<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA2772</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T23:52:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA2772</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-06-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">33928</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA2772" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2772</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001017&amp;artikel=26&amp;g=1999-06-16">Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002471&amp;artikel=10&amp;g=1999-06-16">Wet op de loonbelasting 1964 10</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PW 1999, 21104</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 1999/286 met annotatie van J.W. Zwemmer</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/449</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/403</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1999/842</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1999/28.5</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2772">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2772</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:45:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2772 Parket bij de Hoge Raad , 16-06-1999 / 33928</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2772:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2772:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 33.928                         Mr. Ilsink</para>
      <para>Derde Kamer B                       Conclusie inzake:</para>
      <para>Inkomstenbelasting 1994            X</para>
      <para>tegen</para>
      <para>Parket, 13 januari 1999            de Staatssecretaris van Financiën</para>
      <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
      <para>1. Korte beschrijving van de zaak</para>
      <para>1.1. Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke uitspraak</para>
      <para>van het gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof) van 3 december</para>
      <para>1997, nr. 96/1476, gepubliceerd in V-N 1997, blz. 4688, pt. 3, en FED</para>
      <para>1997/897. Het is ingesteld door de belanghebbende, X.</para>
      <para>1.2. Belanghebbende heeft in 1994 een bedrag van ƒ 62.578,00 aan loon</para>
      <para>genoten. Daarin is begrepen een bedrag aan vakantietoeslag van</para>
      <para>ƒ 4.625,00 en een bedrag aan vakantieloon van ƒ 6.574,00 (hierna</para>
      <para>tezamen aangeduid als: vakantiegeld). Voor het Hof heeft belanghebbende</para>
      <para>het standpunt verdedigd dat dit vakantiegeld op dezelfde wijze belast</para>
      <para>moet worden als de aanspraken op vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen</para>
      <para>en daarmee overeenkomende aanspraken als bedoeld in artikel 10, lid 2,</para>
      <para>onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (hierna:</para>
      <para>URLB), zodat het vakantiegeld, net als bedoelde aanspraken, slechts</para>
      <para>voor 75 percent van het nominale bedrag in de heffing wordt betrokken.</para>
      <para>1.3. Het Hof heeft belanghebbendes standpunt verworpen en de uitspraak</para>
      <para>op bezwaar, waartegen belanghebbende beroep had ingesteld, bevestigd.</para>
      <para>1.4. Het beroep in cassatie is tijdig ingesteld en bevat vijf met</para>
      <para>Romeinse cijfers genummerde middelen. De Staatssecretaris van Financiën</para>
      <para>heeft een vertoogschrift ingediend.</para>
      <para>1.5. Bij Uw Raad zijn meerdere zaken aanhangig waarin (ondermeer)</para>
      <para>hetzelfde geschilpunt aan de orde wordt gesteld. De zaken met de nrs.</para>
      <para>34.133, 34.415, 34.425 betreffen eveneens de heffing van</para>
      <para>inkomstenbelasting en de zaken met de nrs. 33.848 en 33.849 betreffen</para>
      <para>de heffing van loonbelasting. In de zaak met nr. 33.848 zal ik in</para>
      <para>verband met een procesrechtelijke kwestie apart concluderen. In de</para>
      <para>andere zaken neem ik geen conclusie.</para>
      <para>1.6. De vakantiegeldkwestie heeft in de vak- en publiekspers nogal wat</para>
      <para>&amp;lt;</para>
      <para>?</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>stof doen opwaaien; dat was in de zomer van 1997. Voor een overzicht</para>
      <para>daarvan verwijs ik naar Fiscaal Forum&amp;lt;(1)  Dat is een fiscaal discussieplatform onder redactie van de Vakgroep</para>
      <para>belastingrecht van de Universiteit van Amsterdam op Internet, te vinden op</para>
      <para>http://www.futd.nl.uvaforum/.</para>
      <para>&amp;gt;, onder Vakantiegeld. Ik citeer de</para>
      <para>inleidende beschouwing:</para>
      <para>"Naar aanleiding van schriftelijke vragen van de Tweede Kamerleden</para>
      <para>Hoop Scheffer en Hillen (beide CDA) heeft de Staatssecretaris thans</para>
      <para>maatregelen genomen om een einde te maken aan de stortvloed van</para>
      <para>bezwaarschriften in verband met de belastingheffing over vakantiegeld.</para>
      <para>In antwoord op de vraag of hij zal zorgen voor een gelijke behandeling</para>
      <para>van alle belastingplichtigen schrijft hij: "Ja, ongeacht of bezwaar</para>
      <para>gemaakt tegen de belastingheffing over vakantiegeld, zal ik zorgdragen</para>
      <para>voor een gelijke behandeling." In een mededeling in de pers</para>
      <para>Internet is onder andere vermeld: "De staatssecretaris van Financien</para>
      <para>heeft besloten dat, nadat een uitspraak door de Hoge Raad is gedaan,</para>
      <para>alle belastingplichtigen gelijk behandeld zullen worden. Dit betekent</para>
      <para>dat u hierover geen bezwaarschrift of T-biljet hoeft in te dienen".</para>
      <para>het antwoord op de kamervragen wordt ook vermeld dat het budgettaire</para>
      <para>risico wordt geschat op f 5 miljard per jaar; merendeels premieheffing</para>
      <para>volksverzekeringen. Voor de premieheffing werknemersverzekeringen komt</para>
      <para>daar nog eens f 2 miljard bij."</para>
      <para>1.7. In zijn pleitnota voor het Hof citeert de Landsadvocaat de fiscale</para>
      <para>hoogleraren Geppaart (TriBuut augustus 1997), Grapperhaus (Algemeen</para>
      <para>Dagblad 30 juli 1997), Stevens (NRC Handelsblad 1 juli 1997) en Zwemmer</para>
      <para>(Weekblad 24 juli 1997). Geen van hen is erg onder de indruk van alle</para>
      <para>gekrakeel; ik evenmin zoals aanstonds zal blijken. Als warming-up</para>
      <para>volgen hier een paar citaten:</para>
      <para>·"De fiscale behandeling van het vakantiegeld is zo'n geoorloofd rechtstekort"</para>
      <para>(Geppaart);</para>
      <para>·"laten we streven naar fiscale gelijkheid, maar de proporties in de gaten</para>
      <para>houden" (Grapperhaus);</para>
      <para>·volgens Stevens dient de rechter "pas af te fluiten bij werkelijk</para>
      <para>spelbederf";</para>
      <para>·"Erg kansrijk lijkt de zaak dus niet" (Zwemmer).</para>
      <para>2. Waardering vakantiebonnen</para>
      <para>2.1. Mijn ambtgenoot Van Soest heeft in zijn conclusie voor Uw arrest</para>
      <para>van 21 augustus 1985, nr. 22.711, BNB 1985/267, het volgende over</para>
      <para>vakantiebonnen opgemerkt:</para>
      <para>"(2). Vakantie(toeslag)bonnen onder vigeur van het Besluit LB '40</para>
      <para>2.1. Art. 4, lid 2, LB '40, oorspronkelijke tekst, hield in:</para>
      <para>"Als loon worden beschouwd alle inkomsten, welke ... uit een</para>
      <para>dienstbetrekking ... genoten worden ..., zoals: a. ... aanspraak op</para>
      <para>uitkeeringen".</para>
      <para>Art. 5 LB '40, oorspronkelijke tekst, hield in:</para>
      <para>"3. De geldswaarde van een aanspraak op uitkeeringen wordt ... gesteld</para>
      <para>de ... stortingen. ... 4. Voor de toepassing van het derde lid worden</para>
      <para>onder aanspraken op uitkeeringen verstaan aanspraken om na verloop van</para>
      <para>tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeeringen te ontvangen".</para>
      <para>Art. 6, aanhef en letter e, LB '40, oorspronkelijke tekst, hield in:</para>
      <para>"Tot het loon (wordt) niet gerekend: de uitkeering in eens, welke</para>
      <para>ingevolge een in artikel 5, derde lid, bedoelde aanspraak op toekomstige</para>
      <para>of voorwaardelijke uitkeeringen wordt genoten".</para>
      <para>Res. 21 januari 1941, nr. 90, B 7448, onder II, 5e al., luidde:</para>
      <para>"Bij het wekelijks verstrekken van zgn. vakantiebonnen behoort</para>
      <para>geldswaarde van deze bonnen ingevolge art. 5, lid 3, van het besluit tot</para>
      <para>het loon. De bedragen welke te zijner tijd op de ingeleverde bonnen worden</para>
      <para>uitgekeerd, zijn niet aan de loonbelasting onderworpen."</para>
      <para>2.2. Res. 16 mei 1950, nr. 146, B 9198, hield in:</para>
      <para>"2. Deze regeling heeft in verband met de progressie van het tarief</para>
      <para>vrijwel steeds ten gevolge dat meer loonbelasting verschuldigd is dan het</para>
      <para>geval zou zijn indien de bij inwisseling ontvangen bedragen als loon</para>
      <para>zouden worden beschouwd en de geldswaarde der bonnen buiten beschouwing</para>
      <para>zou worden gelaten. Aangezien dit als onbillijk wordt gevoeld, is mij</para>
      <para>verzocht hieraan tegemoet te komen door het treffen van een regeling</para>
      <para>waardoor slechts de uitgekeerde bedragen aan loonbelasting zullen zijn</para>
      <para>onderworpen. Tegen een oplossing in deze geest bestaan evenwel ernstige</para>
      <para>bezwaren van praktische aard. 3. Ten einde niettemin aan de bezwaren van</para>
      <para>de thans geldende regeling zoveel mogelijk tegemoet te komen keur ik goed,</para>
      <para>dat de geldswaarde van de vakantiebonnen ... wordt gesteld op drievierde</para>
      <para>van de nominale waarde".</para>
      <para>2.3. Art. 6, lid 7, Uitvoeringsresolutie Loonbelasting 1953 (Uitv.res.</para>
      <para>LB '53), oorspronkelijke tekst, luidde:</para>
      <para>"De geldswaarde van vakantiebonnen en van vakantietoeslagbonnen wordt</para>
      <para>gesteld op de helft van de nominale waarde van de bonnen".</para>
      <para>HR 22 juni 1960, BNB 1960/253, overwoog inzake de toepassing van een met</para>
      <para>art. 6, lid 7, Uitv.res. LB '53 overeenstemmende bepaling van</para>
      <para>sociale-verzekeringsrecht op door een werkgever zelf vervaardigde</para>
      <para>vakantiebonnen, waarvan de tegenwaarde door de werkgever zelf werd</para>
      <para>uitbetaald,</para>
      <para>"dat vacantieloon en vacantietoeslag in het algemeen geacht moeten worden</para>
      <para>door den werknemer als loon te worden genoten op het tijdstip, waarop de</para>
      <para>uitbetaling daarvan plaats vindt en zulks ook zal moeten gelden, indien de</para>
      <para>duur van de vacantie, en dus ook het vacantieloon of de vacantietoeslag,</para>
      <para>waarop de werknemer recht heeft, afhankelijk is van het aantal weken of</para>
      <para>maanden, waarin de werknemer zijn dienstbetrekking in het desbetreffende</para>
      <para>jaar heeft vervuld; dat de periodieke uitreiking van bonnen, waarin met</para>
      <para>het oog op de toeneming van het aantal dagen vacantie, waarop de werknemer</para>
      <para>recht heeft, zijn aanspraken dienaangaande tot uitdrukking worden</para>
      <para>gebracht, in het bovenstaande in beginsel geen verandering brengt; dat dit</para>
      <para>slechts anders is, indien krachtens de met betrekking tot het vacantieloon</para>
      <para>of den vacantietoeslag getroffen regeling de uitkering van vacantieloon en</para>
      <para>vacantietoeslag van het bezit van zulke bonnen op zodanige wijze</para>
      <para>afhankelijk is gemaakt, dat die bonnen geacht moeten worden zelfstandige</para>
      <para>aanspraken op toekomstige uitkeringen te vertegenwoordigen ...; dat zulk</para>
      <para>een geval zich hier echter niet voordoet, aangezien volgens de feitelijke</para>
      <para>beslissing van den ... Centralen Raad van Beroep ... de onderhavige bonnen</para>
      <para>zodanige aanspraken niet vertegenwoordigen".</para>
      <para>2.4. Art. 6, lid 7, Uitv.res. LB '53 werd bij Beschikking van 18</para>
      <para>december 1964, nr. B4/15 722, Stcrt. 1964, 248, geredigeerd:</para>
      <para>"De geldswaarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte</para>
      <para>vakantiebonnen en vakantietoeslagbonnen wordt gesteld op de helft van de</para>
      <para>nominale waarde van de bonnen".</para>
      <para>De Officiële toelichting, V-N 13 januari 1965, blz. 30, punt 21, hield</para>
      <para>in: door de wijziging</para>
      <para>"is ... buiten twijfel gesteld dat de normale waarderingsregelen van</para>
      <para>toepassing blijven indien vakantiebonnen of vakantietoeslagbonnen niet</para>
      <para>regelmatig bij de betaling van het loon, doch incidenteel of bijv. eens</para>
      <para>per jaar worden verstrekt".</para>
      <para>3. Vakantie(toeslag)bonnen onder vigeur van de Wet op de loonbelasting</para>
      <para>1964 (LB '64)</para>
      <para>3.1. Art. 13, lid 2, aanhef en letter c, Uitv.besch. LB '65,</para>
      <para>oorspronkelijke tekst, was inhoudelijk gelijk aan art. 6, lid 7,</para>
      <para>Uitv.res. LB '53, tekst 1964.</para>
      <para>3.2. Bij Beschikking van 22 december 1969, nr. B69/21 555, Stct. 1969,</para>
      <para>249, werd de waardering gebracht van de helft</para>
      <para>"op 60 percent".</para>
      <para>3.3. CRvB 21 december 1976, te kennen uit HR 12 oktober 1977, BNB</para>
      <para>1977/264 [noot: V-N 17 december 1977, blz. 1567, punt 18, FED, Coördinatiewet</para>
      <para>SV: Art. 8 : 1 met noot C.J. Langereis], overwoog inzake de toepassing van</para>
      <para>een met art. 13, lid 2, aanhef en letter c, Uitv.besch. LB '65</para>
      <para>overeenstemmende bepaling van sociale-verzekeringsrecht,</para>
