<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA2813</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T08:10:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA2813</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-06-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">33495</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA2813" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2813</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Ondernemingsrecht 1999, 65 met annotatie van H.G.M. Dijstelbloem</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 1999/333 met annotatie van J.A.G. van der Geld</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/422</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/515</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1999/920</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1999/32.14</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2813">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2813</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:46:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2813 Parket bij de Hoge Raad , 30-06-1999 / 33495</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2813:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2813:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 33.495                   Mr Van Soest</para>
      <para>Derde Kamer A                Conclusie inzake:</para>
      <para>Vennootschapsbelasting 1987  de staatssecretaris van Financiën</para>
      <para>Parket, 11 januari 1999      tegen</para>
      <para>X N.V.</para>
      <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
      <para>1. Korte beschrijving van de zaak wat de processuele aspecten</para>
      <para>van het beroep in cassatie betreft.</para>
      <para>1.1. Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke</para>
      <para>uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam (hierna te noemen</para>
      <para>het Hof) van 21 mei 1997, nr. P95/3338. Het is ingesteld door</para>
      <para>de staatssecretaris van Financiën (hierna te noemen de Staats</para>
      <para>secretaris). Van het beroep in cassatie is melding gemaakt in</para>
      <para>Vakstudie Nieuws 1997, blz. 4071, punt 1.10.</para>
      <para>1.2. Afschrift van de uitspraak is op 23 mei 1997 aangetekend</para>
      <para>aan de partijen verzonden.</para>
      <para>1.3. Derhalve verstreek de cassatietermijn met vrijdag 4 juli</para>
      <para>1997.</para>
      <para>1.4. Op die dag is om 16.15 uur per fax een aan Uw Raad,</para>
      <para>Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage, geadresseerd, uit één</para>
      <para>bladzijde bestaand, ongemotiveerd beroepschrift in cassatie</para>
      <para>d. d. 4 juli 1997, kenmerk van de Staatssecretaris DB 97/</para>
      <para>2522, afgezonden. Op het faxbericht is de ondertekening zicht</para>
      <para>baar.</para>
      <para>1.4.1. Volgens de gefaxte kopregel draagt deze bladzijde het</para>
      <para>nummer 002.</para>
      <para>1.4.2. Klaarblijkelijk is er een schutblad met het nummer 001</para>
      <para>geweest, maar dit blad bevindt zich niet bij de stukken.</para>
      <para>1.4.3. Desbetreffende telefonische navraag mijnerzijds bij de grif</para>
      <para>fie van het Hof heeft niets opgeleverd.</para>
      <para>1.5. Ik meen te mogen aannemen dat het ongemotiveerde beroep</para>
      <para>schrift in cassatie op 4 juli 1997 aan het Hof, en niet aan Uw</para>
      <para>Raad, gefaxt is.</para>
      <para>1.6. Nadat de griffier van het Hof het ongemotiveerde beroep</para>
      <para>&amp;lt;- ? -</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>schrift in cassatie, met de stukken van het geding, aan de</para>
      <para>griffier van Uw Raad (hierna te noemen de Griffier) had gezon</para>
      <para>den, heeft deze op 11 september 1997 aan de Staatssecretaris</para>
      <para>geschreven:</para>
      <para>"(...) Naar aanleiding van het door U ingediende beroep</para>
      <para>schrift in cassatie bericht ik U hierbij dat daarin niet</para>
      <para>aan de door de wet gestelde vereisten is voldaan. U bent</para>
      <para>in gebreke gebleven met betrekking tot het hieronder</para>
      <para>aangekruiste punt. U wordt hierbij in de gelegenheid</para>
      <para>gesteld binnen 6 weken na de dagtekening van deze brief</para>
      <para>het verzuim te herstellen (...)</para>
      <para>( ) de ondertekening onder het beroepschrift in cassatie</para>
      <para>ontbreekt. U ontvangt het beroepschrift hierbij ter</para>
      <para>ondertekening terug</para>
      <para>( ) (...)</para>
      <para>( ) (...)</para>
      <para>( ) (...)</para>
      <para>(x) de bezwaren die U tegen de uitspraak van het Hof hebt</para>
      <para>(...) ontbreken (...)"</para>
      <para>1.7. De belanghebbende, X N.V., had eveneens beroep in cassatie</para>
      <para>ingesteld. Dit beroep is evenwel bij brief van 3 oktober 1997,</para>
      <para>bij Uw Raad ingekomen op 6 oktober 1997, ingetrokken.</para>
      <para>1.8. Op 14 oktober 1997, dat is tijdig na de brief van de</para>
      <para>Griffier, is bij Uw Raad ingekomen een brief van de Staatsse</para>
      <para>cretaris, houdende een gemotiveerde bestrijding van 's Hofs</para>
      <para>uitspraak en een ondertekening.</para>
      <para>1.9. De belanghebbende heeft bij vertoogschrift in cassatie</para>
      <para>het beroep in cassatie van de Staatssecretaris bestreden.</para>
      <para>2. De ontvankelijkheid van het beroep in cassatie.</para>
      <para>2.1. P. Meyjes, Fiscaal procesrecht, 4e druk door J. van Soest,</para>
      <para>J. W. van den Berge en J. H. van Gelderen, 1997, nr. 4.14,</para>
      <para>noot 138, blz. 237, betoogt:</para>
      <para>"Indiening per telefax lijkt ons mogelijk (vergelijk</para>
      <para>20 december 1989, BNB 1990/57 (...)). Uit het genoemde</para>
      <para>arrest zou men kunnen afleiden dat in dat geval de (...)</para>
      <para>aanvullingsregeling nog toegepast moet worden ter ver</para>
      <para>krijging van een echte ondertekening. Maar voor de bur</para>
      <para>gerlijke verzoekschriftprocedure aanvaardt HR 27 november</para>
      <para>1992, NJ 1993, 569, voor een per telefax ingesteld hoger</para>
      <para>beroep de gefaxte ondertekening als voldoende."</para>
      <para>2.2. Ik zou voor deze problematiek de beschikking van 1992 willen</para>
      <para>volgen en derhalve met het oog op de ontvankelijkheid van het</para>
      <para>beroep in cassatie de gefaxte ondertekening als voldoende</para>
      <para>willen aanmerken.</para>
      <para>2.3. Voor geval Uw Raad aan het ondertekeningsvereiste een</para>
      <para>strengere toepassing zou willen geven, zou ik niettemin het</para>
      <para>beroep in cassatie ontvankelijk achten, op grond dat de aan</para>
      <para>&amp;lt;- ? -</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>vulling van het beroepschrift in cassatie naar behoren onder</para>
      <para>tekend is.</para>
      <para>2.4. Voor geval Uw Raad aan het ondertekeningsvereiste in</para>
      <para>beginsel een nog strengere toepassing zou willen geven, zou in</para>
      <para>het onderhavige geval niettemin niet-ontvankelijkverklaring</para>
      <para>achterwege dienen te blijven, aangezien de Griffier de in art.</para>
      <para>6:6 Algemene wet bestuursrecht neergelegde aanvullingsregeling</para>
      <para>slechts op de gronden van het beroep in cassatie heeft ge</para>
      <para>richt, en niet op de ondertekening.</para>
      <para>3. Korte beschrijving van de zaak wat het geschil betreft.</para>
      <para>3.1. De belanghebbende heeft op 15 januari 1987 a pari een</para>
      <para>obligatielening uitgegeven, groot nominaal ƒ 150.000.000,-,</para>
      <para>verdeeld in 75.000 obligaties aan toonder van nominaal</para>
      <para>ƒ 2.000,- elk.</para>
      <para>3.2. Deze obligaties worden LIONS (Leveraged Income</para>
      <para>Obligations via New Shares) genoemd. Zij geven per obligatie</para>
      <para>recht op een uitkering van ƒ 10,- per jaar op 15 januari 1988</para>
      <para>tot en met 1996 en op een uitkering van twee maal ƒ 10,- op 15</para>
      <para>januari 1997, een en ander onder de verplichting voor de</para>
      <para>obligatiehouders om die bedragen meteen aan te wenden voor de</para>
      <para>volstorting a pari van nieuw uit te geven certificaten van</para>
      <para>aandelen, waarbij de betalingsverplichting van de belangheb</para>
      <para>bende en de stortingsverplichting van de obligatiehouders met</para>
      <para>elkaar verrekend worden.</para>
      <para>3.3. De obligatielening wordt op 15 januari 1997 a pari afge</para>
      <para>lost.</para>
      <para>3.4. In geschil is, welke gevolgen aan een en ander verbonden</para>
      <para>zijn voor de heffing van vennootschapsbelasting 1987 ten laste</para>
      <para>van de belanghebbende.</para>
      <para>3.5. Het Hof heeft het geschil in overeenstemming met het</para>
      <para>subsidiaire standpunt van de belanghebbende&amp;lt;(1)Ter voorkoming van misverstand vestig ik er de aandacht</para>
      <para>op dat het subsidiaire standpunt van de belanghebbende</para>
      <para>voor 1987 gunstiger voor haar uitkomt dan haar primaire</para>
      <para>standpunt. Voor volgende jaren is dat anders.&amp;gt; beslecht.</para>
      <para>4. De ontwikkeling van de rechtsstrijd.</para>
      <para>4.1. Het beroepschrift hield in (onder D; ik geef tussen haakjes</para>
      <para>nadere vindplaatsen aan):</para>
      <para>"(blz. 3) (...) 1.1. Primaire standpunt (...) 1.1.1.</para>
      <para>(...) (blz. 4) (...) De rentelasten ontstaan (...) niet</para>
      <para>bij of als gevolg van de rentebetaling - in geld of in</para>
      <para>aandelen - maar in de daaraan voorafgaande fase uit de</para>
      <para>oprenting van de verplichtingen tot betaling van rente en</para>
      <para>terugbetaling van de hoofdsom. De overweging van de Hoge</para>
      <para>Raad in BNB 1956/244 "dat de uitgifte van aandelen....de</para>
      <para>verlies- en winstrekening niet raakt" biedt derhalve geen</para>
      <para>aanknopingspunt om de rente-aftrek i.c. af te wijzen. Met</para>
      <para>de uitgifte van de aandelen voldoet [de belanghebbende]</para>
      <para>aan haar verplichting uit hoofde van de geldlening. (...)</para>
      <para>1.1.3. Belanghebbende meent dat het bedrag van de aftrek</para>
      <para>bare rente gelijk is aan de beurswaarde van de aandelen</para>
      <para>[in de belanghebbende] per de couponvervaldatum, welke</para>
      <para>aandelen zij ingevolge de leningovereenkomst aan de</para>
      <para>obligatiehouders dient uit te reiken. (...) (blz. 5)</para>
      <para>(...) 1.1.4. Niet in geschil is (...) dat de beurswaarde</para>
      <para>van het als opbrengst van de LIONS-obligatie ontvangen</para>
      <para>aandeel [in de belanghebbende] tot de winst/het inkomen</para>
      <para>van de obligatiehouder behoort. Mitsdien vereist een</para>
      <para>"redelijke wetstoepassing, welke recht doet aan de samen</para>
      <para>hang tussen de vennootschapsbelasting en de inkomstenbe</para>
      <para>lasting" dat hetzelfde bedrag ten laste van belanghebben</para>
      <para>des winst komt. (...) (blz. 6) 1.1.6. (...) artikel 9,</para>
      <para>eerste lid, onderdeel i van de Wet op de vennootschapsbe</para>
      <para>lasting 1969 (...) Nu, in de visie van de wetgever en</para>
      <para>conform de heersende mening op dit punt, BNB 1956/244</para>
      <para>niet meer geldt voor de loonsfeer (...), is, meent be</para>
      <para>langhebbende, niet staande te houden dat ten titel van</para>
      <para>rente uitgegeven aandelen op grond van BNB 1956/244 geen</para>
      <para>aftrekbare rentelast vormen tot het bedrag waarvoor zij</para>
      <para>bij de ontvanger tot het inkomen worden gerekend. (...)</para>
      <para>1.2. Subsidiaire standpunt (...) 1.2.1. Subsidiair is</para>
      <para>belanghebbende van mening dat jaarlijks een rentelast kan</para>
      <para>worden verantwoord gelijk aan de overeengekomen rente.</para>
      <para>Aangezien de marktrente (...) omstreeks de emissiedatum</para>
      <para>7% beloopt, moet het ervoor gehouden worden dat [de</para>
      <para>belanghebbende] met de geldgevers een jaarlijkse rentever</para>
      <para>goeding van 7% is overeengekomen. (...) De rentelast</para>
      <para>ontstaat vervolgens van dag tot dag als resultante van de</para>
      <para>hoofdsom en de overeengekomen rentevoet. (...) Thans</para>
      <para>wordt als - te boeken - agio verantwoord het verschil</para>
      <para>tussen de berekende rente en de nominale waarde van de</para>
      <para>uit te geven aandelen. De door [de belanghebbende] te</para>
      <para>verantwoorden rentelast bedraagt nu ƒ 10.062.500 (...)</para>
      <para>(blz. 7) (...) 1.3. Meer subsidiaire standpunt (...)</para>
      <para>1.3.1. Meer subsidiair is belanghebbende van mening dat de</para>
      <para>aangroei van de contante waarde van de hoofdsom van de</para>
      <para>LIONS-lening per de emissiedatum tot de nominale waarde</para>
      <para>per de aflossingsdatum ten laste komt van belanghebbendes</para>
      <para>winst, indien en naarmate deze aangroei zich voordoet.</para>
      <para>Dit standpunt wordt ook door de inspecteur ingenomen, zij</para>
      <para>het dat hij daaraan de voorwaarde verbindt dat de nomina</para>
      <para>le waarde van de rente-aftrek in de jaren 1987 en volgen</para>
      <para>de in het jaar 1987 door belanghebbende als winst moet</para>
      <para>worden verantwoord. (...)"</para>
      <para>4.2. Het vertoogschrift van de inspecteur van de Belasting</para>
      <para>dienst/Grote ondernemingen P (hierna te noemen de Inspecteur)</para>
      <para>hield in:</para>
      <para>"(blad 3) (...) Standpunt inspecteur 1. Ter zake van</para>
      <para>LIONS-lening komt geen rentebedrag ten laste van de</para>
      <para>winst. 1.1. Primair: het verschil tussen de nominale- en</para>
      <para>de contante waarde van de LIONS-lening vormt belaste</para>
      <para>winst in het jaar 1987. De oprenting van de contante</para>
      <para>waarde in 1987 komt dan ten laste van de winst. 1.2. Meer</para>
      <para>subsidiair&amp;lt;(2)Ter voorkoming van misverstand vestig ik er de aandacht</para>
      <para>op dat de Inspecteur zijn meer subsidiaire standpunt</para>
      <para>ontvouwt alvorens aan zijn subsidiaire standpunt toe te</para>
      <para>komen.&amp;gt;: de door belanghebbende in aftrek gebrachte</para>
      <para>beurswaarde van de als vergoeding voor de LIONS-obliga</para>
      <para>ties uitgegeven (certificaten van) aandelen is niet</para>
      <para>aftrekbaar. 2. Ter zake van de LIONS-lening komt slechts</para>
      <para>het nominale bedrag van de als vergoeding voor de LIONS-</para>
      <para>obligaties uitgegeven (certificaten van) aandelen in</para>
      <para>aftrek. 2.1. Subsidiair: het verschil tussen de nominale-</para>
      <para>en de contante waarde van de LIONS-lening, in dit geval</para>
      <para>met in acht neming van de middels verrekening met de</para>
      <para>(nominale) stortingsplicht van de obligatiehouders ver</para>
      <para>richte (rente)uitkering, vormt belaste winst in het jaar</para>
      <para>1987. De oprenting van de contante waarde in 1987 komt</para>
      <para>dan ten laste van de winst. 2.2. Nog meer subsidiair:</para>
      <para>slechts de nominale waarde van de als vergoeding voor de</para>
      <para>LIONS-obligaties uitgegeven (certificaten van) aandelen</para>
      <para>voor zover die kan worden toegerekend aan 1987 is aftrek</para>
      <para>baar. (...) (blad 5) Beschouwing 1. Ter zake van de</para>
      <para>LIONS-lening komt geen rentebedrag ten laste van de</para>
      <para>winst. (...) de (...) wijze van uitkering heeft (...)</para>
      <para>geen reële, praktische betekenis waarmee voor de toepas</para>
      <para>sing van het fiscale recht moet worden rekening gehouden.</para>
      <para>(...) (blad 7) Primair standpunt. De LIONS-lening vormt</para>
      <para>een rentedragende schuld in dier voege dat de vergoeding</para>
      <para>voor het ter beschikking stellen van vreemd vermogen</para>
      <para>wordt voldaan in de vorm van (certificaten van) aandelen.</para>
      <para>Dit heeft in mijn primaire standpunt tot gevolg dat</para>
      <para>belanghebbende de schuld uit hoofde van de LIONS-lening</para>
      <para>dient te waarderen op de contante waarde, te bepalen met</para>
      <para>behulp van de marktrente, door partijen in deze procedure</para>
      <para>gesteld op 7%. Deze contante waarde is gelijk aan de</para>
