<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA2739</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T04:11:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA2739</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-04-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">33359</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA2739" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2739</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:61&amp;g=1999-04-21">Algemene wet bestuursrecht 8:61</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:64&amp;g=1999-04-21">Algemene wet bestuursrecht 8:64</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001830&amp;artikel=71&amp;g=1999-04-21">Wet op de rechterlijke organisatie 71</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 1999/623</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 1999/232</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/288</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1999/562, 1</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1999/35.6</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2739">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2739</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:45:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2739 Parket bij de Hoge Raad , 21-04-1999 / 33359</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2739:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2739:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 33.359                            Mr Ilsink</para>
      <para>Derde Kamer B                         Conclusie inzake:</para>
      <para>Onroerende zaakbelasting 1994         X</para>
      <para>tegen</para>
      <para>Parket, 4 november 1998               Het College van burgemeester</para>
      <para>en wethouders van de</para>
      <para>gemeente Bloemendaal</para>
      <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
      <para>1. Inleiding</para>
      <para>1.1. Dit op het oog eenvoudige waardegeschil zou mij geen</para>
      <para>aanleiding hebben gegeven tot het nemen van een conclusie als er</para>
      <para>niet op enig moment een procesrechtelijke complicatie was</para>
      <para>opgetreden. Wat is het geval? Het Gerechtshof te Amsterdam</para>
      <para>(hierna: het Hof) heeft aan deze enkelvoudig ingedeelde zaak twee</para>
      <para>zittingen gewijd, waarbij de eerste mondelinge behandeling door</para>
      <para>een andere rechter werd gedaan dan de tweede. Vragen die dan</para>
      <para>rijzen zijn of de tweede rechter eigenlijk wel weet wat zich op de</para>
      <para>eerste zitting heeft afgespeeld, en zo ja, hoe hij dan aan die</para>
      <para>wetenschap komt, en zo neen, of hij dan niet het onderzoek ter</para>
      <para>terechtzitting (de mondelinge behandeling dus) opnieuw moet doen</para>
      <para>aanvangen. Anders gesteld is de vraag op welke wijze gewaarborgd</para>
      <para>is dat hetgeen door partijen op de eerste zitting is aangevoerd</para>
      <para>ook werkelijk bij de totstandkoming van de uitspraak door de</para>
      <para>tweede rechter wordt meegewogen. Hier is het beginsel van een</para>
      <para>behoorlijke procesorde in het geding en in dat licht wil ik mijn</para>
      <para>conclusie stellen.</para>
      <para>1.2. Bij het bestuderen van het dossier stuitte ik nog op enkele</para>
      <para>andere procesrechtelijke kwesties die deels met het zojuist</para>
      <para>geschetste probleem samenhangen. In de uitspraak waarvan cassatie</para>
      <para>staat dat belanghebbende op de eerste zitting een pleitnota heeft</para>
      <para>voorgedragen en overgelegd. Deze pleitnota trof ik echter niet aan</para>
      <para>bij de stukken. Evenmin trof ik in het dossier aan dat wat</para>
      <para>gemeenlijk wordt genoemd de correspondentie tussen Hof en</para>
      <para>partijen; ik doel hier op oproepingen, verzoeken om uitstel e.d.</para>
      <para>Met de gewaardeerde medewerking van de coördinerend vice-president</para>
      <para>van de belastingsector van het Hof, mr. H. Smit, heb ik het</para>
      <para>dossier kunnen completeren. Ik heb van de gelegenheid gebruik</para>
      <para>gemaakt nog enige aanvullende informatie te verkrijgen over de</para>
      <para>vorming en bezetting van de belastingkamers van het Hof. De aldus</para>
      <para>verzamelde stukken voeg ik bij deze conclusie. Allicht ten</para>
      <para>overvloede moge ik Uw Raad erop wijzen dat deze stukken</para>
      <para>&amp;lt;</para>
      <para>?</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>vertrouwelijke informatie bevatten, die niets met de onderhavige</para>
      <para>zaak heeft te maken en die dus bij toezending van deze conclusie</para>
      <para>aan partijen - en eventueel te zijner tijd aan de</para>
      <para>publiciteitsmedia - moet worden verwijderd.</para>
      <para>1.3. Aldus voeg ik de volgende stukken bij.</para>
      <para>1.3.1. Een geleidebrief van 19 februari 1998 van de</para>
      <para>Belastinggriffie van het Hof met - zoals in die brief staat -</para>
      <para>"pleitnota inzake X". Het gaat hier om een handgeschreven stuk van</para>
      <para>vijf bladzijden, waarop niet staat van wie het afkomstig is en ook</para>
      <para>niet wanneer het in het geding is gebracht&amp;lt;(1) Niettemin ga ik ervan uit dat het hier inderdaad de tijdens de eerste</para>
      <para>mondelinge behandeling van de zaak door belanghebbende voorgedragen</para>
      <para>pleitnotities betreffen.</para>
      <para>&amp;gt;. Voorts vermeldt de</para>
      <para>brief: "De pleitnota van de inspecteur van de zitting van 7-11-</para>
      <para>1996 is niet in het dossier te vinden&amp;lt;(2) Ik ga ervan uit dat die pleitnota zich al in het door het Hof aan Uw</para>
      <para>Raad gezonden dossier bevindt; ik doel hier op het als 7 genummerde stuk</para>
      <para>d.d. 15 augustus 1996 van de hand van makelaar A, welk stuk - naar ik</para>
      <para>moet aannemen - tijdens de tweede mondelinge behandeling van de zaak</para>
      <para>namens het College is voorgedragen. Net als voor de pleitnotities van</para>
      <para>belanghebbende geldt ook voor de pleitnota van het College dat de</para>
      <para>griffier ten onrechte heeft nagelaten daarop aan te tekenen wie het stuk</para>
      <para>wanneer heeft geproduceerd.</para>
      <para>&amp;gt;".</para>
      <para>1.3.2. Een namens mij geschreven brief van 18 maart 1998, waarin</para>
      <para>mr. Smit nadere inlichtingen worden gevraagd.</para>
      <para>1.3.3. Een namens mr. Smit geschreven brief van 28 april 1998,</para>
      <para>waarin de gevraagde inlichtingen worden verstrekt. De brief luidt</para>
      <para>als volgt:</para>
      <para>"1. De eerste behandeling vond plaats op 5 maart 1996 door</para>
      <para>Groeneveld die van 1 september 1996 tot 1 september 1997 niet bij</para>
      <para>ons hof werkzaam was. Na de schriftelijke behandeling is de zaak</para>
      <para>daarom door mr Holdert op 7 november 1996 behandeld en op 18 april</para>
      <para>1997 afgedaan. Mr Holdert heeft de zaak vermoedelijk bij</para>
      <para>ontstentenis van mr Groeneveld met toepassing van art. 4, lid 4</para>
      <para>WARB verwezen naar de enkelvoudige kamer, echter zonder dit in de</para>
      <para>uitspraak te vermelden of elders vast te leggen. Ook was denkbaar</para>
      <para>geweest dat hij de zaak als plv. lid van de 7e enkelvoudige kamer</para>
      <para>zou hebben behandeld. Wat precies is beoogd valt niet meer na te</para>
      <para>gaan zodat van de eerste genoemde mogelijkheid moet worden</para>
      <para>uitgegaan.</para>
      <para>Mr Holdert heeft slechts kennis genomen van de gedingstukken en de</para>
      <para>ter eerste zitting overgelegde pleitnota.</para>
      <para>2. Bij besluit van de collegevergadering wordt telkenjare de</para>
      <para>samenstelling van de meervoudige belastingkamers vastgesteld. Dit</para>
      <para>geschiedt op voorstel van het Dagelijks Bestuur en na een interne</para>
      <para>consultatieronde; in feite is daardoor sprake van een hamerstuk.</para>
      <para>In de notulen van de vergadering wordt slechts vastgelegd dat het</para>
      <para>voorstel inzake de kamerindeling is aangenomen.</para>
      <para>In de betreffende periode was mr Holdert voorzitter van de vierde</para>
      <para>meervoudige kamer en mr Groeneveld oudste raadsheer van die kamer.</para>
      <para>3. Aldus staat telkenjare vast welke leden van het college in de</para>
      <para>belastingsector werkzaam zijn. Al deze leden zijn tevens lid van</para>
      <para>een enkelvoudige belastingkamer. De vraag wie lid van welke</para>
      <para>enkelvoudige kamer is is de laatste jaren bij besluit van de vier</para>
      <para>voorzitters van de meervoudige kamers, na overleg met de leden van</para>
      <para>hun kamer, beantwoord. Dit besluit is vastgelegd in de notulen van</para>
      <para>de vergadering van deze voorzitters. Daarbij is aanvankelijk de</para>
      <para>regel toegepast dat de voorzitters geen eigen enkelvoudige kamer</para>
      <para>hebben, zodat de oudste raadsheer van de eerste meervoudige kamer</para>
      <para>lid van de eerste enkelvoudige kamer was en het oudste lid van de</para>
      <para>vierde meervoudige kamer lid van de zevende enkelvoudige kamer</para>
      <para>(Groeneveld). De voorzitter van de eerste meervoudige kamer was</para>
      <para>plaatsvervangend lid van de eerste enkelvoudige kamer en de</para>