      <para>"dat (met) "vakantiebonnen en vakantietoeslagbonnen" ... niet kunnen zijn</para>
      <para>bedoeld en daartoe niet kunnen worden geacht te behoren vakantiebonnen en</para>
      <para>vakantietoeslagbonnen die verstrekt worden overeenkomstig een met de</para>
      <para>toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst strijdige voorziening".</para>
      <para>Uw Raad oordeelde deze overweging juist.</para>
      <para>3.4. Art. 15, lid 2, aanhef en letter b, Uitv.besch. LB '72 is</para>
      <para>inhoudelijk gelijk aan art. 13, lid 2, aanhef en letter c, Uitv.besch.</para>
      <para>LB '65, tekst 1969.</para>
      <para>3.5. Blijkens een ter zitting van het Hof door de Inspecteur</para>
      <para>overgelegde, in de bestreden uitspraak, blz. 1, als "gezien" vermelde</para>
      <para>circulaire van de Sociale Verzekeringsraad aan de bedrijfsverenigingen</para>
      <para>d.d. 23 juli 1981 is de commissie "Coördinatie sociale verzekering</para>
      <para>loonbelasting" van de Sociale Verzekeringsraad voor geval</para>
      <para>"3. Werkgever verstrekt vakantiebonnen uitgegeven door een vakantiefonds,</para>
      <para>dat verbonden is met een CAO waarin een vakantiebonnenregeling voorkomt.</para>
      <para>Werkgever valt echter niet onder die CAO, maar onder een CAO die geen</para>
      <para>vakantiebonnenregeling kent, dan wel onder geen enkele CAO. ... van</para>
      <para>oordeel dat ... sprake is van onwettige verstrekking van vakantiebonnen</para>
      <para>weshalve de 60%-waarderingsregel niet mag worden toegepast".</para>
      <para>(tekst ook afgedrukt in "De Sociale Verzekeringswetten", deel I, art. 8</para>
      <para>Coördinatiewet Sociale Verzekering, aant. 7, blz. 41)."</para>
      <para>2.3. C.W.M. van Ballegooijen, Het fiscale loonbegrip, FM 49, schrijft</para>
      <para>over vakantiebonnen&amp;lt;(2) Ik heb ter wille van de leesbaarheid de voetnoten weggelaten. Van Ballegooijen</para>
      <para>schreef al eerder in Weekblad 5572/1982 op blz. 1443 en 1444 in dezelfde zin</para>
      <para>over hetzelfde onderwerp.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"(blz. 91) Vakantiebonnen zijn van oudsher hulpmiddelen bij het sparen</para>
      <para>voor dagen waarop de werknemer niet werkt. Zij plegen te worden</para>
      <para>verzilverd bij fondsen, waar de werkgever stortingen verricht om de</para>
      <para>waarde van de bonnen te dekken. Er waren vroeger werkgevers die bonnen</para>
      <para>in eigen beheer hielden, aldus blijkt uit J.J.M. van der Ven in NJB</para>
      <para>1940, p.473. De vraag of de bonnen aanspraken kunnen opleveren wordt</para>
      <para>bevestigend beantwoord in de resolutie van 21 januari 1941, B 7448.</para>
      <para>In zijn uitspraak van 11 februari 1960, opgenomen in BNB 1960/253</para>
      <para>hield de CRvB de daar aan de orde zijnde vakantiebonnen niet voor</para>
      <para>aanspraken, onder meer omdat de vakantierechten niet bij een derde waren</para>
      <para>ondergebracht en de werkgever geen stortingen verrichtte bij een fonds.</para>
      <para>Deze leer heeft de HR (arrest van 22 juni 1960) niet gevolgd. Wel van</para>
      <para>belang bleek een ander criterium dat de sociale rechter stelde: of bij</para>
      <para>het verloren gaan van de bonnen, bijvoorbeeld door schuld van de</para>
      <para>werknemer, deze nog wel vakantiegeld kreeg. De HR oordeelde dat wanneer</para>
      <para>het verkrijgen van vakantiegeld afhankelijk is van bet bezit van die</para>
      <para>bonnen, van aanspraken gesproken moet worden. Het verlies van</para>
      <para>vakantiekaarten of -briefjes, die administratieve hulpmiddelen zijn voor</para>
      <para>het gemakkelijk bijhouden van het aantal dagen vrijaf met behoud van</para>
      <para>loon, heeft bijvoorbeeld geen verlies van vakantierechten tot gevolg. De</para>
      <para>vakantiebon is daarentegen een waardepapier; zij belichaamt de aanspraak</para>
      <para>op uitkeringen.</para>
      <para>De HR introduceerde dus een aanvullend vereiste voor</para>
      <para>vakantiebonnen als (blz. 92) aanspraken. In de wetshistorie is het</para>
      <para>belichaamd zijn van aanspraken in waardepapieren geen element van</para>
      <para>aanspraken genoemd. Zonder dit aanvullende criterium zijn de vakantiebon</para>
      <para>en het recht op loondoorbetaling tijdens vakantie niet te onderscheiden;</para>
      <para>beide rechten voldoen aan de letterlijke vereisten van het begrip</para>
      <para>aanspraken en voorzien de werknemer van een uitkering, die niet</para>
      <para>verbonden is aan de dienstvervulling en die geen rechtstreeks verband</para>
      <para>houdt met bepaalde arbeid.</para>
      <para>Naar mijn oordeel is vakantiegeld - anders dan vakantietoeslag -</para>
      <para>loon uit een vroegere dienstbetrekking, evenals bijvoorbeeld het</para>
      <para>verloftraktement of het ziekengeld. Weliswaar zijn de rechten op</para>
      <para>vakantiedagen opgebouwd toen de werknemer zijn dienstbetrekking</para>
      <para>vervulde, maar de uitkering hangt direct samen met het niet verrichten</para>
      <para>van arbeid. Daarentegen is vakantietoeslag van bijvoorbeeld 8% van het</para>
      <para>loon over een jaar naar zijn aard wel een (extra) beloning voor een</para>
      <para>bepaalde arbeidsprestatie, ook al verricht de werknemer zelf geen arbeid</para>
      <para>(HR 29 oktober 1986, BNB 1986/357). Het is niet deze gedachte die</para>
      <para>verbazing wekt, maar de omstandigheid dat de wetgever nagelaten heeft de</para>
      <para>loondervingsuitkering wegens vakantie te bestempelen tot loon uit</para>
      <para>tegenwoordige dienstbetrekking in art. 17, lid 2, van de Wet LB 1964 en</para>
      <para>art. 37, lid 2, van de Wet IB 1964.</para>
      <para>Vanaf november 1981 is het Sociaal Fonds Bouwnijverheid gestart</para>
      <para>met een zegelvervangend systeem van vakantiegeld, het zogeheten</para>
      <para>rechtenbeheersysteem (RBS). De werknemer krijgt een rekening-</para>
      <para>courantverhouding zonder zegels met het Fonds. Elke vier weken ontvangt</para>
      <para>hij een 'tegoedbewijs', waarop zijn rechten zijn omschreven. Voor</para>
      <para>vakantiedagen kan de werknemer het geld ophalen bij de plaatselijke</para>
      <para>vertegenwoordiger van het Fonds, waarna het opgenomen bedrag van het</para>
      <para>tegoed wordt afgeschreven Het komt mij onjuist voor hier wel aanspraken</para>
      <para>in te zien en niet in de vakantierechten van de overige (en meeste)</para>
      <para>werknemers die evenmin waardepapieren in handen krijgen en wel</para>
      <para>mededelingen omtrent tegoedgeschreven vakantierechten ontvangen. Met</para>
      <para>ingang van 1986 worden echter in art. 15, lid 2, van de Uitv.besch. LB</para>
      <para>1972 met 'daarmee overeenkomende aanspraken' deze rechten op</para>
      <para>vakantiegeld ingevolge het RBS bedoeld."</para>
      <para>2.4. C.P.A. Bakker, Toleranties in en drukverschillen tussen</para>
      <para>loonbelasting en inkomstenbelasting, WFR 1965/4780, blz. 986 ev.,</para>
      <para>schrijft over de waardering van vakantiebonnen:</para>
      <para>"Om de ratio van deze bepaling (artikel 13, 2e lid sub c, van de Uitv.</para>
      <para>besch. LB 1965) te begrijpen, moet men teruggaan naar de invoering van</para>
      <para>de loonbelasting. In de bouwnijverheid met haar vele wisselingen van</para>
      <para>dienstbetrekking bestond toen reeds een systeem waarbij de werknemers</para>
      <para>loonbonnen ontvingen die zij konden verzilveren ten behoeve van de dagen</para>
      <para>waarop niet gewerkt werd en in deze bedrijfstak daarom geen loon werd</para>
      <para>uitbetaald. Daarbij lag het accent evenveel op de algemeen erkende</para>
      <para>feestdagen als op de vakantie. Zonder bijzondere voorziening zou de bouw</para>
      <para>vakarbeider over de waarde van zijn vakantiebonnen, die op gewoon loon</para>
      <para>betrekking hadden, een marginaal percentage loonbelasting hebben moeten</para>
      <para>betalen, dat altijd en soms beduidend hoger was dan het gemiddelde</para>
      <para>percentage over zijn loon zonder vakantiebon. Door de vakantiebon fis</para>
      <para>caal slechts voor de helft als loon te beschouwen, wordt eigenlijk</para>
      <para>aangenomen dat het gemiddelde percentage loonbelasting de helft zou zijn</para>
      <para>van het marginale percentage. Na verloop van tijd veranderde het</para>
      <para>karakter van de vakantiebon, omdat deze niet alleen meer het loon over</para>
      <para>niet gewerkte dagen doch ook een toeslag daarop ging bevatten. Misschien</para>
      <para>met een knipoogje naar het tarief voor bijzondere beloningen, dat voor</para>
      <para>de werknemers in de meeste gevallen voordeliger was dan toevoeging aan</para>
      <para>het gewone loon, heeft men echter de voordelige fiscale behandeling van</para>
      <para>de vakantiebon gehandhaafd, zelfs nadat de vakantietoeslag van 2 op 4%</para>
      <para>van het loon werd gebracht. Anno 1965 bedraagt de nominale waarde van de</para>
      <para>vakantiebonnen bijna ƒ 1000 per jaar, waarvan de helft, dus rond ƒ 500</para>
      <para>niet alleen vrij van belasting is, doch ook vrij van inhouding van</para>
      <para>premies AOW en AWW. Hier is thans duidelijk sprake van een privilegie op</para>
      <para>het stuk van belastingen, dat door artikel 189 van de Grondwet wordt</para>
      <para>verboden. Dat er inderdaad sprake is van een privilegie blijkt uit het</para>
      <para>feit dat de vrijstelling bij de heffing van de inkomstenbelasting</para>
      <para>behouden blijft (vide artikel 22 lid 2 I.B.)."</para>
      <para>2.5. C.P.A. Bakker herhaalt zijn standpunt in: Fiscaal privilegie voor</para>
      <para>vakantiebonnen blijft bestaan, WFR 1970/4985, blz. 253 e.v. Hij</para>
      <para>schrijft:</para>
      <para>"De praktijk van 1969 was, dat het mogelijke nadeel van gemiddeld ƒ 1</para>
      <para>per week drie- tot viervoudig werd gecompenseerd. Dit was een absurde</para>
      <para>situatie, omdat die compensatie ook gehandhaafd bleef als die totaal</para>
      <para>overbodig was. De vrijstelling over een inkomensbedrag van ƒ 600 tot</para>
      <para>ƒ 800 geldt nl. ook voor de inkomstenbelasting.</para>
      <para>(?)</para>
      <para>[Ik wil] wel uitdrukkelijk vaststellen, dat aan een groep van de</para>
      <para>bevolking zowel voor de premieheffing van de volksverzekeringen als voor</para>
      <para>de belastingheffing een volstrekt ongemotiveerd voordeel wordt</para>
      <para>toegekend, dat uit een oogpunt van gelijke rechtsbedeling voor alle</para>
      <para>burgers zo snel mogelijk moet verdwijnen.</para>
      <para>De redelijkheid brengt mede, dat dit - ook in overeenstemming met</para>
      <para>het gebruik bij verandering van een beleidslijn - niet plotseling</para>
      <para>geschiedt."</para>
      <para>2.6. In een aantekening in V-N 1977, blz. 1570, bij het hiervoor in</para>
      <para>§ 2.2, sub 3.3, genoemde arrest van Uw Raad van 12 oktober 1977, BNB</para>
      <para>1977/264, is te lezen:</para>
      <para>"Vakantiebonnenstelsels zijn destijds in het leven geroepen voor</para>
      <para>bedrijfstakken, zoals de bouwnijverheid, waarin veel kortdurende</para>
      <para>dienstverbanden voorkomen, waardoor het gebruikelijke systeem van het</para>
      <para>doorbetalen van loon tijdens de vakantie niet werkt. Zonder nadere</para>
      <para>voorziening zou een dergelijk stelsel tot belastingnadeel leiden omdat</para>
      <para>daardoor het loon van 52 weken in zeg 48 weken wordt belast, hetgeen een</para>
      <para>verzwaring van de progressie in het tarief ten gevolge heeft.</para>
      <para>Ter voorkoming hiervan is bij art. 15, tweede lid, letter b, Uitv.</para>
      <para>beschikking L.B. 1972 bepaald dat de waarde van de bonnen wordt gesteld</para>
      <para>op 60% van de nominale waarde. Uitsluitend ter wille van de coördinatie</para>
      <para>is voor de premieheffing werknemersverzekeringen een zelfde waar</para>
      <para>deringsregel gesteld. (Waardering op 100% zou voor de premieheffing geen</para>
      <para>nadeel opleveren omdat de premies procentueel worden geheven.)</para>
      <para>Laatstgenoemde waarderingsregel was aan de orde in de onderhavige</para>
      <para>procedure. Eerder is door de Hoge Raad (arrest van 22 juni 1960, BNB</para>
      <para>1960/253) beslist dat deze waarderingsregel alleen toepassing kan vinden</para>
      <para>als de vakantiebonnen een zelfstandige aanspraak op uitkeringen</para>
      <para>vertegenwoordigen en toepassing mist als het gaat om zelfvervaardigde</para>
      <para>bonnen die slechts een administratief hulpmiddel vormen.</para>
      <para>Thans is beslist dat de waarderingsregel evenmin toepassing kan</para>
      <para>vinden met betrekking tot zelfvervaardigde vakantiebonnen, welke worden</para>
      <para>verstrekt in strijd met de geldende c.a.o.(?)"</para>
      <para>2.7. Zicht op eenvoud, Rapport van de commissie tot vereenvoudiging van</para>
      <para>de loonbelasting en inkomstenbelasting, 22 mei 1986, (Commissie-Oort)</para>
      <para>overweegt (7.6.2):</para>
      <para>"In de bouwnijverheid en enkele daarmee verwante bedrijfstakken, waar</para>
      <para>werknemers regelmatig in het jaar van werkgever wisselen, wordt</para>
      <para>gewoonlijk tijdens vakantiedagen geen loon betaald. In plaats daarvan</para>
      <para>ontvangen de betrokken werknemers van hun verschillende werkgevers voor</para>
      <para>elke gewerkte dag zogenaamde vakantiebonnen, die in de vakantieperiode</para>
      <para>bij een centraal fonds kunnen worden verzilverd.</para>
      <para>Zonder een bijzondere regeling zou over dergelijke vakantiebonnen te</para>