      <para>contante waarde van de aflossingsverplichting. Voor het</para>
      <para>passiveren van de contante waarde van de renteverplich</para>
      <para>ting op een positief bedrag bestaat geen juridische</para>
      <para>grondslag: de verplichting tot het uitgeven van (certifi</para>
      <para>caten van) aandelen levert niet een in geld waardeerbaar</para>
      <para>passief vermogensbestanddeel op. Aldus treedt er bij de</para>
      <para>emissie van de obligatielening een vermogensstijging op</para>
      <para>ter grootte van het verschil tussen de nominale en de</para>
      <para>contante waarde van de LIONS-lening. Dit voordeel is een</para>
      <para>voordeel uit onderneming. In de loop van de tijd, de</para>
      <para>looptijd van de LIONS-lening, groeit, ten laste van de</para>
      <para>winst, de passiefpost ter zake van de LIONS-lening aan</para>
      <para>met ditzelfde verschil tussen de nominale en de contante</para>
      <para>waarde. Aldus komt over de looptijd van de lening per</para>
      <para>saldo geen rente ten laste van de winst. (...) Meer</para>
      <para>subsidiair standpunt. Zou de schuld uit hoofde van de</para>
      <para>LIONS-lening naar de opvatting van het Hof door belang</para>
      <para>hebbende gewaardeerd dienen te worden op nominale waarde,</para>
      <para>dan dient volgens mijn meer subsidiaire standpunt hetgeen</para>
      <para>belanghebbende in 1987 ten laste van de winst brengt, de</para>
      <para>beurswaarde van de uitgegeven aandelen voorzover betrek</para>
      <para>king hebbend op het boekjaar 1987 (...) alsnog tot de</para>
      <para>winst te worden gerekend. (blad 8) 2. Ter zake van de</para>
      <para>LIONS-lening komen slechts de middels verrekening met de</para>
      <para>(nominale) stortingsplicht van de obligatiehouders ver</para>
      <para>richte uitkeringen ten laste van de winst. Indien uw hof</para>
      <para>van oordeel is dat de wijze van uitkering wél reële</para>
      <para>praktische betekenis heeft (...), dan impliceert zulks</para>
      <para>(...) dat de last gebaseerd dient te worden op de jaar</para>
      <para>lijkse uitkering van ƒ 10 per obligatie van nominaal</para>
      <para>ƒ 2.000 vermeerderd met de (extra) slotuitkering per 15</para>
      <para>januari 1997 van ƒ 10. Slechts de aldus bepaalde last</para>
      <para>komt alsdan in mindering op de fiscale winst. Een hoger</para>
      <para>bedrag komt niet in aanmerking, omdat een hoger bedrag</para>
      <para>niet is verrekend, en dus ook niet is betaald. (...)</para>
      <para>Subsidiair standpunt. Ook in mijn subsidiaire standpunt</para>
      <para>ben ik van mening dat de schuld uit hoofde van de LIONS-</para>
      <para>lening gewaardeerd dient te worden op de contante waarde,</para>
      <para>in dit geval van aflossingsverplichting en renteverplich</para>
      <para>ting, waarbij de renteverplichting gesteld wordt op de</para>
      <para>(nominale) bedragen die middels verrekening in aanmerking</para>
      <para>genomen worden. Het verschil tussen de met 7% rente</para>
      <para>bepaalde contante waarde en de nominale waarde van de</para>
      <para>schuld is dan weer winst, de oprenting tijdens de loop</para>
      <para>tijd geschiedt eveneens weer ten laste van de winst.</para>
      <para>(...) Nog meer subsidiair standpunt. Zou de schuld (...)</para>
      <para>gewaardeerd dienen te worden op nominale waarde, dan dient</para>
      <para>volgens mijn nog meer subsidiaire standpunt het verschil</para>
      <para>tussen de nominale waarde en de beurswaarde van de</para>
      <para>uitgegeven aandelen, alsnog jaarlijks tot de winst te</para>
      <para>worden gerekend, zodat slechts het bedrag van de nominale</para>
      <para>waarde in aftrek komt, althans voorzover dat bedrag</para>
      <para>betrekking heeft op het boekjaar (...)"</para>
      <para>4.3. Het Hof heeft de van de zijde van de belanghebbende</para>
      <para>overgelegde pleitnota als in de bestreden uitspraak, onder 1,</para>
      <para>blz. 1, opgenomen aangemerkt. Deze pleitnota hield in:</para>
      <para>"(blz. 1) (...) A. (...) Belanghebbende (...) komt aan</para>
      <para>toepassing van BNB 1956/244 niet toe, omdat in haar visie</para>
      <para>een via oprenting ontstane renteschuld in aandelen wordt</para>
      <para>omgezet. (...) (blz. 2) Overigens meent [de belanghebben</para>
      <para>de] dat BNB 1956/244 ingevolge latere jurisprudentie van</para>
      <para>de Hoge Raad en wetgeving geen gelding meer bezit. Al</para>
      <para>thans niet leidt tot de conclusie dat i.c. geen rente-</para>
      <para>aftrek mogelijk is. (...) B. De inspecteur beperkt de</para>
      <para>discontering tot de hoofdsom van de lening. Dat voert</para>
      <para>noodgedwongen tot de conclusie dat de hoofdsom van de</para>
      <para>lening voor [de belanghebbende] niet gelijk is aan de</para>
      <para>contante waarde van de rente- en aflossingsverplichtingen</para>
      <para>tegen de overeengekomen rentevoet (...) Ongelijkheid van</para>
      <para>hoofdsom en contante waarde verplichtingen is in strijd</para>
      <para>met een juiste toepassing van de financiële rekenkunde op</para>
      <para>een rentedragende lening, aangegaan tegen een rente op</para>
      <para>marktniveau, welke kwalificatie van de lening buiten</para>
      <para>geschil is. Verder miskent de inspecteur dat het "voor</para>
      <para>deel" staat tegenover de uit te geven aandelen en aldus</para>
      <para>geen bate uit onderneming vormt. En is het veeleer zo dat</para>
      <para>de inspecteur een - door hem te bewijzen bijtelpost -</para>
      <para>creëert. (...)"</para>
      <para>5. De bestreden uitspraak.</para>
      <para>Het Hof heeft overwogen:</para>
      <para>"(blz. 6) (...) 5.2. De waarde van aan de crediteuren van</para>
      <para>de obligatielening op zakelijke voorwaarden toegekende</para>
      <para>vergoedingen, in welke vorm dan ook, dient als onderne</para>
      <para>mingskosten te worden aangemerkt. De aan het jaar 1987</para>
      <para>toe te rekenen verplichting tot het betalen van een</para>
      <para>vergoeding uit hoofde van de onderhavige obligatielening,</para>
      <para>kan derhalve als zodanig ten laste van de winst worden</para>
      <para>gebracht. 5.3. Gesteld voor de vraag hoe deze last moet</para>
      <para>worden bepaald moet worden bezien of, zoals belanghebben</para>
      <para>de primair bepleit, op grond van een redelijke wetstoe</para>
      <para>passing, die mede recht doet aan de samenhang die er</para>
      <para>dient te bestaan tussen de heffing van inkomsten- en</para>
      <para>vennootschapsbelasting, kan worden aangesloten bij de</para>
      <para>fiscale behandeling bij de crediteur. 5.4. Deze oplossing</para>
      <para>heeft als bezwaar dat niet wordt aangesloten bij de</para>
      <para>beoogde financieringslast voor de vennootschap - een</para>
      <para>lening à 7 % waarbij de rentevergoeding als aandelenkapi</para>
      <para>taal weer in de vennootschap wordt gestort - maar bij de</para>
      <para>ontwikkeling van de beurskoers van de (certificaten van)</para>
      <para>aandelen die met de financieringslast geen verband be</para>
      <para>hoeft te houden. 5.5. Het Hof is, gelet op een en ander</para>
      <para>alsmede op de inhoud van de prospectus en de Trustover</para>
      <para>eenkomst, van oordeel dat de waarde van de verplichting</para>
      <para>tot betaling van een vergoeding voor de hoofdsom moet</para>
      <para>worden bezien naar de toestand ten tijde van de uitgifte</para>
      <para>van de lening. Op dat moment kwam belanghebbende met haar</para>
      <para>crediteuren overeen dat zij tegen het bedrag van een</para>
      <para>alstoen normale rentevergoeding telkenjare (certificaten</para>
      <para>van) aandelen in belanghebbende zouden nemen. 5.6. Nu</para>
      <para>vast staat dat een normale rentevergoeding toen 7 % (blz.</para>
      <para>7) was, moet worden aangenomen dat overeenkomstig de</para>
      <para>bedoeling van partijen bij de overeenkomst van geldlening</para>
      <para>telkenjare 7 % (= f 140 per obligatie) op de genoten</para>
      <para>aandelen werd gestort en dat de rentelast derhalve ook op</para>
      <para>f 140 per obligatie moet worden gesteld. Latere wijzigin</para>
      <para>gen van de beurskoers van de (certificaten van) aandelen</para>
      <para>liggen aldus in de kapitaalsfeer van belanghebbende en</para>
      <para>raken haar verlies- en winstrekening niet. 5.7. Het</para>
      <para>vorenstaande brengt met zich dat belanghebbende het voor</para>
      <para>dat geval niet betwiste bedrag van f 10.062.500 als</para>
      <para>rentevergoeding ten laste van haar fiscale winst mag</para>
      <para>brengen. Voor het waarderen van de schuld op enige con</para>
      <para>tante waarde bestaat alsdan evenmin enige grond. (...)"</para>
      <para>6. De cassatieklacht.</para>
      <para>De bestrijding van 's Hofs uitspraak houdt</para>
      <para>in (ik nummer de bladen van de aanvulling van het</para>
      <para>beroepschrift in cassatie):</para>
      <para>"(blad 1) (...) In het onderhavige jaar bedraagt de last</para>
      <para>die het Hof in aanmerking wenst te nemen een hoger bedrag</para>
      <para>dan de beurswaarde van de door de obligatiehouders ver</para>
      <para>kregen certificaten. Belanghebbende, die deze laatste</para>
      <para>waarde verdedigt, heeft in dit jaar geen belang. In</para>
      <para>latere jaren beloopt de beurswaarde van de verkregen</para>
      <para>certificaten een hoger bedrag dan de 7% van de nominale</para>
      <para>waarde van de obligaties, welke het Hof als last juist</para>
      <para>acht. Er ontstaat voor belanghebbende een belang. Gelet</para>
      <para>op een en ander ben ik genoodzaakt voor het onderhavige</para>
      <para>jaar het oordeel van het Hof niet juist te achten. Im</para>
      <para>mers, indien ik dit standpunt niet in zou nemen en be</para>
      <para>langhebbende zou na een procedure met betrekking tot de</para>
      <para>belastingheffing over een later jaar in het gelijk worden</para>
      <para>gesteld, zou in het onderhavige jaar een te hoge last in</para>
      <para>aanmerking zijn genomen. Voorts is de vraag hoe voor de</para>
      <para>heffing van de inkomstenbelasting het voordeel berekend</para>
      <para>moet worden. Het komt mij voor dat voor deze heffing</para>
      <para>sprake is van een beloning in natura. Uitgangspunt is de</para>
      <para>waarde in het economisch verkeer. Indien voor de heffing</para>
      <para>van de inkomstenbelasting het voordeel gesteld moet</para>
      <para>worden op de werkelijke waarde van de certificaten,</para>
      <para>ontstaat er op dit punt een verschil tussen de heffing</para>
      <para>van de vennootschapsbelasting, zoals het Hof deze juist</para>
      <para>acht, en de heffing van de inkomstenbelasting. Een obli</para>
      <para>gatiehouder zou zich bovendien met een beroep op de</para>
      <para>onderhavige Hofuitspraak en een beroep op de samenhang</para>
      <para>tussen de heffing van de vennootschapsbelasting en de</para>
      <para>inkomstenbelasting (...) op het standpunt kunnen stellen</para>
      <para>dat het door hem (blad 2) genoten voordeel op 7% van de</para>
      <para>nominale waarde van de obligatie gesteld moet worden. Het</para>
      <para>is dan ook met name ten behoeve van de rechtszekerheid en</para>
      <para>om procedures in de toekomst (...) te vermijden dat ik</para>
      <para>dit beroep instel. (...)"</para>
      <para>7. Het verweer in cassatie.</para>
      <para>Het vertoogschrift in cassatie houdt in:</para>
      <para>"(blz. 1) (...) 2. Het geschil in cassatie is blijkens</para>
      <para>het beroep van de Staatssecretaris beperkt tot de omvang</para>
      <para>van de rentelast bij [de belanghebbende]. 3. [De belang</para>
      <para>hebbende] stemt in met de mening van de Staatssecretaris:</para>
      <para>. dat de obligatiehouder voor de heffing van de inkomsten</para>
      <para>belasting gehouden is zijn inkomen uit de obligatie op de</para>
      <para>beurswaarde van de ontvangen certificaten van aandelen te</para>
      <para>stellen; . dat het oordeel van het Hof aldus leidt tot</para>
      <para>een afwijking van de voor de heffing van ven</para>
      <para>nootschapsbelasting aanvaarde rentelast en die welke voor</para>
      <para>de heffing van inkomstenbelasting geldt; . dat een obliga</para>
      <para>tiehouder op grond van het oordeel van het Hof kan</para>
      <para>verdedigen om voor de heffing van inkomstenbelasting als</para>
      <para>inkomsten uit de obligatie een rentebate berekend naar 7%</para>
      <para>van de hoofdsom in aanmerking te nemen; . dat het wense</para>
      <para>lijk is procedures voor volgende jaren te voorkomen.</para>
      <para>(...) (blz. 2) [De belanghebbende] begrijpt (...) het</para>
      <para>beroepschrift van de Staatssecretaris als een pleidooi</para>
      <para>[de] beurswaarde voor de lastenbepaling maatgevend te</para>
      <para>achten zulks in overeenstemming met (...) het (...) door</para>
      <para>[de belanghebbende] primair bepleite standpunt. 6. (...)</para>
      <para>Vaststelling van de rentelast op het bedrag dat als</para>
      <para>zodanig werd beoogd in plaats van op de waarde van de</para>
      <para>verrichte betalingen houdt een schending in van (...) Wet</para>
      <para>(...) en vindt ook overigens geen steun in het recht. 7.</para>
      <para>(...) vervanging van de overeengekomen rentevergoeding is</para>
      <para>niet of onvoldoende gemotiveerd, aangezien (...) de</para>
      <para>overeengekomen rentevergoeding luidt in certificaten</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>8. Voordelen uit obligaties in de vorm van aandelen.</para>
      <para>8.1. Art. 13 Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 hield in:</para>
      <para>"Bij het bepalen van de winst worden de volgende posten</para>
      <para>als bedrijfskosten beschouwd (...): 1. (...) a. (...)</para>
      <para>tantièmes (...), aan (...) personeel toegekend ter zake</para>
      <para>van in het bedrijf verrichten arbeid, b. aandeelen in de</para>
      <para>winst, toekomende aan houders van winstdeelende obliga</para>
      <para>tiën, welke niet aan (...) aandeelhouders (...) als zoodanig</para>
      <para>zijn uitgereikt, (...)"</para>
      <para>8.2. De Leidraad bij de vennootschapsbelasting en de vermogens</para>
      <para>belasting 1942 hield in (ik geef tussen haakjes nadere vind</para>
      <para>plaatsen in de bij de "Rijksuitgeverij" verschenen tekst aan):</para>
      <para>"(blz. 1) (...) § 1. (...) (blz. 3) (6) Belangrijke</para>
      <para>afwijkingen ten opzichte van de winstbelasting behelst de</para>
      <para>vennootschapsbelasting (...) met betrekking tot de vol</para>
      <para>gende punten: (...) 2o. tantièmes voor personeel (...)</para>
      <para>worden niet langer als onderdeel van de winst beschouwd,</para>
      <para>in het algemeen evenmin alle andere winstuitkeeringen</para>
      <para>welke krachtens tegenpraestatie verschuldigd zijn aan</para>
      <para>personen of lichamen, die ten opzichte van den belasting</para>
      <para>plichtige als vreemden te beschouwen zijn; (...) (blz.</para>
      <para>26) § 11. (...) (blz. 27) (...) (6) (...) aandeelen in de</para>
      <para>(commercieele) winst, toekomende aan houders van winst</para>
      <para>deelende obligatiën, behooren in het algemeen tot de</para>
      <para>bedrijfskosten. (...)"</para>
      <para>8.3. HR 19 november 1947, Beslissingen in belastingzaken 8418 met</para>
      <para>noot H. J. D[oedens]&amp;lt;(3)                   De naamlooze vennootschap (De NV),</para>
      <para>april 1949, blz. 19 met noot H. J. Hofstra; Weekblad</para>
      <para>der belastingen 1951/4049, blz. 251 met noot C. J.</para>
      <para>Sleddering. Vergelijk M. V. M. van Leeuwe, De NV, juni</para>
      <para>1981, blz. 102.&amp;gt;, betrof de inkoop van converteerbare</para>
      <para>obligaties door de schuldenares.</para>
      <para>8.3.1. Uw Raad overwoog,</para>
      <para>"(blz. 41) (...) dat (...) de raad van beroep uit een</para>
      <para>aantal (...) feiten, [waaronder] dat door den inkoop de</para>
      <para>mogelijkheid van verkrijging van aandelen door ongewenste</para>
      <para>elementen werd verhinderd, heeft geconcludeerd, dat de</para>
      <para>inkoop van obligaties is geschied in het belang van,</para>
      <para>althans in verband met het bedrijf, zodat de gelden,</para>
      <para>welke belanghebbende voor den aankoop heeft besteed,</para>
