<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA2810</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T20:52:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA2810</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-06-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">33996</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA2810" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2810</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002672&amp;artikel=8&amp;g=1999-06-30">Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002672&amp;artikel=10&amp;g=1999-06-30">Wet op de vennootschapsbelasting 1969 10</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2001/139 met annotatie van A.H.M. Daniels</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/424</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2000/96</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1999/921</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1999/31.26</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2810">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2810</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:46:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2810 Parket bij de Hoge Raad , 30-06-1999 / 33996</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2810:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2810:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 33.996                   Mr Van Soest</para>
      <para>Derde Kamer A                Conclusie inzake:</para>
      <para>Vennootschapsbelasting 1990  X B.V.</para>
      <para>Parket, 29 januari 1999      tegen</para>
      <para>de staatssecretaris van Financiën</para>
      <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
      <para>1. Korte beschrijving van de zaak.</para>
      <para>1.1. Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke</para>
      <para>uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam (hierna te noemen</para>
      <para>het Hof) van 3 december 1997, nr. P96/4527. Het is ingesteld</para>
      <para>door de belanghebbende, X B.V. Van het beroep in cassatie is</para>
      <para>melding gemaakt in Vakstudie Nieuws 30 juli 1998, afl. 36,</para>
      <para>blz. 3048, punt 1.2.</para>
      <para>1.2. De belanghebbende behoort tot het concern van de in het</para>
      <para>Verenigd Koninkrijk gevestigde A plc (hierna te noemen de</para>
      <para>moeder), maar behartigde tot en met 1987 geen activiteiten.</para>
      <para>1.3. In 1987 verwierf de moeder het belang in de te R (Ver</para>
      <para>enigde Staten van Amerika) gevestigde B Company (hierna te</para>
      <para>noemen Advertising) en daarmee middellijk alle aandelen in de</para>
      <para>in Nederland gevestigde dochtermaatschappij van Advertising,</para>
      <para>te weten C B.V. (hierna te noemen Advertising BV), die in</para>
      <para>Nederland een reclamebureau dreef.</para>
      <para>1.4. Nadat nog in 1987 daartoe strekkende onderhandelingen waren</para>
      <para>geopend, heeft de belanghebbende op 24 mei 1988 de aandelen in</para>
      <para>E B.V. (hierna te noemen Reclamebureau BV) gekocht voor een op</para>
      <para>die datum te betalen prijs van ƒ 60 miljoen, te vermeerderen</para>
      <para>met in volgende jaren, afhankelijk van de in de jaren tot en</para>
      <para>met 1992 te behalen winsten, te verrichten betalingen tot</para>
      <para>maximaal ƒ 75 miljoen. Verder (ik citeer de bestreden</para>
      <para>uitspraak, onder 2.7, blz. 5)</para>
      <para>"(...) is in de koopovereenkomst bepaald - dat de kopers</para>
      <para>er voor zullen zorgen dat Reclamebureau B.V. tot tenmin</para>
      <para>ste 31 december 1992 "shall be operated on a day to day</para>
      <para>basis as an autonomous group of companies" onder leiding</para>
      <para>van het oude management (...). - dat de verkopers van de</para>
      <para>aandelen Reclamebureau B.V. gedurende zeven jaren niet</para>
      <para>"either on his own account or in conjunction with</para>
      <para>behalf of any person, carry on, be engaged, concerned or</para>
      <para>interested in carrying on any business" die in concurren</para>
      <para>tie treedt met de overgenomen vennootschap (...)"</para>
      <para>1.5. Tevens werden de aandelen in Advertising BV voor ƒ 1,-</para>
      <para>overgedragen aan Reclamebureau BV.</para>
      <para>1.6. De aandelen in Reclamebureau BV zijn door de desbetref</para>
      <para>fende verkopers in 1988 aan de belanghebbende geleverd.</para>
      <para>1.7. Met ingang van 1 januari 1989 vormt de belanghebbende met</para>
      <para>Reclamebureau BV en Advertising BV een fiscale eenheid voor de</para>
      <para>heffing van vennootschapsbelasting.</para>
      <para>1.8. Uit hoofde van het beding van de winstafhankelijke toebe</para>
      <para>taling heeft de belanghebbende in 1989 en in 1990 telkens</para>
      <para>ƒ 3.400.000,- aan de verkopers betaald. Uiteindelijk is in totaal</para>
      <para>het maximale bedrag van</para>
      <para>ƒ (60.000.000 + 75.000.000 =) 135.000.000,- door de belangheb</para>
      <para>bende betaald.</para>
      <para>1.9. In 1995 zijn de moeder en de belanghebbende het erover</para>
      <para>eens geworden dat over 1988 tot en met 1992 management service</para>
      <para>fees zouden worden betaald aan Advertising en B Ltd. (hierna</para>
      <para>te noemen Advertising Ltd.).</para>
      <para>1.10. In geschil is of voor de heffing ten laste van de be</para>
      <para>langhebbende van vennootschapsbelasting 1990 (ik onderscheid</para>
      <para>de geschilpunten met behulp van de kleine letters, door het</para>
      <para>Hof, onder 3, blz. 11, gebruikt) (a + b) ter zake van de</para>
      <para>aankoop van de aandelen in Reclamebureau BV een bedrag ten</para>
      <para>laste van de winst gebracht behoort te worden; (c) management</para>
      <para>service fees ten laste van de winst gebracht behoren te wor</para>
      <para>den.</para>
      <para>1.11. Het Hof heeft het geschil in beide opzichten in het</para>
      <para>nadeel van de belanghebbende beslecht.</para>
      <para>1.12. Het beroep in cassatie is in overeenstemming met de</para>
      <para>desbetreffende voorschriften ingesteld. Het steunt op zes, met</para>
      <para>Arabische cijfers genummerde, middelen van cassatie, waarvan</para>
      <para>middel 1 uit twee, met hoofdletters aangeduide, middel 2 uit</para>
      <para>vier, met Arabische cijfers genummerde, en middel 4 uit zeven,</para>
      <para>met Arabische cijfers genummerde, onderdelen bestaat en waar</para>
      <para>van middelonderdeel 1A uit zes, met hoofdletters aangeduide,</para>
      <para>subonderdelen bestaat.</para>
      <para>1.13. De staatssecretaris van Financiën (hierna te noemen de</para>
      <para>Staatssecretaris) heeft bij vertoogschrift in cassatie de</para>
      <para>middelen bestreden.</para>
      <para>1.14. De zaak is op 2 december 1998 voor de belanghebbende be</para>
      <para>pleit door prof. mr Ch. J. Langereis, advocaat te Amsterdam.</para>
      <para>1.15. Min of meer verwante zaken, betreffende andere belasting</para>
      <para>plichtigen, zijn bij Uw Raad aanhangig onder nrs. 33.122 en</para>
      <para>33.221. In die zaken nam ik conclusie op 1 december 1998. Van</para>
      <para>de conclusies is melding gemaakt in Fiscaal up to date (Futd)</para>
      <para>29 december 1998, blz. 43&amp;lt;(1)Vakstudie Nieuws 31 december 1998, blz. 5124, punt 1.3,</para>
      <para>onderscheidenlijk blz. 5132, punt 1.7.&amp;gt;.</para>
      <para>2. Onzekere elementen bij vervreemding en verkrijging van</para>
      <para>vermogensbestanddelen.</para>
      <para>2.1. HR 25 november 1942, Beslissingen in belastingzaken (B.)</para>
      <para>7578, blz. 683, overwoog voor de toepassing van het Besluit op</para>
      <para>de Winstbelasting 1940,</para>
      <para>"(...) dat de raad van beroep, die uit (...) de (...)</para>
      <para>statuten van belanghebbende heeft kunnen afleiden, dat de</para>
      <para>verplichtingen van belanghebbende tegenover de houders</para>
      <para>der (...) winstbewijzen (...) slechts verplichtingen</para>
      <para>(...) zijn met betrekking tot de verdeeling van de door</para>
      <para>belanghebbende te maken winst, op dien grond terecht</para>
      <para>heeft beslist, dat bedoelde verplichtingen niet behooren</para>
      <para>tot de schulden, welke bij de vaststelling van het vermo</para>
      <para>gen van belanghebbende als passiva in aanmerking mogen</para>
      <para>worden genomen; dat (...) niet (...) de omstandigheid,</para>
      <para>dat (...) de uitgifte de bedongen tegenpraestatie zou</para>
      <para>zijn van aan belanghebbende overgedragen activa, zou</para>
      <para>kunnen meebrengen, dat (...) zich een schuld aan de</para>
      <para>houders der winstbewijzen zou voordoen (...)"</para>
      <para>2.2. Art. 10 Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 (Besluit IB</para>
      <para>1941), oorspronkelijke tekst, hield in (ik nummer waar daar</para>
      <para>aanleiding toe is, de volzinnen):</para>
      <para>"1. Bij het berekenen van het (...) bedrijfs- of beroeps</para>
      <para>vermogen (...) worden de activa en passiva in aanmerking</para>
      <para>genomen (...) volgens goed koopmansgebruik, met inachtne</para>
      <para>ming van hetgeen in de volgende leden is bepaald. 2. (1e</para>
      <para>volzin) De activa worden ten minste op de werkelijke</para>
      <para>aanschaffings- en voortbrengingskosten gewaardeerd. (3e</para>
      <para>volzin) Waardeering op een lager bedrag (...) is (...)</para>
      <para>geoorloofd, voor zoover en zoolang de bedrijfswaarde</para>
      <para>(...) lager is. (...)"</para>
      <para>2.3. HR 23 januari 1952, B. 9156, blz. 764, overwoog voor de</para>
      <para>heffing van inkomstenbelasting 1947,</para>
      <para>"(...) dat (...) zolang de goedkeuring van het Prijzenbu</para>
      <para>reau niet was verkregen, nog onzekerheid bleef bestaan</para>
      <para>omtrent de vraag of en, zo ja, tegen welken prijs de</para>
      <para>overdracht uiteindelijk haar beslag zou krijgen; dat bij</para>
      <para>deze onzekerheid goed koopmansgebruik er niet toe dwong</para>
      <para>de overdrachtswinst reeds in aanmerking te nemen als in</para>
      <para>het boekjaar 1946-1947 genoten, doch het met goed koop</para>
      <para>mansgebruik zeer wel verenigbaar was bedoelde winst toe</para>
      <para>te rekenen aan het boekjaar, waarin de overeenkomst tot</para>
      <para>overdracht door de goedkeuring van het Prijzenbureau de</para>
      <para>door partijen gewilde werking kon teweegbrengen (...)"</para>
      <para>2.4. HR 26 maart 1952, B. 9207, blz. 25, overwoog,</para>
      <para>"(...) dat de (...) overeenkomst van koop en verkoop van</para>
      <para>de (...) dokterswoning is gesloten onder (...) voorwaar</para>
      <para>den [en] van deze voorwaarden er op 31 December 1948 nog</para>
      <para>geen in vervulling was gegaan; dat moge nu al (...) op</para>
      <para>evengenoemden datum een redelijke kans aanwezig zijn</para>
      <para>geweest, dat voormelde voorwaarden zouden worden vervuld,</para>
      <para>toch zolang haar vervulling niet vaststond, onzekerheid</para>
      <para>bleef bestaan omtrent de vraag of de overdracht van de</para>
      <para>dokterswoning tegen den overeengekomen prijs inderdaad</para>
      <para>haar beslag zou krijgen; dat bij die onzekerheid goed</para>
      <para>koopmansgebruik stellig toeliet de uit de overeenkomst</para>
      <para>voortvloeiende voorwaardelijke aanspraken bij de bereke</para>
      <para>ning van de winst over het jaar 1948 niet in aanmerking</para>
      <para>te nemen en eerst de vervulling der voorwaarden af te</para>
      <para>wachten alvorens een voordeel, gelegen in den verkoop</para>
      <para>tegen den bedongen prijs, in rekening te brengen (...)"</para>
      <para>2.5. Ingevolge de Wet Belastingherziening 1950 werd art. 10</para>
      <para>Besluit IB 1941 vervangen door art. 7, lid 1, Besluit IB 1941,</para>
      <para>inhoudend:</para>
      <para>"De jaarlijkse winst wordt bepaald volgens goed koopmans</para>
      <para>gebruik (...)"</para>
      <para>2.6. C. J. Sleddering, Weekblad der Belastingen (WdB) 1952/</para>
      <para>4105, blz. 304, betoogt:</para>
      <para>"(...) Een variatie op de overdracht tegen een lijfrente</para>
      <para>is de overdracht tegen een aandeel in de winst. Over</para>
      <para>dracht uitsluitend tegen zulk een recht zal zich niet</para>
      <para>licht voordoen omdat weinig mensen bereid zullen zijn</para>
      <para>tastbare zaken af te staan tegen een zwevend winstrecht.</para>
      <para>Gemakkelijker kan men zich voorstellen dat de tastbare</para>
      <para>zaken tegen contanten worden afgerekend en dat voor de</para>
      <para>goodwill van het bedrijf een recht op een aandeel in de</para>
      <para>winst gedurende enige jaren of tot een bepaald bedrag</para>
      <para>wordt bedongen. (...) De omstandigheid dat gedurende</para>
      <para>enige jaren een gedeelte van de winst moet worden afge</para>
      <para>staan vermindert de goodwill van het overgenomen bedrijf</para>
      <para>voor de koper. Derhalve niet enerzijds goodwill opnemen</para>
      <para>en anderzijds een verplichting tot uitkering van het</para>
      <para>winstaandeel, maar rechtstreeks geen goodwill opnemen of</para>
      <para>een lagere goodwill. Het is als het ware zo dat de oude</para>
      <para>eigenaar het profijt van de aanwezige, doch afnemende,</para>
      <para>goodwill voor zich reserveert. Het is bovendien de vraag</para>
      <para>of het passiveren van een recht op een aandeel in toekom</para>
      <para>stige winst met goed koopmansgebruik in overeenstemming</para>
      <para>is, terwijl de schatting ook nog enige zorgen kan baren.</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>2.7. J. A. Fray, WdB 1954/4214, blz. 374, betoogt:</para>
      <para>"(...) Wat moet (...) een zaak doen, als zij een huis</para>
      <para>koopt tegen afgifte van een recht op een winstaandeel?</para>
      <para>Het zal geen goed koopmansgebruik zijn het huis niet voor</para>
      <para>de geldswaarde op de balans op te voeren. Men zal dàn</para>
      <para>echter moeten toelaten een passiveren van een gelijk</para>
      <para>bedrag als contante waarde van toekomstige winstuitdelin</para>
      <para>gen. Deze creditpost zal de neiging hebben in de loop der</para>
      <para>jaren kleiner te worden door de aflossingen, die er op</para>
      <para>plaats vinden uit de in de toekomst te maken winst. In</para>
      <para>wezen drukken die aflossingen, die winstuitdelingen, dan</para>
      <para>de toekomstige winsten niet! Terecht, want het moet</para>
      <para>onverschillig zijn of men de geldswaarde ineens als</para>
      <para>koopsom betaalt, dan wel in termijnen, en onverschillig</para>
      <para>of deze termijnen uitmaken vaste bedragen of bestaan uit</para>
      <para>bedragen van wisselende grootte. (...) Indien men (...)</para>
      <para>een goodwill koopt, kan het geen goed koopmansgebruik</para>
      <para>zijn de aangegane verplichtingen niet in de boekhouding</para>
      <para>te verwerken. (...) Slechts als men goodwill zou verwer</para>
      <para>ven tegen een recht van gelijke aard, tegen een aandeel</para>
      <para>in de winst, zou men beide posten moeten, of zeker kun</para>
      <para>nen, laten wegvallen. (...)"</para>
      <para>2.8. HR 10 april 1957, nr. 13.104, BNB 1957/266 met noot M. A.</para>
      <para>Wisselink, onder 1&amp;lt;(2)De nummering is, naar ik vermoed, van Wisselink. Uw</para>
      <para>Raad nummerde de overwegingen van de arresten toen nog</para>
      <para>niet.&amp;gt;, blz. 682, regels 34-39, overwoog,</para>
      <para>"dat, indien bij de overdracht van een bedrijf (...) een</para>
      <para>contraprestatie wordt bedongen, bestaande in een recht op</para>
      <para>uitkering van een bepaald gedeelte van de met het bedrijf</para>
      <para>(...) door den koper te verwerven inkomsten, goed koop</para>
      <para>mansgebruik toelaat de winst tot uitdrukking te doen</para>
      <para>komen naar gelang deze in de uitkeringen wordt ontvangen</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>2.9. HR 26 juni 1957, nr. 13.218, BNB 1957/245 met noot J.</para>
      <para>Hollander, overwoog (ik geef nadere vindplaatsen tussen haak</para>
      <para>jes aan),</para>
      <para>"(blz. 634, van regel 39 af) dat een bijdrage als bedoeld</para>
      <para>in artikel 72 [Wet op de Materiële Oorlogsschaden] het</para>
      <para>karakter heeft van een bijdrage in de bouwkosten, die</para>
      <para>voor de winstberekening op die bouwkosten in aftrek moet</para>
      <para>worden gebracht; dat zolang die bijdrage niet is verkre</para>
      <para>gen, dan wel zolang goed koopmansgebruik niet vergt de</para>
      <para>waarde van het recht op die bijdrage hoger te stellen dan</para>
      <para>nihil, er geen aanleiding bestaat op de werkelijk gemaak</para>
      <para>te bouwkosten enig bedrag in aftrek te brengen (...); dat</para>
      <para>in het jaar, waarin de bijdrage verkregen wordt dan wel</para>
      <para>de aanspraak er op hoger dan nihil gewaardeerd moet</para>
      <para>worden, met het hierboven omschreven karakter dier bij</para>
      <para>drage bij de berekening van de winst van dat jaar (...)</para>