      <para>veel loonbelasting worden ingehouden. Eensdeels door de progressie in</para>
      <para>het huidige tarief, waardoor de vakantiebon bij optelling bij het</para>
      <para>normale loon in de periode dat wordt gewerkt zwaarder belast wordt dan</para>
      <para>wanneer over de bon afzonderlijk zou worden geheven. Anderdeels doordat</para>
      <para>de belastingvrije som niet volledig wordt toegepast, namelijk niet voor</para>
      <para>de vakantieperiode waarin immers geen loon wordt betaald. Ter</para>
      <para>compensatie worden vakantiebonnen daarom onder de bestaande wet belast</para>
      <para>voor slechts 60% van hun geldswaarde. Deze reductie werkt tevens door in</para>
      <para>de inkomstenbelasting en de premieheffing voor de volksverzekeringen,</para>
      <para>hoewel daarvoor - wel beschouwd - geen reden bestaat.</para>
      <para>Het voorstel van de commissie is vakantiebonnen voortaan voor de volle</para>
      <para>100% van hun waarde in de heffing te betrekken. De verschuldigde</para>
      <para>loonheffing kan daardoor voor de betrokken werknemers veel eenvoudiger</para>
      <para>worden berekend. De commissie ziet daarvoor te meer aanleiding nu in het</para>
      <para>door haar ontwikkelde gecombineerde tarief met de lange eerste schijf de</para>
      <para>progressie sterk is afgezwakt, waardoor een belangrijk argument voor de</para>
      <para>huidige regeling vervalt. Verder vindt het voorstel steun in de</para>
      <para>omstandigheid dat, veel meer dan vroeger, in de bouwsector vaste dienst</para>
      <para>verbanden - vooral bij de grote werkgevers - voorkomen.</para>
      <para>Ook wordt  in toenemende mate gebruik gemaakt van een geautomatiseerde</para>
      <para>administratie ter verwerking van de aanspraken op vakantiegeld, het</para>
      <para>zogenaamde Rechten Beheersysteem (RBS), waardoor de mogelijkheid</para>
      <para>ontstaat het loon tijdens de vakantie simpelweg door te betalen. Daar</para>
      <para>door is de betekenis van het instituut van de vakantiebonnen eveneens</para>
      <para>verminderd.</para>
      <para>Zou in de toekomst het gebruik van het RBS algemeen worden, dan biedt</para>
      <para>dat de mogelijkheid van een nog verdergaande vereenvoudiging. Net zoals</para>
      <para>in verreweg de meeste andere bedrijfstakken en bij de overheid kan dan</para>
      <para>de vakantiebon als aanspraak op vakantiegeld onbelast blijven. Heffing</para>
      <para>vindt in dat geval plaats over de feitelijke uitkering."</para>
      <para>2.8. In het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet vereenvoudiging</para>
      <para>tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting (Stb.</para>
      <para>1989, 122) (Oort-I), was aanvankelijk in de MvT&amp;lt;(3) Kamerstukken II 1987/88, 20 595, nr. 3, blz. 82.</para>
      <para>&amp;gt; een waardering van</para>
      <para>vakantiebonnen met 100% opgenomen tezamen met een regeling in art. 25</para>
      <para>van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) waardoor:</para>
      <para>" [i]n deze gevallen (?) rekening [zal] kunnen worden gehouden door</para>
      <para>middel van een berekeningsvoorschrift met de omstandigheid dat de</para>
      <para>werknemer met vakantiebonnen in verband met een vakantieperiode van bij</para>
      <para>voorbeeld 4 weken zijn loon geniet in 48 weken in plaats van 52 weken</para>
      <para>per jaar."</para>
      <para>2.9. In zijn "Advies belastingvereenvoudiging", van 16 oktober 1987,</para>
      <para>SER-publikatie 87/17, uitgebracht aan de Minister en de</para>
      <para>Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, schrijft de SER</para>
      <para>over het voorstel inzake de waardering van vakantiebonnen&amp;lt;(4) Bij zijn advies heeft de SER zich onder meer door de volgende criteria laten</para>
      <para>leiden (ik citeer de samenvatting op blz. 143/144 van het Advies):</para>
      <para>"1. (?).</para>
      <para>2. De vereenvoudigingsvoorstellen mogen niet leiden tot ingrijpende aanpassingen</para>
      <para>op korte of langere termijn in de beloningsstructuur en de pensioenregelingen.</para>
      <para>3. De vereenvoudigingsvoorstellen dienen geen dan wel zo min mogelijk invloed te</para>
      <para>hebben op de arbeidskosten.</para>
      <para>4. (?).</para>
      <para>5. De inkomenseffecten van de vereenvoudigingsvoorstellen dienen beperkt te zijn</para>
      <para>en zo mogelijk minder dan +5 of -5 procent te bedragen".</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"(blz. 76) Met betrekking tot het voorstel kunnen de volgende</para>
      <para>opmerkingen worden gemaakt. Ten eerste dat ook bij een lange eerste</para>
      <para>tariefschijf sprake blijft van een progressienadeel. Vervolgens dat er</para>
      <para>in de laatste jaren sprake is van een toeneming van tijdelijke</para>
      <para>dienstverbanden in de bouwnijverheid. Het grote aantal 'losse'</para>
      <para>dienstverbanden met wisselingen binnen een jaar bemoeilijkt de benutting</para>
      <para>van de basisaftrek. Er bestaat twijfel aan de mogelijkheid voor dit</para>
      <para>probleem een eenvoudige oplossing te vinden, terwijl, anders dan de</para>
      <para>commissie-Oort doet voorkomen, het rechtenbeheersysteem hiervoor geen</para>
      <para>adequate oplossing biedt. Met betrekking tot de inkomenseffecten zoals</para>
      <para>gepresenteerd door het kabinet kan worden opgemerkt dat daarbij geen</para>
      <para>rekening is gehouden met de doorwerking naar de werknemersverzekeringen.</para>
      <para>Betrekt men deze wel in de berekeningen, dan - zo laten berekeningen van</para>
      <para>het Landbouwschap zien - kan het inkomenseffect tot -10 procent van het</para>
      <para>besteedbare inkomen oplopen. De doorwerking van het voorstel naar de</para>
      <para>werknemersverzekeringen heeft ook betrekking op de werkgeversbijdrage</para>
      <para>als gevolg waarvan in de betreffende sector de loonkosten zullen</para>
      <para>stijgen. (?).</para>
      <para>(blz. 128). Naar het dit deel van de Raad&amp;lt;(5) Dat zijn de ondernemersleden, de werknemersleden en vijf kroonleden.</para>
      <para>&amp;gt; voorkomt, zal de door het</para>
      <para>kabinet voorgestane methode om de basisaftrek volledig aan een werknemer</para>
      <para>met vakantiebonnen toe te kennen, ingewikkelder zijn dan de huidige</para>
      <para>regeling. Het voor 100 procent belasten van de vakantiebonnen is naar</para>
      <para>zijn mening niet rechtvaardig ten opzichte van werknemers die gedurende</para>
      <para>vakantie- en feestdagen het overeen- (blz. 129) gekomen loon krijgen</para>
      <para>doorbetaald. Dit deel van de Raad acht het wel mogelijk en</para>
      <para>gerechtvaardigd in het licht van de nieuwe tariefstructuur het</para>
      <para>'belastbaarheidspercentage' van de vakantiebon opnieuw te berekenen</para>
      <para>zowel in het kader van de inkomensheffing als in het kader van de</para>
      <para>werknemersverzekeringen. In dit verband wil het wijzen op berekeningen</para>
      <para>van het Landbouwschap waaruit een 'belastbaarheidspercentage' van circa</para>
      <para>65 procent volgt&amp;lt;(6) Noot van de SER: "Uitgaande van de berekeningen van het Landbouwschap varieert</para>
      <para>dit percentage van 65,3 procent bij een weekloon van ƒ 500,- tot 73,8 procent</para>
      <para>bij een weekloon van ƒ 800,-."</para>
      <para>&amp;gt;."</para>
      <para>2.10. In Bijlage 1 opgenomen bij voornoemde MvT is het</para>
      <para>regeringsstandpunt aangegeven inzake enkele onderdelen van de adviezen</para>
      <para>van de SER van 16 oktober 1987 en de Stichting van de Arbeid van</para>
      <para>dezelfde datum. Ter zake van vakantiebonnen is opgemerkt&amp;lt;(7) Kamerstukken II 1987/88, 20 595, nr. 3, blz. 104.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"Volgens het SER-advies is het voor 100 percent belasten van</para>
      <para>vakantiebonnen niet rechtvaardig ten opzichte van werknemers die</para>
      <para>gedurende vakantie- en feestdagen het overeengekomen loon krijgen</para>
      <para>doorbetaald.</para>
      <para>Wij delen dit standpunt niet. In de toelichting op de voorgestelde</para>
      <para>wijzigingen van artikel 25 van de Wet op de loonbelasting 1964 is een</para>
      <para>voorbeeld opgenomen waaruit blijkt hoe het door ons beoogde systeem</para>
      <para>uitwerkt. Op een gelijk inkomensniveau zullen werknemers met vakantie</para>
      <para>bonnen evenveel belasting en premies betalen als werknemers zonder</para>
      <para>vakantiebonnen. De methode om de basisaftrek volledig toe te kennen aan</para>
      <para>de werknemer met vakantiebonnen voegt ten aanzien van deze werknemers</para>
      <para>weliswaar een factor toe aan de berekening van de in te houden bedragen</para>
      <para>maar maakt deze berekening niet ingewikkeld. De methodiek is dezelfde</para>
      <para>als die welke altijd al heeft gegolden voor de berekening van de in te</para>
      <para>houden loonbelasting in gevallen waarin het tijdvak waarover het loon</para>
      <para>wordt genoten, het loontijdvak afwijkt van de tijdvakken waarvoor</para>
      <para>loonbelastingtabellen zijn vastgesteld.</para>
      <para>Het liquiditeitsnadeel dat vakantiebongerechtigden hebben doordat</para>
      <para>het inhoudingstijdstip ligt voor het tijdstip van verzilvering van de</para>
      <para>vakantiebonnen, is gering. Wanneer de in de vakantiebon belichaamde</para>
      <para>aanspraak zou worden gewaardeerd op de contante waarde zou dit bij een</para>
      <para>rentevoet van 4 of 6 procent neerkomen op een gemiddelde waardering van</para>
      <para>onderscheidenlijk 99,97% en 99,94% van de nominale waarde van de bonnen.</para>
      <para>Rekening houdende met het volledige liquiditeitsnadeel dat optreedt</para>
      <para>doordat de werknemer belasting betaalt op een moment dat hij nog geen</para>
      <para>geld in handen heeft, zou de gemiddelde waardering van de bonnen moeten</para>
      <para>neerkomen op 99% van de nominale waarde bij een rentevoet van 4% en op</para>
      <para>98,5% van de nominale waarde bij een rentevoet van 6%. Deze verschillen</para>
      <para>met de nominale waarde zijn zo gering dat daaraan naar ons oordeel kan</para>
      <para>worden voorbijgegaan voor de uitvoeringspraktijk.</para>
      <para>Met de afschaffing van de 60%-waardering van vakantiebonnen zal</para>
      <para>tevens zijn voldaan aan de hieromtrent door de Algemene Rekenkamer in</para>
      <para>haar verslag over het jaar 1985 geuite wens (Tweede Kamer, vergaderjaar</para>
      <para>1985-1986, 19 465, nrs. 1-2, onderdeel 2-9-4)."</para>
      <para>2.11. De Raad van State overweegt in zijn advies bij dit wetsvoorstel</para>
      <para>onder punt 6 dat de Regering van mening is dat de met het wetsvoorstel</para>
      <para>te bereiken vereenvoudiging onlosmakelijk samenhangt met de</para>
      <para>overheveling van de opslagpremies volksverzekeringen, ook wel aangeduid</para>
      <para>als brutering. Tegen dit laatste aspect bestaan, zo blijkt uit</para>
      <para>voormelde adviezen, onoverkomelijke bezwaren van de kant van de SER en</para>
      <para>de Stichting van de Arbeid. De Raad van State overweegt&amp;lt;(8) Kamerstukken II 1987/88, 20 595, B.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"(blz. 16) De wetgever staat in de gegeven situatie (?) voor een moelijk</para>
      <para>en zwaar dilemma. (?) Mede gelet op de omstandigheid dat één van de</para>
      <para>overwegingen van de beoogde vereenvoudigingsvoorstellen is om de</para>
      <para>maatschappelijke acceptatie van de belastingheffing in Nederland te doen</para>
      <para>toenemen, acht de Raad het uitermate bezwaarlijk een</para>
      <para>belastingvereenvoudiging door te voeren die op een wezenlijk element in</para>
      <para>de constructie die deze vereenvoudiging mogelijk moet maken, te weten de</para>
      <para>brutering, niet wordt gedragen door zowel werkgevers als werknemers.</para>
      <para>(?).</para>
      <para>(blz. 18) Een (?) gedachte zou kunnen zijn om in de wet het</para>
      <para>vereenvoudigingsvoorstel van de Commissie-Oort, dus inclusief brutering,</para>
      <para>neer te leggen, maar daarnaast alsnog een maximale poging te doen een</para>
      <para>ook voor sociale partners aanvaardbare oplossing te vinden voor de</para>
      <para>hiermee verbonden problematiek."</para>
      <para>2.12. Dit overleg heeft vervolgens plaatsgevonden. Dit blijkt uit een</para>
      <para>brief van de Stichting van de Arbeid, gedagtekend 5 juli 1988, kenmerk</para>
      <para>No. S.A. 55.584/K. In die brief, gericht aan de Minister-President, de</para>
      <para>Minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,</para>
      <para>de Minister en de Staatssecretaris van Financien en de Minister van</para>
      <para>Economische Zaken, wordt het standpunt van de Stichting ter zake van de</para>
      <para>overhevelingstoeslag en in samenhang daarmee van de zogenoemde Oortse</para>
      <para>loonbestanddelen&amp;lt;(9) Onder de "Oortse loonbestanddelen" worden blijkens blz. 8 van de brief</para>
      <para>begrepen:</para>
      <para>"- het vervallen van de vaste reiskostenaftrek ad ƒ 200 voor de eerste 10 km.</para>
      <para>woon/werk-verkeer (?);</para>
      <para>- volgens nieuwe normen tot het loon gaan behoren van bovenmatige</para>
      <para>reiskostenvergoedingen ter zake van woon/werk-verkeer (?);</para>
      <para>- waardering van vakantiebonnen op 100% in plaats van 60% van de nominale waarde</para>
      <para>(?);</para>
      <para>- invoering van de autokostenfictie in de loonbelasting."</para>
      <para>&amp;gt; zoals in het overleg aan de orde is geweest, verwoord.</para>
      <para>Op blz. 5 is vermeld:</para>
      <para>"Gelet op de door sociale partners en de SER ingenomen standpunten,</para>