      <para>(...) niet zijn uitgegeven voor doeleinden aan het be</para>
      <para>drijf vreemd; dat met betrekking tot des inspecteurs</para>
      <para>betoog, dat de inkoop der obligaties een uitdeling van</para>
      <para>winst aan winstgerechtigden was (...), de raad van beroep</para>
      <para>heeft overwogen, dat de obligatiehouders geen recht op</para>
      <para>een aandeel in de winst bezaten, en al ware dit anders,</para>
      <para>dan hier toch in ieder geval sprake zou zijn van rechten</para>
      <para>op (blz. 42) winst welke zijn ontleend aan een tegen</para>
      <para>praestatie, namelijk het verstrekken der geldlening,</para>
      <para>terwijl hetgeen wordt uitgekeerd aan bezitters van zoda</para>
      <para>nige rechten, volgens art. 13 Ve. B. moet worden be</para>
      <para>schouwd als bedrijfskosten; dat (...) het eerste middel</para>
      <para>(...) zich tevergeefs richt tegen wat de raad van beroep</para>
      <para>(...) heeft overwogen, aangezien hetgeen belanghebbende</para>
      <para>den obligatiehouders bij den inkoop betaalde, het aequi</para>
      <para>valent vormde van de waarde der rechten welke aan hen</para>
      <para>door belanghebbende ter zake van het deelnemen in de</para>
      <para>obligatielening waren toegekend, en daarop dus van toe</para>
      <para>passing is hetgeen in den Leidraad bij (blz. 43) de</para>
      <para>vennootschapsbelasting ter motivering van de bepaling van</para>
      <para>art. 13, (...) sub 1, letter b, Ve. B. is gezegd, name</para>
      <para>lijk dat dergelijke uitgaven, voor zover daarin een</para>
      <para>uitdeling van commerciële winst is gelegen (...) behoren</para>
      <para>tot de bedrijfskosten (...)"</para>
      <para>8.3.2. H. J. D., blz. 44, annoteerde:</para>
      <para>"(...) De passage uit den Leidraad waarop het hoge colle</para>
      <para>ge vermoedelijk doelt (§ 11, lid 6) acht ik als argument</para>
      <para>voor deze beslissing niet zeer sterk. Zij betreft uitde</para>
      <para>lingen op winstdelende obligaties; aan converteerbare</para>
      <para>obligaties is zeker niet gedacht, en ik acht de passage</para>
      <para>ook niet zo principieel gesteld dat zij voor het onderha</para>
      <para>vige geval betekenis heeft. Verg. echter ook § 1, lid 6,</para>
      <para>onder 2, van den Leidraad. (...)"</para>
      <para>8.3.3. Hofstra annoteerde&amp;lt;(4)                   Cursiveringen van Hofstra.&amp;gt;:</para>
      <para>"(...) Het kernpunt schijnt mij dit, dat er op het ogen</para>
      <para>blik van de inkoop nog geen deelgerechtigdheid in de</para>
      <para>winst bestond. Er bestond een kans, dat obligaties in</para>
      <para>aandelen zouden worden omgezet; er was (...) een "poten</para>
      <para>tieel aandeelhouderschap". Maar een potentieel feit</para>
      <para>nog geen reëel feit. Wat belanghebbende wenste, was</para>
      <para>onaangename schulden kwijt te raken, zelfs ten koste van</para>
      <para>niet onbelangrijke offers, uitsluitend omdat het be</para>
      <para>drijfsbelang dit eiste. En daarom was de desbetreffende</para>
      <para>uitgave, die op geen enkele wijze verband hield met de</para>
      <para>bedrijfsresultaten, een bedrijfsuitgave, die in mindering</para>
      <para>van de winst mocht worden gebracht. (...)"</para>
      <para>8.4. HR 18 november 1953, nr. 11.473, BNB 1954/19 met noot E.</para>
      <para>Tekenbroek, betrof de heffing van inkomstenbelasting van de</para>
      <para>directeur van een naamloze vennootschap.</para>
      <para>8.4.1. Uw Raad overwoog,</para>
      <para>"(blz. 33, van regel 41 af) (...) dat de Raad van Beroep</para>
      <para>uit de (...) feiten (...) heeft afgeleid, dat een onver</para>
      <para>brekelijk verband aanwezig is tussen het besluit (...)</para>
      <para>tot toekenning aan den directeur van een tantième van</para>
      <para>f 7000 (...) en het besluit (...) tot uitgifte van nieuwe</para>
      <para>aandelen tegen parikoers, op grond waarvan de Raad het</para>
      <para>eerstgenoemde besluit aldus heeft verstaan, dat daarbij</para>
      <para>het tantième van f 7000, dat niet in contanten beschik</para>
      <para>baar gesteld kon worden, werd toegekend in den vorm van</para>
      <para>een recht om bij de nieuwe emissie voor dit bedrag,</para>
      <para>waarvoor belanghebbende in de boeken der vennootschap</para>
      <para>werd goedgeschreven, aandelen tegen parikoers te verwer</para>
      <para>ven; dat hier sprake is van een oordeel van feitelijken</para>
      <para>aard (...) (blz. 34, regels 6-12) dat de Raad van Beroep</para>
      <para>op grond van deze interpretatie (...) terecht heeft</para>
      <para>aangenomen, dat het voordeel door belanghebbende verkre</para>
      <para>gen door zijn deelneming in genoemde emissie tegen pari</para>
      <para>koers, bestaande in het verschil in de geldswaarde der</para>
      <para>nieuw verworven aandelen berekend onderscheidenlijk naar</para>
      <para>den parikoers en naar den werkelijken koers, deel uit</para>
      <para>maakt van het aan hem als directeur toegekend tantième en</para>
      <para>daarom als opbrengst van dienstbetrekking moet worden</para>
      <para>beschouwd (...)"</para>
      <para>8.4.2. Tekenbroek, blz. 35, regels 8-12, annoteerde:</para>
      <para>"In het onderhavige geval krijgt de n.v. geen agio en mag</para>
      <para>zij ook niet een bedrag gelijk aan het agio, dat zij had</para>
      <para>kunnen verkrijgen, als loonkosten in aftrek van haar</para>
      <para>fiscale winst brengen. Of zou de n.v. (...) de waarde van</para>
      <para>het in natura toegekende loon (het recht om à pari aande</para>
      <para>len te nemen) als onkostenpost ten laste van haar fiscale</para>
      <para>winst mogen brengen?"</para>
      <para>8.5. HR 20 juni 1956, nr. 12.790, BNB 1956/244&amp;lt;(5)                   FED, Vpb:Art.6:4 met noot Tj. S.</para>
      <para>Visser; Weekblad voor fiscaal recht (WFR) 1956/4318,</para>
      <para>blz. 799 met noot C. van Soest. Vergelijk D. Brüll,</para>
      <para>Objectieve en subjectieve aspecten van het fiscale</para>
      <para>winstbegrip, 1964, blz. 52 v.; M. J. H. Smeets, Maand</para>
      <para>schrift Economie, september 1965, jaargang 29, blz.</para>
      <para>602; Smeets, Maandblad Belastingbeschouwingen, maart</para>
      <para>1969, blz. 48 v., onder 3; N. Nobel, Winstrechten,</para>
      <para>1970, blz. 119, noot 1; J. C. K. W. Bartel,</para>
      <para>discussiebijdrage I bij Ch. P. A.</para>
      <para>Geppaart, Fiscale aspecten van de overdracht van aande</para>
      <para>len aan werknemers, 1976, blzz. 35 e. v.; Bartel,</para>
      <para>Inkomstenbelastingaspecten van de opbrengst van aande</para>
      <para>len, 2e druk, 1984, blzz. 65 e. v., nr. 5.5; Bartel,</para>
      <para>Familievennootschappen, 4e druk, 1989, blz. 287 v., nr.</para>
      <para>V.3.1; J. G. Verseput, De totale winst in de vennoot</para>
      <para>schapsbelasting, Fiscale brochures FED, Vpb. 1.1, 2e</para>
      <para>druk, 1987, blzz. 43 e. v. &amp;gt;.</para>
      <para>8.5.1. Uw Raad, blz. 566, regels 9-16, overwoog,</para>
      <para>"dat de uitgifte van aandelen door een naamloze vennoot</para>
      <para>schap, zowel wanneer dit à pari als wanneer het met agio</para>
      <para>plaats vindt, de winst- en verliesrekening niet raakt;</para>
      <para>dat de vennootschap indien zij van het bedingen van agio,</para>
      <para>waartoe de reserves aanleiding hadden kunnen geven,</para>
      <para>afziet, zij dan ook haar winst niet verkleint, doch</para>
      <para>slechts een lager bedrag aan kapitaal ontvangt dan moge</para>
      <para>lijk te bedingen ware geweest, en zulks ongeacht ten</para>
      <para>opzichte van wie het afzien van het bedingen van agio</para>
      <para>plaats vindt (...)"</para>
      <para>8.5.2. Visser annoteerde:</para>
      <para>"(...) Wij hadden ons steeds gedacht, dat de journaalpost</para>
      <para>mocht zijn: kas aan aandelenkapitaal 1000</para>
      <para>loon aan agioreserve . . a</para>
      <para>Maar nu blijkt, dat er alleen geboekt mag worden: kas aan</para>
      <para>aandelenkapitaal 1000</para>
      <para>Dit kan ons volstrekt niet bevredigen. En wij geloven</para>
      <para>vast, dat de Hoge Raad nog eens van deze leer zal terug</para>
      <para>komen. (...)"&amp;lt;(6)                   In gelijke zin C. van Soest, TVVS,</para>
      <para>juli/augustus 1959, blz. 82, onder 18.&amp;gt;</para>
      <para>8.5.3. Brüll, blz. 53, betoogt:</para>
      <para>"(...) Wat is in dit (...) geval eigenlijk gebeurd?</para>
      <para>N.V. was - formeel of moreel - een tantième verschuldigd</para>
      <para>van ca. ƒ 7.500,-. Zij heeft echter kans gezien om zonder</para>
      <para>offer van deze schuld af te komen. Hoe is dit mogelijk?</para>
      <para>Doordat de oude aandeelhouders deze ƒ 7.500,- "betaalden"</para>
      <para>uit de aan hen toekomende reserves. Deze aandeelhouders</para>
      <para>hebben dus kosten voor hun rekening genomen, die bij de</para>
      <para>N.V. in de v. en w.-rekening zouden zijn gevallen. (...)"</para>
      <para>8.5.4. Smeets, Maandschrift Economie, betoogt,</para>
      <para>"(...) dat het arrest B.N.B. 1956/244 niet tot gevolg</para>
      <para>behoeft te hebben dat het belonen van een werknemer met</para>
      <para>een aandeel, dat meer dan pari waard is, fiscaal niet zou</para>
      <para>toelaten, dat dientengevolge agio is ontstaan. (...)"</para>
      <para>8.5.5. Nobel betoogt:</para>
      <para>"(...) Brüll ziet mijns inziens over het hoofd dat</para>
      <para>ƒ 7.500 slechts tot de reserves van de NV konden behoren,</para>
      <para>omdat de directeuren hun tantième ad ƒ 7.500 niet hadden</para>
      <para>opgenomen. Het waren mijns inziens wel degelijk de nieuwe</para>
      <para>aandeelhouders (de directeuren) die de ƒ 7.500 in de NV</para>
      <para>stortten, namelijk in de vorm van (onbeloonde) arbeid. De</para>
      <para>NV is niet "zonder offer" van het tantième afgekomen,</para>
      <para>doch heeft dit verrekend met een storting (agio) van de</para>
      <para>nieuwe aandeelhouders. (...)"</para>
      <para>8.5.6. Bartel, discussiebijdrage, blz. 36, betoogt:</para>
      <para>"(...) Het arrest bracht (...) een driedubbele heffing</para>
      <para>mee over het verschil tussen de werkelijke waarde van de</para>
      <para>aandelen en het door de werknemers gestorte bedrag: 1.</para>
      <para>inkomstenbelasting bij de werknemers, omdat het verschil</para>
      <para>als loon werd aangemerkt; 2. vennootschapsbelasting bij</para>
      <para>de NV, omdat het verschil bij de NV niet als loonkosten</para>
      <para>werd aangemerkt; 3. wederom inkomstenbelasting bij de</para>
      <para>aandeelhouders, omdat het verschil bij latere uitkering</para>
      <para>als opbrengst van vermogen belast wordt. (...)"</para>
      <para>8.6. Hof Arnhem 31 december 1965, nr. 685/1964, BNB 1966/171,</para>
      <para>blz. 463, regels 8-29, overwoog voor de heffing van vennoot</para>
      <para>schapsbelasting 1960/1961 van een naamloze vennootschap die</para>
      <para>haar aandeelhouders schadeloos had gesteld voor het verlies</para>
      <para>van uitzicht op conversie van aan hen als zodanig uitgereikte</para>
      <para>obligaties,</para>
      <para>"dat bij de uitgifte der lening aan obligatiehouders geen</para>
      <para>aandeel in de winst is toegekend, kunnende de verlening</para>
      <para>van het conversierecht niet als zodanig worden aange</para>
      <para>merkt, aangezien de houders van obligaties daarmede wel</para>
      <para>uitzicht op winstdeling wordt geopend, maar eerst nà</para>
      <para>conversie, dus als zij in plaats van obligatiehouders</para>
      <para>aandeelhouders zullen zijn geworden; dat [geen] grond</para>
      <para>bestaat het ten titel van schadeloosstelling betaalde</para>
      <para>bedrag (...) aan te merken als uitdeling van winst (...)"</para>
      <para>8.7. De algemene belastingherziening in de jaren zestig.</para>
      <para>8.7.1. De Wet op de inkomstenbelasting 1964 houdt in:</para>
      <para>"(...) Art. 7. Winst is het bedrag van de gezamenlijke</para>
      <para>voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook,</para>
      <para>(...) worden verkregen uit onderneming. (...) Art. 9. De</para>
      <para>in een kalenderjaar genoten winst wordt bepaald volgens</para>
      <para>goed koopmansgebruik (...)"</para>
      <para>8.7.2. De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb.</para>
      <para>1969) houdt in:</para>
      <para>"(...) Art. 8. 1. De winst wordt opgevat en bepaald</para>
      <para>voet van de artikelen 7 [en] 9 (...) van de Wet op de</para>
      <para>inkomstenbelasting 1964 (...), behoudens voor zover bij</para>
      <para>(...) deze wet (...) anders is bepaald (...) Art. 9. 1.</para>
      <para>Bij het bepalen van de winst komen mede in aftrek: a.</para>
      <para>aandelen in de winst aan (...) personeel toegekend ter</para>
      <para>zake van in de onderneming verrichte arbeid; b. aandelen</para>
      <para>in de winst, toekomende aan de gerechtigden tot schuld</para>
      <para>vorderingen welke niet aan (...) aandeelhouders (...) als</para>
      <para>zodanig zijn opgekomen; (...)"</para>
      <para>8.7.3. De heer Peynenburg betoogde op 5 juni 1969 (Handelingen</para>
      <para>Tweede Kamer, 1968-1969, blz. 3092):</para>
      <para>"(linkerkolom, laatste al.) (...) wanneer men een ver</para>
      <para>plichting heeft tegenover een werknemer van bij voorbeeld</para>
      <para>f 2000 en men (rechterkolom, 1e al.) hem een aandeel</para>
      <para>geeft van f 1000 met een beurswaarde van 200 dan loopt</para>
      <para>het toch rond? Het is natuurlijk eenvoudiger als men het</para>
      <para>via de kas laat lopen omdat het dan in ieder geval wel</para>
      <para>rond loopt. Echter, waarom zou dit niet het geval zijn</para>
      <para>als het rechtstreeks gebeurt?"</para>
      <para>8.7.4. Staatssecretaris Grapperhaus antwoordde (2e al&amp;lt;(7)                   Klaarblijkelijk komt op dit punt de</para>
      <para>Staatssecretaris aan het woord; in de Handelingen is de</para>
      <para>cesuur met de naamsvermelding weggevallen.&amp;gt;.):</para>
      <para>"Laat men het dan maar via de kas laten lopen. Ik houd</para>
      <para>mij voorlopig aan de uitspraak van de Hoge Raad en ben</para>
      <para>niet bereid op dit punt veranderingen aan te brengen."</para>
      <para>8.8. H. B. A. Verhoeven, WFR 1971/5031, blz. 221 v., onder II,</para>
      <para>2, betoogt,</para>
      <para>"(blz. 221) (...) dat het verschil tussen de waarde van</para>
      <para>de aandelen die de werknemer door gebruik te maken van</para>
      <para>zijn optierecht verkrijgt en het bedrag dat hij voor die</para>
      <para>aandelen moet betalen, nimmer als bedrijfslast in aanmer</para>
      <para>king kan worden genomen. Ook kan het verschil niet als</para>
      <para>agio worden aangemerkt. Ik acht dit niet bevredigend.</para>
      <para>(...) bedrijfseconomisch beschouwd hebben we hier te</para>
      <para>maken met (blz. 222) een beloning voor verrichte arbeid.</para>
      <para>Fiscaal valt deze vorm van belonen tussen wal en schip;</para>
      <para>noch bij de oude aandeelhouders noch bij de n.v. komt</para>
      <para>iets in aftrek. (...)"</para>
      <para>8.9. HR 31 mei 1978, nr. 18.230, met mijn conclusie, BNB 1978/</para>
      <para>252 met noot Hofstra&amp;lt;(8)                   Vakstudie Nieuws 8 juli 1978, blz.</para>
      <para>1094, punt 18; FED, Vpb'69:Art. 8:5 met noot J.</para>
      <para>Hoogendoorn, voortgezet op de bladen 8 v. en 14; WFR</para>
      <para>1978/5387, blz. 1305 met noot P. J. M. Bongaarts,</para>
      <para>voortgezet in 1984/5650, blzz. 1033 e. v.; De NV, mei</para>
      <para>1979, blz. 90 met noot Hofstra; Weekblad voor Privaat</para>
      <para>recht, Notariaat en Registratie (WPNR) 1979/5482, blz.</para>
      <para>349, onder 2, b met noot Van Leeuwe; 1981/5565, blz.</para>
      <para>323, onder 2, a met noot J. S. Rijkels; 1983/5669, blz.</para>
      <para>645, onder 3 met noot F. E. Sprey; Intertax, september</para>
      <para>1980, blz. 336 met noot Hoogendoorn. &amp;gt;.</para>
      <para>8.9.1. Uw Raad, blz. 1319, regels 4-20, overwoog,</para>
      <para>"dat het Hof aan het (...) feit dat A om redenen van</para>
      <para>concernbelang geen rente heeft bedongen de betekenis</para>
      <para>heeft toegekend, dat A in haar kwaliteit van grootmoeder</para>
      <para>maatschappij de dochtermaatschappij van belanghebbende -</para>
      <para>waarmee belanghebbende (...) een fiscale eenheid vormde -</para>