      <para>rekening gehouden moet worden; (blz. 635, regels 5-11)</para>
      <para>dat (...) het recht op verkrijging van de bijdrage naar</para>
      <para>goed koopmansgebruik op 1 Januari 1953 op nihil en op 16</para>
      <para>Februari 1953, de laatste dag van het (...) korte (...)</para>
      <para>boekjaar van belanghebbende, op f 11.389 te schatten was;</para>
      <para>dat de Raad van Beroep derhalve terecht dit bedrag bij de</para>
      <para>winstberekening van het (...) boekjaar in aanmerking nam</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>2.10. Th. S. IJsselmuiden, De fiscale balans, 1963&amp;lt;(3)Het jaartal is niet in het boek vermeld, maar het kan</para>
      <para>uit de vakliteratuur, met name J. J. Hof, Maandblad</para>
      <para>voor Belastingrecht, januari 1964, blz. 54, opgemaakt</para>
      <para>worden.&amp;gt;, hoofdstuk III, onder 1, betoogt:</para>
      <para>"(blz. 104) (...) Om een voorziening in de fiscale balans</para>
      <para>te treffen moeten de risico's, lasten, verliezen en</para>
      <para>uitgaven, beoordeeld naar de gegevens op de balansdatum,</para>
      <para>zijn: a. naar aard bepaald; b. naar omvang en tijd ge</para>
      <para>noegzaam meetbaar; c. waarschijnlijk; d. veroorzaakt door</para>
      <para>de bedrijfsuitoefening van het jaar ten laste waarvan de</para>
      <para>voorziening wordt gevormd. (...) (blz. 105) (...) b. Naar</para>
      <para>omvang en tijd voldoende meetbaar (...) (blz. 111) (...)</para>
      <para>Een vraag waarover in de literatuur (...) verschillend</para>
      <para>wordt gedacht laat zich na het bovenstaande met stellig</para>
      <para>heid beantwoorden. Het is deze of verwerving van een</para>
      <para>actief tegen de verplichting om een deel der toekomstige</para>
      <para>winsten af te staan, reden geeft de getaxeerde waarde te</para>
      <para>passiveren. Naar haar aard is een dergelijke verplichting</para>
      <para>niet voor taxatie vatbaar, zodat ook voor het treffen van</para>
      <para>een voorziening geen plaats is (...) Hoe moeten wij nu</para>
      <para>het actief boeken waarvoor de verplichting tot winstaf</para>
      <para>dracht als contraprestatie strekt? Gewoonlijk worden</para>
      <para>tegen een dergelijke koopprijs zaken gekocht welker</para>
      <para>waarde - de indirecte opbrengstwaarde - moeilijk bepaal</para>
      <para>baar is: goodwill, uitvindingen. De aanschaffingsprijs is</para>
      <para>dan mijns inziens gelijk aan de som der winstuitkeringen.</para>
      <para>Volgens goed koopmans- (blz. 112) gebruik wordt niets</para>
      <para>geactiveerd. (...) Denkbaar is, hoewel dit zelden zal</para>
      <para>voorkomen, dat men op deze wijze een bedrijfsmiddel koopt</para>
      <para>dat wél een taxeerbare vervangingswaarde heeft. Ik zou</para>
      <para>deze situatie niet anders behandelen dan de vorige. Men</para>
      <para>kan echter ook de vervangingswaarde activeren en eenzelf</para>
      <para>de bedrag passiveren. (...)"</para>
      <para>2.11. De Wet op de inkomstenbelasting 1964 houdt in:</para>
      <para>"(...) Art. 7. Winst is het bedrag van de (...) voordelen</para>
      <para>die (...) worden verkregen uit onderneming. (...) Art. 9.</para>
      <para>De in een kalenderjaar genoten winst wordt bepaald vol</para>
      <para>gens goed koopmansgebruik (...)"</para>
      <para>2.12. De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb. 1969)</para>
      <para>houdt in de tot 29 april 1990 geldende tekst in:</para>
      <para>"(...) Art. 8. 1. De winst wordt opgevat en bepaald</para>
      <para>voet van de artikelen 7 [en] 9 (...) van de Wet op de</para>
      <para>inkomstenbelasting 1964 (...) Art. 13. 1. Ingeval de</para>
      <para>belastingplichtige (...) een deelneming heeft (...) in</para>
      <para>een vennootschap (...), blijven voordelen uit hoofde van</para>
      <para>die deelneming (...) bij het bepalen van de winst buiten</para>
      <para>aanmerking. (...) 4. Kosten welke verband houden met de</para>
      <para>deelneming (...) komen slechts in aftrek indien en voor</para>
      <para>zover (...) zij middellijk dienstbaar zijn aan het beha</para>
      <para>len van binnen het Rijk belastbare winst. 5. (1e volzin)</para>
      <para>Het eerste lid vindt geen toepassing ten aanzien van het</para>
      <para>verlies op een deelneming (...), dat tot uitdrukking</para>
      <para>komt, nadat de vennootschap (...) is ontbonden. (2e</para>
      <para>volzin) Zodanig verlies wordt gesteld op het bedrag</para>
      <para>waarmede het voor de verkrijging van de deelneming (...)</para>
      <para>opgeofferde bedrag het totaal van de liquidatie-uitkerin</para>
      <para>gen overtreft. (...)"</para>
      <para>2.13. HR 2 februari 1972, nr. 16.678, BNB 1972/83, betrof de</para>
      <para>heffing van inkomstenbelasting.</para>
      <para>2.13.1. Hof Arnhem 7 juli 1971, onder 9, blz. 300, regels 17-</para>
      <para>21, overwoog ter bepaling van door vervreemding van aandelen gerealiseerde inkomsten uit arbeid,</para>
      <para>"dat, nu [de] verkrijgingsprijs bestaat uit een lijfren</para>
      <para>teverplichting, de waarde van de verkrijgingsprijs (...)</para>
      <para>gelijk is aan de koopsom, die ter verwerving van die</para>
      <para>(...) lijfrente zou moeten worden betaald aan een levens</para>
      <para>verzekeringsmaatschappij, echter verminderd met de opslag</para>
      <para>voor kosten en winst (...)"</para>
      <para>2.13.2. Uw Raad vernietigde de uitspraak op een grond die de zojuist</para>
      <para>geciteerde overweging niet raakte.</para>
      <para>2.14. HR 24 september 1975, nr. 17.612, met mijn conclusie,</para>
      <para>BNB 1976/184 met noot H. J. Hofstra, betrof de heffing van ven</para>
      <para>nootschapsbelasting 1969.</para>
      <para>2.14.1. Uw Raad, blz. 753, regels 7-9, overwoog,</para>
      <para>"dat het Hof (...), niet aannemelijk oordelende dat</para>
      <para>bedrijfswaarde van de aandelen in 1969 beneden de kost</para>
      <para>prijs is gedaald, terecht heeft beslist dat een waarde</para>
      <para>ring van de deelnemingen beneden kostprijs niet aanvaard</para>
      <para>baar is (...)"</para>
      <para>2.14.2. Hofstra, regels 33-37, annoteerde:</para>
      <para>"(...) de beslissing (...) bevestigt de (...) leer dat</para>
      <para>kostprijs van een bedrijfsmiddel alles omvat wat voor de</para>
      <para>verkrijging daarvan werd uitgegeven en dat de bedrijfs</para>
      <para>waarde ten minste gelijk is aan de betaalde verkrijgings</para>
      <para>prijs zolang niet van bijzondere omstandigheden blijkt.</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>2.15. HR 12 september 1979, nr. 19.357, BNB 1979/271&amp;lt;(4)De eindbeslissing is Hof 's-Gravenhage, Tweede Meerv.</para>
      <para>Belastingk., 26 januari 1981, nr. 124/1980, BNB</para>
      <para>1982/119.&amp;gt;, blz. 1369, regels 15-25, overwoog,</para>
      <para>"dat het Hof (...) heeft geoordeeld dat het bedrag (...)</para>
      <para>is aan te merken als vergoeding van rente wegens het</para>
      <para>schuldig zijn van de koopsom van 1 januari tot 14 juli</para>
      <para>1972; dat echter het Hof heeft vastgesteld dat de koop</para>
      <para>overeenkomst is gesloten op 14 juni 1972; dat weliswaar</para>
      <para>partijen bij een overeenkomst verplichtingen op zich</para>
      <para>kunnen nemen die worden bepaald door hetgeen vóór het tot</para>
      <para>stand komen van de overeenkomst is geschied, doch dit</para>
      <para>niet meebrengt dat partijen ook voordien waren gebonden;</para>
      <para>dat derhalve het Hof er ten onrechte van is uitgegaan dat</para>
      <para>de koopsom reeds op 1 januari 1972 verschuldigd was</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>2.16. HR 19 december 1979, nr. 19.597, BNB 1980/46 met noot P.</para>
      <para>den Boer&amp;lt;(5)Vakstudie Nieuws 2 februari 1980, blz. 158, punt 20;</para>
      <para>Weekblad voor privaatrecht, notariaat en registratie</para>
      <para>(WPNR) 1986/5786, blz. 379, onder 7, b met noot O.</para>
      <para>Netze.&amp;gt;.</para>
      <para>2.16.1. Uw Raad, blz. 205, regels 4-21, overwoog,</para>
      <para>"dat (...) de aandelen (...) door belanghebbende zijn</para>
      <para>aangekocht voor een prijs van f 1.200.000, van welk</para>
      <para>bedrag op 31 juli 1973 de helft is voldaan, en (...)</para>
      <para>f 500.000 na één jaar en f 100.000 na twee jaren zal</para>
      <para>worden voldaan; dat de aldus voor belanghebbende ontstane</para>
      <para>- mede de kostprijs van de verkregen deelneming bepalende</para>
      <para>- schuld moet worden gewaardeerd volgens goed koopmansge</para>
      <para>bruik; dat goed koopmansgebruik toestaat bij de waarde</para>
      <para>ring van een schuld die, zoals in casu, zonder dat rente</para>
      <para>verschuldigd is eerst op termijn moet worden voldaan,</para>
      <para>rekening te houden met het feit dat de contante waarde</para>
      <para>daarvan geringer is dan het nominale bedrag; dat het</para>
      <para>(...) oordeel dat in belanghebbendes boekingswijze -</para>
      <para>waarbij de schuld per 31 juli 1973 en per 31 december</para>
      <para>1973 werd gewaardeerd op respectievelijk f 516.839 en</para>
      <para>f 540.097 -&amp;lt;(6)Dat dit gedachtestreepje in BNB ontbreekt, is blijkens</para>
      <para>de mij ambtshalve bekende oorspronkelijke tekst van het</para>
      <para>arrest een drukfout. &amp;gt; sprake is van rente, opgeofferd voor de</para>
      <para>verwerving van de deelneming, in strijd is met het (...)</para>
      <para>feit dat belanghebbende de deelneming reeds op 31 juli</para>
      <para>1973 verwierf (...)"</para>
      <para>2.16.2. Den Boer, onder 1, blz. 205, regels 31-35, annoteerde:</para>
      <para>"De kostprijs van een activum, dus ook van een deelne</para>
      <para>ming, zal in het algemeen gesteld moeten worden op het</para>
      <para>geen daarvoor opgeofferd is. Indien het opgeofferde</para>
      <para>bedrag geheel of ten dele bestaat uit een schuldverplich</para>
      <para>ting zal (...) de waardering van die schuldverplichting</para>
      <para>mede bepalend zijn voor de activering van de deelneming.</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>2.16.3. Vakstudie Nieuws, blz. 162, annoteerde:</para>
      <para>"(...) Wij zien (...) niet in dat uitgaven gedaan na&amp;lt;(7)Cursivering van Vakstudie Nieuws.&amp;gt;</para>
      <para>verwerving van een zaak niet het karakter van verwer</para>
      <para>vingskosten kunnen hebben, te meer nu ten tijde van de</para>
      <para>verwerving hierover tussen partijen afspraken zijn ge</para>
      <para>maakt. (...)"</para>
      <para>2.16.4. Netze, blz. 380, annoteerde:</para>
      <para>"(...) Het belang voor de koopster was evident: wanneer</para>
      <para>belanghebbende, koopster, gelijk kreeg zouden in eerste</para>
      <para>instantie weliswaar zowel de koopsom voor de deelneming</para>
      <para>als de schuld uit de koopovereenkomst op de contante</para>
      <para>waarde zijn gesteld, maar zou in de toekomst, door het</para>
      <para>toenemen van de schuld van contante waarde naar nominale</para>
      <para>waarde een fiscaal aftrekbare last ontstaan. (...) Uit</para>
      <para>dit arrest blijkt wederom dat het voor de bepaling van de</para>
      <para>kostprijs van een deelneming nodig is zorgvuldig na te</para>
      <para>gaan welk bedrag de koper heeft geofferd voor de verwer</para>
      <para>ving. Indien goed koopmansgebruik toestaat (of noopt) een</para>
      <para>ter gelegenheid van de aankoop van de deelneming - of</para>
      <para>welk ander activum ook - aangegane verplichting op een</para>
      <para>ander bedrag te waarderen dan de nominale waarde, bepaalt</para>
      <para>dit mede de kostprijs en daarmee - in eerste aanleg - de</para>
      <para>fiscale boekwaarde van de deelneming. (...)"</para>
      <para>2.17. Art. 2:374, lid 1, Burgerlijk Wetboek houdt in:</para>
      <para>"Op de balans worden voorzieningen opgenomen tegen:</para>
      <para>verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de</para>
      <para>balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs is te schat</para>
      <para>ten; b. op de balansdatum bestaande risico's ter zake van</para>
      <para>bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waar</para>
      <para>van de omvang redelijkerwijs is te schatten; (...)"</para>
      <para>2.18. HR 20 april 1988, nr. 24.533, BNB 1988/232 met noot G.</para>
      <para>Slot, blz. 1450, regels 27-53, overwoog:</para>
      <para>"4.1. Het Hof heeft vastgesteld (...): 1. dat B N.V.</para>
      <para>(...) op 21 december 1979 een interim-dividend van</para>
      <para>US $ 20 miljoen betaalbaar heeft gesteld, (...) 3. dat B</para>
      <para>bij brief van 28 december 1979 belanghebbende van de</para>
      <para>betaalbaarstelling van het dividend in kennis heeft</para>
      <para>gesteld, met het verzoek om, op grond van gebrek aan</para>
      <para>liquide middelen de betaling te mogen uitstellen tot</para>
      <para>uiterlijk 31 december 1980, en 4. dat zij op 22 december</para>
      <para>1980 tot betaling van het dividend aan belanghebbende is</para>
      <para>overgegaan. 4.2. Onder deze omstandigheden was belangheb</para>
      <para>bende naar goed koopmansgebruik gehouden haar vordering</para>
      <para>op B ter zake van het door deze betaalbaar gestelde</para>
      <para>dividend op haar balans per 31 december 1979 te active</para>
      <para>ren. Dit zou slechts anders zijn ingeval zodanige belet</para>
      <para>selen voor betaling zouden hebben bestaan dat alstoen</para>
      <para>onzeker moest worden geacht of betaling te eniger tijd</para>
      <para>plaats zou vinden. (...) 4.4. Het hiervoor overwogene</para>
      <para>brengt mee dat de door belanghebbende in het tijdvak van</para>
      <para>1 januari 1980 tot 22 december 1980 (...) gemaakte koers</para>
      <para>winst (...) is behaald op een vordering en derhalve niet</para>
      <para>kan gelden als een voordeel uit hoofde van een deelne</para>
      <para>ming. (...)"</para>
      <para>2.19. HR 19 oktober 1988, nr. 25.425, met conclusie van de</para>
      <para>toenmalige advocaat-generaal Verburg, BNB 1989/43 met noot</para>
      <para>Slot&amp;lt;(8)FED 1989/128 met noot D. Juch; WPNR 1990/5958, blz.</para>
      <para>275, onder 5, f met noot Netze.&amp;gt;, onder 4.2, blz. 267, regels 11-29, overwoog:</para>
      <para>"Op grond van de (...) wetsgeschiedenis moet worden</para>
      <para>aangenomen dat de wetgever met betrekking tot binnenland</para>
      <para>se deelnemingen uitdrukkelijk heeft gekozen voor een</para>
      <para>bruto-vrijstelling, welke vrijstelling zich niet beperkt</para>
      <para>tot de (...) financierings- en beheerskosten. Voorts</para>
      <para>maakt de ontstaansgeschiedenis van het huidige artikel</para>
      <para>13, lid 4 (...) duidelijk dat uit de bewoordingen van</para>
      <para>deze bepaling geenszins mag worden afgeleid dat de wetge</para>
      <para>ver beoogd heeft daarmede de aftrek van kosten die met</para>
      <para>een binnenlandse deelneming verband houden, op enigerlei</para>
      <para>wijze te beperken. Het is derhalve in strijd met de uit</para>
      <para>de wetsgeschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever</para>
      <para>om in een geval als het onderhavige, waarin niet van een</para>
      <para>buitenlandse deelneming sprake is, op grond van artikel</para>
      <para>13, lid 4, aan de deelnemende vennootschap het recht te</para>
      <para>ontzeggen ter zake van de verkoop van haar deelneming</para>
      <para>gemaakte kosten ten laste van haar winst te brengen.</para>
      <para>Hieraan kan niet afdoen dat (...) in het algemeen onder</para>
      <para>een "voordeel" uit hoofde van een verkoop van een vermo</para>
      <para>gensbestanddeel het saldo van opbrengst en verkoopkosten</para>
      <para>pleegt te worden verstaan. In het licht van de wetsge</para>
      <para>schiedenis dient in geval van verkoop van een deelneming</para>
      <para>het begrip "voordeel" in artikel 13, lid 1, aldus te</para>
      <para>worden opgevat dat de kosten van die verkoop niet op de</para>
      <para>opbrengst ervan in mindering komen. (...)"</para>
      <para>2.20. "Rechtspersonen", IJsselmuiden, art. 374, aant. 6,</para>
      <para>9 (Suppl. 81 (nov. 1988)), betoogt:</para>
      <para>"(...) Is op basis van beschikbare gegevens geen verant</para>
      <para>woorde schatting mogelijk dan behoort (...) de toelich</para>
      <para>ting inzicht te geven in de omvang van het risico. Een</para>
      <para>voorbeeld biedt het procesrisico. De afloop van een</para>
      <para>geding is vaak niet in een betrouwbaar cijfer weer te</para>
      <para>geven. Doet die situatie zich voor, dan mag het bestuur</para>
      <para>deswege in de jaarrekening geen voorziening opnemen maar</para>
      <para>behoort het in de toelichting de aard en de omvang van</para>
      <para>het risico te omschrijven met vermelding van de maximale</para>
      <para>verlieskans. (...)"</para>
      <para>2.21. HR 16 oktober 1991, nr. 26.636, BNB 1991/341, onder 3.2,</para>
      <para>blz. 2186, regels 9-16, overwoog:</para>
      <para>"Indien een ondernemer een bijdrage ontvangt van een</para>