      <para>conclusies uit het rapport van KKC alsmede op de inmiddels uitgebrachte</para>
      <para>adviezen van de SVr en de Raad van State, lijkt het Bestuur van de</para>
      <para>Stichting van de Arbeid de conclusie gerechtvaardigd dat de hier aan de</para>
      <para>orde zijnde kabinetsvoorstellen ter vereenvoudiging van de loon- en</para>
      <para>inkomstenbelasting een onvoldoende maatschappelijk draagvlak hebben. Wat</para>
      <para>de Stichting van de Arbeid betreft is dit draagvlak in ieder geval</para>
      <para>volstrekt afwezig.</para>
      <para>Bij onverkorte handhaving van de kabinetsvoorstellen is het risico groot</para>
      <para>dat de ook door sociale partners gewenste vereenvoudiging van de loon-</para>
      <para>en inkomstenbelasting niet tot stand komt.</para>
      <para>Dit overwegende, hebben de sociale partners thans, ervan uitgaande dat</para>
      <para>de operatie-Oort per 1 januari 1990 wordt doorgevoerd, een uiterste</para>
      <para>poging willen doen om, met handhaving van de structuur van de fiscale</para>
      <para>vereenvoudigingsvoorstellen, zoals aangedragen door de Commissie-Oort,</para>
      <para>een bruteringsalternatief te ontwikkelen dat voldoet aan het wezenlijke</para>
      <para>uitgangspunt van kosten- en inkomensneutraliteit, maar dat tevens</para>
      <para>enerzijds voor het bedrijfsleven administratief technisch uitvoerbaar is</para>
      <para>zonder dat een wezenlijke verzwaring van de administratieve lasten</para>
      <para>optreedt en anderzijds ook niet leidt tot een te grote mate van</para>
      <para>ondoorzichtigheid van het bruto/netto-traject.</para>
      <para>In nauwe samenhang daarmee worden ook ten aanzien van enkele elementen</para>
      <para>uit het op 17 juni j.l. bij de Tweede Kamer ingediende ontwerp van Wet</para>
      <para>vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en</para>
      <para>inkomstenbelasting (Oortse loonbestanddelen) nadere standpunten ingeno</para>
      <para>men.</para>
      <para>(?)</para>
      <para>De hierna uiteen te zetten unaniem door de in de Stichting van de Arbeid</para>
      <para>vertegenwoordigde centrale organisaties van werkgevers en van werknemers</para>
      <para>bepleite voorstellen, welke beschouwd dienen te worden als een</para>
      <para>samenhangend pakket, leiden er naar hun oordeel toe dat de fiscale</para>
      <para>vereenvoudiging, zoals in grote lijnen voorgesteld door de Commissie-</para>
      <para>Oort een voldoende maatschappelijk draagvlak krijgt c.q. behoudt. (?)."</para>
      <para>2.13. Verder is in voornoemde brief op blz. 9 en 10, onder het kopje</para>
      <para>Vakantiebonnen te lezen:</para>
      <para>"Het Bestuur van de Stichting van de Arbeid, verwijzend naar het SER-advies</para>
      <para>van 16 oktober 1987, is van oordeel dat de huidige mate van belastbaarheid</para>
      <para>van vakantiebonnen dient te worden gehandhaafd. Wèl zou het</para>
      <para>belastbaarheidspercentage dat thans 60% bedraagt, iets kunnen worden bijge</para>
      <para>steld, zodanig dat de relatieve inkomenspositie van de betreffende</para>
      <para>werknemers geen wijziging ondergaat. In dit verband zij nog opgemerkt dat,</para>
      <para>vanwege de omstandigheid dat vakantiebonnen alleen in de bouwsector, delen</para>
      <para>van de metaalnijverheid en in de landbouw worden verstrekt, doorvoering van</para>
      <para>het kabinetsvoornemen om het belastbaarheidspercentage van vakantiebonnen</para>
      <para>op 100% te stellen, er binnen het voorgestelde Stichtingsalternatief toe</para>
      <para>zou leiden, dat in deze sectoren een loonkostenstijging optreedt, terwijl</para>
      <para>in de overige bedrijfstakken als gevolg van deze maatregel sprake zal zijn</para>
      <para>van een (macro gezien overeenkomstige) loonkostendaling. Een dergelijke</para>
      <para>onbedoelde loonkostenverschuiving tussen sectoren levert naar de mening van</para>
      <para>het Bestuur een bijkomend argument op om het kabinetsvoornemen op dit punt</para>
      <para>bij te stellen."</para>
      <para>2.14. In de (op 25 juli 1988 ingediende) Nota van wijziging is</para>
      <para>vervolgens te lezen&amp;lt;(10) Kamerstukken II 1987/88, 20 595, nr. 5, blz. 2.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"Overleg binnen de Stichting van de Arbeid, gevolgd door contacten tussen</para>
      <para>de Stichting en de regering, heeft - naast voorstellen voor een nieuwe</para>
      <para>methodiek voor de berekening van de zogenaamde overhevelingtoeslag - geleid</para>
      <para>tot het wijzigen van het onderhavige voorstel van Wet (?) (Oort-I) ter zake</para>
      <para>van een drietal zogenoemde Oortse loonbestanddelen. Het gaat hier om</para>
      <para>vergoedingen voor kosten van woon-werkverkeer, de heffing over</para>
      <para>vakantiebonnen en de autokostenfictie in de loonbelasting.</para>
      <para>(?)</para>
      <para>De huidige systematiek met betrekking tot vakantiebonnen zal worden</para>
      <para>gehandhaafd, met dien verstande dat, gelet op de nieuwe tariefstructuur,</para>
      <para>het percentage voor de waardering van vakantiebonnen zal worden gesteld op</para>
      <para>75 in plaats van de huidige 60. (?).</para>
      <para>Handhaving van de huidige systematiek met betrekking tot vakantiebonnen</para>
      <para>betekent tevens dat  de (?) voorziene bijzondere berekening van</para>
      <para>loonbelasting over vakantiebonnen geen doorgang zal vinden."</para>
      <para>2.15. In de MvA wordt vermeld&amp;lt;(11) Kamerstukken II 1988/89, 20 595, nr. 8, blz. 48.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"Bij de waardering op 75% van de nominale waarde moet nog worden opgemerkt</para>
      <para>dat, anders dan in de toelichting bij de eerste nota van wijziging is</para>
      <para>vermeld, de in de memorie van toelichting beschreven bijzondere berekening</para>
      <para>van loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen over vakantiebonnen</para>
      <para>wel doorgang zal vinden om te voorkomen dat in de inhoudingssfeer een</para>
      <para>relatieve achteruitgang in inkomenspositie zal optreden. Deze toevoeging</para>
      <para>maakt eens te meer duidelijk dat op het punt van de vakantiebonnen de</para>
      <para>bestaande ongelijkheiden ten opzichte van degenen die geen vakantiebonnen</para>
      <para>genieten zouden moeten worden opgeheven door het percentage van 75 op te</para>
      <para>trekken naar 100. Door vorenbedoelde bijzondere berekening in de</para>
      <para>loonbelasting vervalt namelijk de thans bestaande motivering voor de</para>
      <para>waardering van vakantiebonnen op minder dan 100%. Met de leden van de</para>
      <para>fractie van D66 en het lid van de R.P.F.-fractie zijn wij van mening dat de</para>
      <para>vakantiebonnen eigenlijk voor 100% in de heffing moeten worden betrokken.</para>
      <para>De waardering van 75% berust thans nog uitsluitend op het met de Stichting</para>
      <para>van de Arbeid bereikte uitgangspunt over het voorkomen van extra loonkosten</para>
      <para>en inkomenseffecten in de sectoren waarin wordt gewerkt met</para>
      <para>vakantiebonnen."</para>
      <para>2.16. In de Nota naar aanleiding van het eindverslag is gereageerd op</para>
      <para>vragen van Kamerleden inzake inkomenseffecten bij een ander</para>
      <para>waarderingspercentage en zonder de toepassing van de bijzondere</para>
      <para>berekeningsmethode via een aparte tabel. Tevens is opgemerkt&amp;lt;(12) Kamerstukken II 1988/89, 20 595, nr. 13.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"(blz. 57) De extra inkomenseffecten voor degenen die</para>
      <para>inkomstenbelasting worden betrokken, ontstaan omdat een bestaand</para>
      <para>relatief voordeel voor deze werknemers wegvalt. Dit voordeel betreft met</para>
      <para>name de omstan- (blz. 58) digheid dat in de inkomstenbelasting thans in</para>
      <para>feite twee keer wordt rekening gehouden met de belastingvrije som over</para>
      <para>perioden waarin de werknemer met vakantiebonnen geen loon uitbetaald</para>
      <para>krijgt. Eén keer via de waardering van de vakantiebon op 60% en één keer</para>
      <para>via de belastingvrije som zelf. In het bestaande systeem is dit een</para>
      <para>voordeel dat uitsluitend betrekking heeft op inkomstenbelasting. Dit</para>
      <para>verschil tussen loonbelasting en inkomstenbelasting vervalt door de</para>
      <para>voorgestelde bijzondere berekening. De inkomenseffecten die daarvan het</para>
      <para>gevolg zijn, laten zich gezien het voorgaande niet beschrijven op de</para>
      <para>wijze zoals deze leden doen.</para>
      <para>Het betreft uitsluitend een verschil tussen inhoudingssfeer en</para>
      <para>aanslagsfeer, waarbij de kanttekening moet worden geplaatst dat de</para>
      <para>voorgestelde, bijzondere berekening in de Oort-voorstellen ook van</para>
      <para>belang is voor de premieheffing volksverzekeringen door de invoering van</para>
      <para>een premievrije som.</para>
      <para>Naar aanleiding van vragen van deze leden over hetgeen in de</para>
      <para>eerste nota van wijziging is vermeld over de bijzondere</para>
      <para>berekeningsmethode, merken wij op dat de vermelding dat de voorziene</para>
      <para>bijzondere berekening van loonbelasting over vakantiebonnen geen</para>
      <para>doorgang zal vinden, berustte op een misverstand. Het is voorts zo dat</para>
      <para>deze bijzondere berekening geen voordeel oplevert ten opzichte van</para>
      <para>andere belastingplichtigen:  het realiseert juist een gelijke</para>
      <para>behandeling. De ongelijkheid ten opzichte van andere belastingplichtigen</para>
      <para>betreft thans nog de waardering op 75% in plaats van 100%.</para>
      <para>(?).</para>
      <para>Met de hiervoor gegeven uiteenzetting hopen wij deze leden</para>
      <para>duidelijk te hebben gemaakt dat de bijzondere berekeningsmethode alleen</para>
      <para>bedoeld is voor de inhoudingssfeer en de bestaande discrepantie tussen</para>
      <para>loonbelasting en inkomensbelasting bij vakantiebonnen wegneemt. Deze me</para>
      <para>thode voorkomt dus « schokeffecten » bij « sfeerovergang». Het</para>
      <para>resterende voordeel voor werknemers is daardoor hetzelfde voor</para>
      <para>werknemers met vakantiebonnen voor wie de loonbelasting eindheffing is</para>
      <para>en werknemers met vakantiebonnen die in de inkomstenbelasting worden</para>
      <para>betrokken. Dit voordeel heeft betrekking op het niet heffen van</para>
      <para>belastingen en premies volksverzekeringen over 25% van de nominale</para>
      <para>waarde van belasting en premies volksverzekeringen over 25% van de</para>
      <para>nominale waarde van de vakantiebonnen. (?).</para>
      <para>(?). Wij menen dat het gezien de voorgeschiedenis van het huidige</para>
      <para>voorstel en gezien het loonkostenaspect dat aan optrekking van het</para>
      <para>waarderingspercentage is verbonden, goed is om eerst een jaar (1990)</para>
      <para>ervaring op te doen met het nieuwe systeem. Die ervaring zou in 1991</para>
      <para>kunnen worden geëvalueerd, zodat wij niet willen uitsluiten een eerste</para>
      <para>stap tot optrekking te willen zetten met ingang van 1992.</para>
      <para>In antwoord op een vraag van de leden van de S.G.P.-fractie merken</para>
      <para>wij op dat het aantal werknemers met vakantiebonnen circa 330 000</para>
      <para>beloopt, terwijl het totaal aantal belastingplichtigen die werkzaam zijn</para>
      <para>in (blz. 59) dienstbetrekking (marktsector, ambtenaren en trendvolgers)</para>
      <para>bijna 5 mln. bedraagt."</para>
      <para>2.17. Het in voormelde wetsgeschiedenis genoemde derde lid van artikel</para>
      <para>25 Wet LB, sinds 1 jan. 1998 vernummerd tot vierde lid, luidt:</para>
      <para>"Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld volgens welke</para>
      <para>afwijking van het eerste lid als loontijdvak wordt aangemerkt een</para>
      <para>tijdvak waarvan het tijdvak waarover het loon wordt genoten, deel</para>
      <para>uitmaakt."</para>
      <para>2.18. In art 22 URLB is uitvoering aan die bevoegdheid gegeven. In de</para>
      <para>toelichting is vermeld&amp;lt;(13) Stcrt. 15 november 1989, nr. 223, blz. 13.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"In artikel 22 is een afwijkend loontijdvak geregeld ten aanzien van</para>
      <para>werknemers met recht op vakantiebonnen. Deze werknemers worden om</para>
      <para>praktische redenen onderscheiden in twee categorieën, te weten degenen</para>
      <para>aan wie aanspraken worden verleend voor 20 of meer vakantiedagen en</para>
      <para>degenen aan wie aanspraken worden verleend voor minder dan 20</para>
      <para>vakantiedagen. Ten aanzien van deze werknemers wordt het loontijdvak</para>
      <para>verlengd met onderscheidenlijk de factor 260/235 en de factor 260/245.</para>
      <para>Op deze wijze wordt er rekening mee gehouden dat deze werknemers op jaar</para>
      <para>basis (gemiddeld) 25 dagen c.q. 15 dagen geen loon van hun werkgevers</para>
      <para>ontvangen en daardoor een corresponderend deel van de belastingvrije som</para>
      <para>en kostenaftrek zouden missen indien de tabeltoepassing op de normale</para>
      <para>wijze zou verlopen.</para>
      <para>Met deze factoren wordt rekening gehouden in de ten aanzien van</para>
      <para>vakantiebongerechtigden samen te stellen afzonderlijke loonbelasting- en</para>
      <para>premietabellen; de inhoudingsplichtigen behoeven de factoren dus niet</para>
      <para>zelf toe te passen. (?).</para>
      <para>Het derde lid bevat eveneens een uitbreiding van het loontijdvak ten</para>
      <para>aanzien van vakantiebongerechtigden. Deze regeling is een voortzetting</para>