      <para>met de rente, die zij had kunnen bedingen en buiten die</para>
      <para>kwaliteit ook zou hebben bedongen, bewust heeft willen</para>
      <para>bevoordelen; dat het Hof hiermede tot uitdrukking heeft</para>
      <para>gebracht dat het aan belanghebbendes dochter opgekomen</para>
      <para>voordeel, bestaande uit het niet verschuldigd worden van</para>
      <para>rente over de door de grootmoedermaatschappij verstrekte</para>
      <para>lening, zijn oorzaak niet vond in de bedrijfsuitoefening</para>
      <para>van belanghebbendes dochter doch uitsluitend in de ven</para>
      <para>nootschappelijke betrekkingen tussen de drie bedoelde</para>
      <para>vennootschappen; dat het Hof terecht dit voordeel niet</para>
      <para>tot de winst heeft gerekend, aangezien ingevolge artikel</para>
      <para>7 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 daartoe alleen</para>
      <para>worden gerekend voordelen welke worden verkregen uit</para>
      <para>onderneming; dat daarbij niet van belang is of meerge</para>
      <para>noemd voordeel tot de vermogenssfeer dan wel tot die van</para>
      <para>de baten en lasten behoorde en evenmin hoe het voordeel</para>
      <para>zou kunnen worden gekwalificeerd (...)"</para>
      <para>8.9.2. Hofstra, BNB, onder 1, blz. 1320, regels 7-8, annoteer</para>
      <para>de:</para>
      <para>"(...) Voor de N.V. of B.V. zelf lijkt mij de kwalifica</para>
      <para>tie als informele kapitaalstorting (...) onontkoombaar.</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>8.10. HR 25 april 1979, nr. 19.080, met mijn conclusie, BNB</para>
      <para>1979/210 met noot J. Verburg&amp;lt;(9)                   Vakstudie Nieuws 26 mei 1979, blz.</para>
      <para>953, punt 20.&amp;gt;.</para>
      <para>8.10.1. Ik betoogde (blz. 1090, regels 43-44):</para>
      <para>"Bij de conversie gebeurt er (...) niets anders dan dat</para>
      <para>het (...) vreemde vermogen volgens de tevoren bepaalde</para>
      <para>formule omgezet wordt in eigen vermogen."</para>
      <para>8.10.2. Uw Raad, blz. 1104, regels 37-39, overwoog,</para>
      <para>"dat voor het antwoord op de vraag, welk bedrag als</para>
      <para>ingebracht vermogen bij conversie van obligaties in</para>
      <para>aandelen in aanmerking moet worden genomen, beslissend is</para>
      <para>de waarde van de schuld welke dientengevolge voor de</para>
      <para>vennootschap teniet gaat (...)"</para>
      <para>8.10.3. Verburg, onder 2, blz. 1105, regels 12-19, annoteerde:</para>
      <para>"De converteerbare obligatielening wordt (...) als vreemd</para>
      <para>vermogen aangemerkt, derhalve niet als toekomstig eigen</para>
      <para>vermogen. (...) Hoezeer de converteerbare obligatie als</para>
      <para>latent aandelenkapitaal kan worden getypeerd, een werke</para>
      <para>lijke bedreiging voor het schuldkarakter is hiervan</para>
      <para>nimmer uitgegaan. De verschuldigde interest is aftrekbaar</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>8.11. Van Leeuwe, De NV t. a. p., betoogt:</para>
      <para>"(blz. 94) (...) II. (...) (blz. 97) b. (...) Behalve</para>
      <para>jaarlijkse (lagere) rentevergoeding geniet de schuldeiser</para>
      <para>uit zijn vordering als voordeel de waarde van het conver</para>
      <para>sierecht. Dit conversierecht vormt voor hem als het ware</para>
      <para>een vergoeding voor de in de toekomst te derven rente,</para>
      <para>omdat juist vanwege de toekenning van het conversierecht</para>
      <para>met een lagere rente dan de marktrente genoegen wordt</para>
      <para>genomen. Uit het vorenstaande zal duidelijk zijn, dat</para>
      <para>naar ons oordeel de tot nu toe gevolgde praktijk, waarbij</para>
      <para>de waarde van het recht tot conversie (...) voor de</para>
      <para>heffing van inkomstenbelasting wordt verwaarloosd, niet</para>
      <para>juist is. (...) (blz. 99) (...) III. (...) (blz. 100)</para>
      <para>(...) Voor de heffing van vennootschapsbelasting is (...)</para>
      <para>relevant dat de obligatiehouders aan de vennootschap dit</para>
      <para>voordeel (het betalen door de vennootschap van een lagere</para>
      <para>rentevergoeding dan de marktrente) toekennen ter verkrij</para>
      <para>ging van het recht om aandeelhouder te kunnen worden. Het</para>
      <para>voordeel dat de vennootschap van de obligatiehouder</para>
      <para>bedingt om in de toekomst aandeelhouder te kunnen worden,</para>
      <para>is een bate vreemd aan het ondernemingsdoel en dus een</para>
      <para>vermogenstoename die geen onderdeel van de fiscale winst</para>
      <para>vormt. Aangezien het voordeel van de lagere rentebetaling</para>
      <para>uitsluitend zijn oorzaak vindt in de toekomstige aandeel</para>
      <para>houdersrelatie, dient dit voordeel bij de bepaling van de</para>
      <para>fiscale winst (...) te worden geëlimineerd. Dit voordeel</para>
      <para>dat de obligatiehouders ter verkrijging van het recht om</para>
      <para>aandeelhouder te worden aan de vennootschap doen toeko</para>
      <para>men, is een informele kapitaalinbreng. Enerzijds dient de</para>
      <para>emitterende vennootschap dit voordeel, bijvoorbeeld onder</para>
      <para>de benaming "rentevoordeel" te activeren, waar tegenover</para>
      <para>anderzijds onder de passiva een gelijk bedrag als "infor</para>
      <para>meel gestort kapitaal" dient te worden opgenomen.</para>
      <para>aktiefpost neemt in waarde af naarmate de termijn waarop</para>
      <para>de geldlening betrekking heeft, verstrijkt. Deze waarde</para>
      <para>daling wordt ten laste van de fiscale winst van de emit</para>
      <para>terende vennootschap gebracht, zodat fiscaal de jaarlijk</para>
      <para>se last voortvloeien- (blz. 101) de uit de aangegane</para>
      <para>lening, bestaat uit de in feite betaalde rente èn de</para>
      <para>waardedaling van die aktiefpost. Beiden gezamenlijk</para>
      <para>zullen dan gelijk zijn aan de marktrente, die de emitte</para>
      <para>rende vennootschap verschuldigd zou zijn geweest indien</para>
      <para>de obligatielening zonder het recht tot conversie zou</para>
      <para>zijn uitgegeven. (...)"</para>
      <para>8.12. HR 25 januari 1984, nr. 21.520, met mijn conclusie, BNB</para>
      <para>1984/231 met noot Verburg&amp;lt;(10)                   Vakstudie Nieuws 3 maart 1984, blz.</para>
      <para>450, punt 24; FED, Vpb'69:Art.8:39 met noot J. P. M.</para>
      <para>Stubbé; WPNR 1985/5731, blz. 204, onder C met noot J.</para>
      <para>H. Linders; 1986/5786, blz. 378, onder 6, a met noot O.</para>
      <para>Netze; WFR 1985/5687, blz. 758 met noot G. Telkamp.</para>
      <para>&amp;gt;.</para>
      <para>8.12.1. Uw Raad, blz. 1181, tot en met regel 15, overwoog (ik nummer</para>
      <para>de alinea's van de overweging aangaande de grieven van de</para>
      <para>belanghebbende, de aanhef daarvan niet meegerekend),</para>
      <para>"(1e al.) dat, indien een naamloze vennootschap of een</para>
      <para>besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid aan</para>
      <para>een derde gelden verstrekt om deze in de gelegenheid te</para>
      <para>stellen daarmede voor zich zelf aandelen in het kapitaal</para>
      <para>van die vennootschap te kopen, de daaruit voor de ven</para>
      <para>nootschap voortvloeiende vermogensvermindering in het</para>
      <para>algemeen - ook wanneer er een bedrijfsbelang mee is</para>
      <para>gemoeid dat de aandelen in handen van die derde overgaan</para>
      <para>- de winst niet raakt; (2e al.) dat dit anders is indien</para>
      <para>naar de bedoeling van de vennootschap de koop van de</para>
      <para>aandelen ertoe zal leiden dat de aan de aandelen verbon</para>
      <para>den vermogensrechten direct of indirect aan de werknemers</para>
      <para>van de vennootschap als zodanig zullen toekomen; (3e al.)</para>
      <para>dat echter in het onderhavige geval hiervan geen sprake</para>
      <para>is; (4e al.) dat immers (...) het de uitdrukkelijke</para>
      <para>bedoeling van belanghebbende is dat door de onderhavige</para>
      <para>dotatie en volgende dotaties aan de vereniging haar</para>
      <para>aandelen niet in handen van haar werknemers doch blijvend</para>
      <para>in die van de vereniging zullen komen en dat de werkne</para>
      <para>mers aan het lidmaatschap van de vereniging geen finan</para>
      <para>ciële rechten zullen ontlenen (...)"</para>
      <para>8.12.2. Verburg annoteerde:</para>
      <para>"(blz. 1181, regels 55-57) (...) Uit de tweede overweging</para>
      <para>van de H.R. leid ik (...) een zekere beduchtheid af voor</para>
      <para>de mogelijkheid dat de aftrek bij de B.V. niet vergolden</para>
      <para>wordt met belastbaarheid van de werknemers voor de ver</para>
      <para>kregen aanspraken. (...) (blz. 1182, regels 7-9) (...)</para>
      <para>het thans door de H.R. gewezen arrest [zou] wel eens een</para>
      <para>kentering (...) kunnen inhouden ten opzichte van het</para>
      <para>zozeer verguisde arrest H.R. (...) 1956 (...)"</para>
      <para>8.13. Bartel, Inkomstenbelastingaspecten van de opbrengst van</para>
      <para>aandelen, betoogt:</para>
      <para>"(blz. 277) (...) 30. (...) Voor een goede beoordeling</para>
      <para>van de converteerbare obligatiefiguur met betrekking tot</para>
      <para>de heffing van de inkomstenbelasting dient men deze te</para>
      <para>splitsen in het complex rechten van een normale obligatie</para>
      <para>van het ten tijde van de emissie gangbare rentetype en</para>
      <para>het complex rechten met betrekking tot het potentiële</para>
      <para>aandeelhouderschap. Het eerste complex rechten ligt</para>
      <para>geheel binnen de ondernemingssfeer van de vennootschap,</para>
      <para>het tweede complex raakt de winstsfeer van de vennoot</para>
      <para>schap niet, maar beïnvloedt de verhouding tussen de</para>
      <para>winstgerechtigden onderling, evenals bijv. het claimrecht</para>
      <para>bij een aandelenemissie. (blz. 278) Bij de emissie van</para>
      <para>een converteerbare obligatielening zullen de elementen</para>
      <para>behorende tot het tweede complex moeten worden geëlimi</para>
      <para>neerd en - indien het conversierecht waarde heeft gelet</para>
      <para>op de conversiekoers - worden verrekend hetzij in de</para>
      <para>kapitaalsfeer van de vennootschap, hetzij buiten de</para>
      <para>vennootschap om. Hierbij zijn de volgende gevallen te</para>
      <para>onderscheiden: a. het rentetype van de converteerbare</para>
      <para>obligatielening is gelijk aan het gangbare rentetype van</para>
      <para>een gewone obligatielening. (...) b. het rentetype van de</para>
      <para>converteerbare obligatie is lager dan het gangbare rente</para>
      <para>type. (...) Het conversierecht, voor zover de waarde op</para>
      <para>het emissietijdstip een equivalent vormt voor de gekapi</para>
      <para>taliseerde waarde van het verschil tussen de marktrente</para>
      <para>en de bedongen rente, is als aanvullende vergoeding voor</para>
      <para>de obligatiehouder aan te merken en dient bij hem als</para>
      <para>zodanig belast te worden (...) Ten laste van de winst</para>
      <para>behoort alsdan deels door middel van een transitorische</para>
      <para>post de normale rente gebracht te worden, terwijl het</para>
      <para>vorenomschreven verschil is aan te merken als gestort</para>
      <para>kapitaal op de categorie aandelen, (blz. 279) waarin de</para>
      <para>converteerbare obligaties kunnen worden geconverteerd,</para>
      <para>aangezien deze categorie aandeelhouders een offer brengt</para>
      <para>in de vorm van een (relatieve) waardedaling van hun</para>
      <para>aandelen; hoewel het conversierecht waarde heeft hebben</para>
      <para>zij geen claim kunnen realiseren. In de uitwerking zal in</para>
      <para>geval b de emissie van de converteerbare obligatielening</para>
      <para>moeten worden aangemerkt als de plaatsing van een lening</para>
      <para>met een disagio ter grootte van de waarde van het conver</para>
      <para>sierecht. Indien bijv. het rentepercentage 6½% bedraagt</para>
      <para>bij een marktrente van 8% wordt 20% van de hoofdsom als</para>
      <para>verkrijgingsprijs voor het conversierecht en mitsdien als</para>
      <para>disagio beschouwd. Dit bedrag van 20% van de hoofdsom</para>
      <para>wordt geboekt als gestort kapitaal op de aandelen waarin</para>
      <para>kan worden geconverteerd. De aangroei van de gecorrigeer</para>
      <para>de hoofdsom (80%) tot pari komt - transitorisch - ten</para>
      <para>laste van het resultaat van de vennootschap. Deze aan</para>
      <para>groei te zamen met de betaalde rente komt overeen met het</para>
      <para>marktrentepercentage ten tijde van de emissie. (...)</para>
      <para>(blz. 285) (...) 34. (...) De problematiek met betrekking</para>
      <para>tot warrants bij obligatie-emissies is (...) niet anders</para>
      <para>dan die met betrekking tot (...) conver- (blz. 286)</para>
      <para>teerbare obligaties (...) Bij de emissie van de obliga</para>
      <para>tielening met warrants is in de praktijk het rentetype</para>
      <para>lager dan het gangbare rentetype; de waarde van de</para>
      <para>warrants compenseert het renteverschil. Dit brengt met</para>
      <para>zich mede: (...) b. voor de emitterende vennootschap, dat</para>
      <para>een bedrag gelijk aan de waarde van de warrants als</para>
      <para>transitorische post wordt aangemerkt, welke transitori</para>
      <para>sche post in de looptijd van de lening ten laste van het</para>
      <para>resultaat wordt gebracht. Per saldo wordt aldus een</para>
      <para>normale rente over de lening in aanmerking genomen; c.</para>
      <para>dat een bedrag gelijk aan de waarde van de warrants wordt</para>
      <para>aangemerkt als een informele kapitaalstorting op de</para>
      <para>categorie aandelen, die nadien geëmitteerd zal worden</para>
      <para>zodra de houders van de warrants gebruik maken van hun</para>
      <para>recht. Deze categorie aandeelhouders brengt een offer in</para>
      <para>hun kwaliteit van aandeelhouders ten gunste van de ven</para>
      <para>nootschap, die daardoor tegen een lage rente kan plaat</para>
      <para>sen, in de vorm van een (relatieve) waardedaling van hun</para>
      <para>aandelen; hoewel de warrant waarde heeft hebben zij geen</para>
      <para>claim kunnen realiseren of agio kunnen bedingen. (...)"</para>
      <para>(zie ook Bartel in "Van Dijck Bundel", 1988, blzz. 18 e. v.,</para>
      <para>onder 3.1-2).</para>
      <para>8.14. J. H. C. Hellebrekers en J. C. M. van Sonderen, WFR 1985/</para>
      <para>5676, betogen:</para>
      <para>"(blz. 399) (...) 3 (...) Bij het bepalen van de gevolgen</para>
      <para>van een warrantlening voor de fiscale positie van de</para>
      <para>(...) emitterende vennoot- (blz. 400) schap worden (...)</para>
      <para>twee verschillende uitgangspunten gehanteerd, die hierna</para>
      <para>"combinatietheorie" en "rentetheorie" worden</para>
      <para>(...) In de combinatietheorie wordt verondersteld dat het</para>
      <para>bij de warrantlening om de gecombineerde uitgifte van een</para>
      <para>optierecht en een laagrentende obligatie gaat. De koppe</para>
      <para>ling tussen beide transacties komt tot uitdrukking in het</para>
      <para>vaststellen van slechts één inschrijvingsprijs. De au</para>
      <para>teurs die de rentetheorie als uitgangspunt nemen consta</para>
      <para>teren dat warrantleningen worden gekenmerkt door een</para>
      <para>aanzienlijk lagere rentevoet dan de marktrente op het</para>
      <para>moment van de emissie. Mede hieruit wordt geconcludeerd</para>
      <para>dat de warrants, evenals de op de obligatie verschuldigde</para>
      <para>rentetermijnen, een vergoeding voor het ter beschikking</para>
      <para>stellen van een hoofdsom vormen. (...) (blz. 405) (...)</para>
      <para>5.4 (...) Zowel binnen de combinatietheorie als binnen de</para>
      <para>rentetheorie wordt het resultaat van de vennootschap</para>
      <para>beïnvloed door de betaalde rentetermijnen en de waarde van</para>
      <para>de warrants. In de combinatietheorie gebeurt dit doordat</para>
      <para>het disagio op de schuldvordering verlies is voor de</para>
      <para>vennootschap. In de rentetheorie wordt dit veroorzaakt</para>
      <para>doordat de warrant als element van de vergoeding voor het</para>
      <para>ter beschikking stellen van vreemd vermogen wordt be</para>
      <para>schouwd. De waarde van de warrant is gelijk aan het</para>