      <para>derde (de overheid) in de uitgaven die hij heeft gedaan of</para>
      <para>zal doen voor de totstandkoming van een bedrijfsmiddel,</para>
      <para>welke bijdrage niet of niet ten volle dan wel slechts</para>
      <para>voorwaardelijk behoeft te worden terugbetaald, dienen</para>
      <para>voor de jaarlijkse winstberekening (...) de voort</para>
      <para>brengingskosten van dat bedrijfsmiddel te worden gesteld</para>
      <para>op het bedrag van vorenbedoelde uitgaven, verminderd met</para>
      <para>het als bijdrage ontvangen bedrag, en vermeerderd met het</para>
      <para>als waarde van de verplichting tot terugbetaling in</para>
      <para>aanmerking te nemen bedrag."</para>
      <para>2.22. HR 3 maart 1993, nr. 28.598, BNB 1993/180 met noot Slot&amp;lt;(9)Futd 18 maart 1993, blz. 11, punt 93-379; Vakstudie</para>
      <para>Nieuws 8 april 1993, blz. 1036, punt 16; FED 1993/353</para>
      <para>met noot R. Russo; De naamlooze vennootschap, mei 1993,</para>
      <para>blz. 129, punt 2 met noot H. G. M. Dijstelbloem.&amp;gt;.</para>
      <para>2.22.1. Uw Raad overwoog:</para>
      <para>"(blz. 1329, regels 43-48) 3.1. (...) Belanghebbende</para>
      <para>hield (...) alle aandelen in A BV. Op 20 juli 1982 heeft</para>
      <para>belanghebbende voormelde aandelen verkocht en geleverd</para>
      <para>aan B BV. De overeengekomen tegenprestatie bestond uit de</para>
      <para>intrinsieke waarde van de aandelen op de overdrachtsda</para>
      <para>tum, alsmede uit een recht op een gedeelte van het door A</para>
      <para>BV behaalde bruto-inkomen gedurende de jaren 1982 tot en</para>
      <para>met 1985 (...) (blz. 1330, regels 19-30) 3.3. Indien</para>
      <para>(...) een deelneming wordt vervreemd tegen een koopprijs,</para>
      <para>mede bestaande uit een recht op toekomstige uitkeringen</para>
      <para>waarvan het totale bedrag weliswaar onzeker is, doch niet</para>
      <para>afhangt van feiten of omstandigheden die rechtstreeks</para>
      <para>verband houden met de waarde van de vervreemde aandelen,</para>
      <para>dient de opbrengst van de deelneming te worden bepaald</para>
      <para>met inachtneming van de geschatte waarde van dat recht,</para>
      <para>en kunnen waardeveranderingen van dat recht, die zich</para>
      <para>naderhand voordoen, niet worden aangemerkt als voordelen</para>
      <para>uit hoofde van de deelneming (...)"</para>
      <para>2.22.2. Slot, blz. 1334, annoteerde (ik nummer de regels):</para>
      <para>"(regel 8) In het arrest wordt mijns inziens terecht</para>
      <para>gezegd dat waardeveranderingen van het (regel 9) "winst</para>
      <para>recht" niet onder de deelnemingsvrijstelling vallen.</para>
      <para>bestaat, aldus de Hoge Raad, (regel 10) onvoldoende</para>
      <para>verband tussen de ontwikkeling van de waarde van het</para>
      <para>"winstrecht" en die (regel 11) van de aandelen A. De</para>
      <para>waarde van de aandelen wordt mijns inziens bijvoorbeeld</para>
      <para>mede (regel 12) bepaald door de verwerving van nieuwe</para>
      <para>cliënten. (...) (regel 15) (...) men (...) (regel 17) kan</para>
      <para>(...) zich voorstellen dat in een geval als hier voorligt</para>
      <para>de winst op de deelneming dient (regel 18) te worden geno</para>
      <para>men naar gelang die winst in de uitkeringen wordt ontvan</para>
      <para>gen. Deze ge- (regel 19) dragslijn zou dan (...) (regel</para>
      <para>20) (...) moeten worden beschouwd als een eis ten dienste</para>
      <para>van (regel 21) een juiste bepaling van de vrijgestelde</para>
      <para>winst. De (...) (regel 24) (...) Hoge Raad houdt de</para>
      <para>afwikkeling echter - in theorie - eenvoudig: de opbrengst</para>
      <para>(regel 25) van de deelneming dient te worden bepaald "met</para>
      <para>inachtneming van" de geschatte waarde (regel 26) van het</para>
      <para>uitkeringsrecht. (...)"</para>
      <para>2.22.3. Vakstudie Nieuws, blz. 1040, annoteerde:</para>
      <para>"(...) Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat</para>
      <para>(...) de uitkeringen in kwestie wel degelijk afhangen van</para>
      <para>feiten (i.c. de winsten na de overdracht) die recht</para>
      <para>streeks verband houden met de waarde van de deelneming,</para>
      <para>uitgaande van de gedachte dat zo'n waarde, (zeer) grof</para>
      <para>gesproken, niet anders is dan de contante waarde van</para>
      <para>toekomstige winst. (...)"</para>
      <para>2.22.4. Russo annoteerde:</para>
      <para>"(blz. 1390) (...) ad 1. (...) (blz. 1391) (...) Men kan</para>
      <para>zich afvragen onder welke omstandigheden van een (...)</para>
      <para>rechtstreeks verband wel sprake kan zijn. Wellicht is dit</para>
      <para>het geval indien de koopprijs nog correcties (bijvoor</para>
      <para>beeld taxatie van bepaalde activa) kan ondergaan, in</para>
      <para>verband waarmee stelposten zijn opgenomen. (...)"</para>
      <para>2.22.5. Dijstelbloem, blz. 130, annoteerde:</para>
      <para>"(...) Waarom houden de onderhavige winstuitkeringen, die</para>
      <para>kennelijk een vergoeding beoogden te geven voor de in BV</para>
      <para>A aanwezige "goodwill" ((...) "relaties en opdrachtge</para>
      <para>vers") niet rechtstreeks verband met de waarden van</para>
      <para>vervreemde aandelen? (...) Te denken valt wellicht aan de</para>
      <para>op het verleden betrekking hebbende feiten en omstandig</para>
      <para>heden waaromtrent op het tijdstip van verkoop nog onze</para>
      <para>kerheid bestaat, zoals de juiste bepaling van de intrin</para>
      <para>sieke waarde of de juiste vaststelling van de behaalde</para>
      <para>jaarwinsten indien deze mede de grondslag vormen voor de</para>
      <para>prijsbepaling van de aandelen. Overigens zal de belas</para>
      <para>tingheffing bij de koper "spiegelbeeldig" moeten verlo</para>
      <para>pen. Zo zal een correctie op de verkoopprijs, die bij de</para>
      <para>verkoper nog onder de deelnemingsvrijstelling valt, bij</para>
      <para>de koper het voor de deelneming opgeofferde bedrag dien</para>
      <para>overeenkomstig beïnvloeden. (...)"</para>
      <para>2.23. Hof Amsterdam 19 oktober 1993, nr. 93/2163, BNB 1994/</para>
      <para>343, onder 5.5.1, blz. 2456, regels 23-28, overwoog,</para>
      <para>"(...) dat in geval en voor zover belanghebbende van</para>
      <para>adviseurs uit hoofde van wanprestatie of op andere gron</para>
      <para>den enig bedrag ontvangt ter dekking van het verlies dat</para>
      <para>zij als gevolg van de miskoop op de kostprijs van de</para>
      <para>(...) deelneming (...) heeft geleden, het in overeen</para>
      <para>stemming met goed koopmansgebruik is deze vergoeding in</para>
      <para>mindering te brengen op de kostprijs van de deelneming</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>2.24. HR 2 maart 1994, nr. 29.061, met mijn conclusie, BNB</para>
      <para>1994/164 met noot J. W. Zwemmer.</para>
      <para>2.24.1. Ik betoogde (onder 2.28, blz. 1131):</para>
      <para>"(...) Ook onverwachts opkomende kosten die door (het</para>
      <para>voornemen tot) de aanschaffing van een bedrijfsmiddel</para>
      <para>worden opgeroepen, behoren tot de aanschaffingskosten."</para>
      <para>2.24.2. Uw Raad, onder 4.2, blz. 1145, regels 31-34, overwoog,</para>
      <para>"(...) dat de proceskosten behoorden tot de kosten die</para>
      <para>belanghebbende heeft moeten maken ten einde de door haar</para>
      <para>beoogde verwerving van de uitbreiding van de deelneming</para>
      <para>te verwezenlijken. Zodanige kosten dienen (...) te worden</para>
      <para>gerekend tot de aanschaffingskosten van de deelneming."</para>
      <para>(vergelijk Hof Amsterdam 16 april 1996, nr. 95/1655, Vakstudie</para>
      <para>Nieuws 17 oktober 1996, blz. 3917, punt 9, betreffende de</para>
      <para>behandeling van "acquisitiekosten" voor de heffing van ven</para>
      <para>nootschapsbelasting 1990).</para>
      <para>2.25. HR 22 juni 1994, nr. 29.090, met conclusie van de advocaat-</para>
      <para>generaal Van den Berge, BNB 1994/241 met noot J. E. A. M. van</para>
      <para>Dijck, onder 3.3, blz. 1830, regels 51-55, overwoog:</para>
      <para>"Aan het bepaalde in artikel 41 van de Wet, dat winst uit</para>
      <para>aanmerkelijk belang wordt beschouwd te zijn genoten op</para>
      <para>het tijdstip waarop de aandelen zijn vervreemd, moet de</para>
      <para>gevolgtrekking worden verbonden dat de waarde van hetgeen</para>
      <para>bij de vervreemding als tegenprestatie wordt verkregen,</para>
      <para>dient te worden bepaald naar de toestand ten tijde van de</para>
      <para>vervreemding. (...)"</para>
      <para>2.26. T. Blokland, Maandblad belastingbeschouwingen, december</para>
      <para>1994, blz. 401, betoogt, uitgaande van de verkoop door een</para>
      <para>natuurlijk persoon, aanmerkelijk-belanghouder, van aandelen</para>
      <para>voor een prijs met een winstafhankelijk element:</para>
      <para>"(...) Hoe ligt de (...) vraagstelling voor de koper?</para>
      <para>beginsel is voor deze, een BV, sprake van kostprijs</para>
      <para>deelneming. (...) Het verschil tussen nominale waarde en</para>
      <para>contante waarde vormt een rentelast, die in aanmerking</para>
      <para>wordt genomen en wel qua tijdstip naar de regels van goed</para>
      <para>koopmansgebruik. En het verschil tussen het nominale</para>
      <para>bedrag en de latere uitkomst? Het lijkt in de lijn te</para>
      <para>liggen van het arrest van (...) 3 maart 1993 (...) om een</para>
      <para>zodanig eventueel verschil niet zonder meer te kwalifice</para>
      <para>ren als plus of min met betrekking tot de kostprijs</para>
      <para>deelneming, doch die verschillen meer en eerder te zien</para>
      <para>in de sfeer van fiscale winst of verlies. (...) Op zich</para>
      <para>zelf correspondeert de uitkomst waar het arrest toe</para>
      <para>leidt, met de situatie bij de verkopende particulier voor</para>
      <para>wie zodanige verschillen ook buiten de sfeer van de</para>
      <para>aandelen (het aanmerkelijk belang) liggen. Doch voor de</para>
      <para>keerzijde, de aankoopzijde, zal het niet anders (hoeven</para>
      <para>te) zijn. Ook nu zal schatting moeten plaatsvinden van de</para>
      <para>verschuldigd wordende winstafhankelijke uitkering, en een</para>
      <para>verschil tussen het nominaal geschatte bedrag en het</para>
      <para>werkelijke latere bedrag behoort dan niet tot de sfeer</para>
      <para>van de verkrijgingsprijs voor het aanmerkelijk belang</para>
      <para>voor wat betreft de inkomstenbelasting of tot de sfeer</para>
      <para>van de kostprijs deelneming voor wat betreft de vennoot</para>
      <para>schapsbelasting. Dat die verschillen bij de kopende BV</para>
      <para>niettemin fiscaal in aanmerking komen vloeit voort uit</para>
      <para>een geheel andere omstandigheid te weten dat een naar de</para>
      <para>rechtsvorm belastingplichtig lichaam nu eenmaal voor de</para>
      <para>financiële uitkomst van haar gehele vermogen belasting</para>
      <para>plichtige is voor wat betreft de vennootschapsbelasting.</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>2.27. HR 1 november 1995, nr. 30.256, BNB 1997/73&amp;lt;(10)FED 1995/865 met noot Blokland.&amp;gt;, onder 3.4, overwoog voor de heffing van inkomstenbelasting</para>
      <para>1990:</para>
      <para>"(blz. 603, van regel 48 af) Uit het in artikel 41 van</para>
      <para>Wet bepaalde, dat de winst uit aanmerkelijk belang wordt</para>
      <para>beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop de</para>
      <para>aandelen zijn vervreemd, volgt dat die winst niet, ook</para>
      <para>niet voor een gedeelte, in een later jaar kan worden</para>
      <para>belast dan in het jaar waarin de aandelen zijn vervreemd.</para>
      <para>(blz. 604, regels 2-9) (...) Indien de bij de vervreem</para>
      <para>ding bedongen prijs naderhand wordt gewijzigd bij een</para>
      <para>overeenkomst waarmee partijen beogen deze prijs nader</para>
      <para>vast te stellen op een hoger bedrag dan aanvankelijk was</para>
      <para>overeengekomen, kan de Inspecteur, binnen de daarvoor</para>
      <para>gestelde grenzen, het verschil bij wege van navordering</para>
      <para>alsnog in de heffing over het jaar van vervreemding</para>
      <para>betrekken. Indien een nadere overeenkomst ertoe strekt de</para>
      <para>aanvankelijk overeengekomen prijs te verminderen, brengt</para>
      <para>een redelijke wetstoepassing mee dat de belasting over</para>
      <para>eenkomstig artikel 60 van de Wet wordt verminderd als</para>
      <para>ware in het jaar waarin die overeenkomst wordt gesloten</para>
      <para>een verlies uit aanmerkelijk belang geleden."</para>
      <para>2.28. HR 7 februari 1996, nr. 29.892, met mijn conclusie, BNB</para>
      <para>1996/174 met noot J. A. G. van der Geld, betrof de heffing van</para>
      <para>vennootschapsbelasting 1986.</para>
      <para>2.28.1. Uw Raad, blz. 1393, regels 3-15, overwoog:</para>
      <para>"-3.3.2. Nu (...) de kans op terugbetaling is te schatten</para>
      <para>op 40%, (...) -3.3.4. (...) is tot een bedrag ter grootte</para>
      <para>van 60% van het ontwikkelingskrediet geen sprake geweest</para>
      <para>van een investering (...)"</para>
      <para>2.28.2. Van der Geld, onder 4, annoteerde:</para>
      <para>"(blz. 1407, van regel 48 af) (...) bij het bepalen van</para>
      <para>de verkoopopbrengst bij de deelnemingsvrijstelling (...)</para>
      <para>heeft het mijn voorkeur niet een schatting bepalend te</para>
      <para>doen zijn maar aansluiting te zoeken bij de later blij</para>
      <para>kende realiteit. Bij de investeringspremiëring wordt dit</para>
      <para>resultaat uiteindelijk ook bereikt. (blz. 1408, regels</para>
      <para>12-15) Het hanteren van een schatting bij de toepassing</para>
      <para>van de deelnemingsvrijstelling heeft een wat grimmiger</para>
      <para>karakter omdat het (...) de afbakening van een objectieve</para>
      <para>vrijstelling betreft. De schatting bepaalt mede de omvang</para>
      <para>van de vrijgestelde voordelen terwijl later blijkende</para>
      <para>afwijkingen van de schatting via de fiscale verlies- en</para>
      <para>winstrekening lopen."</para>
      <para>2.29. HR 6 maart 1996, nr. 30.093, met mijn conclusie, BNB</para>
      <para>1996/365 met noot A. H. M. Daniels&amp;lt;(11)FED 1996/478 met noot P. M. Verhagen.&amp;gt;, betrof de heffing van</para>
      <para>vennootschapsbelasting 1985.</para>
      <para>2.29.1. Hof Amsterdam 30 december 1993 had, naar Uw Raad, onder 3.2,</para>
      <para>blz. 2956, regels 21-35, overwoog,</para>
      <para>"(...) geoordeeld dat, indien (...) een deelneming wordt</para>
      <para>vervreemd tegen een koopprijs die voor de vervreemder</para>
      <para>mede bestaat uit een garantieverplichting jegens een</para>
      <para>derde, waarvan de waarde ten tijde van de verkoop vast</para>
      <para>staat doch waarvan het uiteindelijke beloop ten tijde van</para>
      <para>de verkoop onzeker is, en welk beloop niet afhangt van</para>
      <para>feiten en omstandigheden, die rechtstreeks verband houden</para>
      <para>met de waarde van de vervreemde aandelen ten tijde van de</para>
      <para>vervreemding, doch met het toekomstige waardeverloop van</para>
      <para>de verkochte aandelen, de opbrengst van de deelneming</para>
      <para>dient te worden bepaald met inachtneming van de geschatte</para>
      <para>waarde van de verplichting ten tijde van de verkoop, en</para>
      <para>dat waardeveranderingen van de verplichting, die zich</para>
      <para>naderhand voordoen, niet kunnen worden aangemerkt als</para>
      <para>voordelen uit hoofde van de deelneming als bedoeld in</para>
      <para>artikel 13 van de Wet. Het Hof heeft aan dat oordeel,</para>
      <para>ervan uitgaande dat partijen de waarde van de verplich</para>
      <para>ting per verkocht aandeel ten tijde van de vervreemding</para>
      <para>op ƒ 1,65 en per 31 december 1985 op nihil hebben ge</para>
      <para>steld, de gevolgtrekking verbonden dat de (...) waarde</para>
      <para>verandering van de verplichting ad ƒ 1,65 bij het bepalen</para>
      <para>van de fiscale winst niet buiten aanmerking blijft."</para>
      <para>2.29.2. Ik betoogde,</para>
      <para>"(blz. 2968) (...) -5.1. (...) dat Uw Raad het begrip</para>
      <para>"voordelen uit deelneming" strikt uitlegt. (...) -5.3. De</para>
      <para>belanghebbende verzet zich dan ook niet tegen de toetsing</para>
      <para>van het bij de verkoop verkregen voordeel en/of de waar</para>
      <para>devermindering van de garantie aan het criterium (...):</para>
      <para>afhangen "van feiten en omstandigheden die rechtstreeks</para>
      <para>verband houden met de waarde van de vervreemde aandelen".</para>
      <para>-5.4. Nu vestigt de belanghebbende er (...) de aandacht</para>
      <para>op dat het bij verkoop van een deelneming zeer gebruike</para>
      <para>lijk is garanties te verlenen aan de koper. (...) (blz.</para>
      <para>2969) (...) -5.5. Deze garanties onderscheiden zich</para>
      <para>evenwel (...) daarin van de garantie waar het in de thans</para>
      <para>aanhangige procedure om gaat, dat zij betrekking hebben</para>
      <para>op feiten zoals die ten tijde van de verkoop bestaan,</para>