      <para>van het in de aanschrijving van 29 juli 1982, nr. 282-10732 (Vakstudie</para>
      <para>Nieuws 4 september 1982, blz. 1752) goedgekeurde beleid om ten aanzien</para>
      <para>van die categorie werknemers tot het loontijdvak mede te rekenen de</para>
      <para>algemeen erkende feestdagen alsmede ten hoogste één snipperdag per</para>
      <para>kalenderweek vallende in de periode waarover het loon doorgaans wordt</para>
      <para>afgerekend."</para>
      <para>2.19. De in voormelde wetsgeschiedenis voorgenomen lagere waardering</para>
      <para>dan de nominale waarde van vakantiebonnen is in het tweede lid, aanhef</para>
      <para>en onderdeel c, van art. 10 URLB opgenomen. Het luidt:</para>
      <para>"In afwijking van het eerste lid wordt:</para>
      <para>(?)</para>
      <para>c. indien bij publiekrechtelijke regeling of collectieve</para>
      <para>arbeidsovereenkomst is voorzien in vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen</para>
      <para>of daarmee overeenkomende aanspraken, de waarde van regelmatig bij de</para>
      <para>betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of</para>
      <para>van daarmee overeenkomende aanspraken gesteld op 75 percent van de</para>
      <para>nominale waarde van die bonnen of aanspraken."</para>
      <para>2.20. Vervolgens is de discussie over de lagere waardering van de</para>
      <para>vakantiebonnen gecontinueerd. In Graag of niet, Rapport van de</para>
      <para>Commissie voor de Belastingherziening (Commissie-Stevens), juli 1991,</para>
      <para>wordt het voorstel gedaan de waardering te stellen op 100 percent.</para>
      <para>2.21. Op 16 september 1992, nr. 27.950, BNB 1993/21, is een arrest</para>
      <para>gewezen inzake vakantiebonnen, vakantiegeld en het gelijkheidsbeginsel</para>
      <para>met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting over het jaar</para>
      <para>1987. Uw Raad overwoog:</para>
      <para>"3.6. Voor wat betreft het door belanghebbende voor het Hof ingenomen</para>
      <para>standpunt dat zijn vakantie-uitkering en het salarisbedrag voor</para>
      <para>feestdagen, evenals de in artikel 15, lid 2, letter b, Uitv.besch. LB</para>
      <para>1972 bedoelde vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen en daarmee</para>
      <para>overeenkomende aanspraken, voor niet meer dan 60 percent in zijn</para>
      <para>belastbare inkomen mogen worden begrepen, ligt in de uitspraak van het</para>
      <para>Hof besloten het oordeel dat niet als juist kan worden aanvaard de ter</para>
      <para>ondersteuning van evenbedoeld standpunt aangevoerde stelling dat de</para>
      <para>rechten die belanghebbende als rijksambtenaar in de loop van een jaar op</para>
      <para>vakantie-uitkering opbouwt, en het recht op doorbetaling van loon over</para>
      <para>zaterdagen, zondagen en feestdagen waarop niet wordt gewerkt, aanspraken</para>
      <para>vormen welke op de voet van artikel 10, lid 2, van de Wet op de</para>
      <para>loonbelasting 1964 naast het maandelijks door hem in geld ontvangen</para>
      <para>salaris tot zijn loon over die maand behoren.</para>
      <para>3.7. Dit oordeel is juist. Het recht op vakantie-uitkering en het recht</para>
      <para>op doorbetaling van loon over zaterdagen, zondagen en feestdagen waarop</para>
      <para>niet wordt gewerkt, zijn immers geen rechten die ertoe strekken ten</para>
      <para>behoeve van de werknemer naast de contante beloning een voorziening te</para>
      <para>treffen krachtens welke hij aanspraken verwerft om op een toekomstig</para>
      <para>tijdstip al dan niet onder bepaalde voorwaarden in het genot te worden</para>
      <para>gesteld van een of meer uitkeringen. Hetgeen aan de werknemer uit hoofde</para>
      <para>van deze rechten toekomt, wordt genoten op het tijdstip van betaling. De</para>
      <para>door belanghebbende met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen en daarmee</para>
      <para>overeenkomende aanspraken gemaakte vergelijking gaat niet op. Immers</para>
      <para>loon dat verschuldigd is in de vorm van bonnen en aanspraken als de hier</para>
      <para>bedoelde, wordt genoten ten tijde van de verstrekking daarvan omdat de</para>
      <para>werkgever met die verstrekking voldoet aan zijn wettelijke verplichting</para>
      <para>tot doorbetaling van loon gedurende de aan de werknemer toekomende</para>
      <para>vakantiedagen en aan zijn contractuele verplichting over die dagen</para>
      <para>vakantietoeslag te betalen. De klacht faalt mitsdien in zoverre.</para>
      <para>Voor zover belanghebbende in cassatie klaagt over onvoldoende motivering</para>
      <para>van dit oordeel, faalt de klacht eveneens, omdat het een rechtsoordeel</para>
      <para>is en een rechtsoordeel in cassatie niet met vrucht met een</para>
      <para>motiveringsklacht kan worden bestreden.</para>
      <para>3.8. Belanghebbende herhaalt in cassatie voorts zijn voor het Hof</para>
      <para>gehouden betoog dat de ongelijke behandeling die ontstaat doordat voor</para>
      <para>de heffing van inkomstenbelasting de vakantie-uitkering en het</para>
      <para>salarisbedrag voor feestdagen voor het volle bedrag in aanmerking worden</para>
      <para>genomen en maar voor 60 percent als die uitkering en dat salarisbedrag</para>
      <para>worden genoten in de vorm van bonnen en daarmee overeenkomende</para>
      <para>aanspraken, niet verenigbaar is met de diverse internationale verdragen</para>
      <para>waarbij Nederland zich heeft aangesloten.</para>
      <para>3.9. Dit betoog, waarbij belanghebbende klaarblijkelijk het oog heeft op</para>
      <para>artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en</para>
      <para>politieke rechten (hierna: IVBPR) moet als volgt worden begrepen. De in</para>
      <para>artikel 15, lid 2, letter b, Uitv.besch. LB 1972 voorgeschreven</para>
      <para>waardering van vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen en daarmee</para>
      <para>overeenkomende aanspraken op een lager bedrag dan de nominale waarde</para>
      <para>daarvan strekt ertoe ongedaan te maken het nadeel dat door de waarde van</para>
      <para>de bonnen en aanspraken tot het loon te rekenen vrijwel steeds meer</para>
      <para>loonbelasting is verschuldigd dan wanneer de op de bonnen en aanspraken</para>
      <para>ontvangen bedragen als loon zouden worden beschouwd. Niettegenstaande</para>
      <para>van dit nadeel geen sprake meer is in de gevallen waarin de</para>
      <para>loonbelasting geen eindheffing is, brengt artikel 22, lid 2, van de Wet</para>
      <para>op de inkomstenbelasting 1964 mee dat, anders dan bij de</para>
      <para>vakantie-uitkering en het salarisbedrag voor feestdagen die niet in de</para>
      <para>vorm van bonnen en aanspraken worden genoten, die bonnen en aanspraken</para>
      <para>niet voor de nominale waarde in de heffing van inkomstenbelasting worden</para>
      <para>betrokken. Aldus worden, zo betoogt belanghebbende voorts, voor de</para>
      <para>inkomstenbelasting gelijke gevallen ongelijk behandeld, hetgeen voor de</para>
      <para>wetgever aanleiding had moeten zijn die ongelijke behandeling ongedaan</para>
      <para>te maken. Nu de wetgever dat niet heeft gedaan, is het in</para>
      <para>overeenstemming met artikel 26 van het IVBPR dat de door belanghebbende</para>
      <para>ontvangen vakantie-uitkering en het salarisbedrag voor feestdagen voor</para>
      <para>niet meer dan 60 percent tot zijn belastbare inkomen worden gerekend.</para>
      <para>3.10. Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat de wet geen</para>
      <para>mogelijkheid biedt de door de bonnen van belastingplichtigen, voor wie</para>
      <para>de loonbelasting geen eindheffing is, vertegenwoordigde aanspraken</para>
      <para>alsnog voor 100 percent in de inkomstenbelasting te betrekken. De tegen</para>
      <para>dit oordeel gerichte klacht is in zoverre gegrond dat daarin terecht aan</para>
      <para>het Hof wordt verweten dat het zich niet heeft uitgelaten over het in</para>
      <para>3.8 bedoelde betoog van belanghebbende. Niettemin kan de klacht niet tot</para>
      <para>cassatie leiden.</para>
      <para>3.11. Artikel 26 van het IVBPR verbiedt niet iedere ongelijke</para>
      <para>behandeling van gelijke gevallen maar alleen die ongelijke behandeling</para>
      <para>welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en</para>
      <para>redelijke rechtvaardiging ervoor ontbreekt.</para>
      <para>3.12. Weliswaar zou de wetgever de door belanghebbende gestelde</para>
      <para>ongelijkheid ongedaan hebben kunnen maken door in artikel 22, lid 2, van</para>
      <para>de Wet op de inkomstenbelasting 1964 artikel 15, lid 2, letter b,</para>
      <para>Uitv.besch. LB 1972 niet van overeenkomstige toepassing te verklaren dan</para>
      <para>wel door in die wet met betrekking tot vakantie-uitkeringen en</para>
      <para>salarisbedragen voor feestdagen, ongeacht de vorm waarin die worden</para>
      <para>genoten, een voorschrift als dat van artikel 15, lid 2, letter b, op te</para>
      <para>nemen. Van de als eerste veronderstelde mogelijkheid heeft de wetgever</para>
      <para>echter kennelijk afgezien uit overweging dat werknemers die</para>
      <para>vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen en daarmee overeenstemmende</para>
      <para>aanspraken genieten, slechts bij uitzondering in de heffing van de</para>
      <para>inkomstenbelasting worden betrokken en dat het daarom verantwoord is de</para>
      <para>uitvoeringspraktijk niet te verzwaren met een regeling die het</para>
      <para>noodzakelijk zou maken steeds te onderscheiden of zich een zodanig geval</para>
      <para>voordoet teneinde alsdan het voor de heffing van de loonbelasting in</para>
      <para>aanmerking genomen loon, zoals dat op de loonopgave is vermeld, te</para>
      <para>herleiden tot het voor de inkomstenbelasting in aanmerking te nemen</para>
      <para>loon. Bij de andere veronderstelde mogelijkheid zou een ongelijkheid</para>
      <para>ontstaan aldus dat als loon uit dienstbetrekking genoten voordelen</para>
      <para>anders dan andere bestanddelen van het onzuivere inkomen niet voor de</para>
      <para>volle daaraan toe te kennen waarde in de heffing van inkomstenbelasting</para>
      <para>worden betrokken.</para>
      <para>3.13. Een en ander brengt mee dat de wetgever een dergelijke regeling</para>
      <para>achterwege kon laten en in redelijkheid kon oordelen dat voor bedoelde</para>
      <para>ongelijke behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging</para>
      <para>bestond."</para>
      <para>2.22. In de Bouwstenennotitie, Ministerie van Financien, juli 1994, is</para>
      <para>in te lezen:</para>
      <para>"4.5.3. De Commissie Oort stelde voor de lagere waardering voor</para>
      <para>vakantiebonnen af te schaffen en voortaan de waarde te stellen op 100%</para>
      <para>van de nominale waarde. In eerste instantie werd dit voorstel</para>
      <para>overgenomen. Tegelijkertijd werd een herleidingsmethode geïntroduceerd</para>
      <para>waarmee de hiervoor genoemde bezwaren van waardering van vakantiebonnen</para>
      <para>op de nominale waarde werden opgeheven. Deze herleidingsmethode is,</para>
      <para>vanwege de bewerkelijkheid voor de inhoudingsplichtigen, later vervangen</para>
      <para>door bijzondere loonbelastingtabellen, waarin er rekening mee wordt</para>
      <para>gehouden dat het loon in minder dan het gebruikelijke aantal</para>
      <para>loontijdvakken wordt genoten.</para>
      <para>In een later stadium van de Oort-wetgeving is de waardering wederom op</para>
      <para>een lager percentage vastgesteld, onder handhaving van de bijzondere</para>
      <para>loonbelastingtabellen. Deze lagere waardering, op 75% van de nominale</para>
      <para>waarde, vloeide voort uit overleg met de Stichting van de Arbeid waarbij</para>
      <para>werd afgesproken dat als gevolg van de invoering van de Oort-wetgeving</para>
      <para>de inkomenseffecten en de effecten op de loonkosten in de bedrijfstakken</para>
      <para>waarin met vakantiebonnen werd gewerkt in de pas moesten blijven met die</para>
      <para>effecten in bedrijfstakken zonder vakantiebonnen.</para>
      <para>In de memorie van antwoord op het wetsontwerp Oort I (20 595) is</para>
      <para>opgemerkt dat een stapsgewijze verhoging van het percentage naar 100</para>
      <para>werd voorgestaan. Daaraan werd toegevoegd dat deze verhoging op korte</para>
      <para>termijn een aanvang zou moeten nemen, maar wel diende te worden ingebed</para>
      <para>in de voor 1993 toegezegde Oort-evaluatie waarbij op dit punt wellicht</para>
      <para>reeds vóór 1993 tot een interim-evaluatie zou moeten worden gekomen. In</para>
      <para>de nota naar aanleiding van het eindverslag werd een evaluatie van het</para>
      <para>nieuwe systeem in het jaar 1991 geopperd, waarna mogelijk met ingang van</para>
      <para>1992 een eerste stap tot optrekking van het waarderingspercentage zou</para>
      <para>kunnen worden gezet. Omdat in het medio 1991 uitgebrachte rapport van de</para>
      <para>Commissie Stevens eveneens werd voorgesteld de waardering van</para>
      <para>vakantiebonnen op te trekken naar 100% heeft genoemde interim-evaluatie</para>
      <para>vooralsnog niet plaatsgevonden.</para>
      <para>4.5.4 Waardering op contante waarde?</para>
      <para>Zoals hiervoor reeds opgemerkt, is door de invoering van bijzondere</para>
      <para>loonbelastingtabellen de eigenlijke aanleiding voor de waardering van</para>
      <para>vakantiebonnen op minder dan 100% van de nominale waarde weggenomen. De</para>
      <para>vraag rijst niettemin of een waardering op 100% "niet te veel van het</para>
      <para>goede is". Het systeem van belasting- en premieheffing over</para>
