>6.2. Elementen van de omschrijving van Molengraaff c.q. van de WOL-</para>
    <para>definitie vindt men verder bij voorbeeld ook in HR 14 april 1926, B.</para>
    <para>3798; HR 23 februari 1927, B. 4014; HR 14 oktober 1931, B. 5054; HR</para>
    <para>14 december 1932, B. 5343 (overeenkomst van levensverzekering moet</para>
    <para>zijn gegrond op levens- en sterftekansen); HR 3 december 1952, BNB</para>
    <para>1953/18 m.nt. H.J. Hellema ["dat (?) overeenkomsten (van lijfrente</para>
    <para>of van levensverzekering) (?) gekenmerkt worden doordat zij, wat</para>
    <para>betreft hetzij het bedrag der uitkering of uitkeringen, hetzij het</para>
    <para>tijdstip, waarop deze moeten plaatsvinden, hetzij de verschuldigde</para>
    <para>premie, van levens- of sterftekansen afhankelijk zijn."]; HR 21 mei</para>
    <para>1947 B. 8402 m.nt. H.J. Doedens en HR 6 februari 1957, BNB 1957/87</para>
    <para>m.nt. J.B.J. Peeters (uitkering op vaste datum tegen koopsom: geen</para>
    <para>levensverzekering).</para>
    <para>7. Het kans-op-nadeel-criterium</para>
    <para>7.1. In de loop van de jaren '50 kwam in de fiscale jurisprudentie</para>
    <para>ten aanzien van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 (Besluit</para>
    <para>IB 1941) een nieuw vereiste naar voren, het zgn. 'kans-op-</para>
    <para>nadeelvereiste'. Het vereiste hield in (HR 21 oktober 1959, BNB</para>
    <para>1959/361)</para>
    <para>"dat, wil een polis als een polis van levensverzekering [waarop</para>
    <para>een kapitaal verzekerd is] (?) kunnen worden aangemerkt, in elk</para>
    <para>geval de daarin belichaamde overeenkomst voor den verzekeraar</para>
    <para>een van het leven of sterven van den verzekerde afhankelijke</para>
    <para>kans op voordeel of nadeel moet scheppen (?)".</para>
    <para>(vgl. ook HR 21 maart 1956, BNB 1956/159 m.nt. A.J. van Soest; HR 15</para>
    <para>juni 1960, BNB 1960/201 m.nt. P. den Boer en HR 3 juni 1964, BNB</para>
    <para>1964/244 m.nt. Van Dijck).&amp;lt;(27) Zie voor een bespreking van die jurisprudentie o.a. Brouwer, a.w. blz. 39</para>
    <para>e.v. en R.E.C.M. Niessen, Levensverzekering en fiscus, 2e dr. 1997, blz. 16</para>
    <para>e.v. (die - blz. 38 e.v. - ook een helder historisch overzicht van de</para>
    <para>fiscale behandeling van kapitaalverzekeringen geeft).</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>7.2. De jurisprudentie betrof gevallen waarin in een polis die recht</para>
    <para>gaf op een kapitaal (zgn. kapitaal-verzekeringen) een zgn.</para>
    <para>lijfrenteclausule was opgenomen, maar men treft de gedachte ook aan</para>
    <para>in jurisprudentie op ander terrein (HR 20 juni 1962, BNB 1962/299</para>
    <para>inzake een lijfrente&amp;lt;(28) Vgl. ook Brouwer, a.w. blz. 3, nt. 1.</para>
    <para>&amp;gt;).</para>
    <para>7.3. Het onder het Besluit IB 1941 ontwikkelde kans-op-</para>
    <para>nadeelvereiste kwam met ingang van 1965 ten aanzien van</para>
    <para>kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule weer te vervallen. Voor</para>
    <para>die groep werd in de Wet IB 1964 uitdrukkelijk verwezen naar de</para>
    <para>definitie van art. 1, onder a van de WOL (art. 25, leden 3 en 4 Wet</para>
    <para>IB 1964, oorspr. tekst; zie de conclusie A-G Van Soest voor HR 30</para>
    <para>oktober 1991, BNB 1992/5 m.nt. Van Dijck&amp;lt;(29) Zie voorts R.E.C.M. Niessen, Het begrip lijfrente in de</para>
    <para>inkomstenbelasting, 1982, 2e dr. blz. 71.</para>
    <para>&amp;gt;).</para>
    <para>7.4. Voor andere kapitaalverzekeringen (het ging dan met name om de</para>
    <para>vraag of voor de berekening van het rentebestanddeel van een</para>
    <para>uitkering ingevolge een kapitaalverzekering zonder lijfrenteclausule</para>
    <para>de regeling van art. 28, lid 3 Wet IB 1964 [oorspr. tekst] kon</para>
    <para>worden toegepast) bleef het kans-op-nadeelvereiste gelden</para>
    <para>(staatssecretaris Van den Berge, Handelingen I, 9 december 1964,</para>
    <para>blz. 224, lk., in antwoord op een vraag van het Kamerlid De Wilde&amp;lt;(30) De passage is aangehaald in par. 2.12 van de conclusie van A-G Van Soest</para>
    <para>voor HR 30 oktober 1991, BNB 1992/5 m.nt. Van Dijck. Zie ook HR 14</para>
    <para>september 1977, BNB 1978/15 na conclusie A-G Van Soest en m.nt. Van Dijck;</para>
    <para>Hof 's-Gravenhage, 9 juni 1976, te kennen uit HR 9 februari 1977, BNB</para>
    <para>1977/112 m.nt. Van Dijck en Brouwer, a.w. blz. 2/3 (met vermelding van</para>
    <para>literatuur).</para>
    <para>&amp;gt;).</para>
    <para>7.5. In de MvA inzake een latere wet tot wijziging van de Wet IB</para>
    <para>1964 (Wet van 23 december 1977, Stb. 647) werd opgemerkt&amp;lt;(31) Kamerstukken II, 1976/77, 14 053, nr. 5, blz. 12.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>"Er wordt (?) herinnerd aan de bestaande rechtspraak van de Hoge</para>
    <para>Raad, volgens welke van levensverzekering geen sprake is indien</para>
    <para>uit de polis, dus in het individuele geval, voor de verzekeraar</para>
    <para>geen van het leven of sterven van de verzekerde afhankelijke</para>
    <para>kans op nadeel voortvloeit, doch enkel een meer of minder grote</para>
    <para>kans op voordeel. Hierbij valt te denken aan bij voorbeeld de</para>
    <para>verzekering van een kapitaal op een vaste datum bij in leven</para>
    <para>zijn met beding van premierestitutie bij vooroverlijden. Bij het</para>
    <para>onderscheid tussen spaarpolissen en levensverzekering gaat het</para>
    <para>dus niet om de grootte van de kans op nadeel, maar om het al dan</para>
    <para>niet aanwezig zijn daarvan. (?)."</para>
    <para>In de Nota naar aanleiding van het eindverslag werd nog betoogd&amp;lt;(32) Kamerstukken II, idem, nr. 9, blz. 4.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>"[Deze] beschouwing (?) impliceert inderdaad dat elke reële kans</para>
    <para>op nadeel voor de verzekeraar voldoende is om een polis fiscaal</para>
    <para>als een overeenkomst van levensverzekering te beschouwen. Een</para>
    <para>theoretisch mogelijk nadeel van f 1 (is) echter geen reële kans</para>
    <para>op nadeel."</para>
    <para>7.6. Het kans-op-nadeelvereiste gold evenmin voor (echte)</para>
    <para>lijfrentepolissen (HR 30 oktober 1991, BNB 1992/5).</para>
    <para>7.7. De in art. 25, lid 4 Wet IB 1964 opgenomen verwijzing naar de</para>
    <para>definitie van art. 1 onder a van de WOL was inmiddels bij Wet van 18</para>
    <para>december 1986, Stb. 637 (art. XXVIII, onder B) vervangen door een</para>
    <para>verwijzing naar de definitie van artikel 1, onderdeel c, WTV. De</para>
    <para>wijziging die de definitie van overeenkomst van levensverzekering</para>
    <para>had ondergaan (vgl. par. 2.1 en 4.2) werd daarbij niet aan de orde</para>
    <para>gesteld. Met ingang van 1 juli 1990 werd dit gewijzigd in een</para>
    <para>verwijzing naar onderdeel b (zie par. 4.7).&amp;lt;(33) Wet van 20 juni 1990, Stb. 337, art. IX B.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>8. De Brede herwaardering</para>
    <para>8.1. Bij Wet van 12 december 1991, Stb. 697, kwam art. 25, lid 2 Wet</para>
    <para>IB 1964 te luiden:</para>
    <para>"Onder levensverzekering wordt voor de toepassing van deze wet</para>
    <para>verstaan een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in</para>