      <para>voorzitter van de vierde meervoudige kamer (Holdert)</para>
      <para>plaatsvervangend lid van de zevende enkelvoudige kamer (Groene</para>
      <para>veld).</para>
      <para>Vervolgens is besloten en door de sectorvergadering goed gekeurd</para>
      <para>dat vanaf 1 september 1996 ook de voorzitters een "eigen"</para>
      <para>enkelvoudige kamer zouden krijgen. Daardoor wordt de voorzitter</para>
      <para>van de eerste meervoudige kamer lid van de eerste enkelvoudige</para>
      <para>kamer en de voorzitter van de vierde meervoudige kamer lid van de</para>
      <para>tiende enkelvoudige kamer (Holdert). (?).</para>
      <para>4. Aangenomen is steeds dat de hiervoor beschreven werkwijze</para>
      <para>medebrengt dat de enkelvoudige kamers bij besluit van het</para>
      <para>gerechtshof zijn samengesteld.</para>
      <para>5. Voor zover bekend worden besluiten over de samenstelling van</para>
      <para>kamers niet gepubliceerd.</para>
      <para>Desgevraagd worden daaromtrent wel inlichtingen verschaft.</para>
      <para>Publicatie vindt kennelijk op grond daarvan plaats in de Agenda</para>
      <para>voor de fiscale practijk van Kluwer.</para>
      <para>De laatste jaren is dit niet steeds foutloos geschied, mede als</para>
      <para>gevolg van onvoldoende duidelijke communicatie. (?)."</para>
      <para>Bij de brief zijn drie bijlagen gevoegd:</para>
      <para>1. een verslag van de vergadering van de belastingsector van 9 mei</para>
      <para>1996;</para>
      <para>2. een verslag van het voorzittersoverleg van de belastingsector</para>
      <para>van 19 juni 1996; en</para>
      <para>3. een verslag van het voorzittersoverleg van de belastingkamer van</para>
      <para>11 september 1997.</para>
      <para>1.3.4. Een geleidebrief van 28 april 1998 van de Belastinggriffie</para>
      <para>van het Hof, waarbij nog 17 stukken zijn toegezonden. Het gaat</para>
      <para>hier om - wat ik hiervoor noemde - de correspondentie tussen Hof</para>
      <para>en partijen. Deze bestaat uit:</para>
      <para>4. een kopie van de kennisgeving van 29 december 1995 aan partijen</para>
      <para>"dat de mondelinge behandeling van [het] beroep zal plaatsvinden</para>
      <para>op dinsdag 30 januari 1996 te 11.20 uur voor de 7e enkelvoudige</para>
      <para>belastingkamer (?)";</para>
      <para>5. een faxbericht van belanghebbende van 10 januari 1996 met een</para>
      <para>verzoek om uitstel;</para>
      <para>6. een bericht aan de gemeente van 11 januari 1996 dat de</para>
      <para>mondelinge behandeling is uitgesteld;</para>
      <para>7. eenzelfde bericht aan belanghebbende;</para>
      <para>8. een kopie van de kennisgeving van 8 februari 1996 aan partijen</para>
      <para>"dat de mondelinge behandeling van [het] beroep zal plaatsvinden</para>
      <para>op dinsdag 5 maart 1996 te 10.00 uur voor de 7e enkelvoudige</para>
      <para>belastingkamer (?)";</para>
      <para>9. een geleidebrief van 21 maart 1996 aan het College van B&amp;W</para>
      <para>waarbij afschriften van producties van belanghebbende worden</para>
      <para>toegezonden;</para>
      <para>10. een zogenoemde art. 16 Wet ARB-brief van 16 april 1996 aan het</para>
      <para>College van B&amp;W;</para>
      <para>11. eenzelfde brief aan belanghebbende;</para>
      <para>12. andermaal een art. 16 Wet ARB-brief van 23 april 1996 aan</para>
      <para>belanghebbende;</para>
      <para>13. een geleidebrief van 13 mei 1996 aan belanghebbende, waarbij</para>
      <para>enige stukken worden toegezonden;</para>
      <para>14. een kopie van de kennisgeving van 13 mei 1996 aan partijen "dat</para>
      <para>de mondelinge behandeling van [het] beroep zal plaatsvinden op</para>
      <para>maandag 3 juni 1996 te 10.50 uur voor de 7e enkelvoudige</para>
      <para>belastingkamer (?)";</para>
      <para>15. een bericht van 14 mei 1996 aan de gemeente dat de mondelinge</para>
      <para>behandeling is uitgesteld;</para>
      <para>16. eenzelfde bericht aan belanghebbende;</para>
      <para>17. een kopie van de kennisgeving van 22 juli 1996 aan partijen</para>
      <para>"dat de mondelinge behandeling van [het] beroep zal plaatsvinden</para>
      <para>op maandag 19 augustus 1996 te 10.50 uur voor de 7e enkelvoudige</para>
      <para>belastingkamer (?)";</para>
      <para>18. een bericht van 15 augustus 1996 aan de gemeente dat de</para>
      <para>mondelinge behandeling is uitgesteld;</para>
      <para>19. eenzelfde bericht aan belanghebbende;</para>
      <para>20. een kopie van de kennisgeving van 10 oktober 1996 aan partijen</para>
      <para>"dat de mondelinge behandeling van [het] beroep zal plaatsvinden</para>
      <para>op donderdag 7 november 1996 te 10.10 uur voor de 10e</para>
      <para>enkelvoudige belastingkamer (?)".</para>
      <para>1.3.5. Een namens mr. Smit geschreven brief (met één bijlage) ter</para>
      <para>completering van de verstrekte inlichtingen. Het gaat hier om een</para>
      <para>besluit betreffende de samenstelling van de enkelvoudige</para>
      <para>belastingkamers van het Hof per 1 september 1996 met enkele nadien</para>
      <para>aangebrachte mutaties.</para>
      <para>2. Procesverloop</para>
      <para>2.1. Aan belanghebbende zijn door het College van burgemeester en</para>
      <para>wethouders&amp;lt;(3) De op 1 januari 1994 in werking getreden Gemeentewet spreekt in art.</para>
      <para>231, tweede lid, aanhef en onderdeel b - anders dan voordien de</para>
      <para>gemeentewet in art. 281, tweede lid, aanhef en onderdeel b - over het</para>
      <para>college van burgemeester en wethouders; allicht sluit ik mij daarbij aan.</para>
      <para>&amp;gt; van de gemeente Bloemendaal (hierna: het College) over</para>
      <para>het jaar 1994 aanslagen in de gemeentelijke onroerende</para>
      <para>zaakbelastingen (gedagtekend 16 maart 1994) opgelegd naar een</para>
      <para>heffingsgrondslag van ƒ 750.000 ter zake van het genot krachtens</para>
      <para>zakelijk recht en het feitelijk gebruik van de onroerende zaak,</para>
      <para>plaatselijk bekend a-straat 1 te Z.</para>
      <para>2.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. Bij</para>
      <para>uitspraak, gedagtekend 24 februari 1995, heeft het College het</para>
      <para>bezwaarschrift ongegrond verklaard.</para>
      <para>2.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak bij het Hof beroep</para>
      <para>ingesteld. Het Hof heeft bij mondelinge uitspraak van 21 november</para>
      <para>1996 die uitspraak bevestigd. De mondelinge uitspraak is na een</para>
      <para>verzoek van belanghebbende vervangen door de schriftelijke</para>
      <para>uitspraak van 18 april 1997.</para>
      <para>2.4. In die uitspraak is omtrent de gehouden zittingen vermeld:</para>
      <para>"Ter zitting van 5 maart 1996&amp;lt;(4) Het betreft hier een zitting van de zevende enkelvoudige belastingkamer,</para>
      <para>met als rechter mr. Groeneveld.</para>
      <para>&amp;gt; zijn verschenen belanghebbende en de</para>
      <para>inspecteur&amp;lt;(5) Tot de stukken van het geding behoort een machtiging van het College.</para>
      <para>Daarin worden B, medewerker van de sector Financiën en Boekhouding van de</para>
      <para>bestuursdienst van de gemeente en A taxateur in dienst van C b.v. te Q</para>
      <para>gemachtigd de gemeente (kennelijk is bedoeld: het College) te</para>
      <para>vertegenwoordigen bij de behandeling van beroepen tegen de door de</para>
      <para>gemeente (lees weer: het College) opgelegde aanslagen. Gemachtigde B</para>
      <para>wordt door het Hof om voor mij niet geheel te doorgronden redenen in de</para>
      <para>uitspraak aangeduid als "de inspecteur".</para>
      <para>&amp;gt;, tot bijstand vergezeld van A, taxateur onroerende</para>
      <para>zaken.</para>
      <para>Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd,</para>
      <para>waarvan de inhoud als hier ingelast wordt beschouwd. De inspecteur</para>
      <para>heeft kennis kunnen nemen van en kunnen reageren op de door</para>
      <para>belanghebbende ter zitting overgelegde stukken.</para>
      <para>Na de zitting heeft een briefwisseling tussen Hof en partijen</para>
      <para>plaatsgehad ten aanzien waarvan het bepaalde in de artikelen 14 en</para>
      <para>16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken</para>
      <para>toepassing heeft gevonden.</para>
      <para>Ter zitting van 7 november 1996&amp;lt;(6) Het betreft hier een zitting van de tiende enkelvoudige belastingkamer,</para>
      <para>met als rechter mr. Holdert.</para>
      <para>&amp;gt; zijn verschenen belanghebbende en</para>
      <para>de inspecteur, tot bijstand vergezeld van voornoemde taxateur. De</para>
      <para>namens de inspecteur voorgedragen en overgelegde pleitnota wordt</para>
      <para>tot de gedingstukken gerekend."</para>
      <para>2.5. Van de schriftelijke uitspraak heeft belanghebbende tijdig en</para>
      <para>regelmatig beroep in cassatie ingesteld. Het College heeft een</para>
      <para>vertoogschrift ingediend.</para>
      <para>3. Vorming en bezetting van belastingkamers; regelgeving Hof</para>
      <para>Amsterdam</para>
      <para>3.1. Art. 71 van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna:</para>
      <para>Wet RO) luidt sinds 1 juli 1992&amp;lt;(7) Zie de wet van 3 juni 1992 (Stb. 278), in werking getreden op 1 juli</para>
      <para>1992 ingevolge KB van 17 juni 1992 (Stb. 299).</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"1. Voor het behandelen en beslissen van belastingzaken vormen</para>