      <para>vakantiebonnen leidt namelijk tot inhouding over een loonbestanddeel dat</para>
      <para>pas later in geld wordt uitbetaald. De vraag dringt zich op of met dit</para>
      <para>nadeel voor de werknemer rekening zou moeten worden gehouden door een</para>
      <para>waardering beneden 100%. Bij een rentevoet van 6% zou dit bij het</para>
      <para>gemiddeld een half jaar "te vroeg" belasten van de vakantiebonnen</para>
      <para>resulteren in een waardering  op ca 97,5% van de nominale waarde.</para>
      <para>Conform de saldomethode van het wetsvoorstel Brede Herwaardering II zou</para>
      <para>bij verzilvering van de vakantiebonnen het verschil tussen de nominale</para>
      <para>waarde en de reeds in de belastingheffing betrokken waarde (2,5%)</para>
      <para>vervolgens alsnog moeten worden belast. Dit zou leiden tot een toeneming</para>
      <para>van het aantal op te leggen aanslagen inkomstenbelasting en derhalve</para>
      <para>ondoelmatig zijn. Voorts zij nog gewezen op de jurisprudentie in de</para>
      <para>winstsfeer, volgens welke waardering op de contante waarde alleen is</para>
      <para>toegestaan indien tussen de nominale en de contante warde een</para>
      <para>aanmerkelijk verschil bestaat.</para>
      <para>Alles afwegende heeft de praktische benadering van waardering op de</para>
      <para>nominale waarde de voorkeur boven de theoretisch wellicht fraaiere</para>
      <para>waardering op de contante waarde gevolgd door een latere heffing over</para>
      <para>het verschil tussen nominale waarde en contante waarde."</para>
      <para>2.23. In de MvT&amp;lt;(14) Kamerstukken II 1996/97, 25 051, nr. 3, blz. 30/31.</para>
      <para>&amp;gt; op het wetsvoorstel aanpassing loon- en</para>
      <para>inkomstenbelasting 1997 c.a. is over de waardering van vakantiebonnen</para>
      <para>opgemerkt:</para>
      <para>"Sinds de Oort-wetgeving is er inhoudelijk geen aanleiding meer voor een</para>
      <para>waardering van vakantiebonnen op minder dan 100%. Niettemin werden er</para>
      <para>destijds goede gronden aanwezig geacht voor een lagere waardering, welke</para>
      <para>werd gesteld op 75%. Naar ons oordeel wordt deze maatregel echter, mede</para>
      <para>gelet op de feitelijke veranderingen in de sfeer van</para>
      <para>rechtenbeheersystemen en op inmiddels ontstane problemen in de sfeer van</para>
      <para>het gelijkheidsbeginsel, steeds moeilijker te verdedigen. Wij nemen ons</para>
      <para>daarom voor in overleg met het bedrijfsleven een oplossing voor deze</para>
      <para>problematiek te zoeken. Wij zien geen aanleiding om hangende dit overleg</para>
      <para>nog nieuwe gevallen van het creëren van vakantiebongerechtigden te</para>
      <para>facilieren. Met het oog hierop zal de desbetreffende bepaling nog</para>
      <para>slechts voor bestaande gevallen van toepassing zijn."</para>
      <para>2.24. De Raad van State had in zijn Advies&amp;lt;(15) Kamerstukken II 1996/97, 25 051, B, blz. 14.</para>
      <para>&amp;gt; over de waardering van</para>
      <para>vakantiebonnen gesteld:</para>
      <para>"22. (?). Voortzetting van faciliering van een beperkte groep werknemers</para>
      <para>kan alleen plaatsvinden indien hiervoor overtuigende motieven aanwezig</para>
      <para>zijn. Deze motieven heeft de Raad in de toelichting niet aangetroffen. Zo</para>
      <para>deze motieven niet zijn te geven dient de waarderingsregel zo spoedig moge</para>
      <para>lijk - de Raad beseft dat het hier om een oud probleem gaat - te worden</para>
      <para>aangepast. De Raad adviseert in de toelichting de uitgezette weg naar een</para>
      <para>oplossing van deze problematiek scherper aan te geven."</para>
      <para>2.25. In het Nader rapport&amp;lt;(16) Kamerstukken II 1996/97, 25 051, B, blz. 15.</para>
      <para>&amp;gt; is hierop geantwoord:</para>
      <para>"22. (?). Dienaangaande merken wij op, dat ook in onze opvatting</para>
      <para>waarderingsregel zo spoedig mogelijk dient te worden aangepast, omdat er</para>
      <para>onvoldoende gronden zijn de faciliteit voor een relatief beperkte groep</para>
      <para>werknemers voort te zetten. Daarbij zijn wij ons er echter met de Raad van</para>
      <para>bewust, dat het hier om een oud en gevoelig probleem gaat, waarvoor in</para>
      <para>overleg met het bedrijfsleven een oplossing moet worden gezocht. Pas</para>
      <para>daarna zal het mogelijk zijn om de weg naar een oplossing van deze</para>
      <para>problematiek scherper aan te geven, zoals de Raad vraagt."</para>
      <para>2.26. In de Nota naar aanleiding van het verslag&amp;lt;(17) Kamerstukken II 1996/97, 25 051, nr. 5, blz. 29.</para>
      <para>&amp;gt; is opgemerkt:</para>
      <para>"Dit overleg [met het bedrijfsleven over de oplossing van de problematiek</para>
      <para>inzake de waardering van vakantiebonnen] zal naar verwachting op korte</para>
      <para>termijn worden gestart. Bij "het bedrijfsleven", zo antwoorden wij de</para>
      <para>leden van de VVD-fractie, wordt in dit verband gedacht aan representatieve</para>
      <para>werkgevers of werkgeversorganisaties voor de bedrijfstakken waarin</para>
      <para>vakantiebonnen worden verstrekt. Zoals is aangegeven in het nader rapport,</para>
      <para>onderdeel 22, zal het pas na dat overleg mogelijk zijn om de weg naar een</para>
      <para>oplossing van deze problematiek scherper aan te geven. Dit geldt ook met</para>
      <para>betrekking tot het tijdstip waarop concrete voorstellen kunnen worden</para>
      <para>verwacht."</para>
      <para>2.27. Na de inwerkingtreding van wetsvoorstel 25 051 bij de Wet van 13</para>
      <para>december 1996, Stb. 655, is de URLB gewijzigd in die zin dat in het</para>
      <para>tweede lid van art. 10 onderdeel c is vervallen. Daarvoor in de plaats</para>
      <para>is gekomen art. 45, dat als volgt luidt:</para>
      <para>"Ingeval in een reeds op 31 december 1996 bestaande of aansluitend naar</para>
      <para>strekking terzake ongewijzigd voortgezette publiekrechtelijke regeling</para>
      <para>of collectieve arbeidsovereenkomst is voorzien in vakantiebonnen,</para>
      <para>vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken wordt, in</para>
      <para>afwijking van artikel 10, eerste lid, de waarde van regelmatig bij de</para>
      <para>betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen</para>
      <para>of van daarmee overeenkomende aanspraken gesteld op 75 percent van de</para>
      <para>nominale waarde van die bonnen of aanspraken."</para>
      <para>2.28. Bij Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 11</para>
      <para>september 1998, nr. WDB98/236M, Stcrt. 16 september 1998, nr. 176, V-N</para>
      <para>1998/45.21, is aangegeven dat het in voormeld art. 45 genoemde</para>
      <para>percentage van 75 jaarlijks wordt verhoogd met 2.5, te beginnen in 1999</para>
      <para>tot 92,5 in het jaar 2005. Vanaf 2006 worden vakantiebonnen voor hun</para>
      <para>werkelijke waarde in de heffing betrokken. In de toelichting is</para>
      <para>opgemerkt:</para>
      <para>"(?) Deze stapsgewijze aanpak die in goed overleg met de betrokken</para>
      <para>organisaties van werkgevers en werknemers tot stand is gekomen</para>
      <para>garandeert een geleidelijke ingroei van de hogere waardering voor</para>
      <para>bestaande vakantiebonregelingen. Het betreft hier bovendien een regeling</para>
      <para>die bijna vijftig jaar heeft bestaan en die in die tijd in de</para>
      <para>desbetreffende sectoren is verwerkt in de loonvorming.</para>
      <para>Een dergelijke regeling kan niet abrupt beëindigd worden. Een wat</para>
      <para>langere overgangsperiode voorkomt relatief grote schokeffecten op de</para>
      <para>loonkosten en/of de netto inkomens en is, alle omstandigheden in</para>
      <para>aanmerking genomen, daarom thans aangewezen.</para>
      <para>Het te bereiken eindniveau zal in 2004 worden bepaald en ingaan</para>
      <para>per 1 januari 2006. Voor dat eindniveau zal onder meer worden bezien tot</para>
      <para>welke omvang de bijzondere situatie kan worden verdisconteerd dat</para>
      <para>vakantiebonnen een vorm van uitgesteld loon zijn waarbij de heffing niet</para>
      <para>plaatsvindt op het moment van betaling. In vrijwel alle gevallen van</para>
      <para>uitgesteld loon wordt niet de aanspraak op het loon belast maar de</para>
      <para>uitkering. In het geval van de vakantiebon is dit niet het geval omdat</para>
      <para>het fonds dat de aanspraken beheert dan inhoudingsplichtige zou moeten</para>
      <para>zijn hetgeen op praktische bezwaren stuit. Nu de aanspraak op het recht</para>
      <para>dat in de vakantiebon is vastgelegd, moet worden belast, zou in theorie</para>
      <para>bij de heffing op het moment van verstrekking iedere vakantiebon kunnen</para>
      <para>worden gewaardeerd op de eigen contante waarde. Bij uitbetaling zou er</para>
      <para>een tweede heffingsmoment moeten zijn omdat het verschil tussen het</para>
      <para>verzilverde bedrag en alle aanspraken die daarop betrekking hebben, dan</para>
      <para>zou moeten worden belast. Ook in dat geval zou inhouding van belasting</para>
      <para>en premie bij het fonds dat de aanspraken beheert, te veel praktische</para>
      <para>problemen opleveren. Het in de inkomstenbelasting belasten van dit</para>
      <para>betrekkelijk geringe verschil is evenmin een praktische oplossing. Met</para>
      <para>het oog op de eenvoud zal daarom te zijner tijd - in 2004 - een korting</para>
      <para>op de waardering van de aanspraak worden bepaald. Met deze korting kan</para>
      <para>worden vergolden het feit dat de werknemer zonder zijn toedoen in een</para>
      <para>situatie verkeert waarin hij de heffing over de nominale waarde van de</para>
      <para>niet verhandelbare aanspraak - in vergelijking met het toepassen van de</para>
      <para>zogenoemde omkeerregel - moet voorfinancieren. Voor deze korting zullen</para>
      <para>dus uitsluitend vakantiebeheersystemen in aanmerking kunnen komen</para>
      <para>waarbij sprake is van een rechtensysteem met voorfinanciering."</para>
      <para>3. De middelen</para>
      <para>De vijf door belanghebbende aangevoerde middelen vallen in twee delen</para>
      <para>uiteen. De middelen I en II betreffen de fiscale kwalificatie van</para>
      <para>enerzijds (het recht op) vakantiegeld en anderzijds (het recht op)</para>
      <para>vakantiebonnen en gaan dus over de vraag: loon in geld of loon in de</para>
      <para>vorm van een aanspraak. In de middelen III, IV en V komen verschillende</para>
      <para>facetten van het non-discriminatiebeginsel aan de orde. Hierna houd ik</para>
      <para>die tweedeling aan.</para>
      <para>4. Loon in geld of in de vorm van een aanspraak; middelen I en II</para>
      <para>4.1. In middel I wordt betoogd dat de rechten van belanghebbende op</para>
      <para>vakantietoeslag en vakantieloon, dus op vakantiegeld, zijn aan te</para>
      <para>merken als aanspraken in de zin van art. 10, lid 2, aanhef en onderdeel</para>
      <para>c, URLB, zodat het Hof - in rov. 6.4.1 - in strijd met dat</para>
      <para>artikelonderdeel en met art. 10, lid 2, Wet LB heeft geoordeeld dat die</para>
      <para>rechten geen aanspraken zijn. In middel II wordt betoogd dat het Hof -</para>
      <para>in rov. 6.3 - ten onrechte heeft geoordeeld "dat op het zogenaamde</para>
      <para>rechtenbeheersysteem gebaseerde rechten vallen onder de omschrijving</para>
      <para>van (andere daarmee overeenkomende) aanspraken" als bedoeld</para>
      <para>evengenoemd artikelonderdeel.</para>
      <para>4.2. Het Hof overwoog:</para>
      <para>"6.3. Onder het (?) rechtenbeheersysteem verstaat het Hof, evenals</para>
      <para>partijen kennelijk, een systeem waarbij tegoedschrijvingen en girale</para>
      <para>uitbetalingen de plaats hebben ingenomen van de verstrekking en</para>
      <para>verzilvering van bonnen of zegels. Het Hof is van oordeel dat de op het</para>
      <para>rechtenbeheersysteem gebaseerde aanspraken vallen onder de omschrijving</para>
      <para>'daarmee overeenkomende aanspraken' als bedoeld in voormeld artikel 10,</para>
      <para>lid 2, onderdeel c, van de URLB.</para>
      <para>6.4.1. De rechten van belanghebbende op vakantietoeslag en vakantieloon</para>
      <para>zijn geen aanspraken als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet. De</para>
      <para>rechten op deze voordelen zijn immers geen rechten die ertoe strekken</para>
      <para>ten behoeve van de werknemer naast de contante beloning een voorziening</para>
      <para>te treffen krachtens welke hij aanspraken verwerft om op een toekomstig</para>
      <para>tijdstip al dan niet onder bepaalde voorwaarden in het genot te worden</para>
      <para>gesteld van een of meer uitkeringen. Hetgeen belanghebbende toekomt uit</para>
      <para>hoofde van deze rechten, wordt niet eerder genoten dan op het tijdstip</para>
      <para>van betaling. De vergelijking met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen</para>
      <para>en daarmee overeenkomende aanspraken gaat niet op. Immers, loon dat</para>
      <para>verschuldigd is in de vorm van bonnen en aanspraken als de hier</para>
      <para>bedoelde, wordt genoten ten tijde van de verstrekking daarvan omdat de</para>
      <para>werkgever met die verstrekking voldoet aan zijn wettelijke verplichting</para>
      <para>tot doorbetaling van loon gedurende de aan de werknemer toekomende</para>
      <para>vakantiedagen en aan zijn contractuele verplichtingen over die dagen</para>
      <para>vakantietoeslag te betalen. De genoemde bonnen en aanspraken vormen dan</para>
      <para>ook aanspraken als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet (vgl. HR 16</para>
      <para>september 1992, nr. 27 950, BNB 1993/21)."</para>