    <para>artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet toezicht</para>
    <para>verzekeringsbedrijf (...) [NB: voor 1993: (Stb. 1992, 442&amp;lt;(34) Stb. 442 betreft de beschikking van de MvJ van 7 september 1992 houdende</para>
    <para>plaatsing in het Stb. van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf (Stb. 1990,</para>
    <para>342) zoals deze laatstelijk was gewijzigd bij de wet van 1 juli 1992, Stb.</para>
    <para>441.</para>
    <para>&amp;gt;)]."</para>
    <para>8.2. De tekst voor art. 25, lid 2 werd bij (tweede) Nota van</para>
    <para>wijziging&amp;lt;(35) Tweede Nota van wijziging, Kamerstukken II, 1990-1991, 21 198, nr. 16,</para>
    <para>blz. 1.</para>
    <para>&amp;gt; in het desbetreffende wetsontwerp opgenomen, als reactie</para>
    <para>op een suggestie van de leden van de C.D.A.-fractie.&amp;lt;(36) Zie voor de voorgeschiedenis Brouwer, a.w., blz. 22.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>8.3. In een Verslag van een schriftelijk overleg d.d. 28 maart 1991&amp;lt;(37) Kamerstukken II, 1990-1991, 21 198, nr. 15, blz. 44-45.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>stelden de bewindslieden:</para>
    <para>"De leden van de C.D.A.-fractie vragen (?) of het niet</para>
    <para>voorkeur verdient om de overeenkomst van levensverzekering in de</para>
    <para>wet te definiëren als de overeenkomst van levensverzekering in</para>
    <para>de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel (b) (?), van de Wet</para>
    <para>toezicht verzekeringsbedrijf. Verder vragen deze leden of de eis</para>
    <para>van kans op nadeel ter zake van de in artikel 45, eerste lid,</para>
    <para>onderdeel g, bedoelde lijfrenten niet beter kan vervallen. (?)</para>
    <para>In de Wet (IB 1964) is thans, met uitzondering van de</para>
    <para>kapitaalverzekering met lijfrenteclausule, geen definitie van</para>
    <para>het begrip «levensverzekering» opgenomen. Onderdeel van de in de</para>
    <para>jurisprudentie met name ter zake van kapitaalverzekeringen</para>
    <para>ontwikkelde definitie is het zogenaamde kans-op-nadeelvereiste.</para>
    <para>Dit komt er op neer dat, uitgaande van de door de</para>
    <para>verzekeringnemer betaalde brutopremies vermeerderd met een door</para>
    <para>de verzekeraar daarmee redelijkerwijze te behalen rendement,</para>
    <para>dient te worden bepaald of de overeenkomst voor de verzekeraar</para>
    <para>op enig tijdstip een kans op nadeel kan opleveren. (?) Met de</para>
    <para>ontwikkeling van het zogenaamde kans-op-nadeelvereiste is beoogd</para>
    <para>waarborgen te scheppen dat het in dezen in fiscale zin om reële</para>
    <para>verzekeringscontracten gaat. (?) De in het wetsvoorstel</para>
    <para>voorgestelde regeling bevat andere dan in de jurisprudentie</para>
    <para>geformuleerde waarborgen om zeker te stellen dat alleen reële</para>
    <para>levensverzekeringen onder het voorgestelde regime vallen. (?)</para>
    <para>Gezien deze waarborgen is het zogenaamde kans-op-nadeelvereiste</para>
    <para>niet meer nodig. Het opnemen van een wettelijke definitie van</para>
    <para>het begrip levensverzekering volgens de Wet toezicht</para>
    <para>verzekeringsbedrijf stuit dan ook niet op problemen. Het zou</para>
    <para>zelfs zo kunnen zijn dat onverkorte handhaving van het kans-op-</para>
    <para>nadeelvereiste er toe zou leiden dat een aantal contracten niet</para>
    <para>als levensverzekering zou kwalificeren waarvan dit gezien de</para>
    <para>wettelijke regeling zeker wel de bedoeling is. (?) De</para>
    <para>voorwaarden die (?) worden gesteld aan kapitaalverzekeringen die</para>
    <para>tot uitkering komen bij in leven zijn, vormen voldoende waarborg</para>
    <para>om voor de vrijstellingen in aanmerking te komen. Hierbij kan</para>
    <para>met name worden gedacht aan de afhankelijkheid van leven en</para>
    <para>dood, de minimale premiebetalingstermijn en de bandbreedte met</para>
    <para>betrekking tot premiebetaling. Bij uitkering bij in leven zijn,</para>
    <para>is de uitkering belast, en zijn de voorwaarden voor een</para>
    <para>vrijstelling zodanig dat alleen contracten waarvan het de</para>
    <para>bedoeling is dat ze voor een vrijstelling in aanmerking komen er</para>
    <para>onder vallen.</para>
    <para>De wettelijke definiëring van het begrip levensverzekering heeft</para>
    <para>mede tot gevolg dat de vrijstelling voor kapitaalsuitkeringen</para>
    <para>ten gevolge van overlijden moet worden heroverwogen. (?) (Aan</para>
    <para>die) vrijstelling [zal] (?) een tweetal (?) voorwaarden worden</para>
    <para>verbonden.&amp;lt;(38) Gedoeld werd op de regeling in art. 26a, lid 1 Wet IB 1964 (leeftijdsgrens</para>
    <para>72 jaar c.q. betalen van premie gedurende ten minste 15 jaar).</para>
    <para>&amp;gt; (?)"</para>
    <para>8.4. In de toelichting bij Tweede nota van wijziging&amp;lt;(39) Kamerstukken II, 1990-1991, 21 198, nr. 16, blz. 8.</para>
    <para>&amp;gt; werd dit betoog</para>
    <para>herhaald. Voorts werd opgemerkt&amp;lt;(40) Idem, blz. 10.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"Het nieuwe tweede lid van artikel 25 verwijst voor de definitie</para>
    <para>van het begrip «levensverzekering» naar de overeenkomst bedoeld</para>
    <para>in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet toezicht</para>
    <para>verzekeringsbedrijf. (?) Op grond van de (?) definitie uit de</para>
    <para>Wet toezicht verzekeringsbedrijf kwalificeert een</para>
    <para>verzekeringsovereenkomst waarbij een kapitaalsuitkering is</para>
    <para>verzekerd derhalve als een levensverzekering voor de toepassing</para>
    <para>van de (Wet IB 1964) indien het tot uitkering komen van dat</para>
    <para>kapitaal afhankelijk is van het leven of sterven van een mens.</para>
    <para>(?) (H)et vereiste dat er uit de verzekeringsovereenkomst voor</para>
    <para>de verzekeraar een reële kans op nadeel, rekening houdend met de</para>
    <para>ter zake betaalde premies, moet voortvloeien om te kwalificeren</para>
    <para>als levensverzekering in fiscale zin, komt te vervallen.</para>
    <para>Opgemerkt zij dat de nieuwe systematiek uiteraard niet tot</para>
    <para>gevolg heeft dat men door het in één contract opnemen van een</para>
    <para>overeenkomst die niet valt aan te merken als een</para>
    <para>levensverzekering als bedoeld in artikel 1, eerste lid,</para>
    <para>onderdeel b, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf - bij</para>
    <para>voorbeeld een overeenkomst waarbij tegen een koopsom altijd op</para>
    <para>een bepaalde datum een uitkering komt - en een overeenkomst die</para>
    <para>wel als zodanig kwalificeert, kan bewerkstelligen dat de gehele</para>
    <para>overeenkomst de bijzondere behandeling van kapitaalverzekeringen</para>
    <para>deelachtig wordt. Deze behandeling geldt louter voor de</para>
    <para>laatstgenoemde overeenkomst. Evenmin zal die bijzondere</para>
    <para>behandeling ten deel vallen aan overeenkomsten die ieder voor</para>
    <para>zich zouden zijn aan te merken als een overeenkomst van</para>
    <para>levensverzekering, doch te zamen genomen tot resultaat hebben</para>
    <para>dat onafhankelijk van het leven of sterven op een bepaalde datum</para>
    <para>door de verzekeraar een uitkering dient te worden gedaan.</para>