      <para>terwijl het bij de onderhavige garantie gaat om het op de</para>
      <para>verkoop volgende waardeverloop van de aandelen. -5.6. De</para>
      <para>literatuur over het door Uw Raad aangelegde criterium</para>
      <para>tendeert naar een dergelijk onderscheid. -5.7. Zo noemt</para>
      <para>Slot [BNB 1993, blz. 1334, regels 8-12] de verwerving van</para>
      <para>nieuwe cliënten als een omstandigheid die niet recht</para>
      <para>streeks verband houdt met de waarde van de vervreemde</para>
      <para>aandelen. -5.8. En zo noemt Russo (...) de taxatie van</para>
      <para>bepaalde activa als een omstandigheid die wel recht</para>
      <para>streeks verband houdt met de waarde van de vervreemde</para>
      <para>aandelen. -5.9. In gelijke zin noemt Dijstelbloem (...)</para>
      <para>de aanwezige goodwill als een omstandigheid die recht</para>
      <para>streeks verband houdt met de waarde van de vervreemde</para>
      <para>aandelen, en geeft hij als algemene formulering "de</para>
      <para>het verleden betrekking hebbende feiten en omstandighe</para>
      <para>den". -5.10. De onderhavige garantie heeft evenwel</para>
      <para>trekking op de ontwikkeling van de koers van de aandelen</para>
      <para>na de verkoop. Deze kan, en zal wellicht, beïnvloed</para>
      <para>worden door de plannen die B&amp;lt;(12)Dit is de dochtermaatschappij van de belanghebbende,</para>
      <para>die met haar een fiscale eenheid vormde en die een deel</para>
      <para>van haar aandelen C verkocht teneinde het percentage</para>
      <para>van haar belang in C te reduceren tot onder de grens</para>
      <para>die in de Verenigde Staten van Amerika gold met het oog</para>
      <para>op de activiteiten die B in C tot ontwikkeling wenste</para>
      <para>te doen komen.&amp;gt; met C had en met het oog</para>
      <para>waarop zij juist haar deelneming heeft verminderd, alsme</para>
      <para>de door de realisatie van deze plannen. -5.11. Door</para>
      <para>middel van de garantie blijft B nu een deel van het</para>
      <para>risico bij de koersontwikkeling van de aandelen dragen,</para>
      <para>zodat zij voor geval deze ontwikkeling ongunstig zou zijn</para>
      <para>geweest, een deel van het daaruit voortvloeiende koers</para>
      <para>verlies zou hebben gedragen. -5.12. Deze analyse toont</para>
      <para>evenwel dat dat koersverlies niet voortgesproten zou zijn</para>
      <para>uit de deelneming, maar uit een rechtsverhouding die B</para>
      <para>juist van haar deelneming had afgescheiden. -5.13. Ik</para>
      <para>meen dan ook dat het Hof op goede gronden een juiste</para>
      <para>beslissing heeft genomen (...)"</para>
      <para>2.29.3. Uw Raad, onder 3.3, blz. 2956, regels 37-38, overwoog</para>
      <para>dat</para>
      <para>"(...) het Hof op goede gronden een juiste beslissing</para>
      <para>heeft gegeven. (...)"</para>
      <para>2.30. HR 8 juli 1996, nr. 30.918, met mijn conclusie, BNB 1996/367</para>
      <para>met noot Daniels&amp;lt;(13)FED 1996/1002 met noot mw. Verhagen.&amp;gt;, betrof de heffing van vennoot</para>
      <para>schapsbelasting 1987.</para>
      <para>2.30.1. Uw Raad overwoog:</para>
      <para>"(blz. 1985, van regel 47 af) -3.5. Het Hof heeft (...)</para>
      <para>overwogen dat ook indien tussen de ontvangen provisie en</para>
      <para>de kostprijs van de deelneming een causaal verband aanwe</para>
      <para>zig moet worden geacht, op grond van hetgeen de Hoge Raad</para>
      <para>heeft geoordeeld in zijn arrest van 19 oktober 1988</para>
      <para>(...), geoordeeld moet worden dat de negatieve kosten uit</para>
      <para>hoofde van de aankoop gerekend moeten worden tot de winst</para>
      <para>van de deelnemende vennootschap. (blz. 2986, tot en met</para>
      <para>regel 5) -3.6. Dit oordeel wordt (...) terecht bestreden.</para>
      <para>Hetgeen in genoemd arrest is beslist omtrent de toepas</para>
      <para>sing van de deelnemingsvrijstelling bij verkoop van een</para>
      <para>deelneming verhindert niet dat de kosten ter zake van de</para>
      <para>verwerving van een deelneming tot de kostprijs van die</para>
      <para>deelneming behoren, en leidt niet tot de gevolgtrekking</para>
      <para>dat bespaarde kosten de kostprijs van de deelneming</para>
      <para>verhogen."</para>
      <para>2.30.2. Mw. Verhagen annoteerde (blz. 3520):</para>
      <para>"De Hoge Raad heeft (...) vastgehouden aan zijn in BNB</para>
      <para>1994/164 geformuleerde leer. Dat schept duidelijkheid:</para>
      <para>Alles wat met de verwerving van een deelneming samen</para>
      <para>hangt, is van invloed op de kostprijs van de deelneming.</para>
      <para>Het maakt daarbij niet uit of het uitgaven of ontvangsten</para>
      <para>(besparingen) betreft, en of deze afzonderlijk gedaan</para>
      <para>respectievelijk ontvangen zijn of verrekend zijn. (...)</para>
      <para>Vervolgens oordeelde de Hoge Raad dat BNB 1989/43 niet</para>
      <para>van toepassing is op de onderhavige casus. Niet zozeer</para>
      <para>het onderscheid binnenlandse/buitenlandse deelneming is</para>
      <para>van belang, maar het onderscheid tussen (bespaarde)</para>
      <para>kosten bij de verwerving van een deelneming versus (be</para>
      <para>spaarde) kosten bij de verkoop van een deelneming. Kos</para>
      <para>ten, gemaakt bij de verwerving van een deelneming behoren</para>
      <para>volgens goed koopmansgebruik tot de kostprijs van de</para>
      <para>deelneming. Kosten, gemaakt bij verkoop van een deelne</para>
      <para>ming kunnen van de winst afgetrokken worden indien de</para>
      <para>deelneming in Nederland belastbare winst heeft gegene</para>
      <para>reerd. (...)"</para>
      <para>2.31. HR 8 juli 1996, nr. 31.220, met mijn conclusie, BNB</para>
      <para>1996/267, betrof de heffing van vennootschapsbelasting 1988.</para>
      <para>2.31.1. Naar ik, onder 9.1, blz. 2178, betoogde,</para>
      <para>"(...) is het zeer onzeker of de belanghebbende terecht</para>
      <para>investeringsbijdrage heeft genoten over de bij de aan</para>
      <para>schaffing van de taxi's betaalde BVB. Het laat zich</para>
      <para>stellig verdedigen dat deze verplichting niet op de</para>
      <para>belanghebbende drukte voor zover zij erop kon rekenen</para>
      <para>teruggaaf te zullen krijgen. (...)"</para>
      <para>2.31.2. Uw Raad, onder 3.4, blz. 2164, regels 33-43, overwoog:</para>
      <para>"(...) De omstandigheid dat de op de aankoop van</para>
      <para>auto's drukkende belasting (...) voor teruggaaf in aan</para>
      <para>merking komt onder de voorwaarde dat de voertuigen (...)</para>
      <para>als taxi worden gebruikt, (...) staat (...) niet in de</para>
      <para>weg aan de aanspraak op een investeringsbijdrage (...),</para>
      <para>indien althans de belastingplichtige niet ervoor heeft</para>
      <para>gekozen (...) het terug te ontvangen bedrag aanstonds op</para>
      <para>de kostprijs van de auto in mindering te brengen."</para>
      <para>2.32. HR 8 juli 1996, nr. 31.496, BNB 1996/368 met noot</para>
      <para>Daniels&amp;lt;(14)Vakstudie Nieuws 1 augustus 1996, blz. 2888, punt 19;</para>
      <para>FED 1996/1001 met noot mw. Verhagen.&amp;gt;, betrof de heffing van vennootschapsbelasting 1990.</para>
      <para>2.32.1. Uw Raad, blz. 2996, regels 36-48, overwoog:</para>
      <para>"-3.1. (...) Belanghebbende heeft (...) alle aandelen</para>
      <para>een in Nederland gevestigde BV (...) gekocht. Ter zake</para>
      <para>van deze aankoop heeft belanghebbende een bemiddelings</para>
      <para>vergoeding (...) betaald aan een bank. (...) -3.3. (...)</para>
      <para>Indien een belastingplichtige een deelneming verwerft,</para>
      <para>behoren (...) de op de verwerving drukkende kosten -</para>
      <para>zoals de onderhavige bemiddelingskosten - tot de kost</para>
      <para>prijs van die deelneming. (...)"</para>
      <para>2.32.2. Daniels annoteerde:</para>
      <para>"(blz. 2999, regels 9-30) -2. Bij de aankoop van een</para>
      <para>deelneming zal de koper er naar streven om gemaakte</para>
      <para>kosten zoveel mogelijk ten laste van de winst te brengen,</para>
      <para>in plaats van die kosten bij te boeken bij de kostprijs</para>
      <para>van de deelneming. In dat laatste geval komen die uitga</para>
      <para>ven immers nimmer ten laste van de winst, tenzij eventu</para>
      <para>eel bij liquidatie van de deelneming. (...) Het beroep op</para>
      <para>de in de wetsgeschiedenis neergelegde strekking van de</para>
      <para>deelnemingsvrijstelling - "de deelnemingsvrijstelling</para>
      <para>in de binnenlandse context een bruto-vrijstelling" - gaat</para>
      <para>niet op voor de koper van een deelneming, maar wel voor</para>
      <para>de verkoper (...) Dat komt omdat bij de koper uitsluitend</para>
      <para>goed koopmansgebruik en causaliteit een rol spelen ter</para>
      <para>wijl bij de verkoper het begrip "voordelen uit hoofde van</para>
      <para>een deelneming" geïnterpreteerd wordt mede in het licht</para>
      <para>van de wetsgeschiedenis. (blz. 3001, regels 29-43) -6.</para>
      <para>Samenvattend leidt [de] rechtspraak tot het volgende</para>
      <para>beeld. Kosten die worden gemaakt of voordelen die worden</para>
      <para>behaald in verband met de aankoop van een deelneming</para>
      <para>worden beheerst door het causaliteitsvraagstuk; is de</para>
      <para>aankoop van de deelneming er de oorzaak van dat de kosten</para>
      <para>worden gemaakt of het voordeel wordt behaald. Indien er</para>
      <para>causaal verband is worden de kosten bijgeboekt bij de</para>
      <para>kostprijs van de deelneming c.q. wordt het behaalde</para>
      <para>voordeel afgeboekt van de kostprijs van de deelneming.</para>
      <para>Dat stelsel leidt ertoe dat het van belang is wie de</para>
      <para>kosten maakt. Bij de koper zijn de kosten niet aftrekbaar</para>
      <para>maar verhogen de kostprijs van de deelneming terwijl die</para>
      <para>kosten bij de verkoper wel ten laste van de fiscale winst</para>
      <para>komen. Daarnaast kan er bij de transactie met een deelne</para>
      <para>ming sprake zijn van een zelfstandig recht of een zelf</para>
      <para>standige verplichting. Dat kan zijn een prestatie te</para>
      <para>leveren door de koper van de deelneming. Dan vormt de</para>
      <para>waarde van dat recht of die verplichting ten tijde van de</para>
      <para>verkoop een bestanddeel van de opbrengst van de deelne</para>
      <para>ming en is bij de verkoper onbelast. Latere waardefluc</para>
      <para>tuaties worden zelfstandig in de heffing betrokken.</para>
      <para>Indien er sprake is van een zelfstandige prestatie te</para>
      <para>leveren door de verkoper is er sprake van een afzonder</para>
      <para>lijke transactie. De prestatie genereert een afzonderlij</para>
      <para>ke opbrengst die niet is vrijgesteld als voordeel uit de</para>
      <para>deelneming. (...)"</para>
      <para>2.32.3. Vakstudie Nieuws, blz. 2890, annoteerde:</para>
      <para>"(...) Het feit dat de aankoopkosten deel gaan uitmaken</para>
      <para>van de kostprijs van de deelneming betekent niet per se</para>
      <para>dat het oorspronkelijke karakter verloren gaat. Wordt dit</para>
      <para>vastgehouden, dan zou, zodra dat deel van de kostprijs</para>
      <para>via de resultatenrekening tot uitdrukking komt (dus bij</para>
      <para>een afwaardering van de deelneming wegens lagere be</para>
      <para>drijfswaarde of bij verkoop van de deelneming), aftrek</para>
      <para>alsnog in beeld komen. Alleen zo wordt recht gedaan aan</para>
      <para>de idee van de brutovrijstelling en worden aankoopkosten</para>
      <para>en verkoopkosten, die immers een zelfde achtergrond heb</para>
      <para>ben, op een vergelijkbare wijze behandeld."</para>
      <para>2.33. C. B. Bavinck, Weekblad voor fiscaal recht (WFR) 1996/</para>
      <para>6209, blz. 1165, onder 7, betoogt:</para>
      <para>"(...) In BNB 1993/180 heeft de Hoge Raad beslist dat</para>
      <para>waardemutaties van een bij de verkoop van een deelneming</para>
      <para>verkregen winstrecht niet mogen worden meegenomen met de</para>
      <para>op het verkoopresultaat van toepassing zijnde deelne</para>
      <para>mingsvrijstelling. Hierdoor zal ten tijde van de verkoop</para>
      <para>de waarde van het winstrecht moeten worden vastgesteld.</para>
      <para>Latere mutaties zijn belast c.q. aftrekbaar. Dit geldt</para>
      <para>zowel voor de koper als voor de verkoper. (...) De door</para>
      <para>de Hoge Raad neergelegde lijn is voor de praktijk moei</para>
      <para>lijk uitvoerbaar, aangezien een afzonderlijke waardering</para>
      <para>van het winstrecht (...) (of -verplichting) moet plaats</para>
      <para>vinden, waar dit voor de commerciële jaarrekening vaak</para>
      <para>niet behoeft te gebeuren. Vaak zullen beide partijen in</para>
      <para>dezen tegengestelde belangen hebben waardoor geschillen</para>
      <para>voor de hand liggen. (...)"</para>
      <para>2.34. De Wet van 13 december 1996, Stb. 651.</para>
      <para>2.34.1. Met ingang van 1997, dus voor de onderhavige zaak nog niet</para>
      <para>van toepassing, werd art. 13ca, lid 1, 1e volzin, Wet Vpb.</para>
      <para>1969 geredigeerd:</para>
      <para>"Ingeval in de eerste vijf jaren na de verwerving van een</para>
      <para>deelneming (...) de waarde (...) daalt (...), vindt de</para>
      <para>deelnemingsvrijstelling geen toepassing ten aanzien van</para>
      <para>het (...) afwaarderingsverlies (...)"</para>
      <para>2.34.2. De Memorie van toelichting, Bijlagen Handelingen Tweede</para>
      <para>Kamer, 1995-1996 - 24.696, nr. 3, onder II, 1.2, blz. 6, 3e al&amp;lt;(15)Het opschrift niet afzonderlijk geteld.&amp;gt;., hield in,</para>
      <para>"(...) dat vermogensverliezen op een deelneming bij</para>
      <para>moedermaatschappij niet ten laste van de winst kunnen</para>
      <para>worden gebracht. Een uitzondering (...) is het verlies</para>
      <para>bij liquidatie van een deelneming. Met name in eerste</para>
      <para>jaren na de (...) verwerving van een deelneming kunnen</para>
      <para>zich evenwel verliezen voordoen welke door de moedermaat</para>
      <para>schappij moeten worden opgevangen. (...) De moedermaat</para>
      <para>schappij loopt (...) gedurende de eerste jaren een rela</para>
      <para>tief groot risico terwijl nog zal moeten blijken of de</para>
      <para>gedane investering rendabel is. (...)"</para>
      <para>2.35. N. H. de Vries/L. W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting), 2.16.M. onder b.1.I, betogen:</para>
      <para>"(blz. 414f (Suppl. 257 (mei 1997))) (...) Indien een</para>
      <para>deelneming wordt gekocht tegen een winstrecht of tegen</para>
      <para>andere periodieke betalingen waarvan de omvang ten tijde</para>
      <para>van de aankoop niet vaststaat (in de praktijk spreekt men</para>
      <para>met een fraai woord over "earn-out clauses") menen wij</para>
      <para>dat voor de bepaling van het opgeofferde bedrag voor de</para>
      <para>koper aansluiting mag worden gezocht bij hetgeen is</para>
      <para>beslist in HR 3 maart 1993 (...) Mede in het licht van</para>
      <para>het (...) arrest HR 19 december 1979 (...) menen wij dat</para>
      <para>[de] overwegingen [van HR 3 maart 1993] van overeenkom</para>
      <para>stige toepassing zijn op de koper van de deelneming.</para>
      <para>Bijzondere aandacht verdient de overweging van de Hoge</para>
      <para>Raad inzake de feiten of omstandigheden die rechtstreeks</para>
      <para>verband houden met de waarde van de vervreemde aandelen.</para>
      <para>Zo zal het opgeofferde bedrag onzes inziens verlaagd of</para>
      <para>verhoogd moeten worden (blz. 414g (Suppl. 231 (april</para>
      <para>1995))) indien de mutaties in de koopsom uit hoofde van</para>
      <para>het gesloten contract rechtstreeks terug zijn te voeren</para>
      <para>op bijvoorbeeld de rentabiliteit of de intrinsieke waarde</para>
      <para>van de aangekochte aandelen. (...)"</para>
      <para>2.36. HR 29 augustus 1997, nr. 32.310, BNB 1997/331, onder</para>
      <para>3.3, blz. 2689, regels 11-14, overwoog:</para>
      <para>"Uitgaande van zijn (...) oordeel dat zowel het bestaan</para>
      <para>als het beloop van de beweerde vordering uit wanprestatie</para>
      <para>op B in 1985 geheel onzeker was, heeft het Hof terecht</para>
      <para>geoordeeld dat het belanghebbende in redelijkheid niet</para>
      <para>vrijstond bedoelde vordering naar zijn privé-vermogen</para>
      <para>over te brengen."&amp;lt;(16)Ik citeer dit arrest als een duidelijk, maar overigens</para>
      <para>willekeurig gekozen, voorbeeld uit een thans als vast</para>
      <para>aan te merken jurisprudentie.&amp;gt;</para>
      <para>2.37. Blokland, WFR 1997/6265, blz. 1499, onder 5, betoogt:</para>
      <para>"(...) Interessant (...) is het arrest van (...) 3 maart</para>
      <para>1993 (...) inzake de vervreemding met als wederprestatie</para>
      <para>onder meer een winstrecht. Verschillen tussen het terzake</para>
      <para>geactiveerde bedrag en de latere uitkomst werden hierbij</para>
      <para>niet tot de deelnemingssfeer gerekend. Het ligt in de</para>