      <para>4.3. Terecht vaart het Hof hier geheel op de koers die in het door het</para>
      <para>Hof genoemde arrest BNB 1993/21 ook is gevolgd. Het gaat hier om een</para>
      <para>vaste koers; zie reeds HR 22 juni 1960, BNB 1960/253. Het lijdt dan ook</para>
      <para>geen twijfel dat de rechten van belanghebbende op vakantietoeslag en</para>
      <para>vakantieloon niet kwalificeren als aanspraken in meerbedoelde zin; hier</para>
      <para>is evident sprake van loon in geld. Evenmin is twijfelachtig dat de op</para>
      <para>het rechtenbeheersysteem gebaseerde rechten wel kwalificeren als</para>
      <para>zodanige aanspraken; die variant op de bonnen is immers reeds in BNB</para>
      <para>1993/21 onder ogen gezien. Het gaat hier om fondsvorming bij derden en</para>
      <para>dan ligt een kwalificatie als aanspraak geheel in de rede.</para>
      <para>4.4. De - nogal opportunistische -  pogingen van belanghebbende om Uw</para>
      <para>Raad ertoe te bewegen het roer geheel om te gooien - naar bakboord of</para>
      <para>naar stuurboord is hem kennelijk om het even - moeten dus wel falen.</para>
      <para>4.5. Mitsdien kunnen de middelen I en II niet tot cassatie leiden.</para>
      <para>5. Non-discriminatiebeginsel; middelen III, IV en V</para>
      <para>5.1. Mijn ambtgenoot Van den Berge heeft de huidige stand van zaken</para>
      <para>betreffende het non-discriminatiebeginsel als verwoord in art. 26 IVBPR</para>
      <para>uiteengezet in zijn conclusie voor HR 15 juli 1998, nr. 31.922, BNB</para>
      <para>1998/293 m.n. P.J. Wattel, FED 1998/757 m.n. J.A. Smit</para>
      <para>(autokostenfictie). Gaarne verwijs ik daarnaar en naar de conclusie van</para>
      <para>mijn ambtgenoot Van Soest d.d. 7 januari 1999 in de zaak met nummer</para>
      <para>33.263, waarin Uw Raad uiteraard nog geen arrest heeft gewezen.</para>
      <para>5.2. De algemene regel waaraan ook de onderhavige casus moet worden</para>
      <para>getoetst is neergelegd in HR 27 september 1989, nr. 24.297, na</para>
      <para>conclusie A-G Moltmaker, BNB 1990/61 m.n. J.P. Scheltens</para>
      <para>(tandartsvrouw). Ik citeer rov. 4.5:</para>
      <para>"Bij de beantwoording van de vraag of toepassing van genoemde</para>
      <para>wetsbepalingen een door het IVBPR verboden ongelijke behandeling</para>
      <para>oplevert (?), moet worden vooropgesteld dat het Verdrag niet iedere</para>
      <para>ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbiedt, maar alleen die</para>
      <para>ongelijke behandeling welke als discriminatie moet worden beschouwd</para>
      <para>omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging ervoor ontbreekt.</para>
      <para>Hierbij verdient opmerking dat aan de wetgever een zekere beoorde</para>
      <para>lingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor</para>
      <para>de toepassing van het Verdrag als gelijk moeten worden beschouwd, en of,</para>
      <para>in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging</para>
      <para>bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen."</para>
      <para>5.3. Uw Raad hanteert deze regel sindsdien steeds en voegt daaraan</para>
      <para>tegenwoordig toe dat de beoordeling mede plaatsvindt aan de hand van</para>
      <para>art. 14 EVRM in verbinding met art. 1 Protocol nr. 1; vgl. recent rov.</para>
      <para>3.3 en 3.4 van het evengenoemde autokostenfictiearrest en - nog meer</para>
      <para>recent - rov. 3.6.1 van HR 17 augustus 1998, nr. 33.078, na conclusie</para>
      <para>A-G Van den Berge, V-N 1998/40.6, JB 1998/196 m.n. H.J. Simon</para>
      <para>(grijskenteken). Voor het onderhavige geval moet aan het toetsingskader</para>
      <para>worden toegevoegd art. 1 Grondwet; het gaat thans immers niet om een</para>
      <para>wet in formele zin maar om gedelegeerde regelgeving. Het komt mij</para>
      <para>echter voor dat zulks voor de toetsing geen verschil maakt.</para>
      <para>5.4. HR 21 oktober 1992, nr. 28.548, BNB 1993/29 m.n. Zwemmer</para>
      <para>(alleenstaandentoeslag) behelst de regel:</para>
      <para>"Discriminatie op de grond dat ongelijke gevallen onevenredig ongelijk</para>
      <para>worden behandeld, doet zich slechts voor bij een overduidelijke</para>
      <para>onevenredigheid."</para>
      <para>5.5. Ik zal hierna trachten de volgende vragen te beantwoorden:</para>
      <para>a. vormen - kort gezegd - vakantiegeld en vakantiebonnen gelijke</para>
      <para>of ongelijke gevallen?</para>
      <para>b. zo het gaat om ongelijke gevallen: levert de ongelijke</para>
      <para>behandeling een overduidelijke onevenredigheid op?</para>
      <para>c. zo het gaat om gelijke gevallen: bestaat voor de ongelijke</para>
      <para>behandeling van die gelijke gevallen een objectieve en redelijke</para>
      <para>rechtvaardiging?</para>
      <para>d. zo sprake is een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling en</para>
      <para>dus van discriminatie: wie moet voor rechtsherstel zorgdragen, de</para>
      <para>wetgever of de rechter?</para>
      <para>5.6.1. Het Hof heeft geoordeeld (rov. 6.8) "dat sprake is van feitelijk</para>
      <para>en rechtens ongelijke gevallen". Dat oordeel lijkt mij verdedigbaar.</para>
      <para>Rechtens is er verschil tussen vakantiegeld en vakantiebonnen: bij</para>
      <para>vakantieloon gaat het om loon in geld, belast op de voet van art. 10,</para>
      <para>lid 1, Wet LB, terwijl het bij vakantiebonnen gaat om loon in de vorm</para>
      <para>van aanspraken, belast op de voet van art. 10, lid 2, Wet LB. In zijn</para>
      <para>rov. 6.5.1 tot en met 6.5.4 heeft het Hof enige feitelijke verschillen</para>
      <para>opgesomd. Belanghebbende heeft die oordelen in cassatie niet zozeer</para>
      <para>bestreden als wel genuanceerd, maar dat doet aan de geconstateerde</para>
      <para>verschillen niet af.</para>
      <para>5.6.2. Aan die verschillen valt nog het verschil in periodiciteit toe</para>
      <para>te voegen. Vakantiebonnen worden regelmatig over het jaar bij de</para>
      <para>periodieke week- of maandloonbetalingen - in het rechtenbeheersysteem:</para>
      <para>in de vorm van girale tegoedschrijvingen - verstrekt. Met vakantiegeld</para>
      <para>is dat anders, want vakantieloon wordt alleen tijdens vakanties en</para>
      <para>verlofdagen en dus onregelmatig betaald, terwijl vakantietoeslag slecht</para>
      <para>één keer per jaar wordt betaald. De beoordeling van dat verschil zou</para>
      <para>voor de heffing van inkomstenbelasting anders kunnen zijn, ware het</para>
      <para>niet dat in art. 22, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964</para>
      <para>het loonbegrip uit de loonbelasting - behoudens enkele hier niet van</para>
      <para>belang zijnde uitzonderingen - in zijn geheel is geïncorporeerd in het</para>
      <para>inkomensbegrip van de inkomstenbelasting. Het gevolg daarvan zal moeten</para>
      <para>zijn dat wat voor de heffing van loonbelasting ongelijk is, ook</para>
      <para>ongelijk is voor de heffing van inkomstenbelasting. Ik wil best</para>
      <para>toegeven dat een andere opvatting evenzeer verdedigbaar is, maar de</para>
      <para>consequenties daarvan lijken mij niet bijster aantrekkelijk, zoals ook</para>
      <para>wel blijkt uit rov. 3.12 van BNB 1993/21.</para>
      <para>5.6.3. De wetgever wilde aanvankelijk aan de waardering beneden</para>
      <para>nominaal van vakantiebonnen een einde maken en is later door de</para>
      <para>Stichting van de Arbeid op andere gedachten gebracht. Louter</para>
      <para>rekenkundig geredeneerd en dus rekening houdend met een waardering op</para>
      <para>de contante waarde en de voorfinanciering verdisconterend, kwam de</para>
      <para>wetgever uit op een waarde van enkele procentpunten beneden nominaal;</para>
      <para>dat verschil constateerde hij dus in ieder geval. Maar er is meer dan</para>
      <para>deze louter rekenkundige exercitie. Wij spreken hier over de bewoners</para>
      <para>van de onderste verdiepingen van het loongebouw. Anders dan de</para>
      <para>penthousebewoners zullen zij het in hun portemonnee voelen dat zij</para>
      <para>eerst uit hun netto-inkomen belasting moeten betalen en pas later de</para>
      <para>bruto-uitkering ontvangen. Dat is nog eens wat anders dan het pay-as-</para>
      <para>you-go van de vakantiegelders. Dit verschil is niet goed</para>
      <para>kwantificeerbaar maar moet niet worden onderschat. Daarbij komt dan nog</para>
      <para>het - vermoedelijk geringe - risico dat de bon (aanspraak) uiteindelijk</para>
      <para>niet kan worden verzilverd. Ten slotte duiden ook de door de wetgever</para>
      <para>gecreëerde aparte loonheffingstabellen voor werknemers met vakan</para>
      <para>tiebonnen op geconstateerde verschillen.</para>
      <para>5.6.4. Al met al lijkt mij de conclusie gerechtvaardigd dat hier sprake</para>
      <para>is van ongelijke gevallen, waarmee de in § 5.5, sub a, gestelde vraag</para>
      <para>is beantwoord.</para>
      <para>5.7.1. De vraag rijst dan of de daaraan vastgeknoopte ongelijke</para>
      <para>behandeling niet tot een overduidelijke onevenredigheid heeft geleid.</para>
      <para>Die vraag klemt te meer nu de wetgever zelf te kennen heeft gegeven dat</para>
      <para>het verschil tussen vakantiegeld en vakantiebonnen niet een groter</para>
      <para>waarderingsverschil rechtvaardigt dan enkele procentpunten.</para>
      <para>Vooropgesteld zij dat, nu het bij vakantiebonnen gaat om aanspraken,</para>
      <para>een waarderingsvoorschrift niet kan worden gemist. Dat had natuurlijk</para>
      <para>best art. 10, lid 1, URLB (het algemene voorschrift) kunnen zijn, maar</para>
      <para>het is art. 10, lid 2, aanhef en onderdeel c, URLB geworden. Heeft de</para>
      <para>wetgever daarmee de grenzen der redelijkheid overschreden?</para>
      <para>5.7.2. Die vraag beantwoord ik ontkennend. Strikt rekenkundig</para>
      <para>geredeneerd zouden de vakantiebonnen op circa 97,5 percent van de</para>
      <para>nominale waarde moeten worden gewaardeerd (zie § 2.22, sub 4.5.4). Het</para>
      <para>verschil met 75 percent, d.i. 22,5 percent, levert dunkt mij niet een</para>
      <para>zo overduidelijke onevenredigheid op dat daarmee de grenzen der</para>
      <para>redelijkheid worden overschreden. Daarbij moet in ogenschouw worden</para>
      <para>genomen dat, zoals ik in § 5.6.3 betoogde, een louter rekenkundige</para>
      <para>exercitie te kort schiet, aangezien ook niet-kwantificeerbare</para>
      <para>omstandigheden op enigerlei wijze moeten worden verdisconteerd. De</para>
      <para>wetgever moet in de beoordeling daarvan niet al te zeer worden beknot.</para>
      <para>De in § 5.5, sub b, gestelde vraag moet dus ontkennend worden</para>
      <para>beantwoord.</para>
      <para>[5.7.3. Zoekend naar een onderbouwing voor die opvatting stuitte ik op de</para>
      <para>jurisprudentie van Uw Raad inzake een allang verdwenen voorschrift: art. 273,</para>
      <para>vierde en vijfde lid, van de gemeentewet. Dit waarderingsvoorschrift hield in</para>
      <para>dat met betrekking tot een incourant onroerend goed de heffingsgrondslag niet</para>
      <para>op de geobjectiveerde verkoopwaarde maar op de gecorrigeerde vervangingswaarde</para>
      <para>moest worden gesteld indien voor het onroerende goed redelijkerwijs geen</para>
      <para>verkrijger kan worden gevonden, die het goed zou willen verwerven tegen een</para>
      <para>bedrag dat - en nu komt het - in een redelijke verhouding staat tot de gecorri</para>
      <para>geerde vervangingswaarde. In HR 27 januari 1988, nr. 24.967, BNB 1988/107 m.n.</para>
      <para>G.J. van Leijenhorst, oordeelde Uw Raad "dat meervermelde 'redelijke</para>
      <para>verhouding' nog aanwezig is indien de afwijking tussen de voor het onroerend</para>
      <para>goed te bedingen koopsom en de gecorrigeerde vervangingswaarde van dat goed</para>
      <para>niet meer bedraagt dan 50 percent van die vervangingswaarde". Hoewel een</para>
      <para>vergelijking tussen twee volstrekt onvergelijkbare grootheden - de waardering</para>
      <para>van vakantiebonnen en de waardering van onroerend goed - allicht mank gaat,</para>
      <para>komt het mij voor dat, waar Uw Raad met een verschil van 50 percent nog een</para>
      <para>redelijke verhouding aanwezig achtte, de wetgever met zijn waardering van</para>
      <para>minder dan 25 percent onder nominaal de grenzen der redelijkheid niet heeft</para>
      <para>overschreden en bijgevolg niet kan worden gesproken van een overduidelijke</para>
      <para>onevenredigheid als bedoeld in BNB 1993/29.</para>
      <para>5.7.4. Een meer recente ondersteuning voor mijn stelling meen ik te kunnen</para>
      <para>vinden in wetsvoorstel 26 235 tot wijziging van de Waterschapswet. Ingevolge</para>
      <para>het bepaalde in art. 120, lid 1, van die wet moeten met betrekking tot de</para>
      <para>bepaling van de heffingsmaatstaf voor de omslag ongebouwd omslagklassen worden</para>
      <para>ingesteld om te voorkomen dat verschillen in hoedanigheid of ligging leiden tot</para>
      <para>een onevenredig voor- of nadeel voor de omslagplichtigen. Genoemd wetsvoorstel</para>
      <para>beoogt daaraan een nadere invulling te geven door de toevoeging: "voor zover</para>
      <para>zodanige verschillen leiden tot een verschil in belang van meer dan 50% of</para>
      <para>minder dan 25% wordt dat verschil in elk geval aangemerkt als onevenredig</para>
      <para>onderscheidenlijk niet onevenredig". Ook de vergelijking met</para>
      <para>waterschapsbelangverschillen gaat natuurlijk mank, maar enige richting aan de</para>
      <para>oordeelsvorming geeft zo'n vergelijking wel.]</para>
      <para>5.8. Ik meen dus - het voorgaande kort samenvattend - dat er goede</para>