      <para>bezetten de gerechtshoven op voorstel van de president</para>
      <para>enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van</para>
      <para>belastingkamers. De meervoudige kamers bestaan uit drie</para>
      <para>raadsheren.</para>
      <para>2. Belastingzaken worden behandeld en beslist door een</para>
      <para>enkelvoudige kamer, behoudens in de wet genoemde uitzonderingen.</para>
      <para>3. (?)."</para>
      <para>3.2. In de MvT&amp;lt;(8) Kamerstukken II 1990/91, nr. 21 967, nr. 3.</para>
      <para>&amp;gt; op het ontwerp van die bepaling is vermeld:</para>
      <para>"(blz. 14) Bij de rechterlijke colleges worden met het oog</para>
      <para>interne werkverdeling de werkzaamheden verdeeld over kamers, die</para>
      <para>enkel- of meervoudig kunnen zijn. In de vorming en de personele</para>
      <para>bezetting van meervoudige burgerlijke en strafkamers zijn de</para>
      <para>colleges vrij. Voor de enkelvoudige en de bijzondere meervoudige</para>
      <para>kamers&amp;lt;(9) Daartoe behoren ook de belastingkamers.</para>
      <para>&amp;gt; bevat de huidige wetgeving echter beperkende voorschriften.</para>
      <para>Deze betreffen het aantal kamers bij een rechterlijk college, de</para>
      <para>aanwijzing van de leden en de plaatsvervangende leden en het</para>
      <para>tijdvak waarvoor de kamer wordt ingesteld of de leden worden</para>
      <para>aangewezen. (?).</para>
      <para>Uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat de rechterlijke colleges</para>
      <para>de vorming en de personele bezetting van de kamers binnen de</para>
      <para>wettelijke grenzen zelf kunnen bepalen. De gekozen werkverdeling</para>
      <para>moet krachtens het bestaande artikel 90 van Reglement I worden</para>
      <para>opgenomen in een reglement van orde. De nu nog geldende regeling</para>
      <para>op grond waarvan een rechter tevoren voor een vaste periode als</para>
      <para>lid van een bepaalde kamer wordt aangewezen, is in het</para>
      <para>wetsvoorstel vervangen door een systeem waarin al naar gelang de</para>
      <para>behoefte elk lid van het college kan worden ingezet bij de</para>
      <para>werkzaamheden van in beginsel iedere kamer. In de nieuwe opzet is</para>
      <para>het dus niet meer nodig voor iedere kamer een reeks</para>
      <para>plaatsvervangende leden aan te wijzen. In plaats daarvan kunnen</para>
      <para>rechters elkaar over en weer vervangen uitsluitend op grond van</para>
      <para>afspraken tussen het college en de betrokken rechterlijke</para>
      <para>ambtenaar over de kamers waarin hij zitting zal hebben en over de</para>
      <para>periode waarvoor dat zal gelden. Het wetsvoorstel kent aan de</para>
      <para>president van het college de bevoegdheid toe voorstellen te doen</para>
      <para>voor de vorming en de personele bezetting van kamers. Op die wijze</para>
      <para>kan alert worden gereageerd op wijzigingen in het aanbod van</para>
      <para>zaken, op veranderingen in de personeelssamenstelling en andere</para>
      <para>ontwikkelingen. De uiteindelijke beslissing wordt genomen door het</para>
      <para>college als geheel. (?).</para>
      <para>(blz. 17) Deze wijzigingen betreffen de uitwerking van het in het</para>
      <para>algemeen deel uiteengezette systeem volgens hetwelk de</para>
      <para>rechterlijke colleges bevoegd worden gemaakt om de vorming en</para>
      <para>bezetting van hun kamers zelf te bepalen. Er is gestreefd naar een</para>
      <para>zoveel mogelijke uniforme terminologie."</para>
      <para>3.3. Art. 90 van Reglement I luidt&amp;lt;(10) Sinds 1 juli 1992 ingevolge KB van 24 juni 1992 (Stb. 330).</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"1. De verdeling van de werkzaamheden onder de kamers</para>
      <para>onderscheidenlijk de kantonrechters, en al het overige wat de orde</para>
      <para>van de inwendige dienst betreft, worden door het gerechtshof, de</para>
      <para>rechtbank of het kantongerecht vastgesteld bij een reglement van</para>
      <para>orde.</para>
      <para>2. Het reglement van orde wordt bekendgemaakt in de</para>
      <para>Staatscourant."</para>
      <para>3.4. Op 3 december 1993 heeft de algemene vergadering van het Hof</para>
      <para>het Reglement van orde van het gerechtshof te Amsterdam</para>
      <para>vastgesteld. Dit Reglement is gepubliceerd in de Staatscourant van</para>
      <para>3 januari 1994&amp;lt;(11) Ik moet ervan uitgaan dat dit Reglement nog gold in de periode waarin de</para>
      <para>onderhavige zaak werd berecht, aangezien onderzoek in de Staatscourant</para>
      <para>verder niets opleverde. Desgevraagd is mij namens het secretariaat van de</para>
      <para>president van het Hof meegedeeld dat er inderdaad geen ander of gewijzigd</para>
      <para>reglement is. Opvallend is dat het Hof volgens het Reglement acht</para>
      <para>enkelvoudige belastingkamers (genummerd één tot en met acht) zou hebben,</para>
      <para>terwijl de onderhavige uitspraak door de tiende - dus niet-bestaande -</para>
      <para>enkelvoudige belastingkamer is gedaan. Blijkens de website van het Hof</para>
      <para>zijn er thans zelfs veertien enkelvoudige belastingkamers.</para>
      <para>&amp;gt;. Voor zover thans van belang luidt het Reglement</para>
      <para>als volgt:</para>
      <para>"Artikel 1</para>
      <para>Het gerechtshof te Amsterdam is samengesteld uit vier sectoren (?)</para>
      <para>de Belastingsector - vier meervoudige en acht enkelvoudige</para>
      <para>belastingkamers.</para>
      <para>Artikel 2</para>
      <para>Voor zover niet bij of ingevolge de Wet anders is bepaald,</para>
      <para>behandelen:</para>
      <para>a. (?);</para>
      <para>f. de eerste, tweede, derde en vierde meervoudige belastingkamer,</para>
      <para>alsmede de eerste, tweede ,derde, vierde, vijfde, zesde, zevende</para>
      <para>en achtste enkelvoudige belastingkamer de belastingzaken op de</para>
      <para>wijze als bij de Wet geregeld.</para>
      <para>Artikel 3</para>
      <para>(?).</para>
      <para>Artikel 7</para>
      <para>Dit reglement treedt in werking op 1 januari 1994."</para>
      <para>3.5. Ik vestig de aandacht erop dat - blijkens de zojuist</para>
      <para>geciteerde memorie van toelichting - thans het systeem geldt</para>
      <para>waarin al naar gelang de behoefte elk lid van een rechterlijk</para>
      <para>college kan worden ingezet bij de werkzaamheden van in beginsel</para>
      <para>iedere kamer. Rechters kunnen elkaar over en weer vervangen</para>
      <para>uitsluitend op grond van interne afspraken. Regelgeving is</para>
      <para>daarvoor niet nodig, evenmin als publicatie.</para>
      <para>4. Vervanging en verwijzing; schorsing behandeling</para>
      <para>4.1. In de regel zal de rechter (zullen de rechters) die aan de</para>
      <para>behandeling van een zaak is (zijn) begonnen, deze ook voltooien</para>
      <para>met een uitspraak. Soms loopt het echter anders en wordt een zaak</para>
      <para>- in enig stadium van het geding - verwezen naar een andere kamer</para>
      <para>of worden één of meer rechters vervangen door één of meer andere</para>
      <para>rechters. Voorts gebeurt het dat de behandeling van een zaak wordt</para>
      <para>geschorst voor nader (feiten)onderzoek. En ook komt een combinatie</para>
      <para>van deze procesrechtelijke incidenten voor. Complicerend kan dan</para>
      <para>nog zijn dat partijen in verschillende stadia van het proces erin</para>
      <para>toestemmen of berusten dat de zaak zonder (verdere) mondelinge</para>
      <para>behandeling wordt afgedaan.</para>
      <para>4.2. De hier van belang zijnde bepalingen in de Wet</para>
      <para>administratieve rechtspraak belastingzaken (hierna: Wet ARB)</para>
      <para>luiden:</para>
      <para>"Artikel 3</para>
      <para>Het gerechtshof beslist, behoudens het bepaalde in de artikelen 4</para>
      <para>en 25, in enkelvoudige kamers."</para>
      <para>"Artikel 4</para>
      <para>1. (?).</para>
      <para>4. De voorzitter is bevoegd een reeds door een enkelvoudige kamer</para>
      <para>in behandeling genomen zaak op voordracht van die kamer te</para>
      <para>verwijzen naar een andere enkelvoudige kamer.</para>
      <para>5. Een enkelvoudige kamer kan een zaak in iedere stand van het</para>
      <para>geding naar een meervoudige kamer verwijzen."</para>
      <para>"Artikel</para>
      <para>Nadat de schrifturen gewisseld zijn (?) wijst de voorzitter de</para>
      <para>kamer aan, welke de zaak zal behandelen."</para>
      <para>"Artikel</para>
      <para>1. De kamer welke de zaak zal behandelen, stelt - behoudens in</para>
      <para>geval van toepassing van artikel 11b - zo spoedig mogelijk dag en</para>
      <para>uur van de mondelinge behandeling vast.</para>
      <para>2. (?).</para>
      <para>4. Wordt een zaak naar een andere kamer verwezen, dan is het</para>
      <para>bepaalde in het eerste tot en met derde lid weder van toepassing."</para>
      <para>"Artikel 11b</para>
      <para>De kamer, welke de zaak zal behandelen, kan met schriftelijke</para>
      <para>toestemming van de belanghebbende en de in artikel 8 bedoelde</para>
      <para>ambtenaar zonder mondelinge behandeling uitspraak doen."</para>
      <para>"Artikel</para>
      <para>Bij toepassing van het bepaalde in lid 4 of lid 5 van artikel 4</para>
      <para>wordt zo spoedig mogelijk dag en uur voor de verdere behandeling</para>