      <para>rede dat hetzelfde geldt bij de wederpartij. (...)"</para>
      <para>2.38. Van Dijck, Persoonlijke verplichtingen, Fiscale brochu</para>
      <para>res FED, IB, 2e druk, 1998, nr. 5.3.7, blz. 92, betoogt:</para>
      <para>"(...) Indien bij de betaling van een schuld in termijnen</para>
      <para>een opslag in aanmerking wordt genomen op grond van het</para>
      <para>tijdsverloop, zal deze opslag als rente in aanmerking</para>
      <para>komen. (...)"</para>
      <para>2.39. Naar ik in mijn conclusie van 1 december 1998, nr.</para>
      <para>33.221, betoogde (ik vermeld de oorspronkelijke bladzijdenum</para>
      <para>mering, maar volg wel de anonimisering in Vakstudie Nieuws),</para>
      <para>"(blz. 7) (...) 7.1. (...) moet bij de vervreemding van</para>
      <para>een deelneming - met het oog op de toepassing van de</para>
      <para>deelnemingsvrijstelling voor de heffing van vennoot</para>
      <para>schapsbelasting - nauwkeurig onderscheiden worden tussen</para>
      <para>hetgeen op het tijdstip van de vervreemding - dat is het</para>
      <para>tijdstip van de obligatoire overeenkomst, strekkend tot</para>
      <para>eigendomsoverdracht - betrekking heeft op de deelneming</para>
      <para>zelf, beoordeeld naar de feiten en omstandigheden zoals</para>
      <para>zij op dat tijdstip zijn, en hetgeen betrekking heeft op</para>
      <para>ontwikkelingen na dat tijdstip (zie in het bijzonder de</para>
      <para>(...) arresten van 20 april 1988 (...), 3 maart 1993</para>
      <para>(...) en 6 maart 1996 (...)). 7.2. De consequentie van</para>
      <para>dit onderscheid is dat voordelen (in positieve zowel als</para>
      <para>in negatieve zin) tot aan dat tijdstip (blz. 8) onder de</para>
      <para>deelnemingsvrijstelling vallen, en dat voor- en nadelen,</para>
      <para>na dat tijdstip ontstaan, de normale, niet vrijgestelde,</para>
      <para>winst betreffen. 7.3. Voor de thans aanhangige zaak</para>
      <para>brengt dat (...) mee dat, beoordeeld naar de feiten en</para>
      <para>omstandigheden ten tijde van de verkoop, dat is in 1987,</para>
      <para>niet zonder meer de volle verkoopprijs als (vrijgesteld)</para>
      <para>positief winstbestanddeel in aanmerking genomen had</para>
      <para>behoren te worden, maar dat daartegenover rekening gehou</para>
      <para>den had moeten worden met de contante waarde van de</para>
      <para>verplichting die de belanghebbende behalve de eigendoms</para>
      <para>overdracht van de aandelen A BV op zich genomen had, te</para>
      <para>weten ervoor zorg te dragen dat D Company niet met een</para>
      <para>halve deelgerechtigdheid in B S.A. bleef zitten, welke</para>
      <para>verplichting van financiële sancties was voorzien. 7.4.</para>
      <para>Zou het zo gegaan zijn, dan zou in 1987 het saldo van de</para>
      <para>volle verkoopprijs enerzijds en de contante waarde van de</para>
      <para>verplichting anderzijds als vrijgesteld winstbestanddeel</para>
      <para>in aanmerking genomen zijn. 7.5. In volgende jaren zou</para>
      <para>dan hetgeen de belanghebbende uit hoofde van de bedoelde</para>
      <para>verplichting meer of minder moest uitleggen dan de in</para>
      <para>aanmerking genomen contante waarde, als negatief onder</para>
      <para>scheidenlijk positief voordeel tot haar belastbare winst</para>
      <para>behoren. In die vergelijking zouden betrokken moeten zijn</para>
      <para>kosten die de belanghebbende uit hoofde van de verplich</para>
      <para>ting heeft moeten maken, maar ook de afwaardering op de</para>
      <para>verkoopprijs die zij in 1990 heeft toegepast, en wellicht</para>
      <para>wat zij van het aan C overgemaakte bedrag heeft ver</para>
      <para>speeld. 7.6. In deze opvatting komt men met betrekking</para>
      <para>tot die latere voor- en nadelen aan de deelnemingsvrij</para>
      <para>stelling niet toe en is het dus ook niet nodig te onder</para>
      <para>scheiden tussen kosten en (andere) negatieve voordelen.</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>3. Aanvullende gegevens over deelnemingen.</para>
      <para>3.1. HR 20 april 1977, nr. 18.065, met mijn conclusie, BNB</para>
      <para>1977/162 met noot A. Nooteboom, blz. 716, regels 29-33, over</para>
      <para>woog,</para>
      <para>"dat verliezen, geleden als gevolg van een wijziging</para>
      <para>de valutaverhoudingen bij de aflossing van een in verband</para>
      <para>met een deelneming aangegane geldlening (...) niet als</para>
      <para>kosten in de zin van artikel 13, lid 4, kunnen worden</para>
      <para>aangemerkt (...)"</para>
      <para>3.2. HR 16 december 1981, nr. 20.914, BNB 1982/72 met noot J.</para>
      <para>Verburg, blz. 334, regels 22-28, overwoog,</para>
      <para>"dat het conversierecht deel uitmaakt van de rechten die</para>
      <para>de houder van een converteerbare obligatie als schuldei</para>
      <para>ser tegenover de schuldenaar van de obligatie toekomen;</para>
      <para>dat de deelnemingsvrijstelling, voor zover te dezen van</para>
      <para>belang, uitsluitend betrekking heeft op de voordelen</para>
      <para>welke worden genoten uit hoofde van het aandeelhouder</para>
      <para>schap (...), zodat deze vrijstelling voor het door be</para>
      <para>langhebbende uit hoofde van het conversierecht genoten</para>
      <para>voordeel geen toepassing kan vinden (...)"</para>
      <para>3.3. HR 4 juni 1986, nr. 23.381, BNB 1986/282 met noot Slot,</para>
      <para>onder 4, blz. 1669, tot en met regel 11, overwoog:</para>
      <para>"De toepassing van artikel 15 van de Wet houdt, ingevolge</para>
      <para>lid 1 van dit artikel, in dat de belasting wordt geheven</para>
      <para>alsof de dochtermaatschappij in de moedermaatschappij is</para>
      <para>opgegaan. Dit brengt mede dat het bezit van de aandelen</para>
      <para>in een dochtermaatschappij waarmede een fiscale eenheid</para>
      <para>bestaat niet kan worden aangemerkt als een deelneming in</para>
      <para>de zin van artikel 13 van de Wet. De bepaling van artikel</para>
      <para>13, lid 5, van de Wet kan mitsdien, indien een fiscale</para>
      <para>eenheid bestaat, met betrekking tot de deelneming in een</para>
      <para>dochtermaatschappij die in de eenheid is opgenomen, geen</para>
      <para>toepassing vinden. Dit gevolg - ook indien het ertoe</para>
      <para>leidt dat meer belasting verschuldigd is dan in geval de</para>
      <para>dochtermaatschappij niet in een fiscale eenheid zou zijn</para>
      <para>opgenomen - vloeit rechtstreeks voort uit hetgeen in</para>
      <para>artikel 15, lid 1, van de Wet is bepaald."</para>
      <para>3.4. HR 3 december 1986, nr. 23.601, BNB 1987/33, onder 3,</para>
      <para>blz. 213, regels 26-30, overwoog:</para>
      <para>"Voor de (...) opvatting, dat rente betaald voor het</para>
      <para>aanhouden van een deelneming tot het voor de verkrijging</para>
      <para>van de deelneming opgeofferde bedrag als bedoeld in</para>
      <para>artikel 13, lid 5, tweede volzin, van de Wet op de ven</para>
      <para>nootschapsbelasting 1969 dient te worden gerekend, kunnen</para>
      <para>noch in de tekst noch in de strekking of de ontstaansge</para>
      <para>schiedenis van die bepaling aanknopingspunten worden</para>
      <para>gevonden."</para>
      <para>3.5. HR 19 juni 1991, nr. 26.102, met conclusie van Verburg,</para>
      <para>BNB 1991/268 met noot Juch, onder 4.5, overwoog voor de hef</para>
      <para>fing van de vennootschapsbelasting 1981:</para>
      <para>"(blz. 1695, van regel 56 af) De in artikel 13 neerge</para>
      <para>legde vrijstelling strekt ertoe te voorkomen dat in een</para>
      <para>deelnemingsverhouding dezelfde winst tweemaal in een</para>
      <para>belasting naar de winst wordt betrokken. In een stelsel</para>
      <para>waarin de vrijstelling toepassing vindt voor, en tevens</para>
      <para>wordt beperkt (blz. 1696, tot en met regel 2) tot, de</para>
      <para>voordelen die zijn ontstaan in het tijdvak waarin de</para>
      <para>vrijstelling heeft bestaan, komt deze strekking (...) tot</para>
      <para>haar recht (...)"</para>
      <para>3.6. HR 17 november 1993, nr. 28.818, met conclusie van</para>
      <para>Verburg, BNB 1994/273 met noot E. Aardema, onder 3.4, blz.</para>
      <para>2069, regels 38-45, overwoog voor de heffing van vennoot</para>
      <para>schapsbelasting 1983:</para>
      <para>"De omstandigheid dat belanghebbende tot de onderhavige</para>
      <para>transacties is overgegaan om de verliezen te compenseren</para>
      <para>welke zij ten gevolge van een wijziging in de wisselkoers</para>
      <para>van de Belgische frank, in verband met haar bezit van</para>
      <para>aandelen in haar Belgische dochtervennootschappen, zou</para>
      <para>kunnen lijden, brengt niet mee dat die transacties, die</para>
      <para>naar haar aard een zelfstandige bron van winst of verlies</para>
      <para>vormen, in een zodanig rechtstreeks verband staan met de</para>
      <para>deelnemingen dat zij dienen te worden gerekend tot de</para>
      <para>voordelen, als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Wet,</para>
      <para>die belanghebbende zijn opgekomen uit hoofde van haar</para>
      <para>aandeelhouderschap in de Belgische vennootschappen."</para>
      <para>3.7. Hof Amsterdam 21 november 1995, nr. 94/5708, BNB 1996/</para>
      <para>238, onder 5.3.2, blz. 1894, regels 31-38, overwoog voor de</para>
      <para>heffing van vennootschapsbelasting 1991:</para>
      <para>"Gelet op de samenhang tussen het eerste en het vierde</para>
      <para>lid van artikel 13 van de Wet Vpb. 1969&amp;lt;(17)Hof Amsterdam gebruikt de tekst zoals die luidde tot 29</para>
      <para>april 1990.  &amp;gt;, moet worden</para>
      <para>aangenomen dat het vierde lid slechts beoogt van aftrek</para>
      <para>uit te sluiten kosten welke verband houden met het tijd</para>
      <para>vak waarin de deelneming werd gehouden en waarin derhalve</para>
      <para>de deelnemingsvrijstelling van toepassing was. Mitsdien</para>
      <para>behoren kosten die niet op dat tijdvak betrekking hebben,</para>
      <para>zoals de onderwerpelijke rente betreffende een na de</para>
      <para>verkoop van de deelnemingen resterende schuld, niet te</para>
      <para>worden gerangschikt onder de in artikel 13, lid 4, van de</para>
      <para>Wet Vpb. 1969 bedoelde kosten welke verband houden met</para>
      <para>een deelneming."</para>
      <para>4. Aanvullende gegevens over de samenhang in de belasting</para>
      <para>heffing ten laste van de bij een transactie betrokken belas</para>
      <para>tingplichtigen.</para>
      <para>4.1. HR 31 mei 1978, nr. 18.230, met mijn conclusie, BNB 1978/252</para>
      <para>met noot Hofstra, blz. 1319, regels 10-17, overwoog,</para>
      <para>"dat het Hof (...) tot uitdrukking heeft gebracht dat het</para>
      <para>aan belanghebbendes dochter opgekomen voordeel, bestaande</para>
      <para>uit het niet verschuldigd worden van rente over de haar</para>
      <para>door de grootmoedermaatschappij verstrekte lening, zijn</para>
      <para>oorzaak niet vond in de bedrijfsuitoefening van belang</para>
      <para>hebbendes dochter doch uitsluitend in de vennootschappe</para>
      <para>lijke betrekkingen tussen de drie bedoelde vennootschap</para>
      <para>pen; dat het Hof terecht dit voordeel niet tot de winst</para>
      <para>heeft gerekend, aangezien ingevolge artikel 7 van de Wet</para>
      <para>op de inkomstenbelasting 1964 daartoe alleen worden</para>
      <para>gerekend voordelen welke worden verkregen uit onderneming</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>4.2. HR 8 juli 1986, nr. 23.440, met conclusie van de advo</para>
      <para>caat-generaal Moltmaker, BNB 1986/295 met noot Den Boer, blz.</para>
      <para>1778, regels 6-31, overwoog: het</para>
      <para>"4.1. (...) arrest van (...) 1978 (...) berust mede</para>
      <para>veronderstelling dat een op deze wijze opgekomen&amp;lt;(18)Dat het woorddeel "op" in BNB ontbreekt, is blijkens de</para>
      <para>oorspronkelijke tekst van het arrest een drukfout.&amp;gt; voor</para>
      <para>deel naar de regels van het Nederlandse belastingrecht</para>
      <para>bij degene die het voordeel verstrekt tot de winst uit</para>
      <para>een door hem gedreven onderneming dient te worden gere</para>
      <para>kend. 4.2. Een redelijke wetstoepassing, welke recht doet</para>
      <para>aan de samenhang tussen de vennootschapsbelasting en de</para>
      <para>inkomstenbelasting (...), laat niet toe een voordeel</para>
      <para>bestaande uit het niet verschuldigd worden van rente</para>
      <para>(...) bij de bepaling van de winst buiten aanmerking te</para>
      <para>laten indien het (...) voordeel is verkregen van een</para>
      <para>natuurlijk persoon voor wie de renteloze vordering op de</para>
      <para>vennootschap niet behoort tot het ondernemingsvermogen."</para>
      <para>4.3. HR 8 juli 1986, nr. 23.441, met conclusie van Moltmaker, BNB</para>
      <para>1986/296 met noot Den Boer, onder 4.1, blz. 1782, regels 27-42, overwoog in gelijke zin als het arrest nr. 23.440,</para>
      <para>onder 4.1, en overwoog, onder 4.2, regels 44-53:</para>
      <para>"Een redelijke wetstoepassing, welke recht doet aan</para>
      <para>samenhang tussen de vennootschapsbelasting en de inkom</para>
      <para>stenbelasting (...), laat niet toe een voordeel bestaande</para>
      <para>uit het niet verschuldigd worden van een beloning wegens</para>
      <para>werkzaamheden of diensten ten behoeve van een belasting</para>
      <para>plichtige vennootschap door haar (toekomstig) aandeelhou</para>
      <para>der verricht (...) bij de bepaling van de winst buiten</para>
      <para>aanmerking te laten indien het (...) voordeel is verkre</para>
      <para>gen van een natuurlijk persoon."</para>
      <para>4.4. HR 10 maart 1993, nr. 27.295, met conclusie van Verburg,</para>
      <para>BNB 1993/194 met noot Den Boer, onder 3.2, blz. 1419, regels</para>
      <para>50-55, overwoog,</para>
      <para>"(...) dat de door X BV aan A NV betaalde rente bij</para>
      <para>berekening van de aan de heffing van vennootschapsbelas</para>
      <para>ting onderworpen winst van deze hier te lande gevestigde</para>
      <para>en tot hetzelfde concern behorende vennootschap in aan</para>
      <para>merking moet worden genomen. Hieruit volgt dat niet kan</para>
      <para>worden gezegd dat de aanvaarding van de verplichting tot</para>
      <para>rentebetaling heeft geleid tot een met doel en strekking</para>
      <para>van de Wet strijdige verijdeling van de belastingheffing.</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>4.5. HR 23 augustus 1995, nr. 29.521, BNB 1996/3 met noot J.</para>
      <para>Hoogendoorn, onder 3.5.1, blz. 39, tot en met regel 8, over</para>
      <para>woog:</para>
      <para>"De door X BV betaalde rente wordt als winst door I</para>
      <para>genoten. Aangezien I BV in het onderhavige jaar de status</para>
      <para>van beleggingsinstelling had, moet ervan worden uitgegaan</para>
      <para>dat de uit deze rente voortvloeiende winst van I BV</para>
      <para>binnen acht maanden na afloop van het boekjaar aan de</para>
      <para>aandeelhouders werd uitgekeerd, en aldus na korte tijd</para>
      <para>als dividend tot het inkomen van deze aandeelhouders ging</para>
      <para>behoren. Deze gang van zaken sluit aan bij hetgeen de</para>
      <para>wetgever met de regeling voor beleggingsinstellingen</para>
      <para>heeft beoogd, te weten een vrijstelling van vennoot</para>
      <para>schapsbelasting voor de opbrengst van beleggingen, indien</para>
      <para>deze opbrengst kort na afloop van het jaar in zijn geheel</para>
      <para>als inkomsten uit vermogen aan de aandeelhouders ten</para>
      <para>goede zou komen. (...)"</para>
      <para>4.6. HR 6 september 1995, nr. 27.927, met conclusie van</para>
      <para>Verburg, BNB 1996/4 met noot Hoogendoorn, onder 3.2.6, blz.</para>
      <para>58, regels 26-40, overwoog:</para>
      <para>"De omstandigheid dat de rente in feite ten laste van</para>
      <para>winst van A wordt gebracht, hoewel deze zelf geen rente</para>
      <para>verschuldigd is, berust op de werking van artikel 15 van</para>
      <para>de Wet, welk artikel onder meer beoogt de zogenoemde</para>
      <para>horizontale compensatie van winsten en verliezen van een</para>
      <para>vennootschap met die van een dochtervennootschap mogelijk</para>
      <para>te maken. (...) Compensatie als hiervóór bedoeld is (...)</para>
      <para>niet verenigbaar met doel en strekking van de Wet indien</para>
      <para>de rente toevloeit aan een lichaam dat niet aan de hef</para>
      <para>fing van enige belasting van zijn winst of inkomsten is</para>
      <para>onderworpen, aangezien voormeld artikel 15 (...) niet</para>
      <para>mede bedoelt de mogelijkheid te openen om een deel van de</para>
      <para>winst van een der vennootschappen geheel buiten het</para>
      <para>bereik van de belastingheffing te brengen."</para>
      <para>4.7. HR 20 september 1995, nr. 29.737, met mijn conclusie, BNB</para>
      <para>1996/5 met noot Hoogendoorn, onder 3.5, overwoog:</para>
      <para>"(blz. 79, van regel 44 af) Indien een hier te lande</para>
      <para>gevestigde vennootschap een schuld aangaat tegenover een</para>
      <para>niet hier te lande gevestigde vennootschap en ter zake</para>