    <para>Hierbij kan worden gedacht aan een overeenkomst waarbij tegen</para>
    <para>een koopsom een uitkering is verzekerd op een bepaalde datum</para>
    <para>indien de verzekerde alsdan in leven is in samenhang met een</para>
    <para>overeenkomst waarbij tegen een koopsom op dezelfde datum een</para>
    <para>uitkering is verzekerd indien dezelfde verzekerde alsdan is</para>
    <para>overleden. Een dergelijk samenstel van overeenkomsten of een</para>
    <para>daarop gelijkend pakket dient op grond van de fiscale</para>
    <para>interpretatie van de feiten immers te worden beschouwd als één</para>
    <para>overeenkomst waarbij tegen een koopsom een vaste uitkering op</para>
    <para>een bepaalde datum is overeengekomen. Een dergelijke</para>
    <para>overeenkomst is dan ook niet te beschouwen als een reëel</para>
    <para>verzekeringscontract dat een bijzondere fiscale behandeling ten</para>
    <para>deel dient te vallen."</para>
    <para>8.5. Tijdens de behandeling van het voorstel in de Eerste Kamer</para>
    <para>vroegen de leden van de PvdA-fractie&amp;lt;(41) Voorlopig verslag van de Vaste commissie voor Financiën, Kamerstukken I,</para>
    <para>1991-1992, 21 198, nr. 3, blz. 7.</para>
    <para>&amp;gt; om een nadere toelichting van</para>
    <para>de het laten vervallen van het kans-op-nadeelvereiste. Zij vroegen</para>
    <para>zich ook af, of de gevolgen van die wijziging niet verstrekkender</para>
    <para>waren dan was aangegeven en of de gegeven motivering bij voorbeeld</para>
    <para>ook gold voor gemengde verzekeringen.</para>
    <para>8.6. De bewindslieden antwoordden&amp;lt;(42) Memorie van antwoord aan de Eerste Kamer, Kamerstukken I, 1991-1992, 21</para>
    <para>198, nr. 3a, blz. 19.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"(?) In de huidige wettelijke bepaling geldt (de) verwijzing</para>
    <para>[naar art. 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet toezicht</para>
    <para>verzekeringsbedrijf ] uitsluitend voor kapitaalverzekeringen met</para>
    <para>lijfrenteclausule. (?) Een kans op nadeel voor de verzekeraar</para>
    <para>wordt door dit artikel niet vereist voor de kwalificatie als</para>
    <para>levensverzekering. Door thans voor de kapitaalverzekeringen en</para>
    <para>de lijfrenteverzekeringen&amp;lt;(43) De verwijzing naar de definitie van de WTV geldt ook voor lijfrenten, zie</para>
    <para>(thans) art. 45, lid 6 Wet IB 1964.</para>
    <para>&amp;gt; eveneens te verwijzen naar het begrip</para>
    <para>levensverzekering in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf,</para>
    <para>ontstaat voor de inkomstenbelasting duidelijkheid: voor de</para>
    <para>toepassing van die wetgeving geldt voortaan één begrip</para>
    <para>levensverzekering.</para>
    <para>(De leden van de PvdA-fractie) vragen of de gevolgen van het</para>
    <para>vervallen van het kans-op-nadeel-vereiste niet verstrekkender</para>
    <para>zijn, dan wij hebben aangegeven. Naar wij menen, doelen deze</para>
    <para>leden op mogelijk oneigenlijk gebruik. Wij delen deze vrees</para>
    <para>niet. Het voorgestelde regime voor kapitaalverzekeringen en</para>
    <para>lijfrenten bevat door de aan die overeenkomsten overigens</para>
    <para>gestelde voorwaarden voldoende waarborgen om oneigenlijk gebruik</para>
    <para>te keren. (?)"</para>
    <para>8.7. De leden van de PvdA-fractie verduidelijkten daarop hun vragen&amp;lt;(44) Nader voorlopig verslag van de Vaste commissie voor Financiën,</para>
    <para>Kamerstukken I, 1991-1992, 21 198, nr. 3b, blz. 13.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"(?) (D)eze leden (doelden) niet op mogelijk oneigenlijk gebruik</para>
    <para>als gevolg van het vervallen van het kans-op-nadeel-vereiste.</para>
    <para>(?) (Zij) vroegen zich af of alle gebruiksmogelijkheden ook even</para>
    <para>bedoeld zijn. Bij de huidige redactie is het mogelijk om het</para>
    <para>rentebestanddeel in een puur spaarcontract, waarbij het</para>
    <para>opgerente kapitaal wordt uitgekeerd bij overlijden van de</para>
    <para>verzekerde of bij zijn in leven zijn op de einddatum (na 15 of</para>
    <para>20 jaar) - binnen grenzen - onbelast te ontvangen. (?)"</para>
    <para>8.8. De bewindslieden betoogden daarop&amp;lt;(45) Nadere memorie van antwoord aan de Eerste Kamer, Kamerstukken I, 1991-</para>
    <para>1992, 21 198, nr. 3c, blz. 16/17.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"(?) (A)an het hanteren van het zogenaamde kans-op-</para>
    <para>nadeelvereiste (is) een aantal bezwaren verbonden (?). Zo is de</para>
    <para>praktische uitvoering van het vereiste nogal problematisch.</para>
    <para>Verder is het vereiste op bepaalde punten vrij streng.</para>
    <para>Kapitaalverzekeringen waarbij alleen een kapitaal bij in leven</para>
    <para>zijn is verzekerd, zullen er over het algemeen niet aan voldoen.</para>
    <para>Ten slotte is het vrij eenvoudig om een overeenkomst dusdanig in</para>
    <para>te richten dat aan het vereiste is voldaan zonder al te grote</para>
    <para>risico's in te bouwen. (?) de in de voorgestelde regeling voor</para>
    <para>kapitaalverzekeringen opgenomen voorwaarden (zijn) dusdanig dat</para>
    <para>naar onze mening het kans-op-nadeelvereiste kan vervallen.</para>
    <para>Hierbij kan gedacht worden aan de afhankelijkheid van leven en</para>
    <para>dood, de minimale premiebetalingstermijn en de bandbreedte met</para>
    <para>betrekking tot de premiebetalingstermijn. De leden van de</para>
    <para>fractie van de PvdA wijzen er op dat de vrijstellingen voor</para>
    <para>kapitaalverzekeringen ook van toepassing zijn op «pure</para>
    <para>spaarcontracten», zijnde contracten waarbij de opgerente premies</para>
    <para>worden uitgekeerd bij overlijden van de verzekerde of bij in</para>
    <para>leven zijn op een bepaalde datum (na 15 of 20 jaar). De leden</para>
    <para>merken daarbij terecht op dat de maximering van de</para>
    <para>vrijstellingen voor uitkeringen bij in leven zijn een beperking</para>
    <para>betekent van het gebruik dat er van kan worden gemaakt. In dit</para>
    <para>verband willen wij nogmaals wijzen op de gronden voor het</para>
    <para>opnemen van deze vrijstellingen. De eerste is het geven van een</para>
    <para>compensatie voor het gemis aan rentevrijstelling. De tweede is</para>
    <para>dat kapitaalverzekeringen met een lange duur maatschappelijk in</para>
    <para>zekere mate als een onderhoudsvoorziening worden beschouwd.</para>
    <para>Vooralsnog zijn wij niet van mening dat de genoemde</para>
    <para>vrijstellingen te ruim zijn. Bedacht dient hierbij te worden dat</para>
    <para>het aangaan van zo'n «spaarcontract» betekent dat het kapitaal</para>
    <para>gedurende een lange tijd niet meer voor iets anders aangewend</para>
    <para>kan worden. In deze lange duur zit naar onze mening ook een</para>
    <para>belangrijk verschil tussen verzekeringscontracten en bancaire</para>
    <para>spaarprodukten. (?).</para>
    <para>Bij kapitaalsuitkeringen ten gevolge van overlijden overheerst</para>
    <para>naar onze mening in de meeste gevallen het risico-element boven</para>
    <para>het spaarelement, wat een onbeperkte vrijstelling rechtvaardigt.</para>
    <para>Om te voorkomen dat via «spaarcontracten» die uitsluitend bij</para>