      <para>van de zaak vastgesteld."</para>
      <para>"Artikel</para>
      <para>1. Het gerechtshof is bevoegd om, alvorens uitspraak te doen:</para>
      <para>1°. (?);</para>
      <para>2°. schriftelijk inlichtingen in te winnen bij partijen (?).</para>
      <para>2. Indien een van de partijen verzoekt dat van enige mondelinge</para>
      <para>verklaring proces-verbaal zal worden opgemaakt, wordt daaraan,</para>
      <para>voorzover de verklaring redelijke grenzen niet overschrijdt,</para>
      <para>zoveel mogelijk voldaan. De griffier leest daartoe de door hem</para>
      <para>gehouden aantekening voor; acht een van de partijen de verklaring</para>
      <para>niet voldoende weergegeven, dan beslist het gerechtshof."</para>
      <para>"Artikel</para>
      <para>Indien het gerechtshof heeft gebruik gemaakt van de bevoegdheid,</para>
      <para>bedoeld bij artikel 14, eerste lid, sub 2° (?) worden partijen,</para>
      <para>nadat zij van elkaars schrifturen hebben kunnen kennis nemen,</para>
      <para>opnieuw in de gelegenheid gesteld haar standpunt mondeling toe te</para>
      <para>lichten, mits zij zulks schriftelijk hebben verzocht binnen vijf</para>
      <para>dagen of binnen een door het gerechtshof vastgestelde, voor beiden</para>
      <para>gelijke langere termijn. Artikel 11 vindt overeenkomstige</para>
      <para>toepassing."</para>
      <para>4.3. Duidelijk is dat de verwijzing en de schorsing wel zijn</para>
      <para>geregeld in de Wet ARB en de vervanging niet. Dat is ook niet</para>
      <para>nodig nu art. 71 Wet RO - ik wees daar in § 3.5 al op - de</para>
      <para>vervanging beschouwt als een vormvrije interne aangelegenheid van</para>
      <para>het betreffende rechterlijke college, te dezen dus het Hof.</para>
      <para>Daarover behoeft de Wet ARB dus niets te regelen.</para>
      <para>4.4. Met de verwijzing is dat anders; die is wel geregeld. De Wet</para>
      <para>ARB gaat - naar ik veronderstel&amp;lt;(12) De wetsgeschiedenis geeft hier geen uitsluitsel. De Wet op de Raden van</para>
      <para>Beroep kende in art. 13quater slechts één bepaling die beide varianten</para>
      <para>bestreek.</para>
      <para>&amp;gt; - uit van twee varianten: een zaak</para>
      <para>wordt verwezen naar een andere kamer nog voordat een mondelinge</para>
      <para>behandeling heeft plaatsgevonden - daarop ziet art. 11, vierde lid</para>
      <para>-  of verwijzing vindt plaats na de mondelinge behandeling en</para>
      <para>daarop ziet art. 12.</para>
      <para>4.5. De eerste variant doet zich in de praktijk wel voor maar de</para>
      <para>buitenwacht merkt er doorgaans niets van omdat dergelijke</para>
      <para>verwijzingen meestal ondershands gebeuren voordat een zaak is</para>
      <para>geappointeerd. Met enige regelmaat komt het voor dat een bij een</para>
      <para>bepaalde kamer ingedeelde zaak bij nader inzien aan een andere</para>
      <para>kamer wordt toegewezen, bijvoorbeeld omdat die kamer meer van</para>
      <para>dergelijke zaken blijkt te behandelen&amp;lt;(13) Vgl. Kamerstukken II, 1954/55, 3704, nr. 3, blz. 9 rk.</para>
      <para>&amp;gt; of omdat een rechter zich</para>
      <para>niet vrij voelt de hem toegedeelde zaak te berechten. In dat</para>
      <para>laatste geval kan hij natuurlijk op de voet van art. 5f en 5g Wet</para>
      <para>ARB verzoeken zich te mogen verschonen, maar dat is erg omslachtig</para>
      <para>en onpraktisch. Eenvoudiger is het daarom het dossier simpelweg</para>
      <para>van de ene plank naar de andere te laten verhuizen. Voor de</para>
      <para>procesgang maakt het allemaal niet veel uit, want art. 11 Wet ARB</para>
      <para>is - hoe dan ook - van toepassing.</para>
      <para>4.6.1. De tweede variant is van meer belang. Met enige regelmaat</para>
      <para>verwijst een enkelvoudige kamer een zaak na de mondelinge</para>
      <para>behandeling naar een meervoudige kamer en dan geldt art. 12 en</para>
      <para>niet art. 11, vierde lid, Wet ARB. Dat betekent dat de meervoudige</para>
      <para>kamer waarnaar de zaak is verwezen deze opnieuw op zitting moet</para>
      <para>brengen, ook als partijen het Hof hebben laten weten aan zo'n</para>
      <para>zitting geen behoefte te hebben. Dat blijkt uit HR 15 juli 1986,</para>
      <para>nr. 23 909, BNB 1986/266. Dat arrest betrof een geval waarin</para>
      <para>partijen weliswaar toestemming hadden verleend de zaak zonder</para>
      <para>mondelinge behandeling af te doen, maar de enkelvoudige kamer van</para>
      <para>het hof de zaak toch mondeling behandelde en deze daarna verwees</para>
      <para>naar de meervoudige kamer.</para>
      <para>4.6.2. Uw Raad overwoog:</para>
      <para>"4.1. Uit 's Hofs uitspraak blijkt dat de onderhavige zaak</para>
      <para>mondelinge behandeling in raadkamer van de Vijfde Enkelvoudige</para>
      <para>Kamer, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, lid 5, van de</para>
      <para>[Wet ARB], is verwezen naar de meervoudige kamer van het Hof.</para>
      <para>4.2. Nu artikel 12 van laatstgemelde wet voorschrijft dat alsdan</para>
      <para>zo spoedig mogelijk dag en uur voor de verdere behandeling van de</para>
      <para>zaak wordt vastgesteld en nu daarbij niet, zoals in artikel 11,</para>
      <para>lid 1, een uitzondering wordt gemaakt voor het geval partijen</para>
      <para>schriftelijk toestemming hebben verleend om zonder mondelinge</para>
      <para>behandeling uitspraak te doen, stond het aan het Hof niet vrij om</para>
      <para>- zoals het heeft gedaan - na de mondelinge behandeling door de</para>
      <para>Vijfde Enkelvoudige Kamer en na de daarop gevolgde verwijzing naar</para>
      <para>de meervoudige kamer uitspraak te doen zonder de partijen opnieuw</para>
      <para>te hebben opgeroepen voor de verdere behandeling van de zaak door</para>
      <para>die meervoudige kamer.</para>
      <para>4.3. De bepalingen van eerder vermelde wet betreffende de</para>
      <para>behandeling van de zaak in tegenwoordigheid van de partijen zijn</para>
      <para>van zo wezenlijk belang dat, nu ten gevolge van het niet naleven</para>
      <para>daarvan de partijen niet in de gelegenheid zijn geweest zich te</para>
      <para>doen horen ter zitting van het Hof in de samenstelling waarin de</para>
      <para>zaak is beslist, 's Hofs uitspraak moet worden vernietigd en</para>
      <para>verwijzing moet volgen."</para>
      <para>4.6.3. In de praktijk wordt een dergelijke kwestie doorgaans</para>
      <para>opgelost door partijen wel op te roepen voor een zitting, maar met</para>
      <para>hen af te spreken dat zij - zo zij nog steeds geen behoefte aan</para>
      <para>zulk een zitting hebben - niet zullen verschijnen, waarna het hof</para>
      <para>de zaak kan afdoen.</para>
      <para>4.7. Ik maak nu een uitstapje naar het burgerlijk procesrecht waar</para>
      <para>vergelijkbare problemen spelen. J.B.M. Vranken annoteerde onder HR</para>
      <para>24 oktober 1986, NJ 1987, 355:</para>
      <para>"(blz. 1292 lk) 4. Op een strafrechtelijke leest geschoeid is het</para>
      <para>voorschrift van art. 47 RMT, inhoudende dat de samenstelling van</para>
      <para>het college van de eerste behandeling ter terechtzitting af tot de</para>
      <para>beslissing dezelfde blijft. Vgl. voor het strafrecht art. 322 Sv&amp;lt;(14) Art. 322 Sv luidt:</para>
      <para>"1. Onverminderd (?) wordt in alle gevallen waarin de schorsing van het</para>
      <para>onderzoek is bevolen, het onderzoek op de nadere terechtzitting hervat in</para>
      <para>de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing bevond.</para>
      <para>2. De rechtbank is ook bij toepassing van het eerste lid bevoegd te bevelen</para>
      <para>dat het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen.</para>
      <para>3. (?)."</para>
      <para>&amp;gt;</para>
      <para>en HR 12 april 1983, NJ 1983, 602; HR 30 okt. 1984, NJ 1985, 316.</para>
      <para>De sanctie is nietigheid. Beide bepalingen gelden voor het</para>
      <para>onderzoek ter terechtzitting, niet voor het voorbereidende</para>
      <para>onderzoek.</para>
      <para>In het civiele recht ligt het anders, althans blijkens HR 5</para>
      <para>april 1963, NJ 1963, 338 en HR 29 juni 1979, NJ 1979, 525. In deze</para>
      <para>uitspraken wordt een beslissing in dezelfde samenstelling als ten</para>
      <para>tijde van de mondelinge behandeling en pleidooi weliswaar</para>
      <para>wenselijk geoordeeld, maar niet verplicht voorgeschreven. In beide</para>
      <para>gevallen betrof het een beslissing door een meervoudige kamer. Ten</para>
      <para>aanzien van enkelvoudige rechtspraak zou ik anders verdedigen.</para>
      <para>Unus iudex-rechtspraak is kennelijk, gelet op de huidige</para>
      <para>overbelasting, onvermijdelijk. De kwaliteit van de rechtspraak</para>
      <para>hoeft hiermee geen gelijke tred te houden. Wanneer dan ook nog een</para>
      <para>andere rechter dan degene die de mondelinge behandeling heeft</para>
      <para>gedaan, de beslissing mag nemen, is wat mij betreft de grens</para>
      <para>overschreden."</para>
      <para>4.8. A-G Koopmans betoogde in zijn conclusie voor HR 6 maart 1992,</para>
      <para>NJ 1993, 79:</para>
      <para>"(blz. 230 lk) 9. Indien de Hoge Raad mij niet volgt en tot</para>
      <para>vernietiging van de beschikking van de rechtbank overgaat,</para>
      <para>zal verwijzing moeten volgen. De rechtbank heeft nl. slechts</para>
      <para>een appelgrief onderzocht; er waren nog twee andere, waarvan</para>