      <para>disagio op de schuldvordering zodat beide uitgangspunten</para>
      <para>ertoe leiden dat de marktrente ten laste van het resul</para>
      <para>taat van de vennootschap wordt gebracht. (...) Is aan het</para>
      <para>einde van de looptijd van de warrant de koers van het</para>
      <para>achterliggende aandeel hoger dan de uitoefenprijs, dan</para>
      <para>worden de warrants uitgeoefend. De vennootschap krijgt</para>
      <para>bij uitoefening van de warrants minder op haar aandelen</para>
      <para>gestort dan op dat moment mogelijk is. Dit nadeel wordt</para>
      <para>echter niet veroorzaakt door de schuldvordering maar</para>
      <para>speelt zich af in de kapitaalsfeer van de vennootschap.</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>8.15. Van Sonderen, WFR 1986/5713, blz. 97, onder 4, betoogt:</para>
      <para>"(...) Het conversierecht is element van de inkomensbron</para>
      <para>en geen voordeel dat uit de bron wordt getrokken. (...)"</para>
      <para>8.16. De resolutie van 26 februari 1986, nr. 286-1547, BNB</para>
      <para>1986/113, houdt in:</para>
      <para>"(blz. 679, regels 5-55 af) Warrantleningen (...)</para>
      <para>(...) a. Indien een obligatielening, waarbij de coupon</para>
      <para>rente onder de marktrente ligt, wordt geëmitteerd tegen</para>
      <para>een uitgiftekoers van 100%, dan wordt de vergoeding voor</para>
      <para>het ter beschikking stellen van de hoofdsom voor een deel</para>
      <para>gegeven in de vorm van een (...) warrant. (...) 3. (...)</para>
      <para>Met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting</para>
      <para>stel ik mij (...) op het standpunt dat de vennootschap</para>
      <para>(...) de schuld uit hoofde van de obligatielening op haar</para>
      <para>balans dient op te nemen voor de contante waarde; hetgeen</para>
      <para>de vennootschap bij de uitgifte van de obligatielening</para>
      <para>meer heeft ontvangen dan de contante waar- (blz. 680, tot</para>
      <para>en met regel 2) de van die lening vormt naar mijn oordeel</para>
      <para>voor de heffing van de vennootschapsbelasting geen voor</para>
      <para>deel uit onderneming."</para>
      <para>8.17. HR 8 juli 1986, nr. 23.440, met conclusie van de advocaat-</para>
      <para>generaal Moltmaker, BNB 1986/295 met noot P. den Boer&amp;lt;(11)                   FED 1986/1118 met noot J. E. A. M.</para>
      <para>van Dijck; 1987/45 met noot E. Aardema; Vakstudie</para>
      <para>Nieuws 16 augustus 1986, blz. 1767, punt 20.&amp;gt;, blz. 1778, regels 6-31, overwoog:</para>
      <para>"4.1. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van (...) 1978</para>
      <para>(...) geoordeeld dat het Hof terecht niet tot de winst</para>
      <para>heeft gerekend het aan de dochtermaatschappij opgekomen</para>
      <para>voordeel, bestaande uit het niet verschuldigd worden van</para>
      <para>rente over een lening haar verstrekt door de moedermaat</para>
      <para>schappij van de belanghebbende (...) Deze beslissing</para>
      <para>berust mede op de veronderstelling dat een op deze wijze</para>
      <para>opgekomen&amp;lt;(12)                   Dat het woorddeel "op" in BNB</para>
      <para>ontbreekt, is blijkens de mij ambtshalve bekende</para>
      <para>oorspronkelijke tekst van het arrest een drukfout.&amp;gt; voordeel naar de regels van het Nederlandse</para>
      <para>belastingrecht bij degene die het voordeel verstrekt tot</para>
      <para>de winst uit een door hem gedreven onderneming dient te</para>
      <para>worden gerekend. 4.2. Een redelijke wetstoepassing, welke</para>
      <para>recht doet aan de samenhang tussen de vennootschapsbelas</para>
      <para>ting en de inkomstenbelasting (...), laat niet toe een</para>
      <para>voordeel bestaande uit het niet verschuldigd worden van</para>
      <para>rente - ook al vindt dit voordeel zijn oorzaak uitslui</para>
      <para>tend in de betrekking tussen de vennootschap en haar</para>
      <para>aandeelhouder - bij de bepaling van de winst buiten</para>
      <para>aanmerking te laten indien het in 4.1. veronderstelde</para>
      <para>geval zich niet voordoet. Dat geval doet zich (...) hier</para>
      <para>niet voor, daar het voordeel is verkregen van een natuur</para>
      <para>lijk persoon voor wie de renteloze vordering op de ven</para>
      <para>nootschap niet behoort tot een ondernemingsvermogen."</para>
      <para>(in gelijke zin HR 8 juli 1986, nr. 23.441, met conclusie van</para>
      <para>Moltmaker, BNB 1986/296 met noot Den Boer).</para>
      <para>8.18. Verseput t. a. p. betoogt:</para>
      <para>"(blz. 44) (...) De (...) combinatietheorie (...) ziet</para>
      <para>de uitgifte (...) een samenval van twee rechtshandelin</para>
      <para>gen. Enerzijds de uitgifte van een optie- of conversie</para>
      <para>recht waarvoor de geldverstrekker een bedrag aan de</para>
      <para>vennootschap betaalt, anderzijds het verstrekken van een</para>
      <para>geldlening beneden pari (...) (blz. 45) (...) De combina</para>
      <para>tietheorie tracht de hiervoor gesignaleerde quasi-stor</para>
      <para>ting voor te stellen als een daadwerkelijke kapitaalstor</para>
      <para>ting. Dit lijkt mij alleen juist indien dit contractueel</para>
      <para>en vennootschapsrechtelijk ook zo is geregeld. Is dat</para>
      <para>niet het geval dan verwijdert de theorie zich te ver van</para>
      <para>de civielrechtelijke realiteit. (...) Denkbaar is evenwel</para>
      <para>dat de Hoge Raad na het arrest van (...) 1978 (...),</para>
      <para>waarin een informele kapitaalinbreng in de kostensfeer</para>
      <para>mogelijk werd geacht, terug zal komen op de BNB 1956/244</para>
      <para>ontwikkelde leer. Waar het om gaat is, of men de stap</para>
      <para>durft te nemen om in de gevallen waarin het afzien van</para>
      <para>agio leidt tot een kostenbesparing bij de vennootschap,</para>
      <para>tot een aftrek van de aldus bespaarde kosten te komen.</para>
      <para>Indien tegenover de kostenbesparing een bij de wederpar</para>
      <para>tij aan inkomstenbelasting onderworpen bate staat, lijkt</para>
      <para>mij dit te passen in het door de Hoge Raad ontwikkelde</para>
      <para>winstbegrip. (...)"</para>
      <para>8.19. A. C. Rijkers, FED 1987/244, betoogt:</para>
      <para>"(blz. 1055) (...) 2. (...) Een aandelenoptie is het</para>
      <para>recht om aandelen te verwerven. Indien dit recht ziet op</para>
      <para>nieuw uit te geven aandelen wordt gesproken van warrants</para>
      <para>(...) (blz. 1069) (...) 6.2. (...) (blz. 1070) (...) Ik</para>
      <para>meen, er van uitgaande dat het optierecht bij de werkne</para>
      <para>mer terecht als loon wordt aangemerkt, dat de argumenten</para>
      <para>ten gunste van een overeenkomstige bedrijfslast van de</para>
      <para>B.V. overtuigend zijn (...) (blz. 1071) (...) 6.4. (...)</para>
      <para>(blz. 1072) (...) de waarde van de tegenover het optie</para>
      <para>recht staande arbeid van de werknemer [dient] als (infor</para>
      <para>meel) kapitaal (...) te worden aangemerkt (...)"</para>
      <para>8.20. J. W. Zwemmer, Fiscale aspecten van optierechten en verblij</para>
      <para>vensbedingen, 1988&amp;lt;(13)                   Het Voorwoord, blz. V, vermeldt dat</para>
      <para>het manuscript afgesloten was op 1 december 1987.&amp;gt;, betoogt,</para>
      <para>"(blz. 44) (...) 7.3.2. (...) (blz. 46) (...) Vooralsnog</para>
      <para>houd ik het er (...) op dat de in de sfeer van de werkne</para>
      <para>mersparticipatie veelgezochte combinatie van aftrekbaar</para>
      <para>heid bij de vennootschap en niet-belastbaarheid bij de</para>
      <para>werknemer een illusie is. (...) Conclusie is derhalve dat</para>
      <para>de uitgifte van aandelen uit hoofde van een verleende</para>
      <para>stock-optie in de leer van de Hoge Raad niet leidt tot</para>
      <para>enige aftrekpost bij de vennootschap die de desbetreffen</para>
      <para>de aandelen uitgeeft. (...) (blz. 47) (...) De vennoot</para>
      <para>schap kan de werknemer (...) ook een bedrag in geld ter</para>
      <para>grootte van de waarde van de uit te geven aandelen geven,</para>
      <para>waarna hij het geld besteedt tot aankoop van de desbe</para>
      <para>treffende aandelen in de vennootschap. Het door de ven</para>
      <para>nootschap betaalde bedrag in geld is dan als loon aftrek</para>
      <para>baar. De storting ter betaling van de deelneming is voor</para>
      <para>de vennootschap onbelast. Voor de werknemer heeft deze</para>
      <para>constructie evenwel het nadeel dat het als loon uitge</para>
      <para>keerde bedrag bij hem belast is, zodat hij per saldo</para>
      <para>alleen het nettobedrag overhoudt om het als storting op</para>
      <para>de aandelen aan te wenden. (...) In de literatuur heeft</para>
      <para>bovengenoemde jurisprudentie (...) kritiek ondervonden.</para>
      <para>(...) De vennootschap wordt dan geacht de aandelen uit te</para>
      <para>geven tegen de werkelijke waarde en het verschil tussen</para>
      <para>deze waarde en de optieprijs weer als loon aan haar</para>
      <para>werknemer uit te betalen. Gezien het feit dat de optie</para>
      <para>een beloning voor arbeid is en in de vorm van een lagere</para>
      <para>storting op aandelen ten laste van de werkgever komt,</para>
      <para>acht ik deze opvatting de juiste. (...) (blz. 52) (...)</para>
      <para>8.2. (...) Beschouwt men de warrant (...) als inkomsten in</para>
      <para>geld genoten op het moment waarop de warrant te gelde</para>
      <para>wordt gemaakt, dan is het moment waarop de warrant te</para>
      <para>gelde wordt gemaakt het tijdstip van genieten. Laatstge</para>
      <para>noemde visie heb ik verdedigd (...) (blz. 53) (...) 8.4.1.</para>
      <para>(...) (blz. 55) (...) Zoals reeds (...) bij de behande</para>
      <para>ling van de stock-opties voor werknemers is gebleken,</para>
      <para>ligt de jurisprudentie in de lijn van de opvatting dat de</para>
      <para>uitgifte van warrants in de kapitaalsfeer ligt. (...)</para>
      <para>Naar mijn mening wordt daarmee in de pari-variant&amp;lt;(14)                   Wat Zwemmer en anderen de "pari-</para>
      <para>variant" noemen, heet bij Hellebrekers en Van Sonderen</para>
      <para>en nog anderen de rentetheorie. Zo komt de "disagio-</para>
      <para>variant" overeen met de combinatietheorie.&amp;gt;</para>
      <para>miskend dat een vennootschap die zich ten opzichte van</para>
      <para>een verschaffer van vreemd vermogen bewust een vermogens</para>
      <para>vooruitgang laat ontgaan, deze een voordeel toe doet</para>
      <para>komen. Een dergelijke bevoordeling van een verschaffer</para>
      <para>van vreemd vermogen komt ten laste van de winst. Niet ter</para>
      <para>zake doet, hoe dit voordeel binnen de vennootschap wordt</para>
      <para>verwerkt. Dat de vennootschap dit voordeel verschaft in</para>
      <para>de vorm van een verrekening met agio doet daar niet aan</para>
      <para>af. (...) In de disagio-variant wordt met deze opvatting</para>
      <para>miskend dat voor de warrant een zakelijke prijs is be</para>
      <para>taald en dat het resultaat van deze transactie de winst</para>
      <para>van de vennootschap beïnvloedt. Komt de vennootschap per</para>
      <para>saldo op de transactie te kort, dan is dat een aftrekbaar</para>
      <para>verlies. Dat dit verlies wordt geleden in de vorm van een</para>
      <para>verrekening met agio doet daar niet aan af. (blz. 58)</para>
      <para>(...) 9.2. Fiscale aspecten van uitgifte van een conver</para>
      <para>teerbare obligatie (...) (blz. 59) (...) De stelling dat</para>
      <para>de obligatiehouders een conversierecht wensen te kopen,</para>
      <para>komt mij gekunsteld voor. De obligatiehouders nemen (...)</para>
      <para>genoegen met een lagere rente dan de marktrente omdat zij</para>
      <para>van de vennootschap ook een conversierecht krijgen. Het</para>
      <para>conversierecht als zodanig is niet vrij verhandelbaar,</para>
      <para>doch onlosmakelijk verbonden met de obligatie. Ik zie dan</para>
      <para>onvoldoende grond om tot een splitsing te komen. (...)</para>
      <para>(blz. 61) (...) het arrest van (...) 1947 [en] het arrest</para>
      <para>van (...) 1956 (...) zijn (...) in mijn visie niet met</para>
      <para>elkaar te rijmen (...) 9.3. (...) Bij verkrijging van een</para>
      <para>converteerbare obligatie door een particulier zijn de</para>
      <para>fiscale gevolgen daarvan niet anders dan van verkrijging</para>
      <para>van een obligatie met een warrant (...) (blz. 63) (...)</para>
      <para>9.5.1. (...) Voor de vennootschap wier obligaties in</para>
      <para>aandelen worden omgezet, geldt de nominale waarde van de</para>
      <para>in de obligaties belichaamde schuld van de vennootschap</para>
      <para>aan de obligatiehouders als storting (...) Tevens geldt</para>
      <para>als gestort de waarde van de conversieverplichting,</para>
      <para>zijnde het verschil tussen de conversiekoers en de werke</para>
      <para>lijke koers der aandelen. (...) (blz. 64) (...) 9.5.2.</para>
      <para>(...) De omwisseling van converteerbare obligaties in</para>
      <para>aandelen is voor de particulier een fiscaal neutrale</para>
      <para>handeling als het conversierecht als inkomsten in natura</para>
      <para>wordt beschouwd. In mijn visie wordt het conversierecht</para>
      <para>bij het te gelde maken en derhalve ook bij conversie</para>
      <para>belast. (...)"</para>
      <para>8.21. C. B. Bavinck, WFR 1988/5831, betoogt:</para>
      <para>"(blz. 889) (...) 1 (...) In de praktijk doen zich drie</para>
      <para>vormen voor waarin een vennootschap aandelen&amp;lt;(15)                   Hier is vermoedelijk een woord als</para>
      <para>"aanspraken" bedoeld.&amp;gt; op eigen</para>
      <para>aandelen verstrekt: stock-opties voor werknemers, conver</para>
      <para>teerbare obligaties en warrant-leningen. Voor de fiscale</para>
      <para>behandeling bij de emitterende vennootschap zijn er</para>
      <para>tussen de drie vormen geen wezenlijke verschillen. (...)</para>
      <para>Het hierna gestelde geldt derhalve voor alle drie de</para>
      <para>rechtsvormen. Voor de leesbaarheid is dit artikel echter</para>
      <para>toegespitst op de converteerbare obligatielening. (blz.</para>
      <para>890) (...) 2 - WIE VERSTREKT DE BELONING? (...) Door de</para>
      <para>emissie van nieuwe aandelen worden de aandeelhouders</para>
      <para>(...) niet verarmd. Tegenover de verwatering zal een</para>
      <para>waardestijging van de vennootschap staan ten gevolge van</para>
      <para>lagere lasten. (...) Mijns inziens moet dan ook voor de</para>
      <para>fiscale kwalificatie de bestaande aandeelhouder buiten</para>
      <para>beschouwing worden gelaten. (...) 3 - WAARDE VAN DE</para>
      <para>OPTIES FISCAAL AFTREKBAAR? (...) de obligatiehouder neemt</para>
      <para>met een lagere rente genoegen (...) omdat hij een optie</para>
      <para>recht krijgt op aandelen van de emitterende vennootschap.</para>
      <para>Het voordeel voor de vennootschap van de lage rentelast</para>
      <para>vindt zijn oorzaak niet in de bedrijfsuitoefening maar in</para>
      <para>de eventuele toekomstige aandeelhoudersrelatie met de</para>
      <para>obligatiehouder. Dit voordeel behoort derhalve niet de</para>
      <para>winst van de vennootschap te beïnvloeden. Daar komt nog</para>
      <para>bij dat het voordeel van de optie bij de obligatiehouder</para>
      <para>in principe een belaste bate vormt. (...) Het onthouden</para>
      <para>van een aftrekpost bij de emitterende vennootschap zou</para>
      <para>een incongruentie opleveren welke moeilijk in de huidige</para>
      <para>jurisprudentie is in te passen. (...) (blz. 892) (...) 5</para>
      <para>(...) Is er een wezenlijk verschil tussen aflossing in</para>
      <para>bijvoorbeeld goud of in aandelen van de (...) vennoot</para>
      <para>schap zelf? Dat is, lijkt mij, wel het geval indien van</para>
      <para>het begin af aan vaststaat dat te zijner tijd van het</para>
      <para>conversierecht gebruik gemaakt zal worden. (...) Indien</para>
      <para>er een aanmerkelijke kans (...) is dat dit niet zal</para>
      <para>gebeuren, is mijns inziens de obligatiehouder nog geen</para>
      <para>verschaffer van eigen vermogen. (...)"</para>
      <para>8.22. Bartel alsvoren betoogt:</para>
      <para>"(blz. 17) 1. (...) De Leveraged Income Obligations via</para>
      <para>New Shares vormen een obligatielening van nominaal f 150</para>