    <para>overlijden uitkeren het rendement vrij van inkomstenbelasting</para>
    <para>door de erfgenamen kan worden verkregen, is de leeftijdsgrens</para>
    <para>van 72 jaar opgenomen. Vinden de uitkeringen plaats ten gevolge</para>
    <para>van overlijden na die leeftijd, dan moet ten minste vijftien</para>
    <para>jaren premie zijn betaald wil de uitkering onbelast zijn. Deze</para>
    <para>duur vormt naar onze mening een voldoende rem op het afsluiten</para>
    <para>van dergelijke contracten. Mocht echter blijken dat in de</para>
    <para>toekomst van de vrijstellingen bij overlijden een niet bedoeld</para>
    <para>gebruik wordt gemaakt, dan zullen wij ons nader beraden over de</para>
    <para>vormgeving van deze vrijstellingen. (?)."</para>
    <para>9. De Verzekeringskamer</para>
    <para>9.1. De Wet van 12 december 1991, Stb. 697, waarbij het in de</para>
    <para>fiscale jurisprudentie ontwikkelde 'kans-op-nadeelvereiste' kwam te</para>
    <para>vervallen, trad in werking op 1 januari 1992. Deze wijziging had,</para>
    <para>zoals Dietvorst in mei 1993 schreef&amp;lt;(46) G.J.B. Dietvorst, MBB 1993, blz. 119, rk.</para>
    <para>&amp;gt;, tot gevolg</para>
    <para>"dat er levensverzekeringsprodukten op de markt worden gebracht</para>
    <para>die nauwelijks van bancaire spaarvormen te onderscheiden zijn."</para>
    <para>Stevens waarschuwde al eerder, in april 1992.&amp;lt;(47) WFR 1992/6006, blz. 567/8.</para>
    <para>&amp;gt; Uit een door Brouwer</para>
    <para>weergegeven briefwisseling met het Ministerie van Financiën kan men</para>
    <para>afleiden dat men aldaar zo omstreeks die tijd aarzelingen kreeg. In</para>
    <para>maart 1992 nam men nog een standpunt in dat aansloot bij de visie,</para>
    <para>verwoord in de Nadere memorie van antwoord aan de Eerste Kamer, maar</para>
    <para>in een brief van 29 april 1992 kwam men daar op terug. &amp;lt;(48) Op 3 maart 1992 liet de staatssecretaris weten: "Als een levensverzekering</para>
    <para>in fiscale zin wordt (...) aangemerkt (...) de overeenkomst waarbij op een</para>
    <para>bepaalde datum een uitkering is verzekerd ter grootte van het bedrag van de</para>
    <para>betaalde premies vermeerderd met een daarop behaald rendement alsmede de</para>
    <para>overeenkomst waarbij die uitkering is verzekerd ten gevolge van overlijden.</para>
    <para>Het feit dat beide verzekeringen worden opgenomen in één overeenkomst doet</para>
    <para>aan vorenstaande kwalificatie geen afbreuk." Op 29 april 1992 liet</para>
    <para>staatssecretaris weten dat dit standpunt "wellicht nuancering behoeft". Zie</para>
    <para>Brouwer, a.w. blz. 154 en bijlagen II t/m IV.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>9.2. Een daartoe ingestelde werkgroep bracht op 1 juni 1993 een</para>
    <para>advies uit aan de Verzekeringskamer over de toepassing van de</para>
    <para>definitie van levensverzekering in de WTV 1986 ten aanzien van wat</para>
    <para>werd aangeduid als 'Brede Herwaarderingsprodukten'.&amp;lt;(49) FED 1993/525; V-N 1993, blz. 1799 pt. 12. Zie over een en ander ook</para>
    <para>Brouwer, a.w. blz. 154.</para>
    <para>&amp;gt; In dat advies</para>
    <para>werd de in HR 9 december 1959, BNB 1960/21, aanvaarde omschrijving</para>
    <para>van levensverzekering als 'uitgangspunt' genomen (zie par. 6.1). De</para>
    <para>Werkgroep stelde zich verder op het standpunt dat een overeenkomst</para>
    <para>van levensverzekering in de zin van de WTV 1986 een kansovereenkomst</para>
    <para>in de zin van art. 7A:1811 BW diende te zijn (zie hiervoor, par. 5).</para>
    <para>De Werkgroep kwam tot de conclusie - ik volg de samenvatting die de</para>
    <para>Verzekeringskamer van het rapport gaf&amp;lt;(50) FED 1993/524, blz. 1977.</para>
    <para>&amp;gt;-:</para>
    <para>"dat, wil een overeenkomst een levensverzekering zijn,</para>
    <para>verzekeringnemer een 'kans op voordeel' moet hebben in die zin,</para>
    <para>dat er een kans moet zijn dat hij substantieel meer krijgt dan</para>
    <para>overeenkomt met de waarde van de met de betaalde premies door de</para>
    <para>verzekeraar verworven beleggingen."</para>
    <para>Voor de invulling van dat begrip 'substantieel' ontwikkelde de</para>
    <para>Werkgroep een aantal rekenregels. De Verzekeringskamer nam dat</para>
    <para>advies over en bestempelde de opgestelde rekenregels tot</para>
    <para>beleidsregels.&amp;lt;(51) Brief Verzekeringskamer van 4 juni 1993, FED 1993/524 en V-N 1993, blz.</para>
    <para>1799, pt. 12. De nieuwe opvatting zou volgens de Verzekeringskamer gelden</para>
    <para>voor overeenkomsten die op of na 1 juli 1993 zouden worden gesloten.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>9.3. De opvattingen van de Werkgroep c.q. de Verzekeringskamer zijn</para>
    <para>bestreden door Brouwer, die, zie ook hiervoor, par. 2.5 en 4.5 van</para>
    <para>mening is dat de WTV evenals de WOL uitgaat van een ruim begrip</para>
    <para>levensverzekering, dat ook overeenkomsten dekt, waarbij het</para>
    <para>kanselement ontbreekt en verder ook de voorgestelde rekenregels</para>
    <para>bestrijdt&amp;lt;(52) Brouwer, a.w. blz. 157-172 en 208 e.v.; idem in Verzekering en kans, blz.</para>
    <para>43 e.v.</para>
    <para>&amp;gt; en Niessen, wiens kritiek zich richt op de voorgestelde</para>
    <para>rekenregels, maar die instemt met de opvatting, dat een overeenkomst</para>
    <para>in de zin van de WTV voor de verzekeringnemer een kans op voordeel</para>
    <para>moet bieden.&amp;lt;(53) Niessen, Levensverzekering en fiscus, blz. 20.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>10. Het belang van het standpunt van de Verzekeringskamer</para>
    <para>10.1. Art. 4 WTV 1986&amp;lt;(54) zoals gewijzigd bij Wet van 20 juni 1990, Stb. 337.</para>
    <para>&amp;gt; hield in:</para>
    <para>"1. De Verzekeringskamer beslist voor de toepassing van deze wet</para>
    <para>of een handeling (?) al dan niet uitoefening van het</para>
    <para>schadeverzekeringsbedrijf, het levensverzekeringsbedrijf of een</para>
    <para>andersoortig bedrijf vormt (?). Zij beslist tevens tot welke</para>
    <para>branche of branches een overeenkomst van verzekering behoort.</para>
    <para>2. De Verzekeringskamer beslist ambtshalve dan wel op</para>
    <para>schriftelijk verzoek van:</para>
    <para>a. hetzij degene die de handeling (...) verricht of voornemens</para>
    <para>is te verrichten onderscheidenlijk de verzekeraar die de</para>
    <para>overeenkomst van verzekering sluit of voornemens is te sluiten;</para>
    <para>b. hetzij een representatieve organisatie van verzekeraars (?)."</para>
    <para>Tegen dergelijke beslissingen stond beroep open bij het College van</para>
    <para>Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) (art. 87, lid 1 WTV 1986).</para>
    <para>10.2. De staatssecretaris van Financiën betoogde in 1993&amp;lt;(55) BNB 1993/286, V-N 1993, blz. 2560, pt. 8.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"Met de uitvoering van de (?) (WTV 1986) is de Verzekeringskamer</para>
    <para>belast. Uit dien hoofde is de Verzekeringskamer bevoegd voor de</para>
    <para>toepassing van die wet te bepalen welke inhoud dient te worden</para>
    <para>gegeven aan het begrip levensverzekering. (?) Voor de toepassing</para>