      <para>een gegrond was op de omstandigheid dat de kantonrechter die</para>
      <para>de beschikking gaf niet dezelfde kantonrechter was als die</para>
      <para>partijen had gehoord. Er is een goede kans dat deze grief</para>
      <para>doel zou treffen, nu men er volgens de jurisprudentie van</para>
      <para>moet uitgaan dat bij rekestprocedures "zoveel mogelijk",</para>
      <para>"als regel" dezelfde rechters die partijen hebben gehoord ook de</para>
      <para>beschikking moeten geven: HR 5 april 1963, NJ 1963, 338, HR 29</para>
      <para>juni 1979, NJ 1979, 525. Het betrof in beide gevallen collegiale</para>
      <para>rechtspraak. Voor unus-iudex-rechtspraak is te verdedigen dat de</para>
      <para>rechter die de mondelinge behandeling heeft gedaan altijd degene</para>
      <para>moet zijn die de beslissing neemt; zie ook de annotatie van</para>
      <para>Vranken bij HR 24 okt. 1986, NJ 1987, 355."</para>
      <para>4.9. H.J. Snijders annoteerde onder NJ 1993, 79:</para>
      <para>"(blz. 232) 2. Personele eenheid van behandeling en uitspraak</para>
      <para>a. Van algemeen belang is stellig ook het niet door de Hoge</para>
      <para>Raad behandelde gezichtspunt van A-G Koopmans, dat in geval van</para>
      <para>een mondelinge behandeling door een unus iudex, de beslissing</para>
      <para>altijd door dezelfde rechter moet worden gegeven. Idem - nog wat</para>
      <para>pertinenter - (?) Vranken in NJ 1987, 355. Naar Duits recht zouden</para>
      <para>zij zich hebben kunnen beroepen op "Der Grundsatz der</para>
      <para>Unmittelbarkeit", welk beginsel voorziet in personele eenheid van</para>
      <para>behandeling en uitspraak. Een van de uitwerkingen van dit beginsel</para>
      <para>vormt Par. 309 ZPO: "Das Urteil kann nur von denjenigen Richtern</para>
      <para>gefällt werden, welche der dem Urteil zugrunde liegenden</para>
      <para>Verhandlung beigewohnt haben".</para>
      <para>b. Het voordeel van de personele eenheid is bij unus-</para>
      <para>behandeling en -uitspraak zo evident dat het geen nader betoog</para>
      <para>behoeft. Ik sluit mij dan ook bij Koopmans en Vranken aan, zij het</para>
      <para>slechts in zoverre dat er wel heel goede gronden in de betrokken</para>
      <para>beschikking vermeld moeten zijn, wil men kunnen instemmen met</para>
      <para>uitspraak door een andere unus dan degene die de mondelinge</para>
      <para>behandeling heeft gedaan. Vgl. ook art. 212&amp;lt;(15) Art 212 Rv luidt:</para>
      <para>"1. De rechters, voor wie het getuigenverhoor heeft plaatsgehad, zullen</para>
      <para>zoveel als mogelijk is, medewerken tot de einduitspraak in de zaak waarin</para>
      <para>het verhoor is gehouden.</para>
      <para>2. Van de afwijking van deze regel en de oorzaak daarvan wordt in de</para>
      <para>uitspraak melding gemaakt. De noodzakelijkheid der afwijking wordt</para>
      <para>uitsluitend door het college dat haar toepast beoordeeld, zonder dat</para>
      <para>daartegen enige voorziening openstaat."</para>
      <para>&amp;gt;(jo. art. 97) voor het</para>
      <para>getuigenverhoor en vonnis in de dagvaardingsprocedure. Verder zou</para>
      <para>ik niet willen gaan. Het zou immers niet in het belang van</para>
      <para>partijen zijn om bij langdurige absentie van een (kanton)rechter</para>
      <para>de behandeling geheel te herhalen dan wel de uitspraak maar tijden</para>
      <para>lang uit te stellen en dat zou toch één van de praktische</para>
      <para>consequenties zijn van onverkorte toepassing van de leer</para>
      <para>Vranken/Koopmans."</para>
      <para>4.10.1. HR 31 oktober 1984, nr. 8, NJ 1985/578, na conclusie van</para>
      <para>A-G Van Soest, ging over tussentijdse wijzigingen in de</para>
      <para>samenstelling van de Ondernemingskamer, zulks in het licht van</para>
      <para>art. 203 Rv, de voorganger van art. 212 Rv.</para>
      <para>4.10.2. Mijn ambtgenoot betoogde:</para>
      <para>"(blz. 1881 lk) Een uitdrukkelijk verbod de samenstelling van een</para>
      <para>kamer te wijzigen kent de wet slechts in art. 203 Rv, te weten</para>
      <para>voor een uitspraak na getuigenverhoor (vgl. ook art. 21 lid 5</para>
      <para>Beroepswet, dat bij wijziging van de samenstelling een nieuwe</para>
      <para>behandeling voorschrijft). HR 27 okt. 1905, W 8287, laat de</para>
      <para>toetsing van de regels van art. 203 Rv echter over aan het college</para>
      <para>zelf: de wijziging en de vereiste rechtvaardiging daarvan in de</para>
      <para>uitspraak worden in hoger beroep niet getoetst.</para>
      <para>HR 8 okt. 1928, NJ 1929, 83, leest het verbod voor de</para>
      <para>strafprocedure in art. 350 Sv, dat de Rb. voorschrijft te</para>
      <para>beraadslagen "naar aanleiding van het verzoek</para>
      <para>terechtzitting", en hier (art. 358 lid 5 Sv) "op straffe van</para>
      <para>nietigheid" (?).</para>
      <para>HR 11 juni 1974, NJ 1974, 482, grondt het verbod op straffe</para>
      <para>van nietigheid voor de uitleveringsprocedure op "de eisen van een</para>
      <para>behoorlijke procedure".</para>
      <para>HR 11 maart 1964, NJ 1964, 182, m.nt. N.J. Polak, overwoog,</para>
      <para>"dat het belang, dat de in art. 37 Onteigeningswet voorgeschreven</para>
      <para>terechtzitting voor het onteigeningsgeding heeft, vereist dat het</para>
      <para>eindvonnis wordt gewezen door de rechters die op deze zitting, met</para>
      <para>name ook bij de aldaar gehouden pleidooien, aanwezig zijn geweest"</para>
      <para>en vernietigde op die grond het bestreden vonnis. De toenmalige A-</para>
      <para>G Bakhoven had hetzelfde in meer algemene zin verdedigd met het</para>
      <para>oog op het in art. 45 lid 2 Rv bedoelde "bepleiten der zaak".</para>
      <para>HR 5 april 1963, NJ 1963, 338, overwoog evenwel, "dat de wet</para>
      <para>geen voorschrift kent hetwelk verbiedt, dat in een</para>
      <para>requestprocedure als de onderhavige [noot: Het betrof een</para>
      <para>voogdijwijziging] een rechter die een verhoor in raadkamer niet</para>
      <para>heeft bijgewoond medewerkt aan de uitspraak over een zaak, waarin</para>
      <para>dit verhoor is gehouden; ... dat wel de eisen ener behoorlijke</para>
      <para>procesvoering zullen meebrengen dat ook in zodanige</para>
      <para>requestprocedure zoveel mogelijk slechts de rechters die zelf aan</para>
      <para>de verhoren welke aan de uitspraak voorafgingen, hebben</para>
      <para>deelgenomen, aan de beslissing zullen medewerken; dat het echter</para>
      <para>ter beoordeling staat van het college zelf dat met de berechting</para>
      <para>van de zaak is belast of er in het gegeven geval grond aanwezig is</para>
      <para>om van dit beginsel af te wijken" (?).</para>
      <para>Naar het mij voorkomt, is in deze problematiek niet alleen</para>
      <para>bepalend, hoe strikt de wetgever de procedure geregeld heeft, maar</para>
      <para>mede het - mogelijkerwijs met de tijd evoluerende - inzicht in de</para>
      <para>formalisering of deformalisering van het recht. Mij dunkt de in</para>
      <para>art. 203 Rv neergelegde gedachte wel aere perennius: het is een</para>
      <para>beginsel van een goede procesorde, dat de rechters die in een zaak</para>
      <para>de pp. en/of haar raadslieden, getuigen en/of deskundigen hebben</para>
      <para>gehoord, ook de beslissing nemen; maar dit beginsel wijkt voor</para>
      <para>overmacht. Of er overmacht is, kunnen de pp. en de hogere rechter</para>
      <para>alleen beoordelen, indien het college daarvan in zijn beslissing</para>
      <para>rekenschap geeft.</para>
      <para>Wat er nu zij van de jurisprudentie die zelfs voor geval die</para>
      <para>rekenschap uitdrukkelijk is voorgeschreven (art. 203 lid 2 le</para>
      <para>volzin Rv), afziet van toetsing door de hogere rechter, mij komt</para>
      <para>het te formalistisch voor de rekenschap ook te eisen, waar de wet</para>
      <para>haar niet voorschrijft. Ik meen dus, dat het in het onderhavige</para>
      <para>geval te veel gevergd is te verlangen dat het arrest de grond voor</para>
      <para>de vervanging van een c.q. drie der leden zou vermelden."</para>
      <para>4.10.3. Uw Raad overwoog:</para>
      <para>"5.1. (?).</para>
      <para>Dit onderdeel klaagt erover dat de Ondernemingskamer bij het</para>
      <para>wijzen van haar tussenarrest, bij het verhoor van de accountant en</para>
      <para>bij het wijzen van het eindarrest telkens anders was samengesteld.</para>
      <para>Voor zover de klacht betrekking heeft op de wijziging in</para>
      <para>samenstelling tussen het wijzen van het tussenarrest en het</para>
      <para>verhoor van de accountant, faalt zij reeds omdat het tussenarrest</para>
      <para>slechts voorbereidende maatregelen ter instructie van de zaak</para>
      <para>inhield.</para>
      <para>Naar aanleiding van de wijziging in samenstelling -</para>
      <para>vervanging van de voorzitter door een lid dat het verhoor van de</para>
      <para>accountant niet had bijgewoond - welke na het verhoor plaatshad</para>
      <para>moet worden vooropgesteld dat, gelet op het belang van dat verhoor</para>
      <para>voor een juiste oordeelsvorming door de Ondernemingskamer, de</para>
      <para>eisen van een goede procesorde meebrengen dat in beginsel de leden</para>
      <para>die zelf het verhoor van de accountant hebben bijgewoond behoren</para>
      <para>mede te werken aan de beslissing. Dit beginsel lijdt slechts</para>