      <para>mln., op welke lening geen rente in contanten wordt</para>
      <para>betaald maar jaarlijks per nominaal f 2000 een certi</para>
      <para>ficaat van aandeel in de vennootschap wordt uitgekeerd</para>
      <para>met een extra-aandeel als slotuitkering. (...) (blz. 21)</para>
      <para>(...) 3.3. Lions Voor een goede beoordeling van de posi</para>
      <para>tie van de Lionshouder moet onderkend worden dat (...) hij</para>
      <para>zowel een "normale" obligatiehouder in zich bergt als een</para>
      <para>potentieel aandeelhouder is. (...) (blz. 22) (...) Naar</para>
      <para>de letter van [de] overeenkomst draagt de lening een</para>
      <para>rente van een ½% (plus een slotuitkering van een ½%),</para>
      <para>welk rentebedrag op de nieuw geëmitteerde aandelen wordt</para>
      <para>gestort. Dit zou met zich brengen in een volkomen geob</para>
      <para>jectiveerd systeem, dat bij de Lionshouder jaarlijks f 10</para>
      <para>per nominaal f 2000 als rente zou worden belast, A NV een</para>
      <para>rentelast van f 10 heeft en op de nieuwe geëmitteerde</para>
      <para>aandelen slechts de nominale waarde van f 10 is gestort.</para>
      <para>Het recht (en de plicht) om deel te nemen in de jaarlijk</para>
      <para>se emissie wordt echter tevens als een beloning voor het</para>
      <para>ter beschikking stellen van de hoofdsom gezien; de waarde</para>
      <para>van dit recht compenseert de lage (primaire) rente. In</para>
      <para>deze benadering tonen de Lions trekken van een conver</para>
      <para>teerbare obligatielening. Het aan de Lions verbonden</para>
      <para>recht op de nieuw geëmitteerde aandelen is als aanvullen</para>
      <para>de vergoeding voor de Lionshouder aan te merken en moet</para>
      <para>dan ook bij hem als zodanig worden belast. Gelet op het</para>
      <para>onvoorwaardelijke karakter van het recht dient de waarde</para>
      <para>van dat recht genomen over de gehele looptijd bij de</para>
      <para>emissie bepaald te worden. Deze benadering brengt met</para>
      <para>zich mee, dat bij de vennootschap meerdere boekingen</para>
      <para>nodig zijn om de Lions juist te verwerken. In de eerste</para>
      <para>plaats zal (...), nu jaarlijks een belastbare bate aan de</para>
      <para>Lionshouder opkomt, het gehele verschil tussen de markt</para>
      <para>rente en de bedongen rente over de looptijd als vooruit</para>
      <para>betaalde rente geactiveerd moeten worden. Daartegenover</para>
      <para>moet - gelet op de door de Lionshouder verkregen rechten</para>
      <para>- eenzelfde bedrag als agio worden opgevoerd. Deze</para>
      <para>transitorische post wordt gedurende de looptijd van de</para>
      <para>lening ten laste van het resultaat van de vennootschap</para>
      <para>afgebroken, waardoor tezamen met de (primaire) rente</para>
      <para>jaarlijks voor de vennootschap een met de marktrente ten</para>
      <para>tijde van de emissie corresponderende last opkomt. (blz.</para>
      <para>23) Als tegenhanger (...) wordt de Lionshouder jaarlijks</para>
      <para>in de inkomstenbelastingheffing betrokken op het moment</para>
      <para>van de uitreiking van het aandeel (15 januari). De be</para>
      <para>lastbare bate bedraagt een bedrag aan rente, dat gelijk</para>
      <para>is aan de marktrente op het tijdstip van emissie berekend</para>
      <para>over de hoofdsom, ongeacht de hogere of lagere waarde van</para>
      <para>het verkregen aandeel. Het verschil tussen de belastbare</para>
      <para>bate en de beurswaarde van het aandeel komt aan hem op in</para>
      <para>zijn kwaliteit van houder van het recht op de jaarlijks</para>
      <para>te emitteren aandelen en niet (meer) als obligatiehouder.</para>
      <para>De waardeveranderingen van dit recht spelen zich af in</para>
      <para>zijn vermogenssfeer. Als gestort kapitaal voor de ven</para>
      <para>nootschap is het bij emissie verboekte agio vermeerderd</para>
      <para>met de jaarlijkse stortingen van de nominale bedragen op</para>
      <para>de geëmitteerde aandelen aan te merken. Ik ben mij ervan</para>
      <para>bewust, dat deze analyse noch die van A NV noch die van</para>
      <para>de belastingadministratie is. (...) (blz. 24) (...)</para>
      <para>arresten (...) leren (...) dat er een verband is tussen</para>
      <para>de belastingheffing bij de particulier en de aftrekmoge</para>
      <para>lijkheid bij de ondernemer: geen heffing/geen aftrek.</para>
      <para>Spiegelbeeldig leidt dit tot: heffing/aftrek, waarmee de</para>
      <para>cirkel gesloten is. (...)"</para>
      <para>8.23. Hof 's-Gravenhage, Derde Meerv. Belastingk., 9 februari</para>
      <para>1990, nr. 659/89, BNB 1991/129.</para>
      <para>8.23.1. Hof 's-Gravenhage, blz. 794, regels 17-27, overwoog:</para>
      <para>"2. Door de onderwerpelijke uitgifte van aandelen is niet</para>
      <para>meer kapitaal in belanghebbende bijeengebracht dan een</para>
      <para>bedrag, overeenkomend met de totale nominale waarde van</para>
      <para>de uitgegeven aandelen. Het kapitaal van belanghebbende</para>
      <para>is met niet meer dan f 756.000 toegenomen. De omstan</para>
      <para>digheid dat de waarde in het economische verkeer van de</para>
      <para>uitgereikte aandelen hoger was dan de nominale waarde</para>
      <para>daarvan, doet daaraan niet af. Tegenover dit agio staat</para>
      <para>een waardevermindering van de "oude" aandelen, dat wil</para>
      <para>zeggen de aandelen die uitstonden vóór de onderhavige</para>
      <para>uitgifte, maar niet een toeneming van het kapitaal van</para>
      <para>belanghebbende. 3. In deze situatie is naar tekst, doel</para>
      <para>en strekking van de wet niet meer aan kapitaalsbelasting</para>
      <para>verschuldigd dan 1 percent van f 756.000 (...)"</para>
      <para>8.23.2. De Staatssecretaris heeft blijkens noot 1, blz. 794,</para>
      <para>geen beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris betoog</para>
      <para>de:</para>
      <para>"(...) Hierbij heb ik in mijn beschouwingen betrokken</para>
      <para>door mij voorgestane behandeling voor de vennootschapsbe</para>
      <para>lasting van deze zgn. Lionslening, nl. het niet toestaan</para>
      <para>van een aftrekbare last ter zake van de vergoeding in</para>
      <para>nieuw uit te geven aandelen. Vanuit die optiek en mede</para>
      <para>gelet op het ontbreken van een keuzerecht bij de obliga</para>
      <para>tiehouders en het niet ontstaan van agio bij belangheb</para>
      <para>bende acht ik het minder juist voor de kapitaalsbelasting</para>
      <para>te kiezen voor een behandeling als zou er een uitbetaling</para>
      <para>in contanten van een bedrag aan zakelijke rente hebben</para>
      <para>plaatsgevonden, onmiddellijk gevolgd door een storting</para>
      <para>daarvan in belanghebbende."</para>
      <para>8.24. HR 23 mei 1990, nr. 25.999, met mijn conclusie, BNB 1990/206</para>
      <para>met noot Van Dijck&amp;lt;(16)                   FED 1990/665 met noot Bavinck.&amp;gt;, betrof de heffing van inkomstenbelasting van een parti</para>
      <para>culiere natuurlijke persoon (onder 4.1, blz. 1473, regels 36-</para>
      <para>40)</para>
      <para>"(...) in het geval waarin een obligatie wordt uitgegeven</para>
      <para>en de vergoeding voor het ter beschikking stellen van de</para>
      <para>hoofdsom voor een deel gevonden wordt in een warrant,</para>
      <para>waaronder is te verstaan een waardepapier waarin het</para>
      <para>recht is belichaamd om gedurende een zeker tijdvak één of</para>
      <para>een bepaald aantal aandelen te kopen tegen een vooraf</para>
      <para>vastgestelde koopprijs (...)"</para>
      <para>8.24.1. Ik noemde (onder 2.19, blz. 1464)</para>
      <para>"(...) de verwante figuur van de converteerbare obligatie</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>8.24.2. Uw Raad, blz. 1473, regels 36-43, overwoog,</para>
      <para>"(...) dat (...) die warrant een tot de inkomsten uit</para>
      <para>vermogen behorend voordeel is, dat wordt genoten op het</para>
      <para>tijdstip waarop de warrant aan de nemer van de obligatie</para>
      <para>ter beschikking wordt gesteld voor de waarde die zij op</para>
      <para>dat tijdstip in het economische verkeer heeft."</para>
      <para>8.24.3. Bavinck, onder 6, annoteerde:</para>
      <para>"(blz. 1939) Heeft bovenstaand arrest ook duidelijkheid</para>
      <para>geschapen voor de converteerbare obligatielening? (...)</para>
      <para>Er laten zich vele mogelijkheden denken, zoals: - waarde</para>
      <para>conversierecht wordt belast bij emissie (pari-variant);</para>
      <para>- disagio-variant, waarbij de disagio wordt belast bij</para>
      <para>aflossing (...); de bij de emissie aan het conversierecht</para>
      <para>toe te kennen waarde wordt belast op het moment dat het</para>
      <para>conversierecht kan worden uitgeoefend, dan wel bij werke</para>
      <para>lijke uitoefening; - het conversierecht wordt belast op</para>
      <para>het moment waarop dit kan worden uitgeoefend voor de</para>
      <para>waarde van dan; - het conversierecht wordt belast op het</para>
      <para>moment van uitoefening voor het verschil in waarde van de</para>
      <para>uitgereikte aandelen en het bedrag van de lening. (...)</para>
      <para>Mijn voorkeur gaat uit naar laatstgenoemde mogelijkheid.</para>
      <para>Omdat bij (blz. 1940) de converteerbare obligatielening</para>
      <para>het recht niet afzonderlijk te gelde kan worden gemaakt</para>
      <para>maar gekoppeld is aan de hoofdsom, zal het genietingsmo</para>
      <para>ment worden opgeschort naar het moment van uitoefening.</para>
      <para>De obligatiehouder geniet als rente het verkrijgen van de</para>
      <para>aandelen beneden de daarvoor geldende waarde. Het gevolg</para>
      <para>van het niet bij de emissie belasten van het optierecht,</para>
      <para>maar pas bij het uitoefenen daarvan, is mijns inziens dat</para>
      <para>bij de converteerbare obligatielening de waardemutatie</para>
      <para>van het recht bij realisatie belast is. (...)"</para>
      <para>8.25. "Financiële instrumenten", rapport van de Commissie ter</para>
      <para>bestudering van fiscale aspecten van nieuwe financiële instru</para>
      <para>menten&amp;lt;(17)                   Onder voorzitterschap van Bartel.&amp;gt;, Geschriften van de Vereniging voor Belastingweten schap, nr. 187, 1991, houdt in:</para>
      <para>"(blz. 16) (...) 4.2.2. (...) (blz. 18) (...) Op het</para>
      <para>arrest (...) 1956 (...) is veel kritiek uitgeoefend. Ook</para>
      <para>de commissie acht het arrest niet juist. (...) De uitgif</para>
      <para>te van aandelen aan werknemers voor een koers welke lager</para>
      <para>is dan de waarde in het economische verkeer is beloning</para>
      <para>voor het verrichten van arbeid. De vennootschap bespaart</para>
      <para>andere beloningsvormen. Het voordeel is belast bij de</para>
      <para>werknemer. Het evenwicht tussen de inkomstenbelasting en</para>
      <para>de vennootschapsbelasting brengt volgens (blz. 19) de</para>
      <para>commissie met zich mee dat het voordeel een bedrijfslast</para>
      <para>en een kapitaalstorting is bij de vennootschap. (...)</para>
      <para>(blz. 27) (...) 4.3.2.b. (...) (blz. 28) (...) Het even</para>
      <para>wicht tussen de inkomstenbelasting en de vennootschapsbe</para>
      <para>lasting brengt volgens de commissie met zich mee dat het</para>
      <para>verschil tussen de waarde van de optie bij toekenning en</para>
      <para>de betaalde optiepremie belastbaar loon is bij de werkne</para>
      <para>mer en tevens een bedrijfslast en kapitaalstorting bij de</para>
      <para>werkgever. (...) (blz. 44) (...) 5.3.1. converteerbare</para>
      <para>obligaties (...) Het complex rechten dat samenhangt met</para>
      <para>het potentiële aandeelhouderschap raakt de winstsfeer van</para>
      <para>de vennootschap niet, maar beïnvloedt de verhouding</para>
      <para>tussen de (potentiële) aandeelhouders onderling, evenals</para>
      <para>bijvoorbeeld het claimrecht bij een aandelenemissie. Bij</para>
      <para>de emissie van een converteerbare obligatielening zullen</para>
      <para>de elementen behorende tot dit complex moeten worden</para>
      <para>geëlimineerd en - indien het conversierecht waarde heeft</para>
      <para>gelet op de conversiekoers - worden verrekend hetzij</para>
      <para>buiten de vennootschap om door het verlenen van een</para>
      <para>voorkeursrecht aan de aandeelhouders of door agiostorting</para>
      <para>door de obligatiehouders, hetzij in de kapitaalsfeer van</para>
      <para>de vennootschap. In dit laatste geval is het conversie</para>
      <para>recht, aangezien de waarde daarvan op het emissietijdstip</para>
      <para>het equivalent vormt van de gekapitaliseerde waarde van</para>
      <para>het verschil tussen de marktrente en de bedongen rente,</para>
      <para>als een aanvullende vergoeding voor de obligatiehouder</para>
      <para>aan de merken en dient [het] bij hem als zodanig belast</para>
      <para>te worden. 5.3.1.a. (...) Bij de emittent wordt een en</para>
      <para>ander als volgt boekhoudkundig verwerkt: a. een bedrag</para>
      <para>gelijk aan de waarde van het conversierecht wordt als</para>
      <para>transitorische post opgenomen, en gedurende de looptijd</para>
      <para>van de lening ten laste van het resultaat genomen; b.</para>
      <para>jaarlijks wordt de (lagere dan marktconforme) couponrente</para>
      <para>als last genomen. Het resultaat hiervan is, dat een</para>
      <para>marktconforme rente, beoordeeld naar het emissietijdstip</para>
      <para>ten laste van de winst komt; (blz. 45) c. het onder a.</para>
      <para>omschreven bedrag moet worden aangemerkt als storting van</para>
      <para>kapitaal, en als zodanig worden verwerkt. (...) 5.3.1.b.</para>
      <para>Tijdstip heffing bij particuliere belegger (...) De</para>
      <para>waarde van het conversierecht beoordeeld op het emissie</para>
      <para>tijdstip dient bij hem op het tijdstip van de conversie</para>
      <para>of aflossing van de lening belast te worden. (...) (blz.</para>
      <para>46) (...) 5.3.2. (...) De problematiek met betrekking tot</para>
      <para>de warrants bij obligatie-emissies is in wezen niet</para>
      <para>anders dan die met betrekking tot de (...) converteerbare</para>
      <para>obligatieleningen. (...)";</para>
      <para>en vervolgt in nr. 5.3.3, blzz. 50 e. v., in gelijke zin als</para>
      <para>ik hiervóór uit het opstel van Bartel in "Van Dijck Bundel"</para>
      <para>citeerde.</para>
      <para>8.26. HR 10 maart 1993, nr. 27.295, met conclusie van de</para>
      <para>toenmalige advocaat-generaal Verburg, BNB 1993/194 met noot</para>
      <para>Den Boer, onder 3.2, blz. 1419, regels 50-55, overwoog,</para>
      <para>"(...) dat de door X BV aan A NV betaalde rente bij</para>
      <para>berekening van de aan de heffing van vennootschapsbelas</para>
      <para>ting onderworpen winst van deze hier te lande gevestigde</para>
      <para>en tot hetzelfde concern behorende vennootschap in aan</para>
      <para>merking moet worden genomen. Hieruit volgt dat niet kan</para>
      <para>worden gezegd dat de aanvaarding van de verplichting tot</para>
      <para>rentebetaling heeft geleid tot een met doel en strekking</para>
      <para>van de Wet strijdige verijdeling van de belastingheffing.</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>8.27. De promotie van Van Sonderen.</para>
      <para>8.27.1. Van Sonderen, Fiscale aspecten van opties, 1993, betoogt:</para>
      <para>"(blz. 200) (...) 7.5.1. (...) (blz. 201) (...) Het recht</para>
      <para>op conversie is (...) een vergoeding uit de obligatie</para>
      <para>getrokken.57 (...) Het conversierecht komt niet los van</para>
      <para>de obligatie. (...) Het conversierecht is daarom geen in</para>
      <para>komst die bij de uitgifte van de lening door de inschrij</para>
      <para>ver wordt genoten. (...) Een voordeel uit het conversie-</para>
      <para>(blz. 202) recht is slechts vorderbaar en inbaar wanneer</para>
      <para>de obligatie wordt omgewisseld. Indien de omwisseling</para>
      <para>niet plaatsvindt, wordt nooit een inkomst genoten. (...)</para>
      <para>Op het tijdstip dat de obligatie wordt omgewisseld,</para>
      <para>geniet de houder een inkomst in natura. De waarde van de</para>
      <para>inkomst is gelijk aan de waarde van de ontvangen presta</para>
      <para>tie minus de nominale waarde van de lening. (...) (blz.</para>