    <para>van de artikelen 25, tweede lid, en 45, vierde lid, van de (Wet</para>
    <para>IB 1964) (?) dient te worden aangesloten bij de uitleg die door</para>
    <para>de Verzekeringskamer wordt gegeven aan het begrip</para>
    <para>levensverzekering. (?)."</para>
    <para>10.3. In die zin ook Dietvorst&amp;lt;(56) G.J.B. Dietvorst, De drie pijlers van toekomstvoorzieningen en</para>
    <para>belastingen, 1994, blz. 251.</para>
    <para>&amp;gt; en Tulfer&amp;lt;(57) Pensioen &amp; Praktijk, december 1993, blz. 12 en 13.</para>
    <para>&amp;gt; die van mening zijn dat de</para>
    <para>belastingrechter zich dient te richten naar het oordeel van de</para>
    <para>Verzekeringskamer c.q. het CBB en "niet tot een zelfstandige uitleg</para>
    <para>van het begrip levensverzekering over (kan) gaan". Anders Brouwer&amp;lt;(58) FED 1993/525; Brouwer, a.w. blz. 155.</para>
    <para>&amp;gt; en</para>
    <para>Niessen&amp;lt;(59) Niessen, Brede herwaardering I en III, 2e dr. blz. 203; Levensverzekering</para>
    <para>en fiscus, 2e dr. 1997, blz. 20/21 en WFR 1993/6066, blz. 1187.</para>
    <para>&amp;gt;, die betogen dat de staatssecretaris hiermee terugkomt op</para>
    <para>het bij de 'Brede herwaardering' in de Nadere MvA aan de Eerste</para>
    <para>Kamer ingenomen standpunt, dat in beginsel ook levensverzekeringen</para>
    <para>met een spaarkarakter onder de nieuwe fiscale regeling zouden</para>
    <para>vallen. Zij achten de uitleg die de Verzekeringskamer in navolging</para>
    <para>van de Werkgroep aan art. 1 WTV 1986 geeft, als het gaat om de</para>
    <para>uitleg van art. 25 Wet IB 1964, niet bindend; in die zin ook Van</para>
    <para>Dijck&amp;lt;(60) Persoonlijke verplichtingen, 1994, blz. 102.</para>
    <para>&amp;gt;, Geppaart&amp;lt;(61) Ch.P.A. Geppaart, WFR 1994/6094, blz. 373.</para>
    <para>&amp;gt;, Van Arendonk&amp;lt;(62) MBB 1993, blz. 203.</para>
    <para>&amp;gt; en Asser-Clausing-Wansink (a.w.</para>
    <para>nr. 339, blz. 320,die de 'invulling' die de Verzekeringskamer aan</para>
    <para>het begrip levensverzekering geeft evenmin relevant achten 'voor het</para>
    <para>privaatrechtelijke begrip levens- verzekering'). Hofstra/Stevens</para>
    <para>onthoudt zich op dat punt van een mening, kennelijk omdat de vraag</para>
    <para>inmiddels aan Uw Raad was voorgelegd.&amp;lt;(63) Hofstra/Stevens, inkomstenbelasting, 5e dr. 1998, blz. 564. Zie ook WFR</para>
    <para>1993/6062, blz.1039 waar Stevens 'een zelfstandige fiscale interpretatie</para>
    <para>niet geheel uitsluit'.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>10.4. De WTV 1986 werd bij Wet van 9 maart 1994, Stb. 252 (met</para>
    <para>ingang van 1 juli 1994) vervangen door de Wet toezicht</para>
    <para>verzekeringsbedrijf 1993 (WTV 1993). De definitie van een</para>
    <para>overeenkomst van levensverzekering werd zonder wijziging</para>
    <para>overgenomen. Art. 4 WTV 1986 werd vervangen door het - voor zover</para>
    <para>thans van belang - gelijkluidende art. 18 WTV 1993. De regeling</para>
    <para>inzake het beroep (art. 87 WTV 1986) werd overgebracht naar art. 188</para>
    <para>WTV 1993.</para>
    <para>10.5. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet van 9 maart</para>
    <para>1994, Stb. 252, werd ook gesproken over de betekenis van de uitleg</para>
    <para>die de Verzekeringskamer aan het begrip overeenkomst van</para>
    <para>levensverzekering had gegeven. De leden van de PvdA-fractie</para>
    <para>betoogden in het Voorlopig verslag&amp;lt;(64) Kamerstukken II, 1992-1993, 23 199, nr. 5, blz. 9.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"dat de enkele verwijzing in de fiscale wetgeving naar</para>
    <para>begripsbepaling van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf nog niet</para>
    <para>met zich meebrengt dat een uitspraak van de Verzekeringskamer op</para>
    <para>grond van artikel 4 (respectievelijk artikel 18 wetsvoorstel)</para>
    <para>ook fiscaalrechtelijke consequenties heeft. (?)"</para>
    <para>10.6. In de MvA werd geantwoord&amp;lt;(65) Kamerstukken II, 1993-1994, 23 199, nr. 6, blz. 23.</para>
    <para>&amp;gt;:</para>
    <para>"Als gevolg van de verwijzing in artikel 25, tweede lid, en 45,</para>
    <para>vierde lid, van de (Wet IB 1964) wordt voor wat betreft het</para>
    <para>begrip levensverzekering verwezen naar de definitie van het</para>
    <para>begrip levensverzekering in de WTV. Op grond van artikel 4 van</para>
    <para>de huidige wet en artikel 18 van de WTV 1993 beslist de</para>
    <para>Verzekeringskamer over de vraag of een bepaalde handeling of</para>
    <para>samenstel van handelingen al dan niet het uitoefenen van het</para>
    <para>levensverzekeringsbedrijf betreft. (..) (G)ezien de verwijzingen</para>
    <para>in de (Wet IB 1964) naar de definitie van het begrip</para>
    <para>levensverzekering in de WTV, heeft de wetgever vastgelegd dat</para>
    <para>voor fiscale doeleinden van hetzelfde begrip levensverzekering</para>
    <para>dient te worden uitgegaan als geldt in de WTV. De</para>
    <para>Staatssecretaris van Financiën heeft inmiddels aangegeven de</para>
    <para>interpretatie van de Verzekeringskamer van dit begrip te zullen</para>
    <para>volgen. In die zin heeft derhalve een uitspraak van de</para>
    <para>Verzekeringskamer omtrent het begrip levensverzekering gevolgen</para>
    <para>in de fiscale uitvoeringspraktijk. Dit laat onverlet de</para>
    <para>mogelijkheid van een individuele belastingplichtige om, bij</para>
    <para>verschil van inzicht daaromtrent met de Belastingdienst, de</para>
    <para>vraag of een bepaalde overeenkomst te kwalificeren is als een</para>
    <para>levensverzekering, voor te leggen aan de fiscale rechter. (?)."</para>
    <para>10.7. In de Nota naar aanleiding van het eindverslag&amp;lt;(66) Kamerstukken II, 1993-1994, 23 199, nr. 10, blz. 10/1.</para>
    <para>&amp;gt; stelde de</para>
    <para>Minister van Financiën:</para>
    <para>"(?) Voor de toepassing van de WTV is de Verzekeringskamer</para>
    <para>bevoegd het begrip levensverzekering te interpreteren, in het</para>
    <para>kader van haar bevoegdheid te beslissen of een handeling of een</para>
    <para>samenstel van handelingen al dan niet de uitoefening van het</para>
    <para>verzekeringsbedrijf of een andersoortig bedrijf vormt. Deze</para>
    <para>bevoegdheid heeft de Verzekeringskamer concreet ingevuld door</para>
    <para>het opstellen van beleidscriteria. Gelet op de (?) bedoeling</para>
    <para>van de fiscale wetgever ligt het in de rede dat deze criteria</para>
    <para>ook maatgevend zijn voor de toepassing van de Wet (IB 1964).</para>
    <para>(?). Verder komt het de ondergetekende, in aanmerking nemende</para>
    <para>de eenheid van het recht en de voornoemde bedoeling van de</para>
    <para>fiscale wetgever, niet aannemelijk voor dat de fiscale rechter</para>
    <para>bij de uitleg van het begrip levensverzekering zelf zal</para>
    <para>afwijken van de interpretatie van de Verzekeringskamer. In dit</para>
    <para>verband zij nog opgemerkt dat de Verzekeringskamer niet</para>
    <para>rechtstreeks wordt gebonden door een uitspraak van de fiscale</para>
    <para>rechter en dat deze haar beslissingen niet op fiscale gronden</para>
    <para>neemt. (?)."</para>
    <para>10.8. Indien Uw Raad (zoals in het onderhavige geval) een oordeel</para>