      <para>uitzondering indien vervanging van een lid onvermijdelijk is dan</para>
      <para>wel door gewichtige redenen wordt gerechtvaardigd. Nu echter de</para>
      <para>wet te dezen geen aanwijzingen geeft, moet het ervoor worden</para>
      <para>gehouden dat de Ondernemingskamer zelf heeft te beoordelen of zich</para>
      <para>een zodanige uitzondering voordoet en dat zij in haar beslissing</para>
      <para>daarvan geen rekenschap behoeft te geven."</para>
      <para>4.11.1. HR 26 januari 1996, nr. 15.711, NJ 1996, 360, na conclusie</para>
      <para>van A-G De Vries Lentsch-Kostense, betrof ook een geval waarin de</para>
      <para>samenstelling van het hof na enquête was gewijzigd.</para>
      <para>4.11.2. Collega De Vries Lentsch betoogde:</para>
      <para>"20. Middelonderdeel 9 constateert dat uit 's Hofs eindarrest</para>
      <para>blijkt dat de raadsheer voor wie het getuigenverhoor heeft</para>
      <para>plaatsgehad, niet heeft meegewerkt aan de einduitspraak. Betoogd</para>
      <para>wordt dat het Hof ten onrechte - in strijd met het bepaalde in</para>
      <para>art. 212 Rv. - noch van de afwijking van deze regel noch van de</para>
      <para>oorzaak daarvan in de uitspraak melding heeft gemaakt.</para>
      <para>21. Het eerste lid van art 212 Rv. bepaalt dat de rechter</para>
      <para>voor wie het getuigenverhoor plaatsvindt "zoveel mogelijk'</para>
      <para>meewerkt aan de einduitspraak. Uit de zinswending "zoveel</para>
      <para>mogelijk" blijkt reeds dat niet dwingend is voorgeschreven dat</para>
      <para>bedoelde rechter ook aan de einduitspraak meewerkt; art. 212 Rv.</para>
      <para>spoort daartoe slechts aan waarbij het kennelijk aan het beleid</para>
      <para>van het betrokken college is overgelaten uit te maken onder welke</para>
      <para>omstandigheden een lid voor wie de getuigenverhoren plaatsvonden,</para>
      <para>in de onmogelijkheid verkeert aan de einduitspraak mee te werken.</para>
      <para>Dit blijkt ook uit het tweede lid van art. 212 Rv. waar enerzijds</para>
      <para>wordt bepaald dat in de uitspraak melding moet worden gemaakt van</para>
      <para>de afwijking van de regel van het eerste lid en van de oorzaak</para>
      <para>daarvan, doch waar anderzijds wordt bepaald dat de</para>
      <para>noodzakelijkheid der afwijking uitsluitend door het college dat</para>
      <para>haar toepast beoordeeld wordt zonder dat daartegen enige</para>
      <para>voorziening openstaat. In dit verband verdient voorts vermelding</para>
      <para>dat de bedoeling van het gebruik in art. 212 Rv. van de woorden</para>
      <para>"zoveel mogelijk" (art. 203 Rv., de voorganger van art. 212, gaf</para>
      <para>een vrijwel limitatieve opsomming van gevallen waarin afwijking</para>
      <para>van de "hoofdregel" gerechtvaardigd was) is om tegemoet te komen</para>
      <para>aan de organisatorische problemen die zijn gelegen in de</para>
      <para>wisselende samenstelling van de kamers waarin de rechterlijke</para>
      <para>colleges verdeeld zijn. (Zie de MvT, Vergaderjaar Tweede Kamer</para>
      <para>1969-1970, 10377, nr. 3. p.18-19.)</para>
      <para>Het komt mij voor dat het middelonderdeel op het</para>
      <para>bovenstaande reeds afstuit: in geval de noodzakelijkheid der wel</para>
      <para>in de uitspraak gemotiveerde afwijking uitsluitend ter beoordeling</para>
      <para>van de rechter staat, mist de klacht dat de afwijking niet is</para>
      <para>gemotiveerd naar het mij voorkomt belang. (?).</para>
      <para>Ik verwijs bovendien naar Uw arrest van 27 oktober 1905,</para>
      <para>W. 8287;</para>
      <para>met betrekking tot een onder vigeur van art. 203 Rv. gepleegd</para>
      <para>verzuim als door het onderhavige middelonderdeel bedoeld overwoog</para>
      <para>Uw Raad dat dit verzuim niet belangrijk genoeg is om, "waar</para>
      <para>wetgever geene straf van nietigheid bedreigd heeft", aan te nemen</para>
      <para>dat de betrokken uitspraak op die enkele grond nietig moet worden</para>
      <para>verklaard. De steller van het middel heeft aangevoerd dat het hier</para>
      <para>ging om een geval waarin aan de einduitspraak althans nog was</para>
      <para>deelgenomen door twee van de rechters voor wie de getuigenverhoren</para>
      <para>hadden plaatsgevonden. Hij verliest hier naar het mij voorkomt uit</para>
      <para>het oog dat deze uitspraak van Uw Raad art. 203 Rv. betrof, dat</para>
      <para>niet zoals art. 212 Rv. sprak van "zoveel mogelijk" doch dat een</para>
      <para>vrijwel limitatieve opsomming gaf van de gevallen waarin afwijking</para>
      <para>gerechtvaardigd was van de regel dat "regters die het</para>
      <para>getuigenverhoor niet hebben bijgewoond, niet mogen medewerken tot</para>
      <para>de uitspraak over de zaak waarin dat verhoor gehouden is".</para>
      <para>De steller van het middel heeft bovendien nog gewezen op de</para>
      <para>beschikkingen van Uw Raad waarin werd geoordeeld dat bij</para>
      <para>rekestprocedures de eisen van een behoorlijke procesorde zullen</para>
      <para>meebrengen dat "zoveel mogelijk" dan wel "als</para>
      <para>rechters die partijen hebben gehoord ook aan de beschikking zullen</para>
      <para>medewerken. Uw Raad overwoog in die beschikkingen echter tevens</para>
      <para>dat het ter beoordeling staat van het college zelf dat met de</para>
      <para>berechting van de zaak is belast of er in het gegeven geval grond</para>
      <para>aanwezig is van dit beginsel af te wijken, zodat geen</para>
      <para>vormvoorschrift is geschonden hetwelk op straffe van nietigheid</para>
      <para>zou moeten worden in acht genomen in geval aan de beschikking is</para>
      <para>medegewerkt door een rechter die niet aanwezig is geweest bij een</para>
      <para>der verhoren naar aanleiding waarvan de beschikking is gegeven.</para>
      <para>Zie Uw beschikkingen van 5 april 1963, NJ 1963, 338 en van 29 juni</para>
      <para>1979, NJ 1979, 525. Zie voorts met betrekking tot de vraag of bij</para>
      <para>unus-rechtspraak de rechter voor wie de mondelinge behandeling</para>
      <para>plaatsvond niet altijd degene moet zijn die de beslissing neemt:</para>
      <para>Vranken in zijn noot onder Uw beschikking van 24 oktober 1986, NJ</para>
      <para>1987, 355, mijn ambtgenoot Koopmans in zijn conclusie voor Uw</para>
      <para>beschikking van 6 maart 1992, NJ 993, 79 en Snijders in zijn noot</para>
      <para>onder deze beschikking."</para>
      <para>4.11.3. Uw Raad overwoog:</para>
      <para>"3.10. Onderdeel 9 bevat de klacht dat het Hof in strijd met het</para>
      <para>bepaalde in art. 212 lid 2 Rv. verzuimd heeft in zijn eindarrest</para>
      <para>melding te maken van het feit dat dit arrest niet werd meegewezen</para>
      <para>door de raadsheer voor wie het getuigenverhoor had plaatsgevonden</para>
      <para>en wat de oorzaak daarvan was. De aard van de voormelde bepaling</para>
      <para>brengt mee dat de daarin vervatte motiveringsplicht niet op</para>
      <para>straffe van nietigheid geldt. Een andere opvatting zou niet</para>
      <para>stroken met de daarin opgenomen tweede zin, inhoudende dat de</para>
      <para>noodzakelijkheid van de afwijking uitsluitend wordt beoordeeld</para>
      <para>door het college dat haar toepast, zonder dat daartegen enige</para>
      <para>voorziening openstaat."</para>
      <para>4.12.1. Ik keer weer terug naar het fiscale procesrecht.</para>
      <para>Meyjes/Van Soest/Van den Berge/Van Gelderen, Fiscaal</para>
      <para>procesrecht,vierde druk, blz. 188, schrijven:</para>
      <para>"In alle beschreven gevallen van onderbreking van de behandeling</para>
      <para>is het gewenst dat het hof de behandeling voortzet in dezelfde</para>
      <para>samenstelling, maar daartoe verplicht is het niet.[noot 155: Zie HR</para>
      <para>30 maart 1932, B.5191; HR 21 juni 1978, BNB 1978/227, met conclusie van A-G</para>
      <para>Van Soest. De stelling in de MvA betreffende de wijzigingswet van 13</para>
      <para>januari 1983, Stb. 52 (1981-1982, 17 379, nr. 6), blz. 4, vijfde alinea dat</para>
      <para>de beslissing moet worden genomen in dezelfde samenstelling, is iets te</para>
      <para>stellig.]"</para>
      <para>4.12.2. De passage uit de MvA waarop wordt gedoeld, luidt:</para>
      <para>"De beslissing van een meervoudige kamer zal door deze, zowel bij</para>
      <para>een schriftelijke als bij een mondelinge uitspraak, moeten worden</para>
      <para>genomen in dezelfde samenstelling als waarin zij over de zaak</para>
      <para>heeft gezeten. De mededeling van die beslissing kan bij een</para>
      <para>verdaagde mondelinge uitspraak echter ook geschieden door een</para>
      <para>andere of anders samengestelde kamer."</para>
      <para>4.13.1. HR 15 oktober 1997, nr. 32.656, BNB 1997/393, na conclusie</para>
      <para>van plv. P-G Van Soest, betrof het geval waarin de schriftelijke</para>
      <para>uitspraak in verband met langdurige ontstentenis van het lid van</para>
      <para>het hof, dat de mondelinge uitspraak had gedaan, is gewezen door</para>
      <para>een ander lid van het hof.</para>
      <para>4.13.2. Mijn ambtgenoot betoogde:</para>
      <para>"4. Ontstentenis van het lid van de enkelvoudige kamer dat</para>
      <para>mondeling uitspraak heeft gedaan</para>
      <para>4.1. Voor geval een lid van een enkelvoudige kamer schriftelijk</para>
      <para>uitspraak doet, regelt art. 17, lid 2, 2e volzin, Wet ARB de</para>