      <para>van de rente voor deze schuld van laatstbedoelde vennoot</para>
      <para>schap in het land van haar vestiging belasting naar de</para>
      <para>winst of het inkomen wordt geheven, die naar hier te</para>
      <para>lande geldende maatstaven als redelijk is aan te merken,</para>
      <para>kan (...) niet worden gezegd dat (...) de uit de ver</para>
      <para>schuldigdheid van (blz. 80, tot en met regel 2) de rente</para>
      <para>voortvloeiende vermindering van de winst van eerstgenoem</para>
      <para>de vennootschap in strijd is met doel en strekking van de</para>
      <para>Wet."</para>
      <para>4.8. HR 19 juni 1996, nr. 30.045, met mijn conclusie, BNB</para>
      <para>1996/299 met noot Van der Geld, onder 3.4, blz. 2452, regels</para>
      <para>12-16, overwoog:</para>
      <para>"(...) Een redelijke wetstoepassing, die mede recht doet</para>
      <para>aan de samenhang die er dient te bestaan tussen de hef</para>
      <para>fing van inkomsten- en vennootschapsbelasting, brengt</para>
      <para>(...) mee dat (...) bij de bepaling van de winst van de</para>
      <para>debiteur van een [converteerbare] obligatie slechts de</para>
      <para>feitelijk als rente betaalde bedragen - en dus niet enig</para>
      <para>bedrag voor het conversierecht - als kosten worden aange</para>
      <para>merkt. (...)"</para>
      <para>(in gelijke zin HR 19 juni 1996, nr. 30.046, met mijn conclu</para>
      <para>sie, BNB 1996/300 met noot Van der Geld, onder 3.4, blz. 2476,</para>
      <para>regel 48 - blz. 2477, regel 1).</para>
      <para>4.9. Bij besluit van 25 september 1998, nr. DB98/3399M, BNB</para>
      <para>1998/343, betoogde de Staatssecretaris:</para>
      <para>"(blz. 2863, regel 44) (...) 3 (...) (blz. 2864, regels</para>
      <para>5-32) (...) Een redelijke wetstoepassing, welke recht</para>
      <para>doet aan de samenhang tussen inkomsten- en vennootschaps</para>
      <para>belasting, brengt met zich mee dat (...) de bevoordeling</para>
      <para>(...) in de heffing van vennootschapsbelasting wordt</para>
      <para>betrokken. (...) 5 (...) Een cessie van huurtermijnen</para>
      <para>vóór 1 januari 1996 leidt niet tot heffing van inkomsten</para>
      <para>belasting bij de digra. Voor de heffing van vennoot</para>
      <para>schapsbelasting wordt het standpunt ingenomen dat geen</para>
      <para>sprake is van een informele kapitaalstorting. (...)"</para>
      <para>4.10. Bij besluit van 28 september 1998, nr. DB98/3247M, BNB</para>
      <para>1998/344, onder 6, blz. 2866, regels 9-11, betoogde de Staats</para>
      <para>secretaris,</para>
      <para>"(...) dat voor de emitterende vennootschap naast</para>
      <para>couponrente tevens de waarde van het omwisselingsrecht</para>
      <para>zoals dat in de heffing van de inkomstenbelasting wordt</para>
      <para>betrokken ten laste van de winst kan worden gebracht.</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>5. Enkele gegevens over de ontwikkeling van de rechtsstrijd wat</para>
      <para>betreft de verwerving van de deelneming.</para>
      <para>5.1. Het beroepschrift hield in:</para>
      <para>"(blz. 7) (...) PRIMAIR (...) Belanghebbende stelt zich</para>
      <para>op het standpunt dat de fiscale kostprijs van de deelne</para>
      <para>ming (...) op Dfl. 60.000.000 moet worden gewaardeerd. De</para>
      <para>additionele betalingen ad Dfl. 75.000.000 maken geen deel</para>
      <para>uit van de fiscale kostprijs maar van de verplichting uit</para>
      <para>hoofde van het financieringscontract. Deze betalingen</para>
      <para>dienen derhalve als fiscaal aftrekbaar te worden aange</para>
      <para>merkt. (...) (blz. 8) (...) Op zich geldt dat een -voor</para>
      <para>de verkoper- vrijgestelde winst op de verkoop van een</para>
      <para>deelneming voor de koper gerekend wordt tot de (...)</para>
      <para>kostprijs van een deelneming. Dit geldt ook voor</para>
      <para>goodwill. Zelfs voor zogenaamde externe goodwill (...)</para>
      <para>(blz. 9) (...) Alleen vervreemdingsresultaten die samen</para>
      <para>hangen met de waarde van de deelneming op het moment van</para>
      <para>de verkoop vallen onder de deelnemingsvrijstelling.</para>
      <para>Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat deze</para>
      <para>scherpe lijn ook van toepassing is op de koper van een</para>
      <para>deelneming. (...) (blz. 11) (...) De betalingen boven het</para>
      <para>bedrag van Dfl. 60.000.000 moesten (...) nog verdiend</para>
      <para>worden. (...) (blz. 12) (...) De enige reden dat de</para>
      <para>second completion payment (...) verdiend kon worden is</para>
      <para>dat met ingang van 1 oktober 1988 het vennootschapsbelas</para>
      <para>tingtarief aanzienlijk omlaag gegaan is (...) (blz. 13)</para>
      <para>(...) Ook de verkopers (...) gingen ervan uit dat het</para>
      <para>earn out element (Dfl. 75.000.000) nog volledig moest</para>
      <para>worden verdiend. (...) De advocaat van verkopers deelt</para>
      <para>mee dat de verkopers (...) ernstig bezorgd waren over</para>
      <para>beknotting van hun management positie: "in particularly</para>
      <para>this (...) jeopardizes their chances to earn an</para>
      <para>additional Dfl. 75.000.000" (...) (blz. 14) Op basis van</para>
      <para>bovengenoemd feitenpatroon stelt belanghebbende zich op</para>
      <para>het standpunt dat de verplichting uit hoofde van de earn</para>
      <para>out op nihil moet worden geschat. De fiscale kostprijs</para>
      <para>van de deelneming (...) bedraagt derhalve</para>
      <para>Dfl. 60.000.000. De additionele betalingen ad</para>
      <para>Dfl. 75.000.000 dienen dientengevolge ten laste van het</para>
      <para>fiscale resultaat te komen. (...) SUBSIDIAIR (...) Het</para>
      <para>was uiteraard onzeker welke bedragen terzake van de earn</para>
      <para>out regeling uiteindelijk verschuldigd zouden worden.</para>
      <para>(...) De regels van goed koopmansgebruik brengen dan mee</para>
      <para>dat het rente element steeds wordt bepaald wanneer er een</para>
      <para>betaling gedaan is. (...) De kostprijs deelneming dient</para>
      <para>dan gesteld te worden op de contante waarde van de beta</para>
      <para>lingen. (...)"</para>
      <para>5.2. Naar het vertoogschrift van het Hoofd van de Belasting</para>
      <para>dienst Grote ondernemingen te P (hierna te noemen de Inspec</para>
      <para>teur) inhield,</para>
      <para>"(blz. 3) (...) 4.1. (...) (blz. 4) (...) is langdurig</para>
      <para>onderhandeld  over de verkoop van de aandelen. Daarbij</para>
      <para>was het de bedoeling van [de moeder] om de directeu</para>
      <para>ren/aandeelhouders langdurig aan de vennootschap te</para>
      <para>binden. Zij waren immers de succesvolle creatieve figuren</para>
      <para>en de geslaagde managers, die in zeer korte tijd [Recla</para>
      <para>mebureau BV] naar de vierde plaats in de Nederlandse</para>
      <para>reclamemarkt hadden weten te brengen. (...) (blz. 5)</para>
      <para>(...) Belangrijke (...) bepalingen in de koopovereenkomst</para>
      <para>zijn de volgende. * G en F (twee van de verkopers) dienen</para>
      <para>minstens tot 31 december 1992 (uiterste datum van de voor</para>
      <para>de bepaling van de koopsom relevante "earn-out" periode)</para>
      <para>lid van de directieraad te blijven. Beide heren hebben</para>
      <para>een vetorecht met betrekking tot de benoeming van direc</para>
      <para>tieleden door [de moeder]. (blz. 10) (...) 4.2.4. [Ik]</para>
      <para>acht (...) het vanzelfsprekend dat alle betalingen, door</para>
      <para>belanghebbende gedaan aan de verkopers (...), recht</para>
      <para>streeks voortvloeiend uit de koopovereenkomst en evident</para>
      <para>op te vatten als vergoeding voor de waarde die de deelne</para>
      <para>ming vertegenwoordigt, dienen te worden geactiveerd als</para>
      <para>kostprijs van die deelneming. (...) De hogere betalingen</para>
      <para>staan tegenover de gebleken meerwaarde van de deelneming</para>
      <para>en vormen als zodanig onderdeel van de kostprijs. (...)</para>
      <para>Een fiscaal in aanmerking te nemen verlies (...) (blz.</para>
      <para>11) (...) is in strijd met goed koopmansgebruik omdat op</para>
      <para>die wijze een verlies in aanmerking wordt genomen dat in</para>
      <para>het geheel niet is geleden. (...) De koper van een deel</para>
      <para>neming (...), die bereid is een prijs te betalen voor een</para>
      <para>deelneming, afhankelijk van de uiteindelijk blijkende</para>
      <para>waarde daarvan, kan in redelijkheid niet volhouden dat</para>
      <para>hij een verlies leidt (lees: lijdt, v.S.) wanneer blijkt</para>
      <para>dat hij een zeer succesvolle en winstgevende onderneming</para>
      <para>heeft gekocht. (...) 4.2.5. (...) Bij volstrekte onzeker</para>
      <para>heid met betrekking tot de (omvang van) de verschuldigd</para>
      <para>heid dient vooralsnog geen rekening te worden gehouden</para>
      <para>met mogelijke toekomstige uitgaven. Dan dienen van jaar</para>
      <para>tot jaar de daadwerkelijk betaalde bedragen, voor het</para>
      <para>nominale bedrag, te worden geactiveerd als kostprijs van</para>
      <para>de deelneming. (...) (blz. 12) (...) * (...) * (...) Het</para>
      <para>was aan het management van [Reclamebureau BV] het sterk</para>
      <para>verliesgevende [Advertising BV] en het sterk winstgevende</para>
      <para>[Reclamebureau BV] in een periode van viereneenhalf jaar</para>
      <para>(1988-1992) om te vormen tot een winstgevende nieuwe</para>
      <para>onderneming. (...) Het was aan de verkopers om in een</para>
      <para>periode van vier jaar de goodwill te creëren. (...)"</para>
      <para>5.3. Het Hof heeft de van de zijde van de belanghebbende</para>
      <para>overgelegde pleitnota als in de bestreden uitspraak, onder 1,</para>
      <para>blz. 2, opgenomen aangemerkt. Deze pleitnota, onder I, 1, blz.</para>
      <para>3, hield in:</para>
      <para>"(...) Het is bekend dat (top) creatieven regelmatig van</para>
      <para>werkgever wisselen. Ook klanten stappen gemakkelijk over</para>
      <para>naar een ander bureau. (...) Om deze reden moesten de</para>
      <para>verkopers gecommitteerd blijven om resultaten te behalen.</para>
      <para>Via het earn out contract blijven ze gebonden en gemoti</para>
      <para>veerd. (...) Voor zover de earn out betalingen zien op</para>
      <para>het gemotiveerd houden van de verkopers (...), zouden ze</para>
      <para>ook aftrekbaar zijn als vergoeding voor hun werkzaamhe</para>
      <para>den. (...)"</para>
      <para>6. De bestreden uitspraak wat betreft de verwerving van de</para>
      <para>deelneming.</para>
      <para>Het Hof heeft overwogen,</para>
      <para>"(blz. 14) (...) 5.2. (...) Volgens belanghebbende</para>
      <para>droeg de waarde van de verkregen deelneming ten tijde van</para>
      <para>de verkrijging niet meer dan f 60 miljoen (...) 5.3.3.</para>
      <para>Het Hof acht de stelling van belanghebbende omtrent de</para>
      <para>waarde van de aandelen ten tijde van de verkrijging (...)</para>
      <para>niet onaannemelijk. (blz. 15) (...) 5.3.4. (...) dat een</para>
      <para>langjarige earn-out-verplichting ook indien de waarde van</para>
      <para>de aandelen bij het aangaan van de verplichting niet meer</para>
      <para>bedraagt dan f 60 miljoen, niet zonder meer op nihil kan</para>
      <para>worden gewaardeerd. De waarde van zo'n verplichting zal</para>
      <para>afhangen van de inschatting van de toekomstige ontwikke</para>
      <para>ling van de winstgevendheid. Het Hof is (...) van oordeel</para>
      <para>dat deze meerwaarde in de omstandigheden waaronder de</para>
      <para>deelneming werd verkregen zodanig onzeker is dat deze</para>
      <para>niet op een enigszins betrouwbare wijze kan worden ge</para>
      <para>schat. Het Hof is voorts van oordeel dat bij onderhande</para>
      <para>ling tussen zakelijk handelende partijen over de betaling</para>
      <para>in de vorm van een bedrag ineens - in plaats van een</para>
      <para>earn-out-verplichting - dit zou uitmonden in een door</para>
      <para>loven en bieden tot stand komende uiterst arbitraire</para>
      <para>prijs. 5.3.5. Nu de partijen bij de overeenkomst, kenne</para>
      <para>lijk mede om deze reden, uitdrukkelijk hebben gekozen</para>
      <para>voor een geleidelijke betaling van een prijs afhankelijk</para>
      <para>van de toekomstige resultaten, neemt het Hof aan dat de</para>
      <para>bedoeling van deze overeenkomst was die hogere prijs</para>
      <para>alleen te betalen indien en voor zover het zou lukken</para>
      <para>zowel door de inzet van de leiding (...) als door de</para>
      <para>overige omstandigheden, een dienovereenkomstige meerwaar</para>
      <para>de van die onderneming tot stand te brengen. (...) het</para>
      <para>Hof (...) neemt (...) aan dat het gehele bedrag van</para>
      <para>f 75 miljoen deze nog te cre-eren meerwaarde betreft.</para>
      <para>(...) 5.4.2. Tot de kostprijs van een bedrijfsmiddel</para>
      <para>behoren tevens de uitgaven die worden gedaan om een</para>
      <para>bedrijfsmiddel in een goede staat te brengen of anders</para>
      <para>zins te verbeteren zodanig dat het meer geschikt wordt</para>
      <para>voor de functie die het vervult of zal gaan vervullen.</para>
      <para>(...) Indien in een zodanig geval de verbetering reeds</para>
      <para>bij de (blz. 16) koopovereenkomst is overeengekomen doch,</para>
      <para>ingeval die verbetering geheel afhankelijk is van de</para>
      <para>latere vervulling van de in die overeenkomst opgenomen</para>
      <para>voorwaarden, eerst later blijkt te worden gerealiseerd en</para>
      <para>betaald, is er geen aanleiding de geraamde, nog te maken,</para>
      <para>kosten van verbetering op te nemen in de kostprijs vòòr</para>
      <para>die realisatie, dat wil zeggen vòòr de ingebruikneming</para>
      <para>van die verbetering. (...) 5.5. (...) Uit hetgeen onder</para>
      <para>5.3.5. is vastgesteld volgt dat de additionele betalingen</para>
      <para>plaatsvonden omdat een latere meerwaarde in de deelneming</para>
      <para>was gerealiseerd, derhalve omdat een bedrijfsmiddel, de</para>
      <para>deelneming, achteraf is verbeterd. (...) 5.6. De additio</para>
      <para>nele betalingen behoren derhalve op het moment dat zij</para>
      <para>verschuldigd werden tot de kostprijs van de deelneming.</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>7. De middelen 1 en 2 en de beoordeling ervan.</para>
      <para>7.1. Middel 1, subonderdeel AA, houdt in (ik vermeld de vind</para>
      <para>plaatsen in het beroepschrift in cassatie):</para>
      <para>"(blz. 2) (...) Bij een "earn-out" overeenkomst (...)</para>
      <para>gaan [de contracterende partijen] akkoord met een koopsom</para>
      <para>in de vorm van een vordering waarvan de grootte (mede)</para>
      <para>afhankelijk is van toekomstige resultaten. (...) De</para>
      <para>waardeveranderingen van de verplichting dienen (...) in</para>
      <para>het belastbare resultaat te worden opgenomen. (blz. 3)</para>
      <para>Een verplichting dient bij het ontstaan of aangaan daar</para>
      <para>van te worden gewaardeerd en gaat dan vervolgens een</para>
      <para>eigen fiscale weg (...)"</para>
      <para>7.2. Naar het mij voorkomt, geeft subonderdeel 1AA in beginsel op</para>
      <para>juiste wijze aan hoe de belastingheffing bij de verwerving van</para>
      <para>een bedrijfsmiddel tegen winstafhankelijke betalingen behoort</para>
      <para>te verlopen.</para>
      <para>7.3. Bij de verwerving van een bedrijfsmiddel is er, bijzonde</para>
      <para>re omstandigheden voorbehouden, geen grond winst of verlies</para>
      <para>bij de koper te constateren: deze betaalt een prijs die norma</para>
      <para>liter opweegt tegen de waarde die het bedrijfsmiddel voor hem</para>
      <para>heeft. Dit resultaat wordt bij de winstberekening bereikt door</para>
      <para>het bedrijfsmiddel in de boeken op te nemen voor de aanschaf</para>
      <para>fingskosten, waarbij onzekere elementen door schatting worden</para>
      <para>bepaald, dat wil zeggen in geld worden uitgedrukt.</para>
      <para>7.4. Is het moeilijk de onzekere elementen te schatten, dan</para>
      <para>zou het toch niet met goed koopmansgebruik te rijmen zijn ze</para>
      <para>te verwaarlozen. De verplichting is aangegaan en moet worden</para>
      <para>nagekomen. De aan goed koopmansgebruik inherente realiteit en</para>
      <para>voorzichtigheid gedogen niet een dergelijke verplichting</para>
      <para>buiten aanmerking te laten.</para>
      <para>7.5. Naar mate de geschatte waarde met het verloop van de tijd</para>
      <para>verandert, vormen de veranderingen alsdan winst of verlies,</para>
      <para>ten laatste op het ogenblik waarop de verplichting volledig</para>
      <para>nagekomen is.</para>
      <para>7.6. Een en ander is niet anders voor geval de onzekere ele</para>
      <para>menten betrokken zijn op het toekomstige nut dat de koper aan</para>
      <para>het bedrijfsmiddel denkt te kunnen ontlenen. Het is zijn</para>
      <para>bedrijfsmiddel geworden en dat hij de verkoper op grond van</para>