    <para>dient te geven over hetgeen volgens art. 1 WTV 1986 of art. 1 WTV</para>
    <para>1993 onder het begrip 'levensverzekering' moet worden verstaan, zal</para>
    <para>Uw Raad de uitleg die door anderen, onder wie de Verzekeringskamer,</para>
    <para>aan die omschrijving wordt gegeven in aanmerking behoren te nemen.</para>
    <para>In dat verband zou aan de uitleg die de Verzekeringskamer aan die</para>
    <para>bepaling geeft, gelet op de kennis die dit college geacht kan worden</para>
    <para>te bezitten, enig extra gewicht kunnen worden toegekend, maar ook</para>
    <para>niet meer dan dat. Art. 4 WTV 1986 of art. 18 WTV 1993 dwingen niet</para>
    <para>tot de conclusie, dat de uitleg die dat college voorstaat, per</para>
    <para>definitie de juiste zou zijn.</para>
    <para>10.9. Daarbij komt dat ik in art. 4 WTV 1986 of art. 18 WTV 1993</para>
    <para>niet lees dat de Verzekeringskamer gemachtigd is aan die</para>
    <para>omschrijving die uitleg te geven die dat college op enig moment, op</para>
    <para>grond van welk motief dan ook, dienstig acht. Ook de</para>
    <para>Verzekeringskamer zal bij de uitleg van art. 1 WTV 1986 c.q. art. 1</para>
    <para>WTV 1993 derhalve dienen te blijven binnen het kader dat de algemeen</para>
    <para>aanvaarde interpretatiemethoden stellen. Voor zoveel in de hiervoor</para>
    <para>geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis van de Wet van</para>
    <para>9 maart 1994, Stb. 252, al iets anders zou kunnen worden opgemaakt,</para>
    <para>is dat voor de onderhavige zaak niet van belang omdat die Wet op 1</para>
    <para>juli 1994 in werking trad (en deze zaak het jaar 1993 betreft).</para>
    <para>10.10. Dat het college bij de uitleg van het begrip</para>
    <para>'levensverzekering' in de zin van art. 1 WTV 1993 [in navolging van</para>
    <para>de Werkgroep] uit wil gaan van de in HR 9 december 1959, BNB</para>
    <para>1960/21, aanvaarde definitie van Molengraaff acht ik, gelet op de</para>
    <para>historie van die bepaling en de rechtsontwikkeling, juist. Eveneens</para>
    <para>acht ik het, anders dan Brouwer, terecht dat het college aanneemt</para>
    <para>dat een overeenkomst van levensverzekering in de zin van de WTV 1993</para>
    <para>een onzekerheid in de zin van afhankelijkheid van leven of sterven</para>
    <para>dient in te houden.</para>
    <para>10.11. Tekst, toelichting en strekking van art. 1 WTV 1993 dwingen</para>
    <para>echter niet tot de uitwerking die het college [in navolging van de</para>
    <para>Werkgroep] aan dat onzekerheidsvereiste geeft.</para>
    <para>11. Het begrip levensverzekering, nader bezien</para>
    <para>11.1. Molengraaff verlangt dat een van beide prestaties - de</para>
    <para>uitkering of de premie - 'op levens- en sterftekansen zijn gegrond'.</para>
    <para>Het 'gegrond zijn op levens- en sterftekansen' dient volgens de</para>
    <para>omschrijving van Molengraaff in te houden, dat 'de uitkeering of de</para>
    <para>premiebetaling (?) in eenigerlei opzicht afhankelijk worden gesteld</para>
    <para>van het in leven zijn of den dood van een of meer bepaalde</para>
    <para>personen'. Daarmee gaf hij aan dat begrip 'gegrond zijn' een ruimere</para>
    <para>uitleg dan minister Heemskerk, die daaronder kennelijk verstond</para>
    <para>'berekend aan de hand van' en die, om ook het spaarkasbedrijf onder</para>
    <para>het toezicht van de WOL te brengen, in art. 1 WOL niet wilde spreken</para>
    <para>van 'op grond van levens- en sterftekansen' maar koos voor 'in</para>
    <para>verband met leven of dood' (zie hiervoor, par. 2.3). De spaarkas</para>
    <para>wordt verdeeld onder de deelnemers aan de spaarkas, die op het</para>
    <para>afgesproken tijdstip nog in leven zijn. De uitkering is weliswaar</para>
    <para>niet berekend aan de hand van levens- of sterftekansen, maar is wel</para>
    <para>volstrekt afhankelijk van leven en sterven. De in art. 1 WOL</para>
    <para>gebruikte omschrijving 'in verband met' betekent daarom niet, dat</para>
    <para>men ook allerlei contracten, waarbij de afhankelijkheid van het</para>
    <para>leven of sterven slechts secundair is, onder de WOL definitie wilde</para>
    <para>brengen.</para>
    <para>11.2. HR 14 april 1926, B. 3798, rekende niet tot de overeenkomsten</para>
    <para>van levensverzekering - ik citeer de kop - 'eenen overeenkomst,</para>
    <para>waarbij iemand tegenover afstand van zekere rechten, heeft bedongen</para>
    <para>een bepaalde som, te betalen bij zijn overlijden' omdat die</para>
    <para>overeenkomst niet gegrond was op levens- of sterftekansen. De omvang</para>
    <para>van de som werd in dat geval kennelijk door andere factoren bepaald;</para>
    <para>het tijdstip van overlijden gaf kennelijk slechts het ogenblik aan</para>
    <para>waarop die uitkering werd verschuldigd. Een dergelijke overeenkomst</para>
    <para>voldoet noch aan de omschrijving van Molengraaff, noch aan de</para>
    <para>definitie van de WOL.</para>
    <para>11.3. Er zijn overeenkomsten waarbij de omvang van het uit te keren</para>
    <para>bedrag afhankelijk is van resultaat dat de verzekeraar heeft behaald</para>
    <para>bij de belegging van de ingelegde koopsom of de ingelegde premies.</para>
    <para>De verzekeringnemer heeft dan bij in leven zijn op een bepaalde</para>
    <para>datum recht op uitkering van het beleggingsresultaat per die datum.</para>
    <para>Bij overlijden voor die datum heeft een begunstigde recht op het tot</para>
    <para>op de datum van overlijden van de verzekerde behaalde</para>
    <para>beleggingsresultaat. Het in leven zijn c.q. het overlijden van de</para>
    <para>verzekerde bepaalt in die gevallen weliswaar ook het moment waarop</para>
    <para>de verzekeraar tot uitkering moet overgaan, maar het bedrag dat moet</para>
    <para>worden uitgekeerd wordt bepaald door andere factoren. Het moment van</para>
    <para>overlijden fungeert slechts als moment van betaling van het</para>
    <para>resultaat dat tot op dat tijdstip is behaald. Dergelijke contracten</para>
    <para>leveren derhalve, evenmin als dat in het geval van B. 3798 het geval</para>
    <para>was, een overeenkomst van levensverzekering op. Dat geldt ook voor</para>
    <para>gevallen waarin de omvang van de uitkering weliswaar onzeker is,</para>
    <para>maar die onzekerheid een gevolg is van het feit dat de (omvang van)</para>
    <para>de uitkering afhankelijk is van de marktrente of van het</para>
    <para>koersverloop van de door de verzekeraar gekozen beleggingen.&amp;lt;(67) Vgl. ook P. Zijdenbos, WFR 1992/6018, blz. 1005 e.v.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>11.4. Verder zijn er tal van overeenkomsten die weliswaar recht</para>
    <para>geven op prestaties die eindigen bij het overlijden, maar die geen</para>
    <para>levensverzekering inhouden. Als voorbeeld noem ik een overeenkomst</para>
    <para>die recht geeft op een persoonlijk recht tot gebruik of bewoning&amp;lt;(68) NB Asser-Clausing-Wansink, a.w. nr. 345 leiden uit het feit dat de</para>
    <para>levensverzekering wordt aangeduid als een sommenverzekering af, dat de</para>
    <para>uitkering in geld moet luiden . Zie echter art. 7.17.1.1a lid 1 NBW .</para>
    <para>&amp;gt; en</para>
    <para>een aan het leven gekoppeld winstrecht. Dergelijke uitkeringen zijn</para>