      <para>situatie dat het buiten staat is de uitspraak te ondertekenen:</para>
      <para>alsdan geschiedt de ondertekening door een plaatsvervanger.</para>
      <para>4.2. Naar het mij voorkomt, moet hier verondersteld zijn dat het</para>
      <para>gaat om een plaatsvervangend lid van dezelfde enkelvoudige kamer.</para>
      <para>Art. 71, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) maakt</para>
      <para>het evenwel mogelijk daartoe alsnog een raadsheer of raadsheer-</para>
      <para>plaatsvervanger als zodanig aan te wijzen.</para>
      <para>4.3. Voor geval een lid van een enkelvoudige kamer mondeling</para>
      <para>uitspraak doet en vervolgens buiten staat is het proces-verbaal</para>
      <para>daarvan te ondertekenen, voorziet de wet niet in de dan ontstane</para>
      <para>situatie.</para>
      <para>4.4. Het ligt voor de hand alsdan art. 17, lid 2, 2e volzin, Wet</para>
      <para>ARB naar analogie toe te passen.</para>
      <para>4.5. Voor geval een lid van een enkelvoudige kamer mondeling</para>
      <para>uitspraak heeft gedaan en vervolgens buiten staat is de mondelinge</para>
      <para>uitspraak door een schriftelijke te vervangen, voorziet de wet ook</para>
      <para>niet in de dan ontstane situatie.</para>
      <para>4.6. Het lijkt buiten kijf dat het gewenst is, en dan ook wel door</para>
      <para>de wetgever verondersteld zal zijn, dat de vervanging van een</para>
      <para>mondelinge uitspraak door een schriftelijke geschiedt door het lid</para>
      <para>van de enkelvoudige kamer dat de mondelinge uitspraak gedaan</para>
      <para>heeft, maar tot het onmogelijke is niemand gehouden.</para>
      <para>4.7. Men zou op het eerste gezicht van oordeel kunnen zijn dat</para>
      <para>alsdan de behandeling van de zaak terugkeert tot in het stadium</para>
      <para>waarin zij verkeerde voordat mondeling uitspraak werd gedaan, dat</para>
      <para>wil zeggen dat de mondelinge behandeling - afgezien van het geval</para>
      <para>dat de partijen en de enkelvoudige kamer daarvan reeds voordien</para>
      <para>hadden afgezien - weer open komt.</para>
      <para>4.8. Dit oordeel zou impliceren dat het nieuw optredende lid van</para>
      <para>de enkelvoudige kamer een andere uitspraak zou kunnen doen dan de</para>
      <para>mondelinge uitspraak die reeds gedaan is.</para>
      <para>4.9. Die consequentie zou in strijd komen met het wezen van de</para>
      <para>mondelinge uitspraak, te weten dat zij inhoudelijk een eind maakt</para>
      <para>aan het geding en in zoverre (behoudens de mogelijkheid van beroep</para>
      <para>in cassatie tegen de vervangende schriftelijke uitspraak)</para>
      <para>onherroepelijk is.</para>
      <para>4.10. Ik meen daarom dat ook in deze situatie art. 17, lid 2, 2e</para>
      <para>volzin, Wet ARB naar analogie toegepast moet worden.</para>
      <para>4.11. Derhalve zou de vervangende schriftelijke uitspraak gedaan</para>
      <para>moeten worden door een plaatsvervangend lid van de enkelvoudige</para>
      <para>kamer die de mondelinge uitspraak gedaan heeft.</para>
      <para>4.12. Dit plaatsvervangende lid zou zich alsdan genoodzaakt gezien</para>
      <para>hebben de vaststaande feiten en de standpunten van de partijen uit</para>
      <para>de stukken en uit aantekeningen van de griffier af te leiden. Zijn</para>
      <para>eigen waarneming zou daartoe geen dienst hebben kunnen doen. De</para>
      <para>ontstentenis van het lid dat de mondelinge uitspraak gedaan heeft,</para>
      <para>brengt nu eenmaal mee dat die eigen waarneming is komen te</para>
      <para>ontbreken.</para>
      <para>4.13. Als plaatsvervangend lid als zojuist onder 4.11-12 bedoeld,</para>
      <para>had in de thans aanhangige zaak mr Röben kunnen optreden. Als hij</para>
      <para>al geen plaatsvervangend lid van de tweede enkelvoudige</para>
      <para>belastingkamer was, dan had hij alsnog als zodanig aangewezen</para>
      <para>kunnen worden.</para>
      <para>4.14. Nu is het enige verschil tussen de schriftelijke uitspraak</para>
      <para>die ik mij in het voorgaande voor ogen stelde, en de schriftelijke</para>
      <para>uitspraak die daadwerkelijk gedaan is, dat mr Röben opgetreden is</para>
      <para>niet als plaatsvervangend lid van de tweede enkelvoudige</para>
      <para>belastingkamer, maar als lid van de vijfde enkelvoudige</para>
      <para>belastingkamer</para>
      <para>4.15. Indien dit verschil al aangemerkt zou kunnen worden als een</para>
      <para>vormverzuim, dan zou het toch niet van dien aard zijn dat daaruit</para>
      <para>nietigheid als bedoeld in art. 99, lid 1, onder 1, Wet RO,</para>
      <para>voortvloeit.</para>
      <para>4.13.3. Uw Raad zag kennelijk geen aanleiding voor cassatie op</para>
      <para>ambtshalve bijgebrachte gronden en ging niet in op de door collega</para>
      <para>Van Soest aangesneden kwestie.</para>
      <para>4.14.1. HR 29 augustus 1997, nr. 32.622, BNB 1997/333, betrof een</para>
      <para>geval waarin de mondelinge behandeling had plaatsgevonden ter</para>
      <para>zitting van de Tweede Enkelvoudige Kamer en partijen vervolgens</para>
      <para>desgevraagd ermee instemden dat de zaak, op basis van die</para>
      <para>mondelinge behandeling, in verband met ziekte van het lid van de</para>
      <para>Tweede Enkelvoudige Kamer zou worden afgedaan door de Eerste</para>
      <para>Enkelvoudige Kamer zonder nadere mondeling behandeling.</para>
      <para>4.14.2. Uw Raad overwoog:</para>
      <para>"3.3.2. Het middel stelt terecht voorop dat de eisen van een goede</para>
      <para>procesorde meebrengen dat in beginsel slechts de leden van een</para>
      <para>kamer, die zelf de zaak ter zitting hebben behandeld, medewerken</para>
      <para>aan de beslissing en dat dit beginsel slechts uitzondering leidt,</para>
      <para>indien vervanging van een lid onvermijdelijk is dan wel door</para>
      <para>gewichtige redenen wordt gerechtvaardigd. De toepassing van deze</para>
      <para>uitzonderingsregel is, anders dan het middel stelt, niet beperkt</para>
      <para>tot de vervanging van één of meer leden van een meervoudige kamer;</para>
      <para>zij is eveneens van toepassing in gevallen als het onderhavige. Of</para>
      <para>zich te dezen een uitzondering als vorenbedoeld heeft voorgedaan,</para>
      <para>was ter beoordeling van het Hof.</para>
      <para>3.4.1. Het middel betoogt voorts dat in een geval als het</para>
      <para>onderhavige, waarin het gaat om de vervanging van het lid van de</para>
      <para>ene enkelvoudige kamer door het lid van een andere enkelvoudige</para>
      <para>kamer, steeds een nieuwe mondelinge behandeling dient plaats te</para>
      <para>vinden. Het voert met betrekking tot het onderhavige geval aan:</para>
      <para>dat het lid van de enkelvoudige kamer dat thans over de zaak heeft</para>
      <para>geoordeeld, niet bij de mondelinge behandeling van 11 januari 1995</para>
      <para>aanwezig is geweest; dat van hetgeen zich ter zitting heeft</para>
      <para>voorgedaan, geen gedingstukken aanwezig zijn; dat de rechter voor</para>
      <para>de weergave van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, geen</para>
      <para>andere kenbron tot zijn beschikking heeft dan zijn eigen</para>
      <para>waarneming en deze waarneming te dezen heeft ontbroken; dat een en</para>
      <para>ander te meer klemt, nu in het onderhavige geval blijkens 's Hofs</para>
      <para>uitspraak bij de mondelinge behandeling nieuwe feitelijke gegevens</para>
      <para>zijn aangedragen, die een belangrijke rol hebben gespeeld bij de</para>
      <para>totstandkoming van het uiteindelijke oordeel van het Hof; dat aan</para>
      <para>het voorgaande niet afdoet dat partijen de Eerste Enkelvoudige</para>
      <para>Belastingkamer schriftelijk toestemming hebben verleend in de zaak</para>
      <para>zonder nadere mondelinge behandeling uitspraak te doen.</para>
      <para>3.4.2. Het Hof heeft kennelijk en terecht in het onderhavige</para>
      <para>geval, waarin partijen de gelegenheid is geboden tot een nieuwe</para>
      <para>mondelinge behandeling, het bepaalde in artikel 11, lid 4 van de</para>
      <para>Wet [ARB] van overeenkomstige toepassing geacht. Het Hof is</para>
      <para>daarbij terecht ervan uitgegaan dat ook het bepaalde in artikel</para>
      <para>11b van de Wet - te weten dat de kamer welke de zaak zal</para>
      <para>behandelen, met schriftelijke toestemming van de belanghebbende en</para>
      <para>van de in artikel 8 van de Wet bedoelde ambtenaar zonder</para>
      <para>mondelinge behandeling uitspraak kan doen - overeenkomstige</para>
      <para>toepassing kan vinden.</para>
      <para>Nu (?) partijen daarmee instemden, kon het Hof zonder</para>
      <para>schending van enige rechtsregel op grond van de inhoud van de</para>
      <para>gedingstukken uitspraak doen zonder dat voordien een nadere</para>
      <para>mondelinge behandeling had plaatsgevonden. De omstandigheid dat</para>
      <para>het lid van de Eerste Enkelvoudige Belastingkamer de mondelinge</para>
      <para>behandeling van de zaak (?) niet had bijgewoond en de</para>
      <para>omstandigheid dat van het ter zitting verklaarde niet een proces-</para>
      <para>verbaal als bedoeld in artikel 14 van de Wet is gemaakt, kunnen</para>
      <para>daaraan niet afdoen."</para>
      <para>4.14.3. In rov. 3.3.2 blijft Uw Raad geheel binnen de met NJ 1985,</para>
      <para>578, nog eens met zoveel woorden bevestigde grenzen, terwijl in</para>