      <para>gronden zijn voor het oordeel dat sprake is van ongelijke gevallen en</para>
      <para>dat het verschil in behandeling niet een overduidelijke onevenredigheid</para>
      <para>oplevert.</para>
      <para>5.9.1. Niettemin is enige twijfel wel op zijn plaats, want het verschil</para>
      <para>tussen het vakantiegeld van belanghebbende en de vakantiebonnen van de</para>
      <para>bouwvakker&amp;lt;(18) Ik noem hier de bouwvakker als pars pro toto; vakantiebonnen e.d. worden ook</para>
      <para>in delen van de metaalsector en in de agrarische sector verstrekt.</para>
      <para>&amp;gt; is in economisch opzicht&amp;lt;(19) Niet in juridisch opzicht, maar dat hoop ik in het voorgaande duidelijk te</para>
      <para>hebben gemaakt.</para>
      <para>&amp;gt; wel erg klein en de fiscale</para>
      <para>bevoordeling van de bouwvakker is bepaald niet verwaarloosbaar.</para>
      <para>5.9.2. Al in 1965 is kritiek geleverd op de regelgeving betreffende de</para>
      <para>waardering van vakantiebonnen. C.P.A. Bakker heeft gesproken van een</para>
      <para>fiscaal privilege (§ 2.4 en § 2.5). De Commissie-Oort heeft in 1986</para>
      <para>voorgesteld de waardering op te trekken naar 100 percent (§ 2.7), met</para>
      <para>welk voorstel de Regering aanvankelijk instemde (§ 2.8 en § 2.10).</para>
      <para>Niettemin is de wetgever niet verder gegaan dan het optrekken van het</para>
      <para>waarderingspercentage van 60 tot 75. In feite is daarmee een bestaande</para>
      <para>ongelijkheid gehandhaafd. Immers, de stelling is gerechtvaardigd dat de</para>
      <para>verhoging van het waarderingspercentage van 60 tot 75 de compensatie</para>
      <para>betekent van het</para>
      <para>effect dat is ontstaan door het opstellen van de speciale</para>
      <para>loonbelastingtabellen voor genieters van vakantiebonnen. Zulks valt</para>
      <para>onder meer af te leiden uit de brief van 5 juli 1988 van de Stichting</para>
      <para>van de Arbeid waarin geopteerd wordt voor een verhoging van het</para>
      <para>belastbaarheidspercentage tot een zodanig niveau dat de relatieve</para>
      <para>inkomenspositie van de betreffende werknemers geen wijziging ondergaat</para>
      <para>(§ 2.13), uit de Memorie van Antwoord waarin is aangegeven dat de</para>
      <para>waardering op 75 percent nog uitsluitend berust op het met de Stichting</para>
      <para>van de Arbeid bereikte uitgangspunt over het voorkomen van extra</para>
      <para>loonkosten en inkomenseffecten in die sector (§ 2.15) en uit de MvT bij</para>
      <para>het wetsvoorstel aanpassing loon- en inkomstenbelasting 1997 waarin</para>
      <para>wordt aangegeven dat voor een lager waarderingspercentage geen</para>
      <para>aanleiding meer bestaat sinds de invoering van de Oort-wetgeving</para>
      <para>(§ 2.23).</para>
      <para>5.9.3. Daarom wil ik thans bezien of er, veronderstellenderwijs ervan</para>
      <para>uitgaande dat vakantiegeld en vakantiebonnen wel als gelijke gevallen</para>
      <para>hebben te gelden, voor het verschil in fiscale behandeling een</para>
      <para>objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.</para>
      <para>5.9.4. Hoewel vanuit de SER daartegen bezwaar was gemaakt (§ 2.9),</para>
      <para>heeft de Regering aanvankelijk het Oort-voorstel overgenomen (§ 2.8 en</para>
      <para>§ 2.10). De Raad van State signaleerde echter dat voor het totale</para>
      <para>pakket aan Oort-voorstellen een onvoldoende maatschappelijk draagvlak&amp;lt;(20) Weliswaar ging het daarbij vooral om de overhevelingstoeslag - in de stukken</para>
      <para>brutering genoemd - maar ook tegen andere onderdelen van de plannen bestond</para>
      <para>bezwaar.</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>dreigde en adviseerde de Regering alsnog overleg te voeren met de</para>
      <para>sociale partners (§ 2.11). Dit overleg, waarvan de brief vermeld in</para>
      <para>§ 2.12, melding maakt, heeft ertoe geleid dat de waardering van</para>
      <para>vakantiebonnen niet is uitgekomen op 100 maar op 75 percent van de</para>
      <para>nominale waarde; dat blijkt duidelijk uit de Nota van Wijziging</para>
      <para>(§ 2.14).</para>
      <para>5.9.5. Er zijn twee redenen aan te geven voor de lagere waardering. Ten</para>
      <para>eerste was sprake van een door de Stichting gepresenteerd totaal pakket</para>
      <para>aan maatregelen op grond waarvan de sociale partners akkoord konden</para>
      <para>gaan met het wetsvoorstel Oort I. In feite ging het om een package-deal</para>
      <para>tussen Regering en sociale partners. De tweede reden was dat de</para>
      <para>inkomenseffecten en de effecten op de loonkosten in de bedrijfstakken</para>
      <para>waarin met vakantiebonnen werd gewerkt, gelijk moesten zijn aan die</para>
      <para>effecten in andere bedrijfstakken.</para>
      <para>5.9.6. Er was de Regering - terecht - veel aan gelegen Oort zonder al</para>
      <para>te veel sociaal-economische strubbelingen binnen te halen. Dat eiste</para>
      <para>een offer. Dat offer is - anders dan</para>
      <para>belanghebbende kennelijk meent - niet alleen gebracht door de</para>
      <para>vakantiegeldgenietende werknemers, maar door alle belastingplichtigen</para>
      <para>die immers steeds hun gehele inkomen voor de volle 100 percent belast</para>
      <para>zien. Zo hier al een rechtstekort is ontstaan, wordt dit ruimschoots</para>
      <para>gecompenseerd door de voordelen die daar voor de Nederlandse</para>
      <para>samenleving als geheel tegenover staan. De belastingwetgeving is hier</para>
      <para>ingezet als sociaal-economisch instrument. Dat is niets bijzonders,</para>
      <para>want het gebeurde altijd al en het zal ook steeds blijven gebeuren. Met</para>
      <para>de fiscaal-juridische weegschaal van de rechter valt deze gang van</para>
      <para>zaken niet goed te beoordelen. Hier moet de wetgever de nodige ruimte</para>
      <para>worden gelaten. Mogelijk moet een afweging anders uitpakken indien de</para>
      <para>Regering op louter politieke gronden een wetsvoorstel binnenhaalt door</para>
      <para>te buigen voor de volstrekt ongerechtvaardigde wensen van een</para>
      <para>pressiegroep. Maar van een dergelijke situatie is in het onderhavige</para>
      <para>geval geen sprake, te meer niet nu ook de Raad van State op overleg en</para>
      <para>consensus met de sociale partners heeft aangedrongen.</para>
      <para>5.9.7. Intussen mag niet uit het oog worden verloren - het is dunkt mij</para>
      <para>van wezenlijk belang - dat de wetgever niet van plan was om het in 1990</para>
      <para>gecontinueerde verschil immer te laten voortduren. In de Nota naar</para>
      <para>aanleiding van het eindverslag is aangegeven dat het de bedoeling was</para>
      <para>die ongelijkheid in fasen op te heffen (§ 2.16). Gelet op de in § 2.27</para>
      <para>vermelde wetgeving en het in § 2.28 genoemde Besluit van de</para>
      <para>Staatssecretaris is het duidelijk dat aan deze opheffing in fasen</para>
      <para>uitvoering wordt gegeven. Weliswaar kan een aanzienlijk tijdsverloop</para>
      <para>geconstateerd worden tussen de aanvankelijk gedachte datum van de</para>
      <para>eerste stap en de werkelijke datum, maar in een oude en gevoelige</para>
      <para>aangelegenheid als deze is de nodige voorzichtigheid geboden. Het</para>
      <para>bereiken van consensus is immers een groot goed.</para>
      <para>5.9.8. Het geheel overziend meen ik dat het alleszins begrijpelijk is -</para>
      <para>en gelet op het succesvolle Nederlandse poldermodel zelfs geboden - dat</para>
      <para>voor de Oortwetgeving met name bij de sociale partners draagvlak werd</para>
      <para>gezocht. Aangezien dezen aanvankelijk niet konden instemmen met het</para>
      <para>wetsvoorstel, is de Regering vervolgens met de Stichting van de Arbeid</para>
      <para>een package-deal overeengekomen, dat de wetgever heeft overgenomen.</para>
      <para>Daardoor was wel sprake van het ook door de Raad van State gewenste</para>
      <para>maatschappelijk draagvlak. Voeg daarbij het dreigende en ongewenste</para>
      <para>gevolg van een plotselinge verandering in de al vele jaren bestaande</para>
      <para>loonstructuur van vakantiebongerechtigden, met alle gevolgen van</para>
      <para>looneisen en loonkostenstijging van dien, en een objectieve en</para>
      <para>redelijke rechtvaardiging voor het vooralsnog niet ingrijpen van de</para>
      <para>wetgever op het aangegeven gebied is voorhanden. De in § 5.5, sub c,</para>
      <para>gesteld vraag moet dus bevestigend worden beantwoord.</para>
      <para>5.10.1. Hoewel ik meen dat te dezen van een verboden ongelijke</para>
      <para>behandeling (discriminatie) geen sprake is, wil ik ten slotte aandacht</para>
      <para>besteden aan de vraag wie, zo wel van discriminatie moet worden</para>
      <para>gesproken, voor rechtsherstel moet zorg dragen. Art. 2, lid 3, aanhef</para>
      <para>en onderdeel c, IVPBR verplicht immers dat iedere Staat die partij is</para>
      <para>bij dit Verdrag zich verbindt te verzekeren dat de bevoegde</para>
      <para>autoriteiten daadwerkelijk rechtsherstel verlenen, in geval het beroep</para>
      <para>gegrond wordt verklaard.</para>
      <para>5.10.2. In zijn conclusie voor HR 17 augustus 1998, nr. 33.078, V-N</para>
      <para>1998/40.6 (grijskenteken) heeft mijn ambtgenoot Van den Berge daarover</para>
      <para>het volgende opgemerkt:</para>
      <para>"6.2. Soms kan de rechter dat 'daadwerkelijke rechtsherstel' zelf</para>
      <para>verlenen door een bepaling die een schending van het discriminatieverbod</para>
      <para>inhoudt buiten toepassing te laten of 'verdragsconform' uit te leggen.</para>
      <para>De mogelijkheden daartoe hangen af van de aard van de desbetreffende re</para>
      <para>gelgeving. Met name als het gaat om discriminerende bevoordelingen zijn</para>
      <para>de mogelijkheden voor de rechter om de klager 'rechtsherstel' te</para>
      <para>verlenen, beperkt. De rechter zou de regeling dan moeten uitbreiden tot</para>
      <para>naastliggende gevallen, maar een echt fiscaal privilege laat zich zó</para>
      <para>moeilijk herstellen. Zo zou de rechter bij voorbeeld een vrijstelling</para>
      <para>van motorrijtuigenbelasting voor alle inwoners van 's-Gravenhage niet</para>
      <para>kunnen omzetten in een vrijstelling voor alle in Nederland wonende</para>
      <para>houders van motorrijtuigen. Dat is juridisch-technisch niet toelaatbaar</para>
      <para>omdat dan de strekking van de regeling volledig zou veranderen (zoals</para>
      <para>men ook een plus niet kan omzetten in een min en ook een zgn.</para>
      <para>destructief amendement op een wetsontwerp niet is toegelaten). Ook maat</para>
      <para>schappelijk gezien is die vorm van herstel gelet op de</para>
      <para>disproportionaliteit niet aanvaardbaar. "Daadwerkelijk rechtsherstel'</para>
      <para>kan dan alleen door de wetgever worden verleend, namelijk door</para>
      <para>intrekking van dat privilege.</para>
      <para>6.3. (?).</para>
      <para>6.4. Ook als een uitbreiding van een privilege tot andere</para>
      <para>belastingplichtigen technisch mogelijk is, zal moeten worden bezien of</para>
      <para>die vorm van rechtsherstel wel moet worden gekozen. Allerlei factoren</para>
      <para>zullen bij de afweging die dan moet plaatsvinden een rol dienen te</para>
      <para>spelen: de aard en omvang van het privilege, de consequenties van een</para>
      <para>veralgemening en - anderzijds - ook het nadeel van een beslissing om</para>
      <para>reparatie aan de wetgever over te laten, namelijk dat de betrokkene met</para>
      <para>lege handen wordt heengezonden. De keuze zal afhangen van de</para>
      <para>omstandigheden van het concrete geval. Wel ligt het voor de hand dat de</para>
      <para>feitelijke correctie van het onrecht, als de consequenties van een</para>
      <para>uitbreiding van een privilege moeilijk zijn te overzien, aan de wetgever</para>
      <para>wordt overgelaten. De wetgever heeft nu eenmaal meer mogelijkheden om</para>
      <para>een regeling te treffen die is afgestemd op de feiten zoals die zich in</para>
      <para>de meerderheid van de gevallen zullen voordoen, dan de rechter."</para>
      <para>5.10.3. Vervanging van het door collega Van den Berge gegeven voorbeeld</para>
      <para>over de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting door onze casus doet</para>
      <para>aanstonds inzien dat uitbreiding van het "privilege van de bouwvakker"</para>
      <para>tot alle vakantiegeldgenietende werknemers in Nederland</para>
      <para>disproportioneel, ja zelfs absurd is. Ik zie ook niet in dat het</para>
      <para>rechtvaardig zou zijn dat het vakantiegeld van al die werknemers nu</para>
      <para>plotsklaps voor slechts 75 percent in de heffing van loon- en</para>
      <para>inkomstenbelasting zou moeten worden betrokken. Er zijn ongeveer 5</para>
      <para>miljoen vakantiegeldgenietende werknemers in Nederland. Van hen hebben</para>
      <para>ongeveer 330.000 werknemers recht op vakantiebonnen; dat is 6,6</para>
      <para>percent. Zou die overige 94,6 percent van de werknemers nu ook fiscaal</para>
      <para>geprivilegieerd worden, dan zou dat de Staat - dat zijn alle</para>
      <para>belastingbetalers tezamen - vele miljarden guldens gaan kosten. Is dat</para>
      <para>rechtvaardig? Dan toch wordt het hoogste recht tot het hoogste onrecht.</para>
      <para>5.11. De middelen III, IV en V stuiten op het voorgaande af.</para>
      <para>6. Conclusie</para>
      <para>Ik concludeer tot verwerping van het beroep.</para>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der</para>
      <para>Nederlanden</para>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>