    <para>weliswaar afhankelijk van het leven, maar het karakter van de</para>
    <para>uitkeringen wordt zozeer door andere factoren bepaald, dat ik</para>
    <para>dergelijke overeenkomsten noch volgens de omschrijving van</para>
    <para>Molengraaff noch volgens de omschrijving van de WOL tot de</para>
    <para>overeenkomsten van levensverzekering zou willen rekenen.</para>
    <para>11.5. Er zijn gevallen waarin de premie c.q. de koopsom of de</para>
    <para>uitkering weliswaar is berekend aan de hand van de levens- en</para>
    <para>sterftetafels, maar waarin de onzekerheid die voortvloeit uit het in</para>
    <para>leven zijn of overlijden op het resultaat van de overeenkomst</para>
    <para>slechts een geringe invloed heeft. Zo kan men de onzekerheid</para>
    <para>aanzienlijk terugbrengen door premiebetaling of uitkering</para>
    <para>afhankelijk te stellen van het in leven zijn of sterven van meerdere</para>
    <para>personen.&amp;lt;(69) Zie o.a. de uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage, 20 oktober</para>
    <para>1961, V-N 1962, blz. 653 pt. 8, ook vermeld bij R.E.C.M. Niessen,</para>
    <para>Levensverzekering en fiscus, blz. 32/3.</para>
    <para>&amp;gt; De overeenkomst verschilt dan qua resultaat weinig van een</para>
    <para>overeenkomst waarbij tegen storting van een koopsom, een uitkering</para>
    <para>op een vaste datum wordt bedongen. Ook andere afspraken [een lage</para>
    <para>rekenrente, een uitkering bij in leven zijn op een vaste datum,</para>
    <para>aangevuld met een uitkering bij overlijden voor die datum of</para>
    <para>premierestitutie (vermeerderd met rente) bij vooroverlijden] kunnen</para>
    <para>dat effect tot gevolg hebben.&amp;lt;(70) Ik reken hiertoe ook de door Brouwer, a.w. blz. 134 e.v. vermelde gevallen</para>
    <para>met een laag rendement uit de verzekeringspraktijk omstreeks 1900.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>11.6. Het kanselement is echter een wezenlijk element van elke</para>
    <para>verzekeringsovereenkomst.&amp;lt;(71) Asser-Clausing-Wansink, a.w. nr. 352, blz. 330 en Brouwer, a.w., blz. 63</para>
    <para>e.v., 88, 90, 195/6 en 205 e.v. De omschrijving van de Wol en de WTV</para>
    <para>1986/1993 is volgens Brouwer echter ruimer, zie par. 9.3 en 10.3.</para>
    <para>&amp;gt; Over de vraag welke kans nog van</para>
    <para>wezenlijke betekenis is, kan men van mening verschillen. Asser-</para>
    <para>Clausing-Wansink&amp;lt;(72) A.w. nr. 353, blz. 332.</para>
    <para>&amp;gt; nemen, gelet op de jurisprudentie van Uw Raad ten</para>
    <para>aanzien van lijfrenten (HR 30 oktober 1991, BNB 1992/5), genoegen</para>
    <para>met een kans van ongeveer een percent. Aangezien dit minimum het</para>
    <para>wezen van de overeenkomst van levensverzekering kenmerkt, geldt dit</para>
    <para>minimum ook voor de toepassing van de WTV 1986, de WTV 1993 en geldt</para>
    <para>het ook op fiscaal terrein. De in par. 8 weergegeven parlementaire</para>
    <para>geschiedenis van het bij Wet van 12 december 1991, Stb. 697,</para>
    <para>gewijzigde art. 25 Wet IB 1964 geeft geen aanleiding om te</para>
    <para>veronderstellen dat de wetgever bij de wijziging van die bepaling</para>
    <para>aan die minimumeis heeft willen tornen.</para>
    <para>11.7. Uit die wetsgeschiedenis blijkt eveneens, dat men het in de</para>
    <para>fiscale jurisprudentie ontwikkelde 'kans-op-nadeel-vereiste' wilde</para>
    <para>laten vallen. De wetgever was kennelijk van mening, dat het</para>
    <para>voorgestelde nieuwe regime voor uitkeringen ingevolge een</para>
    <para>overeenkomst van levensverzekering voldoende bescherming tegen</para>
    <para>'misbruik' bood. De aan het slot van par. 8.8 geciteerde passage uit</para>
    <para>de Nadere memorie van antwoord aan de Eerste Kamer bevat op dit punt</para>
    <para>een duidelijk standpunt. Met name gelet op die passage, valt niet</para>
    <para>aan te nemen dat de toenmalige wetgever op dit punt wat de inhoud</para>
    <para>van het begrip levensverzekering betreft, nadere eisen wilde</para>
    <para>stellen. Met name valt niet aan te nemen, dat men al op voorhand</para>
    <para>akkoord ging met de 'invulling' die de Verzekeringskamer in 1993 aan</para>
    <para>dat begrip heeft gegeven. Een dergelijke strenge interpretatie van</para>
    <para>het begrip 'levensverzekering' is op zichzelf genomen verdedigbaar -</para>
    <para>zoals ook de invulling die de Hoge Raad in de jaren '50 en '60 met</para>
    <para>het kans-op-nadeel-vereiste aan het kansaspect c.q. aan de</para>
    <para>afhankelijkheid van het leven of sterven gaf op zichzelf genomen</para>
    <para>verdedigbaar was - maar dat neemt niet weg dat het hier gaat om een</para>
    <para>uitwerking van het beginsel: de afhankelijkheid van leven of</para>
    <para>sterven. Aangezien uit de parlementaire geschiedenis van de Wet van</para>
    <para>12 december 1991, Stb. 697, nu juist duidelijk blijkt dat men van</para>
    <para>een strenge uitleg van dat begrip niet gediend was, is er geen reden</para>
    <para>om aan te nemen dat de (toenmalige) wetgever die uitleg wenste.</para>
    <para>11.8. Er is nog een ander aspect dat aandacht verdient. Is tegen</para>
    <para>betaling van een koopsom een uitkering overeengekomen, voor de</para>
    <para>verzekeringnemer bij in leven zijn op een afgesproken datum en een</para>
    <para>zelfde uitkering voor de begunstigden als de verzekerde op die datum</para>
    <para>is overleden, dan zijn beide rechten, apart bezien, afhankelijk van</para>
    <para>het leven of sterven van een persoon. Gaat men uit van het contract</para>
    <para>als geheel, dan zal men de verplichtingen van de verzekeraar samen</para>
    <para>moeten nemen. Nu zowel de omschrijving van Molengraaff als de</para>
    <para>omschrijving van de WOL uit gaat van de overeenkomst (van</para>
    <para>levensverzekering) als zodanig, lijkt mij slechts die laatste</para>
    <para>benadering juist. Daarbij komt, dat een splitsing - waarbij elke</para>
    <para>uitkering afzonderlijk wordt getoetst - geen recht doet aan de</para>
    <para>omstandigheid, dat partijen nu juist uitgingen van een evenwicht</para>
    <para>tussen de gehele koopsom enerzijds en beide prestaties van de</para>
    <para>verzekeraar anderzijds. Men kan aan de hand van de</para>
    <para>verzekeringstarieven wel een veronderstelling maken van de af te</para>
    <para>dragen premie of koopsom voor beide uitkeringen afzonderlijk, maar</para>
    <para>als partijen een dergelijke splitsing niet hebben aangebracht,</para>
    <para>betreft dit slechts een veronderstelling, waarbij men splitst wat</para>
    <para>partijen nu juist als één geheel zagen. In de jurisprudentie pleegt</para>
    <para>men dergelijke uitkeringen dan ook samen te nemen.&amp;lt;(73) Vgl. o.a. HR 10 april 1957, BNB 1957/175 en HR 22 mei 1957, BNB 1957/224,</para>
    <para>m.nt. Hollander. In dezelfde zin HR 23 februari 1927, B. 4014. Met Brouwer,</para>
    <para>a.w. 78/9 zie ik HR 14 december 1932, B. 5343, niet als een afwijking van</para>
    <para>die benadering. Anders: Niessen, Levensverzekering en fiscus,  blz. 43/4.</para>
    <para>&amp;gt; Ook in de in par.</para>
    <para>8.4 geciteerde toelichting bij de Tweede nota van wijziging inzake</para>
    <para>de Wet van 12 december 1991, Stb. 697 (de Brede herwaardering), werd</para>