      <para>een bij de verwerving op zich genomen verplichting laat delen</para>
      <para>in het nut dat hij trekt, vormt niets anders dan een element</para>
      <para>van de aanschaffingskosten, dat eerst op zijn contante waarde</para>
      <para>moet worden gesteld en vervolgens naar gelang van de nader</para>
      <para>blijkende gegevens tot de winst of het verlies van de ko</para>
      <para>per/nieuwe eigenaar bijdraagt.</para>
      <para>7.7. Een en ander is evenzeer van toepassing indien het gaat</para>
      <para>om de verwerving van een deelneming. Op het tijdstip waarop de</para>
      <para>deelneming wordt verworven, worden de aanschaffingskosten</para>
      <para>bepaald, zo nodig door schatting.</para>
      <para>7.8. Er wordt op dat tijdstip geen winst of verlies geconsta</para>
      <para>teerd.</para>
      <para>7.9. Verandert de geschatte waarde van de verplichting, dan</para>
      <para>betreffen de veranderingen niet meer de deelneming.</para>
      <para>7.9.1. Men bedenke dat de deelneming aangeschaft werd in haar</para>
      <para>reilen en zeilen te dien tijde.</para>
      <para>7.9.2. Zakelijk kwamen op dat tijdstip tegenover elkaar te</para>
      <para>staan: die deelneming enerzijds en hetgeen de koper daarvoor</para>
      <para>uitlegde, anderzijds.</para>
      <para>7.9.3. Latere waardeveranderingen van de deelneming zelf blij</para>
      <para>ven bij de nieuwe deelnemer ingevolge de deelnemingsvrijstel</para>
      <para>ling buiten de winst.</para>
      <para>7.9.4. Maar waardeveranderingen van de tegenover de aanschaf</para>
      <para>fing aangegane verplichting betreffen niet meer de deelneming</para>
      <para>zelf, maar de verplichting, die, sedert de aanschaffing vol</para>
      <para>tooid is, daarvan los staat.</para>
      <para>7.10. Deze ontkoppeling verlangt een abstrahering van hetgeen</para>
      <para>aanvankelijk bijeen hoorde, hetgeen blijkens de literatuur</para>
      <para>voor het denken niet eenvoudig is. Ik tracht de problematiek</para>
      <para>met enkele opmerkingen te verduidelijken.</para>
      <para>7.10.1. Dat schatting van winstafhankelijke prestaties moei</para>
      <para>lijk is, is onder omstandigheden wel een grond haar achterwege</para>
      <para>te laten, evenwel alleen indien het een activum (niet een</para>
      <para>passivum; het verschil berust op het voorzichtigheidsaspect&amp;lt;(19)De door IJsselmuiden, De fiscale balans, gestelde eisen</para>
      <para>acht ik te streng. Beter kan ik mij vinden in zijn in</para>
      <para>"Rechtspersonen" verwoorde zienswijze.&amp;gt;)</para>
      <para>van de ondernemer betreft (het arrest van 10 april 1957) en de</para>
      <para>continuïteit gewaarborgd is doordat het vermogensbestanddeel</para>
      <para>de ondernemingssfeer niet verlaat (het arrest van 1997).</para>
      <para>7.10.2. Dat de betrekking tussen de deelneming enerzijds en de</para>
      <para>verplichting de aanschaffingskosten te voldoen wordt ontkop</para>
      <para>peld met de voltooiing van de aanschaffing, blijkt heel nauw</para>
      <para>keurig uit de arresten van 1979. Dat dit voor het denken</para>
      <para>problemen oplevert, blijkt uit de annotaties bij het arrest</para>
      <para>van 19 december 1979, maar zowel Den Boer als Netze laat zien</para>
      <para>hoe de problemen opgelost moeten worden.</para>
      <para>7.10.3. Dat latere betalingen niettemin onder omstandigheden</para>
      <para>toch de kostprijs van de deelneming kunnen betreffen, blijkt</para>
      <para>bijvoorbeeld uit Hof Amsterdam 19 oktober 1993, in welk geval</para>
      <para>de schadevergoeding betrekking had op de toestand van de</para>
      <para>deelneming ten tijde van haar verwerving. Het algemene school</para>
      <para>voorbeeld is de "miskoop": het geval waarin de aanschaffings</para>
      <para>kosten te hoog waren, niet ten gevolge van latere ontwikkelin</para>
      <para>gen, maar ten gevolge van omstandigheden waaromtrent de koper</para>
      <para>verkeerd geïnformeerd was. Correcties onder zulke omstandighe</para>
      <para>den kunnen in de boekwaarde verwerkt worden. (Zulks geldt</para>
      <para>intussen weer voor bedrijfsmiddelen in het algemeen, niet</para>
      <para>alleen voor deelnemingen.)</para>
      <para>7.10.4. Het komt er, evenals in het geval van het arrest van 6</para>
      <para>maart 1996, op neer dat met de verwerving van de deelneming de</para>
      <para>relatie met de verkopers, als zodanig, wordt beëindigd naar de</para>
      <para>op dat ogenblik bestaande vooruitzichten, en dat een contract</para>
      <para>dat de (nieuwe) deelnemer en de (oude) deelnemers bij elkaar</para>
      <para>blijft betrekken aangaande de lotgevallen van het lichaam</para>
      <para>waarin deelgenomen wordt, een andere relatie betreft dan de</para>
      <para>overgang van de deelneming; het vormt als het ware een, naast</para>
      <para>en los van de deelneming staande, nieuwe belangengemeenschap.</para>
      <para>7.11. Ik maak de gevolgtrekking dat het Hof, niettegenstaande</para>
      <para>de daaraan verbonden moeilijkheden, had behoren vast te stel</para>
      <para>len welke waarde ten tijde van de verwerving van de aandelen</para>
      <para>aan de verplichtingen die de belanghebbende op zich nam,</para>
      <para>toegekend moest worden en welke vennootschapsbelastingrechte</para>
      <para>lijke gevolgen dit had voor de betaling die in het aan de orde</para>
      <para>zijnde jaar uit hoofde van die verplichting werd gedaan.</para>
      <para>7.12. Ik meen dan ook dat subonderdeel 1AA slaagt en moet</para>
      <para>leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot</para>
      <para>verwijzing van de zaak naar een rechtscollege dat over de</para>
      <para>feiten kan oordelen.</para>
      <para>7.13. Subonderdeel 1AB komt erop neer dat de contante waarde</para>
      <para>van de toebetaling naar de toestand van 1988 wel degelijk te</para>
      <para>schatten was.</para>
      <para>7.14. Deze stelling strookt met hetgeen ik betoogde.</para>
      <para>7.15. Subonderdeel 1AB gaat naar mijn oordeel op.</para>
      <para>7.16. Subonderdeel 1AC vormt een nadere argumentatie van</para>
      <para>subonderdeel 1AA met overwegingen van symmetrie.</para>
      <para>7.17. Naar het mij voorkomt, ligt de symmetrie besloten in</para>
      <para>hetgeen ik ten aanzien van subonderdeel 1AA juist bevond.</para>
      <para>7.18. Op zichzelf beoordeeld, zou subonderdeel 1AC opgaan.</para>
      <para>7.19. Subonderdeel 1AD is ten gevolge van tikfouten niet goed</para>
      <para>begrijpelijk.</para>
      <para>7.20. De kern ligt evenwel, naar ik begrijp, daarin dat het</para>
      <para>Hof verweten wordt de werkelijke nabetalingen tot de kostprijs</para>
      <para>van de deelneming te rekenen.</para>
      <para>7.21. In zoverre vormt het subonderdeel een versterking van</para>
      <para>subonderdeel 1AA. Het gaat dan ook op.</para>
      <para>7.22. Subonderdeel 1AE bestrijdt het gedeelte van 's Hofs</para>
      <para>gedachtegang dat als volgt verloopt: "dat de bedoeling van</para>
      <para>deze overeenkomst was die hogere prijs alleen te betalen</para>
      <para>indien en voor zover het zou lukken zowel door de inzet van de</para>
      <para>leiding als door de overige omstandigheden, een dienovereen</para>
      <para>komstige meerwaarde van die onderneming tot stand te brengen.</para>
      <para>[H]et Hof neemt aan dat het gehele bedrag van f 75 miljoen</para>
      <para>deze nog te creëren meerwaarde betreft. Tot de kostprijs van</para>
      <para>een bedrijfsmiddel behoren tevens de uitgaven die worden</para>
      <para>gedaan om een bedrijfsmiddel in een goede staat te brengen of</para>
      <para>anderszins te verbeteren zodanig dat het meer geschikt wordt</para>
      <para>voor de functie die het vervult of zal gaan vervullen. Indien</para>
      <para>in een zodanig geval de verbetering reeds bij de koopovereen</para>
      <para>komst is overeengekomen doch, ingeval die verbetering geheel</para>
      <para>afhankelijk is van de latere vervulling van de in die overeen</para>
      <para>komst opgenomen voorwaarden, eerst later blijkt te worden</para>
      <para>gerealiseerd en betaald, is er geen aanleiding de geraamde,</para>
      <para>nog te maken, kosten van verbetering op te nemen in de kost</para>
      <para>prijs vòòr die realisatie, dat wil zeggen vòòr de ingebruikne</para>
      <para>ming van die verbetering. [D]e additionele betalingen [vonden</para>
      <para>plaats] omdat een latere meerwaarde in de deelneming was gerea</para>
      <para>liseerd, derhalve omdat een bedrijfsmiddel, de deelneming,</para>
      <para>achteraf is verbeterd."</para>
      <para>7.23. Subonderdeel 1AE verwijt het Hof onder meer een cirkel</para>
      <para>redenering.</para>
      <para>7.24. Naar het mij voorkomt, bevat 's Hofs overweging hoofdza</para>
      <para>kelijk een uitlegging, van feitelijke aard, van de overeen</para>
      <para>komst die de belanghebbende met de verkopers gesloten heeft.</para>
      <para>7.25. Dat neemt niet weg dat 's Hofs analyse rechtskundig geen</para>
      <para>stand houdt tegenover hetgeen ik bij subonderdeel 1AA juist</para>
      <para>bevond.</para>
      <para>7.26. Hoewel derhalve subonderdeel 1AE, op zichzelf beoor</para>
      <para>deeld, niet opgaat, blijft toch 's Hofs gedachtegang niet</para>
      <para>overeind.</para>
      <para>7.27. Subonderdeel 1AF houdt in dat 's Hofs gedachtegang botst</para>
      <para>met de omstandigheid dat inmiddels de deelnemingsverhouding is</para>
      <para>opgegaan in een fiscale eenheid.</para>
      <para>7.28. Naar ik meen, is deze botsing oplosbaar. Evenals bij</para>
      <para>voordelen die de deelneemster zou verkrijgen ter compensatie</para>
      <para>van een "miskoop" en die dus niet tot de belastbare winst</para>
      <para>gerekend worden, zouden de nabetalingen in 's Hofs gedachte</para>
      <para>gang buiten de winstberekening moeten blijven.</para>
      <para>7.29. En er is geen bezwaar tegen wat voor de deelneemster</para>
      <para>geldt, ook te laten gelden voor de moedermaatschappij in de</para>
      <para>fiscale eenheid.</para>
      <para>7.30. Op zichzelf beschouwd, faalt subonderdeel 1AF.</para>
      <para>7.31. Middelonderdeel 1B houdt de subsidiaire stelling in dat</para>
      <para>in ieder geval de toename van contante waarde tot nominale</para>
      <para>waarde bij de winstberekening in mindering moet komen.</para>
      <para>7.32. Voor geval deze subsidiaire stelling aan de orde komt,</para>
      <para>acht ik haar juist: de toeneming van contante waarde tot</para>
      <para>nominale is slechts één van de elementen die, gelijk ik bij</para>
      <para>subonderdeel 1AA bevond, de winstberekening beïnvloeden. Zij</para>
      <para>komt dus in ieder geval in aanmerking.</para>
      <para>7.33. Middelonderdeel 2.1.</para>
      <para>7.33.1. Het Hof heeft, onder 2.11, blz. 6, de betalingen</para>
      <para>gespecificeerd, klaarblijkelijk uitgaande van bijlage II.2 bij</para>
      <para>het beroepschrift.</para>
      <para>7.33.2. De belanghebbende corrigeert aan de hand van de bijla</para>
      <para>gen II.3 en II.23 bij het beroepschrift twee getallen, maar</para>
      <para>maakt daarbij op haar beurt een tikfout (45.250.205 is klaar</para>
      <para>blijkelijk een misslag voor 42.250.205).</para>
      <para>7.33.3. De cijfers zijn voor 's Hofs beslissing niet van</para>
      <para>belang, maar de correctie zou van belang kunnen zijn voor het</para>
      <para>geen na cassatie nog beslist moet worden.</para>
      <para>7.33.4. Het middelonderdeel gaat op.</para>
      <para>7.34. Middelonderdeel 2.2.</para>
      <para>7.34.1. Het beroepschrift, blz. 12, hield in:</para>
      <para>"(...) In onze brief (...) (bijlage II.8) (...) hebben</para>
      <para>wij aangegeven dat om deze doelstellingen te realiseren,</para>
      <para>een jaarlijkse nettowinst groei van ongeveer 5% noodzake</para>
      <para>lijk was. Bij die brief is een bijlage gevoegd van de</para>
      <para>gebudgetteerde en daadwerkelijk behaalde resultaten (...)</para>
      <para>De derde kolom is het daadwerkelijk behaalde resultaat.</para>
      <para>(...)"</para>
      <para>7.34.2. In het vertoogschrift van de Inspecteur, onder 4.3, blz. 14,</para>
      <para>werd een opstelling gemaakt, uitgaande van de veronderstelling</para>
      <para>van een winstontwikkeling van 15 % per jaar.</para>
      <para>7.34.3. Het Hof heeft klaarblijkelijk, onder 2.14, ibid., de cijfers</para>
      <para>van de Inspecteur overgenomen, maar het heeft ze</para>
      <para>gekwalificeerd als</para>
      <para>"De bedrijfsresultaten (...)"</para>
      <para>7.34.4. De daartegen in het middelonderdeel gerichte grief gaat op.</para>
      <para>7.35. Middelonderdeel 2.3.</para>
      <para>7.35.1. Het Hof heeft, onder 5.5, blz. 16, overwogen (volgend op</para>
      <para>hetgeen ik hiervóór uit overweging 5.5 citeerde):</para>
      <para>"(...) Hoewel niet doorslaggevend sluit dit oordeel aan</para>
      <para>bij de wijze waarop de additionele betalingen in de (...)</para>
      <para>jaarrekeningen (...) zijn geboekt."</para>
      <para>7.35.2. De belanghebbende klaagt erover dat zij de wijze van boeken</para>
      <para>uitgelegd heeft en dat het Hof daaraan voorbij gaat.</para>
      <para>7.35.3. Het middelonderdeel faalt op grond dat 's Hofs ziens</para>
      <para>wijze een oordeel van feitelijke aard behelst en geen nadere</para>
      <para>redengeving behoeft.</para>
      <para>7.36. Middelonderdeel 2.4 klaagt erover dat het Hof enerzijds</para>
      <para>de waarde van de aandelen in 1988 op ƒ 60.000.000,- stelt en</para>
      <para>anderzijds die waarde niet doorslaggevend acht voor de bepaling</para>
      <para>van de te activeren kostprijs.</para>
      <para>7.37. De stelling van het middel faalt op grond dat naar goed</para>
      <para>koopmansgebruik een verworven bedrijfsmiddel te boek gesteld</para>
      <para>moet worden op de aanschaffingskosten.</para>
      <para>8. Enkele gegevens over de ontwikkeling van de rechtsstrijd</para>
      <para>wat betreft de management service fees.</para>
      <para>8.1. Het beroepschrift hield in:</para>
      <para>"(blz. 3) 2. [Advertising] en [Advertising Ltd.] brengen</para>
      <para>(...) kosten in rekening, zogenaamde management service</para>
      <para>fees. Het gaat hier om allocatie van daadwerkelijk ge</para>
      <para>maakte kosten (...) Er wordt geen winstopslag toegepast.</para>
      <para>(...) (blz. 6) (...) 2. (...) De rijksaccountant conclu</para>
      <para>deert dat (...) overeengekomen is geen management service</para>
      <para>fees door te belasten. Voorts zouden de uitgaven een</para>
      <para>onzakelijk karakter hebben. (...) (blz. 15) (...) 2.</para>
      <para>(...) (blz. 16) (...) PRIMAIR (...) Het niet in rekening</para>
      <para>brengen van de management service fees (...) zou getuigen</para>
      <para>van een incorrecte en inconsequente transferpricing.</para>
      <para>Voorts zou dit resulteren in een dubbele belasting (...)</para>
      <para>SUBSIDIAIR (...) voert belanghebbende aan dat de niet in</para>
      <para>rekening gebrachte management service fee kan worden</para>
      <para>aangemerkt als een zogenaamde informele kapitaalinbreng</para>
      <para>in de kostensfeer. (...)"</para>
      <para>8.2. Het vertoogschrift van de Inspecteur, onder 4.4, blz. 17,</para>
      <para>hield in,</para>
      <para>"(...) dat in ieder geval tot en met 1992 de MSF niet ten</para>
      <para>laste van de fiscale winst gebracht kunnen worden. Een</para>
      <para>zakelijke onderbouwing van de kosten is niet gegeven,</para>
      <para>zelfs niet aan de Nederlandse onderneming zelf. (...)</para>
      <para>Voorts lag er een overeenkomst uit 1988 dat kosten</para>
      <para>slechts zouden worden doorbelast als ook het Nederlandse</para>
      <para>management zich akkoord zou verklaren. Dit is nooit</para>
      <para>gebeurd. Voorts is eind 1991 een overeenkomst tussen</para>
      <para>[Advertising] en belanghebbende gesloten, dat tot en met</para>
      <para>1992 geen kosten doorbelast zouden worden. Tenslotte, ook</para>
      <para>al zouden deze betalingen als zakelijke lasten aangemerkt</para>
      <para>moeten worden, dan nog kan dat niet leiden tot een last</para>
      <para>in 1990 of voorgaande jaren, omdat pas in 1995 is beslo</para>
      <para>ten tot een betaling (...) [Reclamebureau BV] voelde zich</para>
      <para>door het concern tekort gedaan: men kreeg rekeningen</para>
      <para>gepresenteerd, waartegenover geen of geen herkenbare</para>
      <para>prestaties stonden. (...)"</para>
      <para>8.3. De van de zijde van de belanghebbende overgelegde pleit</para>
      <para>nota, onder II, blz. 9, hield in:</para>
      <para>"(...) 1. De [Advertising] groep kende deze kostenalloca</para>
      <para>tie al ruim voordat [Reclamebureau BV] werd aangekocht.</para>
      <para>Het is volstrekt logisch dat de wijze van allocatie</para>
      <para>consistent wordt voortgezet. (...) 4. Vanwege de earn out</para>
      <para>regeling waren er zeer specifieke omstandigheden waardoor</para>
      <para>de management service fees geweigerd werden."</para>
      <para>9. De bestreden uitspraak wat betreft de management service</para>
      <para>fees.</para>
      <para>Het Hof heeft onder meer</para>
      <para>overwogen,</para>