      <para>252) (...) 9.2.3.4. (...) (blz. 253) (...) De uitgifte</para>
      <para>van een warrant (...) brengt voor de vennootschap geen</para>
      <para>contractuele verplichting met zich mee om tot haar vermo</para>
      <para>gen behorende goederen onder ongunstige condities af te</para>
      <para>staan. De vennootschap kan immers aan haar verplichting</para>
      <para>voldoen door aandelen te emitteren. De warrant is een</para>
      <para>kapitaalrecht. De goederen die de vennootschap ter zake</para>
      <para>van de uitgifte van de warrant ontvangt, vormen voor haar</para>
      <para>een kapitaalstorting. Dit zou slechts anders zijn indien</para>
      <para>een natuurlijk persoon werkzaamheden of diensten inbrengt</para>
      <para>zonder dat de ontvangen warrant tot zijn inkomen wordt</para>
      <para>gerekend. De voor het verrichten van arbeid ontvangen</para>
      <para>warrant behoort echter tot het inkomen van de werknemer.</para>
      <para>Ook de voor het tijdelijk ter beschikking stellen van</para>
      <para>geld ontvangen warrant behoort tot het inkomen van de</para>
      <para>geldgever. (...) (blz. 281) (...) 9.9.2. (...) (blz. 283)</para>
      <para>(...) Indien de vennootschap bij omwisseling van de</para>
      <para>converteerbare obligatie aan haar verplichting kan vol</para>
      <para>doen door aandelen te emitteren, liggen de verplichtingen</para>
      <para>uit hoofde van de converteerbare obligatie gedeeltelijk</para>
      <para>in de ondernemingssfeer en gedeeltelijk in de kapitaal</para>
      <para>sfeer van de vennootschap. (...) Voor zover de ontvangen</para>
      <para>prestatie is toe te rekenen aan het conversierecht vindt</para>
      <para>(...) een kapitaalstorting plaats. Deze kapitaalstorting</para>
      <para>kan bestaan uit het tijdelijk ter beschikking stellen van</para>
      <para>een geldsom tegen een lagere rente dan de marktrente</para>
      <para>(dienst) of uit een storting boven de nominale waarde van</para>
      <para>de obligatie (geld). (...) Bestaat de conversiepremie uit</para>
      <para>een rentevoordeel dan moet deze premie gedurende de</para>
      <para>looptijd van de obligatie ten laste van het resultaat</para>
      <para>worden gebracht. (...)"</para>
      <para>De bijbehorende noot 57 houdt in:</para>
      <para>"Voor zover mij bekend wordt het conversierecht</para>
      <para>praktijk (ten onrechte) niet in de belastingheffing bij</para>
      <para>de particuliere belegger betrokken. (...)"</para>
      <para>8.27.2. W. Brink, WFR 1993/6077, onder 2, doet verslag van de</para>
      <para>oppositie en de defensie:</para>
      <para>"(blz. 1675) (...) In de visie van Rijkers heeft</para>
      <para>warranthouder bij de uitgifte van de warrantlening, in</para>
      <para>tegenstelling tot de visie van de promovendus, geen</para>
      <para>kapitaalstorting in de vennootschap verricht. Volgens</para>
      <para>Rijkers is de warranthouder zelf nog geen kapitaalver</para>
      <para>schaffer, pas bij uitoefening van de warrant stort de</para>
      <para>warranthouder, naast de uitoefenprijs van de onderliggen</para>
      <para>de aandelen, zijn warrantbewijs op de te emitteren aande</para>
      <para>len in de hoedanigheid van kapitaalstorting. Uiteindelijk</para>
      <para>leidt de visie van Rijkers tot hetzelfde resul- (blz.</para>
      <para>1676) taat als die van de promovendus, doch dit geschiedt</para>
      <para>in de visie van Rijkers op het moment van uitoefenen van</para>
      <para>de warrant. Hierdoor wordt tevens meer recht gedaan aan</para>
      <para>de werkelijkheid. Immers, indien uiteindelijk de warrant</para>
      <para>niet wordt uitgeoefend, valt bij de vennootschap de</para>
      <para>optieverplichting vrij in de winst, doch zou in de visie</para>
      <para>van de promovendus ondanks het ontbreken van enige pres</para>
      <para>tatie door de zittende aandeelhouders het fiscaal gestor</para>
      <para>te kapitaal van de vennootschap zijn verhoogd. De promo</para>
      <para>vendus antwoordde dat in zijn visie een kapitaalstorting</para>
      <para>plaatsvindt, indien iets in de vennootschap wordt inge</para>
      <para>bracht op grond van bestaande of toekomstige vennoot</para>
      <para>schappelijke verhoudingen, en hiertegenover voor de</para>
      <para>vennootschap geen verplichtingen ontstaan tot haar vermo</para>
      <para>gen behorende goederen onder ongunstige condities af te</para>
      <para>staan. (...) De prestatie van een warranthouder wordt</para>
      <para>hierbij ingegeven door de aanwezigheid van een toekomsti</para>
      <para>ge vennootschappelijke verhouding, te weten het (poten</para>
      <para>tiële) aandeelhouderschap. (...)"</para>
      <para>8.28. De Wet van 1 november 1993, Stb. 573.</para>
      <para>8.28.1. Met ingang van 1 januari 1994 is aan art. 9, lid 1, Wet Vpb.</para>
      <para>1969 toegevoegd:</para>
      <para>"(...) i. bij een vennootschap met een (...) in aandelen</para>
      <para>verdeeld kapitaal: nieuwe aandelen in dat kapitaal,</para>
      <para>alsmede rechten om zodanige aandelen te verwerven (...),</para>
      <para>toegekend aan personeel ter zake van in de onderneming</para>
      <para>van de vennootschap (...) verrichte arbeid, een en ander</para>
      <para>voor het bedrag dat bij het personeel ter zake van die</para>
      <para>toekenning als loon in aanmerking wordt genomen (...)"</para>
      <para>8.28.2. Ter toelichting van de problematiek werd door het</para>
      <para>initiatiefnemende Tweede-Kamerlid betoogd (Memorie van toe</para>
      <para>lichting d. d. 27 oktober 1987, Bijlagen, 1987-1988 - 20.291,</para>
      <para>nr. 3):</para>
      <para>"(blz. 3) (...) 2. Het huidige belasting- en premieregime</para>
      <para>(na de opschriften 4e al.) (...) De winstuitkering in de</para>
      <para>vorm van nieuwe aandelen wordt bij de werknemer als</para>
      <para>belastbaar loon aangemerkt; als bedrag geldt daarbij de</para>
      <para>waarde van de aandelen in het economische verkeer. Hoewel</para>
      <para>deze vorm van winstuitkering bij de werknemer als loon</para>
      <para>wordt belast, mag de werkgever-vennootschap deze uitke</para>
      <para>ring niet in aftrek brengen bij de fiscale winstbepaling.</para>
      <para>(5e al.) De belastbaarheid bij de werknemer en de niet</para>
      <para>aftrekbaarheid bij de werkgever-vennootschap leiden samen</para>
      <para>tot een belasting- en premiedruk op deze uitkeringen van</para>
      <para>veelal meer dan 100%. En om volledig te zijn: daarboven</para>
      <para>op komt dan nog de last van de zgn. latente inkomstenbe</para>
      <para>lasting ter zake van dividenden, bonussen, liquidatie-</para>
      <para>uitkeringen enz. (het bedrag van de aandelenuitkering aan</para>
      <para>de werknemer wordt namelijk niet als "fiscaal erkend</para>
      <para>gestort kapitaal" aangemerkt). (...)"</para>
      <para>8.28.3. Bij de behandeling van een later, te weten op 13</para>
      <para>oktober 1988, ingediend Voorstel van Wet (1988-1989 - 20.881,</para>
      <para>nr. 2) betoogde de Staatssecretaris (Memorie van antwoord,</para>
      <para>ontvangen 7 juni 1989, nr. 6):</para>
      <para>"(blz. 7, 5e al. v. o.) Geeft een vennootschap nieuwe</para>
      <para>aandelen uit dan neemt het (eigen) vermogen van de ven</para>
      <para>nootschap toe met hetgeen zij ter zake van die uitgifte</para>
      <para>heeft bedongen. Deze vermogenstoename vormt echter geen</para>
      <para>voordeel uit onderneming - winst - maar is een voordeel</para>
      <para>uit het kapitaalverkeer met de (nieuwe) aandeelhouders</para>
      <para>als zodanig; daarbij is overigens niet van belang de</para>
      <para>hoegrootheid van hetgeen de vennootschap heeft bedongen</para>
      <para>bij de uitgifte, noch de hoedanigheid van degene aan wie</para>
      <para>het aandeel wordt uitgegeven. (4e al. v. o.) Voor zover</para>
      <para>de vennootschap zich nu een voordeel laat ontgaan binnen</para>
      <para>het kapitaalverkeer met de (nieuwe) aandeelhouders als</para>
      <para>zodanig, door minder (agio) te bedingen dan mogelijk is,</para>
      <para>kan dat gemis dan ook geen negatief voordeel uit onderne</para>
      <para>ming vormen, ook al houdt dit "offer" in de kapitaalsfeer</para>
      <para>verband met de uitoefening van de onderneming. Het ver</para>
      <para>strekken van opties op door de vennootschap uit te geven</para>
      <para>aandelen, ongeacht aan wie of waarom en ongeacht tegen</para>
      <para>welke koers, raakt derhalve alleen de kapitaalsfeer van</para>
      <para>de vennootschap. (blz. 8, 1e al.) (...) De optieverlening</para>
      <para>kan (...) tot een verlies aan potentiële inkomsten lei</para>
      <para>den. Dit is echter niet een verlies voor de vennootschap,</para>
      <para>doch voor de reeds aanwezige aandeelhouders. De (...)</para>
      <para>door de vennootschap aangegane verplichting [houdt] niet</para>
      <para>meer [in] dan dat het bij een toekomstige emissie te</para>
      <para>bedingen agio wordt gefixeerd. (...) een dergelijke</para>
      <para>verplichting [ligt] in de kapitaalsfeer, zodat deze de</para>
      <para>verlies- en winstrekening niet raakt. (...)"</para>
      <para>8.28.4. Vervolgens werd art. 9, lid 1, letter i, Wet Vpb. 1969</para>
      <para>als volgt toegelicht (Toelichting bij nader gewijzigd voorstel</para>
      <para>van wet d. d. 15 februari 1993, vergaderjaar 1992-1993 -</para>
      <para>20.291, nr. 11, blz. 13, Artikel III):</para>
      <para>"(2e al.) Daarmee wordt een einde gemaakt aan de discus</para>
      <para>sie rond de arresten van de Hoge Raad, BNB 1956/244 en</para>
      <para>BNB 1978/252 en wordt aangesloten bij de overheersende</para>
      <para>opvatting met betrekking tot dit vraagstuk (vgl. bijvoor</para>
      <para>beeld: Geschriften van de Vereniging voor Belastingweten</para>
      <para>schap, No. 187, 4.2.2.). (3e al.) Opgemerkt dient te</para>
      <para>worden dat deze aftrek ook van toepassing is met betrek</para>
      <para>king tot aandelen die als loon worden verstrekt aan een</para>
      <para>lichaam, bijvoorbeeld een werknemersvereniging, die deze</para>
      <para>aandelen ten gunste van en voor rekening van de werkne</para>
      <para>mers houdt. Geen aftrek is dus mogelijk ingeval de ver</para>
      <para>eniging de aandelen voor zich zelf houdt en deze dus niet</para>
      <para>in handen van de werknemers komen (vgl. BNB 1984/231).</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>8.29. J. A. G. van der Geld, Fiscaal ondernemingsrecht, novem</para>
      <para>ber 1993, betoogt (onder 2.2.1.1):</para>
      <para>"(blz. 184) De converteerbare obligatielening (...)</para>
      <para>mag mijns inziens niet méér rente op de fiscale winst in</para>
      <para>mindering worden gebracht dan de daadwerkelijk door de</para>
      <para>debitrice betaalde rente. Met name is het niet geoorloofd</para>
      <para>de rente, zoals die voor een gewone obligatielening</para>
      <para>geweest zou zijn, op het fiscale resultaat in mindering</para>
      <para>te brengen. Wel kan de vennootschap - met een beroep op</para>
      <para>de resolutie die de staatssecretaris voor de warrantle</para>
      <para>ning heeft uitgevaardigd (...) - materieel hetzelfde</para>
      <para>resultaat bereiken door de obligatielening voor haar</para>
      <para>contante waarde op haar fiscale balans op te nemen. (...)</para>
      <para>Het verschil tussen deze contante waarde en de nominale</para>
      <para>waarde, die ontvangen wordt van de obligatiehouder, vormt</para>
      <para>voor de emitterende vennootschap geen winst maar infor</para>
      <para>meel kapitaal. Dit is informeel kapitaal dat naar mijn</para>
      <para>mening geacht moet worden gestort te zijn door de zitten</para>
      <para>de aandeelhouders en niet door de eventuele toekomstige</para>
      <para>aandeelhouders. (...) Indien conversie immers rationeel</para>
      <para>(blz. 185) is, staan de zittende aandeelhouders een deel</para>
      <para>van hun rechten af aan de nieuwe aandeelhouders. De</para>
      <para>zittende aandeelhouders brengen derhalve een offer dat de</para>
      <para>emitterende vennootschap in staat stelt te lenen tegen</para>
      <para>een lagere rente dan de marktrente. Hier doet zich dus in</para>
      <para>de winstberekening de invloed gevoelen van de (zittende)</para>
      <para>aandeelhouders als zodanig. 54 (...)"</para>
      <para>De bijbehorende noot 54 houdt in:</para>
      <para>"Het offer van de zittende aandeelhouders bedraagt</para>
      <para>waarde van het nadeel dat zij lijden als gevolg van de</para>
      <para>kans dat de converteerbare obligatiehouders converteren.</para>
      <para>Indien later eventueel blijkt dat niet geconverteerd</para>
      <para>wordt, is dit een gebeurtenis die zich in deze visie af</para>
      <para>speelt in de kapitaalsfeer van de vennootschap. A. C.</para>
      <para>Rijkers heeft in zijn oppositie bij de promotie van J. C.</para>
      <para>M. van Sonderen (...) een wat andere visie verdedigd. Hij</para>
      <para>wil bij uitgifte van een warrantlening (die op dit punt</para>
      <para>vergelijkbaar is met een converteerbare obligatielening)</para>
      <para>nog geen informeel kapitaal constateren, maar een optie</para>
      <para>verplichting, die ook als zodanig op de fiscale balans</para>
      <para>gepassiveerd wordt. Pas bij eventuele uitoefening van het</para>
      <para>optierecht wil Rijkers informeel kapitaal boeken (en</para>
      <para>vervalt de optieverplichting). Indien het optierecht niet</para>
      <para>uitgeoefend wordt, valt in zijn visie de optieverplich</para>
      <para>ting vrij in de fiscale winst. De zittende aandeelhouders</para>
      <para>hebben dan de facto immers ook geen offer gebracht.</para>
      <para>Rijkers komt dus (in geval van uitoefening van het optie</para>
      <para>recht) uiteindelijk ook terecht in de kapitaalsfeer van</para>
      <para>de vennootschap, maar meestal voor andere bedragen, omdat</para>
      <para>hij gedurende de looptijd van het conversierecht de</para>
      <para>relatie met de winstsfeer laat bestaan."</para>
      <para>8.30. S. R. A. van Eijck, WFR 1994/6129, blz. 1768, onder 7.3,</para>
      <para>betoogt:</para>
      <para>"(...) Verplichte conversie (...) indien de plicht tot</para>
      <para>conversie bestaat (...) doet zich een aantal complicaties</para>
      <para>voor. (...) In de eerste plaats dient de vraag te worden</para>
      <para>beantwoord in hoeverre in een dergelijke situatie nog</para>
      <para>gesproken kan worden van het verschaffen van vreemd</para>
      <para>vermogen. (...) bij de kwalificatie tot eigen vermogen</para>
      <para>[geldt] dat er geen plaats is voor het belasten van een</para>
      <para>verschil tussen de contante waarde van de toekomstige</para>
      <para>opbrengsten en de nominale waarde (de waarde van het</para>
      <para>recht van conversie), terwijl dit bij de kwalificatie tot</para>
      <para>vreemd vermogen naar mijn mening wel het geval is en het</para>
      <para>recht van conversie dient te worden aangemerkt, overeen</para>
      <para>komstig de fiscale behandeling van de niet-verplicht te</para>
      <para>converteren converteerbare obligatie, als inkomsten in</para>
      <para>natura. (...)"</para>
      <para>8.31. HR 19 juni 1996, nr. 30.045, met mijn conclusie, BNB</para>
      <para>1996/299 met noot Van der Geld&amp;lt;(18)                   Vakstudie Nieuws 11 juli 1996, blz.</para>
      <para>2631, punt 20; FED 1996/713 met noot P. Fortuin; De NV,</para>
      <para>augustus 1996, blz. 216 met noot H. G. M. Dijstelbloem.&amp;gt;.</para>
      <para>8.31.1. Ik betoogde (blz. 2458):</para>
      <para>"(...) -4.8. De constatering dat de nieuwe aandeelhouder</para>
      <para>in de inkomstenbelasting betrokken kan worden, recht</para>
      <para>vaardigt het totale bedrag dat hij op de aandelen stort,</para>
      <para>bij de vennootschap als kapitaal aan te merken, namelijk</para>
      <para>ten dele als vennootschapsrechtelijk gestort kapitaal</para>
      <para>(het nominale bedrag van het aandeel) en ten dele als</para>
      <para>informeel gestort kapitaal (dat in dit geval wel agio</para>
      <para>genoemd mag worden). -4.9. Maar aangezien het door de</para>
      <para>obligatiehouder genoten en bij hem belaste voordeel ten</para>
      <para>laste van de vennootschap is gekomen, rechtvaardigt zulks</para>
      <para>ook dat het tegelijkertijd ten laste van de winst van de</para>
      <para>vennootschap gebracht wordt. -4.10. Hetgeen nu geldt voor</para>
      <para>obligatiehouders die particuliere natuurlijke personen</para>