    <para>uitgegaan van een dergelijke gezamenlijke beoordeling van de</para>
    <para>uitkeringen.</para>
    <para>12. De uitspraak van het Hof</para>
    <para>12.1. Het Hof heeft vooropgesteld (o. 2.3 en 2.4):</para>
    <para>(2.3.) "De onderhavige overeenkomst is in wezen niets anders</para>
    <para>dan een overeenkomst waarbij belanghebbende zich heeft</para>
    <para>verbonden om aan zijn contractspartij gedurende een zekere</para>
    <para>periode periodiek betalingen te doen, waartegenover de laatste</para>
    <para>zich verplicht die betalingen te beleggen en het resultaat van</para>
    <para>die beleggingen uiterlijk op het overeengekomen tijdstip, dan</para>
    <para>wel eerder, (?) [onder andere] bij belanghebbendes</para>
    <para>vooroverlijden, aan belanghebbende dan wel aan de door hem</para>
    <para>aangewezen begunstigden uit te betalen (?)."</para>
    <para>(2.4.) "Een zodanige overeenkomst ontbeert echter ieder aspect</para>
    <para>dat die overeenkomst zou kunnen maken tot wat naar algemeen</para>
    <para>heersende rechtsopvatting een overeenkomst van</para>
    <para>(levens)verzekering is. (?)".</para>
    <para>12.2. vervolgens heeft het Hof in een aantal 'ten overvloede'</para>
    <para>gegeven overwegingen (o. 2.6 t/m 2.8) betoogd dat de overeenkomst,</para>
    <para>gelet op de door de Verzekeringskamer ten aanzien van art. 1 WTV</para>
    <para>opgestelde beleidsregels, niet kan gelden als een overeenkomst van</para>
    <para>levensverzekering in de zin van art. 1 WTV. Die beleidsregels gelden</para>
    <para>volgens het Hof in beginsel ook op fiscaal terrein. In het</para>
    <para>onderhavige geval is er volgens het Hof geen reden van die regels af</para>
    <para>te wijken.</para>
    <para>13. Het beroep in cassatie</para>
    <para>13.1. Het beroepschrift in cassatie (ik beschouw de aanvulling van</para>
    <para>het beroepschrift als een onderdeel van dat beroepschrift) bevat,</para>
    <para>(ik neem hetgeen wordt gesteld onder het hoofd 'cassatiemiddel' en</para>
    <para>onder het hoofd 'toelichting' samen) één middel, dat twee klachten</para>
    <para>bevat.</para>
    <para>13.2. De eerste klacht betreft de in par. 12.1 geciteerde</para>
    <para>overwegingen 2.3 en 2.4 van het Hof. In die klacht wordt betoogd dat</para>
    <para>het Hof gelet op o. 2.3 en 2.4 aan een overeenkomst van</para>
    <para>levensverzekering twee eisen stelt, namelijk - kort gezegd - 1. een</para>
    <para>(aanspraak op) uitkering welke afhangt van leven of dood en 2. een</para>
    <para>risico-overdracht. De belanghebbende maakt uit de overwegingen van</para>
    <para>het Hof op, dat het Hof - ten onrechte - van mening is dat in dit</para>
    <para>geval niet wordt voldaan aan die tweede voorwaarde.&amp;lt;(74) De belanghebbende verwijst daarbij naar een besluit van 10 augustus 1995,</para>
    <para>nr. DB 95/3186M. Dit besluit is gepubliceerd in V-N 1995, blz. 2883, pt.</para>
    <para>15.</para>
    <para>&amp;gt;</para>
    <para>13.3. Uit de bestreden overwegingen leid ik veeleer af dat het Hof</para>
    <para>nu juist de door de belanghebbende geformuleerde eerste voorwaarde</para>
    <para>niet vervuld achtte. Dat oordeel is feitelijk, niet onbegrijpelijk</para>
    <para>en geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.</para>
    <para>13.4. De tweede klacht betreft de o. 2.6 e.v. van het Hof aangaande</para>
    <para>- kort gezegd: - de doorwerking van de beleidsregels van de</para>
    <para>Verzekeringskamer op fiscaal gebied.</para>
    <para>13.5. In de par. 10.8, 10.9 en 11.7 gaf ik weliswaar mijn mening</para>
    <para>over die kwestie, maar het gaat in dit geval om overwegingen die de</para>
    <para>beslissing niet dragen. Derhalve faalt dit onderdeel van het middel</para>
    <para>en behoeft Uw Raad geen inhoudelijk oordeel te geven.</para>
    <para>14. Overwegingen ambtshalve</para>
    <para>14.1. Deze zaak is kennelijk opgezet als een proefprocedure, bestemd</para>
    <para>om een oordeel van Uw Raad te krijgen over de (fiscale)</para>
    <para>toelaatbaarheid van de zgn. 'Brede-Herwaarderings-producten' (zie</para>
    <para>par. 9.2). Om een belang te scheppen waarover kon worden</para>
    <para>geprocedeerd - een ander doel kan ik mij niet voorstellen - heeft de</para>
    <para>gemachtigde van de belanghebbende in 1993 zelf ook een bedrag op de</para>
    <para>bewuste Rogirorekening gestort (op de op naam van de gemachtigde</para>
    <para>staande Rogirorekening, waarop de belanghebbende zijn 'premies'</para>
    <para>diende te storen en waarvan het saldo uiteindelijk de omvang van de</para>
    <para>uitkering zou bepalen). Dat bedrag werd kennelijk door de bank als</para>
    <para>rente vergoed en dat bedrag wordt door de belanghebbende</para>
    <para>gepresenteerd als een door de belanghebbende in 1993 genoten</para>
    <para>'vrucht'. Vervolgens wordt uitsluitend getwist over de vraag, of die</para>
    <para>'vrucht' bij de belanghebbende onder het algemene regime voor</para>
    <para>inkomsten uit vermogen valt, of dat daarop de bijzondere regels voor</para>
    <para>levensverzekeringsrente van toepassing zijn.</para>
    <para>14.2. Op die wijze wordt het punt waar het in dit geval om draait,</para>
    <para>buiten beeld gehouden, namelijk de vraag of dat bijgeschreven bedrag</para>
    <para>überhaupt tot de door de belanghebbende in 1993 genoten (vermogens)-</para>
    <para>inkomsten zou kunnen worden gerekend.</para>
    <para>14.3. In de ogen van de (gemachtigde van de) belanghebbende volgt</para>
    <para>dat kennelijk uit het contract, in combinatie met het feit dat de</para>
    <para>bank over dat bedrag rente gaat vergoeden. Uit de vaststaande feiten</para>
    <para>kan ik echter niet anders opmaken, dan dat de bewuste Rogirorekening</para>
    <para>op naam van de gemachtigde stond en ook bleef staan. Nu had de</para>
    <para>gemachtigde zich weliswaar verplicht om een bedrag ter grootte van</para>
    <para>het saldo van die rekening op enig moment uit te betalen aan de</para>
    <para>belanghebbende of aan de door hem aangewezen personen, maar het op</para>
    <para>die rekening gestorte bedrag was en bleef eigendom van de</para>
    <para>gemachtigde. Ik zie niet in hoe men daarin een bedrag kan zien dat -</para>
    <para>al in 1993 - toekwam aan de belanghebbende.</para>
    <para>14.4. Een en ander betekent dat de uitspraak van het Hof en de</para>
    <para>uitspraak van de Inspecteur, ook al is het middel niet gegrond,</para>
    <para>moeten worden vernietigd en dat Uw Raad de opgelegde aanslag zal</para>
    <para>moeten verminderen.</para>
    <para>15. Conclusie</para>
    <para>Het middel ongegrond bevindend, maar ambtshalve bevindend dat de</para>
    <para>uitspraak van het Hof en van de Inspecteur onjuist zijn en dat de</para>
    <para>aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld, concludeer ik tot</para>
    <para>vernietiging van de uitspraak van het Hof en die van de Inspecteur</para>
    <para>en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar</para>
    <para>inkomen van</para>
    <para>ƒ (50.025,- - 200,- = ) 49.825,-.</para>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>Bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    <para>(a-g)</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>