      <para>"(blz. 18) (...) 5.12. (...) dat door middel van de fees</para>
      <para>de kosten van de moeder en van Advertising en Advertising</para>
      <para>Ltd. ten laste van de vestigingen in de diverse landen</para>
      <para>werden gebracht naar rato van de door die vestigingen</para>
      <para>behaalde resultaten op alle cliënten (...) (blz. 19)</para>
      <para>(...) 5.13.3. Gelet op een en ander acht het Hof niet</para>
      <para>aannemelijk dat tegenover de fees over de periode tot en</para>
      <para>met 1992 door de moeder, en met name door Advertising en</para>
      <para>Advertising Ltd. een serieuze tegenprestatie is geleverd</para>
      <para>en evenmin dat bij zakelijke verhoudingen alsnog met het</para>
      <para>voldoen van de (...) facturen zou zijn ingestemd. (...)</para>
      <para>Onder deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat</para>
      <para>belanghebbende niet op grond van een [in] 1995 gemaakte</para>
      <para>afspraak alsnog met terugwerkende kracht de onderwerpe</para>
      <para>lijke fees ten laste van de fiscale winst kan brengen, en</para>
      <para>zeker niet ten laste van de winst van het onderhavige</para>
      <para>jaar."</para>
      <para>10. De middelen 3 tot en met 6 en de beoordeling ervan.</para>
      <para>10.1. Middel 3 kiest zijn uitgangspunt in overweging 5.12 van</para>
      <para>het Hof en knoopt daaraan vast dat de gronden die het Hof</para>
      <para>aanleiding gegeven hebben daarop in het onderhavige geval een</para>
      <para>uitzondering te maken - anders gezegd: het niet maken van een</para>
      <para>uitzondering door de moeder onzakelijk te achten -, onjuist</para>
      <para>zijn.</para>
      <para>10.2. Het komt mij voor dat hier twee, elk voor zich gemoti</para>
      <para>veerde, zienswijzen van feitelijke aard tegenover elkaar</para>
      <para>staan.</para>
      <para>10.3. In een dergelijke situatie heeft het Hof het laatste</para>
      <para>woord.</para>
      <para>10.4. Middel 3 faalt.</para>
      <para>10.5. Middelonderdeel 4.1.</para>
      <para>10.5.1. Het Hof, onder 2.15, blz. 6, heeft overwogen:</para>
      <para>"De moeder heeft in 1995 management service fees (...)</para>
      <para>rekening gebracht. (...)"</para>
      <para>10.5.2. Het middelonderdeel betwist dit: de fees zijn al eerder in</para>
      <para>rekening gebracht, en wel door Advertising.</para>
      <para>10.5.3. Dit middelonderdeel faalt op grond dat de belangheb</para>
      <para>bende er geen belang bij heeft.</para>
      <para>10.6. Middelonderdeel 4.2.</para>
      <para>10.6.1. Het middelonderdeel is gericht tegen overweging 2.18,</para>
      <para>blz. 7, waar een notitie wordt geciteerd, waaromtrent de</para>
      <para>belanghebbende in de pleitnota, blz. 10, opmerkingen gemaakt</para>
      <para>heeft. Zowel daar als in het middelonderdeel concludeert zij</para>
      <para>dat slechts het definitieve Acquisition agreement beslissend</para>
      <para>is.</para>
      <para>10.6.2. De desbetreffende passage in het Acquisition agreement</para>
      <para>heeft het Hof opgenomen onder 2.19, ibid.</para>
      <para>10.6.3. Het Hof herhaalt het citaat uit overweging 2.19 onder</para>
      <para>5.13.1, blz. 18, en vervolgens werkt het met de feiten uit</para>
      <para>overwegingen 2.20 en volgende.</para>
      <para>10.6.4. Daaruit blijkt naar mijn mening dat overweging 2.18</para>
      <para>geen dragend element in 's Hofs gedachtegang vormt, zodat het</para>
      <para>middelonderdeel niet tot cassatie kan leiden.</para>
      <para>10.7. Middelonderdeel 4.3.</para>
      <para>10.7.1. Het Hof heeft overwogen:</para>
      <para>"(blz. 1) (...) 1. (...) (blz. 2) (...) Partijen hebben</para>
      <para>elk een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de</para>
      <para>inhoud als hier opgenomen geldt. Partijen hebben van de</para>
      <para>bijlagen bij de pleitnota kennis kunnen nemen en zich</para>
      <para>erover kunnen uitlaten. (...) 2. Tussen partijen vast</para>
      <para>staande feiten (blz. 7) (...) 2.21. Bij brief van 14</para>
      <para>februari 1991 berichtte de moeder aan de directeur voor</para>
      <para>zover van belang - als volgt: "I Feel it is only fair</para>
      <para>remind you that for the (Reclamebureau B.V.) earnout,</para>
      <para>cash flows from exceptional (blz. 8) capital gains are</para>
      <para>excluded, even when transformed to service fees.". (...)</para>
      <para>(blz. 11) (...) 4.2 Belanghebbende heeft ter zitting het</para>
      <para>volgende aan haar stellingen doen toevoegen. De memo's</para>
      <para>waarnaar de inspecteur verwijst heb ik niet aangetroffen.</para>
      <para>Belanghebbende kan hier niets mee. (...) De interne</para>
      <para>memo's waarnaar de inspecteur verwijst zijn ons niet</para>
      <para>bekend. (...) (blz. 12) (...) 4.3 De inspecteur heeft ter</para>
      <para>zitting het volgende aan zijn stellingen toegevoegd. De</para>
      <para>memo's zijn van belanghebbende afkomstig. Belanghebbende</para>
      <para>weet dat ze bestaan. Zo dit nodig mocht zijn wil ik ze</para>
      <para>alsnog overleggen. (...)"</para>
      <para>10.7.2. Het middelonderdeel klaagt erover dat het Hof de geciteerde</para>
      <para>brief zonder motivering als vaststaand heeft aangemerkt.</para>
      <para>10.7.3. Naar ik meen, faalt dit middelonderdeel, op grond dat</para>
      <para>in de eerder weergegeven discussie het slechts over memo's</para>
      <para>gaat en het Hof hier spreekt over een brief.</para>
      <para>10.8. Middelonderdeel 4.4.</para>
      <para>10.8.1. Dit middelonderdeel betreft de aanduiding van stukken</para>
      <para>als afkomstig van personen uit de kring van de belanghebbende.</para>
      <para>10.8.2. Aangenomen dat daarbij enige verwarring is opgetreden,</para>
      <para>heeft de belanghebbende er toch geen belang bij zich daarover</para>
      <para>te beklagen.</para>
      <para>10.8.3. Het middelonderdeel faalt.</para>
      <para>10.9. Middelonderdeel 4.5.</para>
      <para>10.9.1. Het middelonderdeel klaagt erover dat het Hof zonder</para>
      <para>onderbouwing een speculatieve opmerking van de Inspecteur ter</para>
      <para>zitting zou volgen.</para>
      <para>10.9.2. Het middelonderdeel miskent dat het het Hof vrijstaat</para>
      <para>de feiten onder omstandigheden op niets anders te baseren dan</para>
      <para>op hetgeen het ter zitting waarneemt.</para>
      <para>10.9.3. Het middelonderdeel faalt.</para>
      <para>10.10. Middelonderdelen 4.6 en 4.7.</para>
      <para>10.10.1. De middelonderdelen keren zich tegen beslissingen van</para>
      <para>feitelijke aard in discussies die tussen de partijen gevoerd</para>
      <para>werden.</para>
      <para>10.10.2. Voor zover de middelonderdelen hier (nog) meer moti</para>
      <para>vering hadden willen zien dan het Hof gegeven heeft, stellen</para>
      <para>zij te zware eisen aan de redengeving van de rechterlijke</para>
      <para>uitspraak.</para>
      <para>10.10.3. De middelonderdelen falen.</para>
      <para>11. Vertrouwensbeginsel.</para>
      <para>11.1. Het beroepschrift hield in:</para>
      <para>"(blz. 17) (...) In het rijksaccountantsonderzoek bij</para>
      <para>[Advertising BV] over de jaren tot en met 1982 zijn de</para>
      <para>management service fees door de Belastingdienst onder</para>
      <para>zocht. (blz. 18) Hierbij is met de Belastingdienst over</para>
      <para>eengekomen dat ten aanzien van de intercompanykosten</para>
      <para>geldt dat het tot en met 1982 gevolgde systeem van verde</para>
      <para>ling van de internationale kosten over de dochteronderne</para>
      <para>mingen kan worden gevolgd. (...) Na de acquisitie van</para>
      <para>[Reclamebureau BV] is per 1 augustus 1988 een samenwer</para>
      <para>kingsverband (VOF) opgericht tussen [Reclamebureau BV] en</para>
      <para>[Advertising BV]. Over de winstverdeling tussen genoemde</para>
      <para>vennootschappen heeft met de Belastingdienst vooroverleg</para>
      <para>plaatsgevonden. Dit vooroverleg heeft geresulteerd in een</para>
      <para>winstvaststellingsafspraak (...)"</para>
      <para>11.2. Het Hof heeft overwogen:</para>
      <para>"(blz. 10) (...) 2.31. In een brief van 4 augustus 1988</para>
      <para>van de (...) belanghebbende aan de inspecteur (...) is</para>
      <para>(...) vermeld: "Hierbij delen wij u mede dat (...) Recla</para>
      <para>mebureau B.V. (...) akkoord is gegaan met de door u</para>
      <para>voorgestelde aanpassing van (...) ons (...) voorstel. ...</para>
      <para>De winst zal als volgt worden verdeeld: (...)".</para>
      <para>specteur heeft dit schrijven voor accoord getekend onder</para>
      <para>toevoeging van de zinsnede: "Onder de nadere voorwaarde,</para>
      <para>dat de regeling tot en met 1990 van toepassing zal zijn",</para>
      <para>nadien gewijzigd in "De resultaten tot en met 31 december</para>
      <para>1990 zullen geëvalueerd worden en indien daartoe aanlei</para>
      <para>ding bestaat zal de winstverdeling tussen de partners in</para>
      <para>de joint ventures bijgesteld worden". (...) (blz. 19)</para>
      <para>(...) 5.16. (...) Ter staving van haar stelling voert</para>
      <para>belanghebbende aan dat de aftrekbaarheid van de fees</para>
      <para>tijdens een bij Advertising B.V. in 1984 vanwege de</para>
      <para>inspecteur gehouden boekenonderzoek (blz. 20) akkoord</para>
      <para>werd bevonden en dat zich sedertdien geen veranderingen</para>
      <para>hebben voorgedaan in de berekeningswijze van de fees, in</para>
      <para>die zin dat die moeten worden berekend op basis van de</para>
      <para>behaalde omzetten. Ook bij de winstverdelingsafspraak is</para>
      <para>er niet op terug gekomen. Het Hof is van oordeel dat de</para>
      <para>omstandigheden na de fusie zodanig zijn gewijzigd dat aan</para>
      <para>deze uitlatingen niet meer een vertrouwen als door be</para>
      <para>langhebbende gesteld kan worden ontleend, te meer niet nu</para>
      <para>de moeder voor de onderwerpelijke jaren akkoord is gegaan</para>
      <para>met het achterwege blijven van deze doorbelasting. (...)"</para>
      <para>11.3. Middel 5 mist een uitleg (blz. 14),</para>
      <para>"(...) welke omstandigheden gewijzigd zijn en welke</para>
      <para>invloed dit zou hebben op de kostenallocatie. (...)"</para>
      <para>11.4. Naar het mij voorkomt, is uit 's Hofs overweging wel</para>
      <para>duidelijk dat het college beslissend acht: dat enerzijds het</para>
      <para>eertijds gehouden boekenonderzoek geen grond geeft voor het</para>
      <para>vertrouwen dat ook na de "fusie" de aanvaardbaarheid van de</para>
      <para>doorberekening dezelfde blijft, en anderzijds de regeling van</para>
      <para>de winstverdeling ter gelegenheid van de fusie niet (met</para>
      <para>voldoende zekerheid) op de management service fees betrokken</para>
      <para>was.</para>
      <para>11.5. Derhalve acht ik 's Hofs beslissing van feitelijke aard</para>
      <para>en voldoende met redenen omkleed.</para>
      <para>11.6.  Middel 5 faalt.</para>
      <para>12. Gelijkheidsbeginsel.</para>
      <para>12.1. Het beroepschrift, blz. 18, hield in:</para>
      <para>"(...) In het compromis met K B.V. (...) ging de Belas</para>
      <para>tingdienst akkoord met een management service fees charge</para>
      <para>tot ten hoogste 1 procent van de gekapitaliseerde omzet.</para>
      <para>Op de bijlage II.37 gelieve u aan te treffen een over</para>
      <para>zicht van de gekapitaliseerde omzet en de in rekening</para>
      <para>gebrachte management service fees. Uit voornoemd over</para>
      <para>zicht wordt duidelijk dat de [Reclamebureau BV] manage</para>
      <para>ment service fees charge ver beneden de 1 procent maat</para>
      <para>staf blijft. In aanmerking genomen dat het onderhavige</para>
      <para>geschil een gelijke situatie betreft als die van K B.V.</para>
      <para>stelt belanghebbende zich op het standpunt dat onder het</para>
      <para>gelijkheidsbeginsel een aftrek van management service</para>
      <para>fees gerechtvaardigd is. (...)"</para>
      <para>12.2. Het vertoogschrift van de Inspecteur, onder 4.4, blz.</para>
      <para>18, hield in,</para>
      <para>"(...) dat de situatie als bij belanghebbende, waarbij</para>
      <para>zij zelf de zakelijkheid van de MSF tot en met 1994</para>
      <para>altijd heeft ontkend, en het bestaan van overeenkomsten,</para>
      <para>die feitelijke doorbelasting tot en met 1992 onmogelijk</para>
      <para>maakt, van wezenlijk andere aard is dan wat normaliter</para>
      <para>bij internationaal opererende concerns wordt aangetrof</para>
      <para>fen. Ik wil uitdrukkelijk bestrijden dat sprake is van</para>
      <para>gelijke gevallen. (...)"</para>
      <para>12.3. De van de zijde van de belanghebbende overgelegde pleit</para>
      <para>nota, onder II, blz. 14, hield in,</para>
      <para>"(...) dat er hele goede verklaringen zijn voor zowel het</para>
      <para>gedrag van de verkopers van [Reclamebureau BV] als de</para>
      <para>brief (...) In dit kader voeg ik (...) bij (...) een</para>
      <para>kopie van een recent rapport van de belastingdienst</para>
      <para>inzake L. Ook hier zijn de service fees geaccepteerd. Het</para>
      <para>probleem bij toepassing van het gelijkheidsbeginsel is</para>
      <para>dat de belastingplichtige doorgaans maar één (of zoals</para>
      <para>hier enkele) kaarten in handen heeft, terwijl de belas</para>
      <para>tingdienst alle gevallen kent. Een juiste verdeling van</para>
      <para>de bewijslast in belastingzaken brengt naar mijn mening</para>
      <para>mee dat in een dergelijk geval de inspecteur preciezer</para>
      <para>zal moeten aangeven waarom het gelijkheidsbeginsel niet</para>
      <para>opgaat en welk bedrag dan eventueel wel acceptabel zou</para>
      <para>zijn."</para>
      <para>12.4. De pleitnota van de Inspecteur, onder 3.4, blz. 5, hield</para>
      <para>in:</para>
      <para>"(...) Nader uiteenzetten waarom het gelijkheidsbeginsel</para>
      <para>hier werking mist kan ik niet doen zonder mijn geheimhou</para>
      <para>dingsplicht te schenden. (...)"</para>
      <para>12.5. Het Hof, onder 5.17, blz. 20, heeft overwogen:</para>
      <para>"(...) De inspecteur (...) heeft betwist dat er een</para>
      <para>begunstigend beleid is gevoerd. De inspecteur heeft in de</para>
      <para>eerste plaats gewezen op de specifieke omstandigheden van</para>
      <para>het onderhavige geval. De inspecteur heeft voorts gesteld</para>
      <para>dat het bij reclamebureau's gebruikelijk is dat de omzet</para>
      <para>als maatstaf wordt genomen bij de berekening van de</para>
      <para>kosten en dat belanghebbende in zoverre een uitzonde</para>
      <para>ringspositie inneemt. Naar het oordeel van het Hof heeft</para>
      <para>belanghebbende (...) niet aannemelijk gemaakt dat er een</para>
      <para>begunstigend beleid is gevoerd waarvan ten nadele van</para>
      <para>belanghebbende is afgeweken. Al aannemende dat de situa</para>
      <para>tie bij K B.V. en die bij L&amp;lt;(20)In de stukken komt als afkorting zowel L als L' voor.</para>
      <para>Het is mij niet bekend wat juist is.&amp;gt; B.V. met die van belangheb</para>
      <para>bende vergelijkbaar is (...) heeft belanghebbende naar 's</para>
      <para>Hofs oordeel voorts niet aannemelijk gemaakt dat een</para>
      <para>juiste wetstoepassing in de meerderheid van de gevallen</para>
      <para>achterwege is gebleven. Twee gevallen op een aantal van</para>
      <para>zes is daarvoor onvoldoende. (...)"</para>
      <para>12.6. Naar ik meen, moet 's Hofs overweging verstaan worden in die</para>
      <para>zin: dat het op grond van de stellingen van de Inspecteur</para>
      <para>voorshands aannemelijk gemaakt acht dat niet ten opzichte van</para>
      <para>de genoemde vakgenoten van Reclamebureau BV een beleid gevoerd</para>
      <para>is dat, indien toegepast op de belanghebbende, tot aftrek, ook</para>
      <para>bij haar, van de management service fees leidt; dat het door</para>
      <para>de belanghebbende deze aanname niet weerlegd acht; en dat het</para>
      <para>ook niet aannemelijk gemaakt acht dat in een meerderheid van</para>
      <para>de gevallen - in welk geval ook bij afwezigheid van beleid de</para>
      <para>gelijkheid zou prevaleren - de vakgenoten gunstiger zouden</para>
      <para>zijn behandeld dan de belanghebbende.</para>
      <para>12.7. Naar ik meen, heeft het Hof aldus de bewijslast niet</para>
      <para>onjuist verdeeld en heeft het aldus een beslissing van feite</para>
      <para>lijke aard genomen, die voldoende met redenen is omkleed.</para>
      <para>12.8. Derhalve faalt middel 6.</para>
      <para>13. Conclusie.</para>
      <para>Van middel 1 de subonderdelen A,</para>
      <para>A tot en met D, en onderdeel B en van middel 2 de onderdelen 1</para>
      <para>en 2 gegrond bevindende, concludeer ik tot vernietiging van de</para>
      <para>bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar een</para>
      <para>ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.</para>
      <para>De</para>
      <para>Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge</para>
      <para>Raad der Nederlanden,</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>