      <para>zijn, geldt a fortiori voor andere obligatiehouders.</para>
      <para>(...)";</para>
      <para>en concludeerde tot vernietiging van de bestreden uitspraak.</para>
      <para>8.31.2. Uw Raad overwoog (blz. 1452, regels 4-17):</para>
      <para>"-3.4. De debiteur van een converteerbare obligatielening</para>
      <para>is verplicht - naast de periodieke rentevergoeding - de</para>
      <para>hoofdsom van de lening volgens de overeengekomen voorwaar</para>
      <para>den aan de crediteur te betalen; indien de crediteur van</para>
      <para>zijn conversierecht gebruik maakt, wordt als regel diens</para>
      <para>stortingsplicht ter zake van de door de debiteur aan hem</para>
      <para>uitgegeven aandelen in de debiteur geheel of ten dele</para>
      <para>verrekend met zijn recht op betaling van de hoofdsom. Dit</para>
      <para>brengt mee dat het conversierecht geacht moet worden deel</para>
      <para>uit te maken van het in de obligatie beli chaamde</para>
      <para>vermogensrecht. Hieruit vloeit voort dat voor de</para>
      <para>berekening van de inkomsten uit vermogen van de houder</para>
      <para>van de obligatie slechts de feitelijk als rente ontvangen</para>
      <para>bedragen - en dus niet enig bedrag voor het conversie</para>
      <para>recht - in aanmerking worden genomen. Een redelijke wets</para>
      <para>toepassing, die mede recht doet aan de samenhang die er</para>
      <para>dient te bestaan tussen de heffing van inkomsten- en</para>
      <para>vennootschapsbelasting, brengt dan mee dat ook bij de</para>
      <para>bepaling van de winst van de debiteur van een dergelijke</para>
      <para>obligatie slechts de feitelijk als rente betaalde bedra</para>
      <para>gen - en dus niet enig bedrag voor het conversierecht -</para>
      <para>als kosten worden aangemerkt. 's Hofs beslissing is</para>
      <para>derhalve juist, zodat het middel niet tot cassatie kan</para>
      <para>leiden."</para>
      <para>(in gelijke zin HR 19 juni 1996, nr. 30.046, met mijn conclu</para>
      <para>sie, BNB 1996/300 met noot Van der Geld&amp;lt;(19)                   Vakstudie Nieuws 11 juli 1996, blz.</para>
      <para>2635, punt 21; FED 1996/712 met noot Fortuin; De NV</para>
      <para>alsvoren.&amp;gt;).</para>
      <para>8.31.3. Van der Geld annoteerde (onder 1, blz. 2472, regels 9-27):</para>
      <para>"(...) Het (...) onjuiste in de motivering van de Hoge</para>
      <para>Raad is, dat het feit dat het conversierecht vermogens</para>
      <para>rechtelijk onzelfstandig is, voldoende argument zou zijn</para>
      <para>om het conversierecht als onderdeel van de bron te zien</para>
      <para>en niet als vrucht van de bron. (...) Het blijkt (...)</para>
      <para>dat een privaatrechtelijk kenmerk doorslaggevend wordt</para>
      <para>gevonden voor de fiscale duiding met als resultaat een</para>
      <para>duidelijk van de economische realiteit afwijkende belas</para>
      <para>tingheffing! Ook kan men er serieus aan twijfelen of de</para>
      <para>beslissing van de Hoge Raad, dat het conversierecht</para>
      <para>onbelast is bij de particuliere obligatiehouder, wel</para>
      <para>spoort met de bedoeling van de wetgever. Die heeft immers</para>
      <para>(...) bewust in art. 24 niet belast verklaard de vruchten</para>
      <para>die uit een bron worden getrokken, maar de term "voorde</para>
      <para>len getrokken uit" gebezigd omdat het inkomstenbegrip van</para>
      <para>art. 24 anders te beperkt (civielrechtelijk) zou kunnen</para>
      <para>worden opgevat."</para>
      <para>8.31.4. Fortuin annoteerde (onder 7.1, blz. 2553):</para>
      <para>"(blz. 2553) (...) 7.1. (...) Mij spreekt het oordeel van</para>
      <para>de Hoge Raad (...) niet aan. Zowel de geldgever als de  ge</para>
      <para>ldnemer komen een rentepercentage over de nominale waarde</para>
      <para>overeen, dat meestal lager is dan de marktrente.</para>
      <para>Het conversierecht is door beide partijen bedoeld mede  ee</para>
      <para>n vergoeding te zijn voor de terbeschikkingstelling van</para>
      <para>een hoofdsom (tevens nominale waarde) gedurende een</para>
      <para>bepaalde periode. Daarmee kan mijns inziens het voordeel</para>
      <para>uit hoofde van een conversierecht worden gekwalificeerd</para>
      <para>als een rente en als zodanig bij conversie in de inkom</para>
      <para>stenbelasting worden betrokken. (...)"</para>
      <para>8.32. HR 19 juni 1996, nr. 30.355, met mijn conclusie, BNB</para>
      <para>1996/301 met noot Van der Geld&amp;lt;(20)                   FED 1996/714 met noot Fortuin.&amp;gt;, overwoog:</para>
      <para>"(blz. 2483, van regel 47 af) -3.1. (...) De grootmoeder</para>
      <para>vennootschap van belanghebbende kent optierechten op</para>
      <para>certificaten van aandelen in die vennootschap toe aan de</para>
      <para>werknemers van belanghebbende, waarvoor die werknemers</para>
      <para>bij toekenning 7,5% van de uitoefenprijs betalen en waar</para>
      <para>voor zij van belanghebbende, al dan niet belastingvrij,</para>
      <para>een vergoeding ontvangen. (blz. 2484, tot en met regel</para>
      <para>21) Belanghebbende verrekent de vergoeding en de betaalde</para>
      <para>prijs met de werknemers; zij draagt het bedrag van de</para>
      <para>betaalde prijs af aan de grootmoedervennootschap. (...)</para>
      <para>3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat aan werknemers toege</para>
      <para>kende gratificaties loon vormen dat als zodanig ten laste</para>
      <para>van de winst mag worden gebracht, ook indien die gratifi</para>
      <para>caties worden toegekend in samenhang met en met het oog</para>
      <para>op de betaling van aan die werknemers toegekende optie</para>
      <para>rechten, en dat zulks niet anders wordt indien de toege</para>
      <para>kende optierechten certificaten van aandelen betreffen en</para>
      <para>evenmin indien de optierechten binnen het concern tegen</para>
      <para>over de grootmoedervennootschap moeten worden uitgeoe</para>
      <para>fend. (...) 3.4. (...) Door te oordelen dat aan werkne</para>
      <para>mers toegekende gratificaties loon vormen, dat als zoda</para>
      <para>nig ten laste van de winst mag worden gebracht, heeft het</para>
      <para>Hof op goede gronden een juiste beslissing gegeven."</para>
      <para>8.33. HR 16 oktober 1996, nr. 31.589, BNB 1997/47 met noot Van der</para>
      <para>Geld&amp;lt;(21)                   Vakstudie Nieuws 7 november 1996,</para>
      <para>blz. 4282, punt 20.&amp;gt;.</para>
      <para>8.33.1. Uw Raad overwoog (blz 362, regels 18-44):</para>
      <para>"-3.1. (...) Belanghebbende heeft (...) ten titel van</para>
      <para>arbeidsbeloning aan (...) haar werknemers het recht ver</para>
      <para>leend (...) deel te nemen aan een uitgifte van (...)</para>
      <para>nieuwe aandelen (...) Bij de uitoefening van de optie</para>
      <para>rechten (...) heeft belanghebbende (...) minder aan</para>
      <para>storting ontvangen dan het geval zou zijn geweest indien</para>
      <para>de aandelen ter beurze waren uitgegeven. (...) -3.3.</para>
      <para>(...) De waarde van aan werknemers toegekende vergoedin</para>
      <para>gen, in welke vorm ook, dient als ondernemingskosten te</para>
      <para>worden aangemerkt. De verplichting, ontstaan door de</para>
      <para>toekenning van de onderhavige optierechten, kan derhalve</para>
      <para>(...) als zodanig ten laste van de winst worden gebracht.</para>
      <para>Voor een bepaling van de waarde overeenkomstig de voor de</para>
      <para>loonbelasting geheven waarderingsvoorschriften bestaat in</para>
      <para>het onderhavige jaar geen goede grond."</para>
      <para>8.33.2. Van der Geld annoteerde&amp;lt;(22)                   Cursiveringen van Van der Geld.&amp;gt;:</para>
      <para>"(blz. 364, van regel 3 af) -1. (...) Terecht rekent</para>
      <para>Hoge Raad in het onderhavige arrest kort maar krachtig af</para>
      <para>met zijn leer uit BNB 1956/244. (...) Als het loon is -</para>
      <para>en dat is het indien de aandelen zijn toegekend aan een</para>
      <para>werknemer in die hoedanigheid - dan dient ook voor de ven</para>
      <para>nootschapsbelastingheffing sprake te zijn van</para>
      <para>loon(kosten). (...) -2. (...) Het is in het systeem van</para>
      <para>de vennootschapsbelasting slechts nodig om de winst van</para>
      <para>de vennootschap te ontdoen van de invloed van het aan</para>
      <para>deelhouderschap als zodanig. Indien de aandeelhouder der</para>
      <para>halve duidelijk niet handelt in zijn hoedanigheid van</para>
      <para>aandeelhouder maar bijvoorbeeld als leverancier (...), is</para>
      <para>er geen enkele reden passivering van de winstverplichting</para>
      <para>(...) niet toe te staan. (...) Of de aandeelhouder han</para>
      <para>delt in zijn hoedanigheid van aandeelhouder dient mijns</para>
      <para>inziens louter te worden bepaald aan de hand van de</para>
      <para>overeengekomen prijs tussen vennootschap en aandeelhou</para>
      <para>der. Als die at armth's length is, is er mijns inziens</para>
      <para>geen te elimineren invloed (blz. 365, tot en met regel</para>
      <para>33) van het aandeelhouderschap. Ook niet indien de tegen</para>
      <para>prestatie de vorm heeft van een winstrecht. (...) -3. Ook</para>
      <para>indien de Hoge Raad aan aandeelhouders uitgegeven aande</para>
      <para>len(optierechten) nodeloos afwijkend zou blijven behande</para>
      <para>len (...), behoeft dat niet te betekenen dat diezelfde</para>
      <para>behandeling ten deel valt aan aandelen(optierechten)</para>
      <para>uitgegeven aan potentiële aandeelhouders, die vooralsnog</para>
      <para>echter niet meer zijn dan crediteur. (...) De warrant</para>
      <para>houder wordt van crediteur pas aandeelhouder als hij van</para>
      <para>het in de warrant belichaamde optierecht gebruik maakt.</para>
      <para>Vanaf dat moment is hij geen crediteur meer maar aandeel</para>
      <para>houder. Vóór dat moment is hij echter nog geen aandeel</para>
      <para>houder. Daarom zou het onderhavige arrest mijns inziens</para>
      <para>ook van toepassing dienen te zijn op de aan crediteuren</para>
      <para>uitgegeven aandelenoptierechten in de vorm van warrants</para>
      <para>verbonden aan een warrantlening. (...) Dat de Hoge Raad</para>
      <para>deze consequentie niet trekt voor de converteerbare</para>
      <para>obligatielening ((...) BNB 1996/299 en 300), wordt ver</para>
      <para>oorzaakt door de door hem gewenste samenhang tussen de</para>
      <para>inkomsten- en de vennootschapsbelasting in combinatie met</para>
      <para>de opvatting dat ter zake van het conversierecht bij de</para>
      <para>particuliere houder van een converteerbare obligatie</para>
      <para>niets belast is voor de inkomstenbelasting. [Ik] ben het</para>
      <para>met deze conclusie van de Hoge Raad niet eens. (...)"</para>
      <para>9. Beoordeling van de cassatieklacht.</para>
      <para>9.1. De arresten van 1996 kunnen in de thans te beslissen zaak</para>
      <para>tot op zekere hoogte als richtinggevend worden aanvaard. Zij</para>
      <para>wijzen namelijk uit dat hetgeen tussen de obligatiehouders en</para>
      <para>de geldnemer wordt bedongen, beslissend is, en niet het ten</para>
      <para>tijde van de uitgifte van de obligaties geldende rentepeil.</para>
      <para>9.2. Daardoor wordt bereikt dat bij converteerbare obligaties</para>
      <para>zowel voor de inkomstenbelastingheffing ten laste van de</para>
      <para>obligatiehouders als voor de vennootschapsbelastingheffing ten</para>
      <para>laste van de geldnemer de werkelijke betalingen beslissend</para>
      <para>zijn en schattingen van overige voordelen enerzijds en offers</para>
      <para>anderzijds achterwege kunnen blijven.</para>
      <para>9.3. Nu doen de LIONS in menig opzicht aan converteerbare</para>
      <para>obligaties denken, maar beslissend lijkt mij daarentegen dat</para>
      <para>de nominale waarde van de obligaties van begin tot eind een</para>
      <para>geldschuld van de geldnemer is en blijft. Dat bedrag wordt bij</para>
      <para>de uitgifte van de LIONS geïncasseerd en bij de aflossing</para>
      <para>teruggegeven.</para>
      <para>9.4. Daarmee is de inhoud van het in de arresten van 19 juni</para>
      <para>1996, nrs. 30.045/6, bedoelde "vermogensrecht" omschreven.</para>
      <para>9.5. Wat verder door de obligatiehouders van de geldnemer</para>
      <para>wordt verkregen, kan niet anders beschouwd worden dan als op</para>
      <para>brengst van dat vermogensrecht.</para>
      <para>9.6. Derhalve ligt bij de LIONS het conversierecht (tevens de</para>
      <para>conversieplicht) in de opbrengst-sfeer.</para>
      <para>9.7. De particuliere obligatiehouders ontvangen dus als inkom</para>
      <para>sten uit vermogen in de jaren 1988 tot en met 1996 telkens één</para>
      <para>certificaat en in 1997 twee certificaten, elk met een nominale</para>
      <para>waarde van ƒ 10,- en (met aan zekerheid grenzende waarschijn</para>
      <para>lijkheid) een veel hogere werkelijke waarde.</para>
      <para>9.8. Ik moge ermee volstaan als mijn mening te geven - zulks</para>
      <para>in overeenstemming met hetgeen de partijen klaarblijkelijk</para>
      <para>voor het Hof hebben aangenomen - dat de particuliere obligatie</para>
      <para>houders telkenjare in de inkomstenbelasting betrokken behoren</para>
      <para>te worden voor de waarde in het economische verkeer van de</para>
      <para>verkregen certificaten.</para>
      <para>9.9. Zulks brengt mee - in de lijn van de jurisprudentie - dat</para>
      <para>het verschil tussen de bedoelde waarde en het nominale bedrag</para>
      <para>van ƒ 10,- bij de belanghebbende als agio geboekt kan worden.</para>
      <para>9.10. Zulks brengt eveneens mee dat de bedoelde waarde van de</para>
      <para>certificaten ten laste van de winst van de belanghebbende komt</para>
      <para>als kosten/lasten van de geldlening.</para>
      <para>9.11. Daarmee staat evenwel nog niet vast op welke wijze een</para>
      <para>en ander in aanmerking genomen moet worden voor de jaarwinst</para>
      <para>berekening van de belanghebbende.</para>
      <para>9.11.1. Mij dunkt dat de tot zover gemaakte analyse uitwijst</para>
      <para>dat de door de belanghebbende uitgegeven obligatielening op</para>
      <para>één lijn staat met een obligatielening tegen een zakelijke rente</para>
      <para>in geld.</para>
      <para>9.11.2. Het ligt voor de hand de daaruit voortvloeiende ver</para>
      <para>plichting meteen bij de uitgifte te passiveren voor het nomi</para>
      <para>nale bedrag, zoals dat ook zou gebeuren met een normale geld</para>
      <para>lening tegen een normale rente. Uit dezen hoofde wordt dus bij</para>
      <para>de uitgifte noch winst behaald, noch verlies geleden.</para>
      <para>9.11.3. De verplichting in volgende jaren rente te betalen</para>
      <para>staat tegenover de voordelen die de geldnemer verkrijgt door</para>
      <para>het geleende geld in haar onderneming aan te wenden.</para>
      <para>9.11.4. Goed koopmansgebruik staat, dunkt mij, toe die rente</para>
      <para>last bij de geldnemer in aanmerking te nemen "van dag tot</para>
      <para>dag", zodat 11½ maand "rente" ten laste van het resultaat over</para>
      <para>1987 gebracht kan worden.</para>
      <para>9.11.5. Als de geldnemer deze gedragslijn wenst te volgen, zal</para>
      <para>hij, dunkt mij, bij de berekening dienen uit te gaan van de</para>
      <para>beurskoers per ultimo 1987.</para>
      <para>9.12. Het vorenstaande wijst uit dat het Hof de aanslag lager</para>
      <para>heeft vastgesteld dan juist is.</para>
      <para>9.13. De klacht van de Staatssecretaris gaat dus op.</para>
      <para>10. De te nemen beslissing.</para>
      <para>Uw Raad zou na vernietiging van 's Hofs uit</para>
      <para>spraak de zaak ten principale kunnen afdoen overeenkomstig de</para>
      <para>berekening in het vertoogschrift in cassatie, die immers voor</para>
      <para>1987 opgaat.</para>
      <para>11. Conclusie.</para>
      <para>De cassatieklacht gegrond bevindende,</para>
      <para>concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak en</para>
      <para>van de uitspraak van de Inspecteur, tot vermindering van de</para>
      <para>aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ</para>
      <para>22.917.927,- en tot dienovereenkomstige vaststelling van de</para>
      <para>heffingsrente.</para>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>