      <para>rov. 3.4.2 in feite al de in casu te nemen beslissing besloten</para>
      <para>ligt. Ik kom daarop in § 5.8 terug.</para>
      <para>4.14.4. Ik kan BNB 1997/333 niet helemaal rijmen met BNB 1986/266.</para>
      <para>Dat laatste arrest betrof - ik herhaal het nog maar even - een</para>
      <para>verwijzing van een enkelvoudige naar een meervoudige kamer, nadat</para>
      <para>de enkelvoudige kamer de zaak mondeling had behandeld. Uw Raad</para>
      <para>achtte art. 12 Wet ARB van toepassing zodat de meervoudige kamer</para>
      <para>partijen voor een nieuwe mondelinge behandeling had dienen op te</para>
      <para>roepen. Naar ik veronderstel geldt dezelfde regel ook als een</para>
      <para>enkelvoudige kamer de zaak na de mondelinge behandeling verwijst</para>
      <para>naar een andere enkelvoudige kamer. In BNB 1997/333 ging het -</para>
      <para>naar Uw Raad oordeelde - niet om een verwijzing van de ene kamer</para>
      <para>naar een andere, maar om een vervanging van de ene rechter door</para>
      <para>een andere. Het hof had - naar Uw oordeel terecht - art. 11,</para>
      <para>vierde lid, Wet ARB van overeenkomstige toepassing geacht. Maar</para>
      <para>waarom zou art. 12 Wet ARB hier niet van overeenkomstige</para>
      <para>toepassing zijn? Gelet op BNB 1986/266 zou dat logisch zijn</para>
      <para>geweest. Want waarom bij verwijzing wel verplicht een nieuwe</para>
      <para>mondelinge behandeling en bij vervanging niet? In beide gevallen</para>
      <para>treden één of meer andere rechters op. Ik ben geneigd te</para>
      <para>veronderstellen dat Uw Raad de strenge regel van BNB 1986/266</para>
      <para>heeft willen verzachten. Als dat zo is, juich ik dat toe, ook al</para>
      <para>betekent dat wellicht dat art. 12 Wet ARB een dode letter is</para>
      <para>geworden. Erg is dat niet nu art. 11, vierde lid, Wet ARB hier</para>
      <para>voldoende soelaas biedt en art. 12 Wet ARB daarnaast eigenlijk</para>
      <para>overbodig is.</para>
      <para>4.15. Het fiscale bestuursprocesrecht vertoont grote verwantschap</para>
      <para>met het algemene bestuursprocesrecht en gaat binnenkort vrijwel</para>
      <para>geheel daarin op als hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>(hierna: Awb) ook van toepassing zal zijn in belastingzaken&amp;lt;(16) Zie wetsvoorstel nr. 25.175. In art. 27 van de Algemene wet inzake</para>
      <para>rijksbelastingen zal worden bepaald dat op het beroep in belastingzaken</para>
      <para>hoofdstuk 8 Awb - met enige thans niet van belang zijnde uitzonderingen -</para>
      <para>van overeenkomstige toepassing is.</para>
      <para>&amp;gt;.</para>
      <para>Procesrechtelijke incidenten als vervanging, verwijzing en</para>
      <para>schorsing komen natuurlijk ook in andere bestuursrechtelijke</para>
      <para>procedures voor. Wat de vervanging betreft wijs ik op art. 55c Wet</para>
      <para>RO, waarin voor de rechtbank hetzelfde wordt geregeld als in art.</para>
      <para>71 Wet RO voor het hof.</para>
      <para>4.16. Wat betreft de verwijzing en de schorsing zijn van belang de</para>
      <para>volgende bepalingen uit de Awb:</para>
      <para>Artikel 8:10</para>
      <para>"1. De zaken die bij een rechtbank aanhangig worden gemaakt,</para>
      <para>worden in behandeling genomen door een enkelvoudige kamer.</para>
      <para>2. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer</para>
      <para>ongeschikt is voor de behandeling door één rechter, verwijst zij</para>
      <para>deze naar een meervoudige kamer. De enkelvoudige kamer kan ook in</para>
      <para>andere gevallen een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen.</para>
      <para>3. Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer</para>
      <para>geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij</para>
      <para>deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.</para>
      <para>4. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een</para>
      <para>verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich</para>
      <para>bevindt."</para>
      <para>Artikel 8:56</para>
      <para>"Na afloop van het vooronderzoek worden partijen (?) uitgenodigd</para>
      <para>om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een</para>
      <para>zitting van de rechtbank te verschijnen."</para>
      <para>Artikel 8:57</para>
      <para>"Indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, kan</para>
      <para>rechtbank bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.</para>
      <para>In dat geval sluit de rechtbank het onderzoek."</para>
      <para>Artikel 8:61</para>
      <para>"1. (?).</para>
      <para>2. De griffier houdt aantekening van het verhandelde ter zitting.</para>
      <para>3. De griffier maakt een proces-verbaal op van de zitting, indien</para>
      <para>de rechtbank dit ambtshalve of op verzoek van een partij die</para>
      <para>daarbij belang heeft, bepaalt en indien hoger beroep wordt</para>
      <para>ingesteld.</para>
      <para>4. (?).</para>
      <para>5. Het houdt een vermelding in van hetgeen op de zitting met</para>
      <para>betrekking tot de zaak is voorgevallen.</para>
      <para>6. (?).</para>
      <para>7. Aan het proces-verbaal kunnen overgelegde pleitnotities worden</para>
      <para>gehecht.</para>
      <para>8. De rechtbank kan bepalen dat de verklaring van een partij (?)</para>
      <para>geheel in het proces-verbaal zal worden opgenomen. (?)."</para>
      <para>Artikel 8:64</para>
      <para>"1. De rechtbank kan het onderzoek ter zitting schorsen. Zij kan</para>
      <para>daarbij bepalen dat het vooronderzoek wordt hervat.</para>
      <para>2. Indien bij de schorsing geen tijdstip van de nadere zitting is</para>
      <para>bepaald, bepaalt de rechtbank dit zo spoedig mogelijk. De griffier</para>
      <para>doet zo spoedig mogelijk mededeling aan partijen van het tijdstip</para>
      <para>van de nadere zitting.</para>
      <para>3. In de gevallen waarin schorsing van het onderzoek ter zitting</para>
      <para>heeft plaatsgevonden, wordt de zaak op de nadere zitting hervat in</para>
      <para>de stand waarin zij zich bevond.</para>
      <para>4. De rechtbank kan bepalen dat het onderzoek ter zitting opnieuw</para>
      <para>wordt aangevangen.</para>
      <para>5. Indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, kan de</para>
      <para>rechtbank bepalen dat de nadere zitting achterwege blijft, In dat</para>
      <para>geval sluit de rechtbank het onderzoek."</para>
      <para>4.17. Over de gang van zaken na de schorsing zegt de MvT slechts&amp;lt;(17) Kamerstukken II, 1991/92, 22.495, nr. 3, blz. 139.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"Het onderzoek ter zitting wordt hervat in de stand waarin het</para>
      <para>zich op het tijdstip van de schorsing bevond. De rechtbank kan</para>
      <para>echter besluiten dat het onderzoek opnieuw wordt aangevangen."</para>
      <para>4.18. G.A.C.M. van Ballegooij schrijft&amp;lt;(18) Handboek Algemene wet bestuursrecht, Artikelsgewijs commentaar Art.</para>
      <para>8:64, blz. 2.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"De wet regelt niet dat aan de nadere zitting dezelfde rechters</para>
      <para>deel moeten nemen. Dit is echter gewenst ter waarborging van de</para>
      <para>continuïteit (vergelijk ook art. 21, vierde lid, [oud]</para>
      <para>Beroepswet).</para>
      <para>Na schorsing zal doorgaans het onderzoek ter zitting hervat worden</para>
      <para>in de stand waarin het zich bevond (derde lid). Dit is echter niet</para>
      <para>steeds opportuun. Hangende de schorsing kan het nader onderzoek</para>
      <para>informatie opleveren die de zaak in een geheel ander daglicht</para>
      <para>plaatst. Het vierde lid bepaalt dat de rechtbank dan kan beslissen</para>
      <para>het onderzoek ter zitting opnieuw te laten aanvangen."</para>
      <para>4.19. A.E. Schilder betoogt&amp;lt;(19) Rechtsbescherming: bestuursrechtspraak en bestuursprocesrecht, Mon. Awb</para>
      <para>A3b (Kleijn/Schilder), blz. 65.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>Na afloop van de schorsing wordt de zaak op de nadere zitting</para>
      <para>hervat in de stand waarin zij zich bevond (derde lid). Niet altijd</para>
      <para>zal dit echter mogelijk of wenselijk zijn; de rechtbank kan ook</para>
      <para>bepalen dat het onderzoek ter zitting opnieuw wordt aangevangen</para>
      <para>(vierde lid). Of er tussentijds veranderingen toegestaan zijn in</para>
      <para>de samenstelling van de kamer, vermeldt de wet niet. Soms zal het</para>
      <para>rooster van de rechtbank de noodzaak daarvan wel met zich mee</para>
      <para>brengen, maar indien mogelijk verdient eenzelfde samenstelling</para>
      <para>vanuit oogpunt van continuïteit onzes inziens wel de voorkeur.</para>
      <para>[noot: Oude proceswetten zoals art. 21, vierde lid, van de Beroepswet</para>
      <para>bevatten wel een regeling. Deze bepaling luidde: 'In hetzelfde twistgeding</para>
      <para>blijft de behandeling ter terechtzitting en de beraadslaging en beslissing</para>
      <para>in raadkamer en de samenstelling van de raad van beroep zoveel mogelijk</para>
      <para>onveranderd'."</para>
      <para>4.20. D. Allewijn betoogt&amp;lt;(20) Bestuursprocesrecht, B3.6.6.9 (Allewijn), § 6.9. Zie ook M. Schreuder-</para>
      <para>Vlasblom, de Algemene wet bestuursrecht, het bestuursprocesrecht, blz.</para>
      <para>145, en A.Q.C. Tak in Commentaar Algemene wet bestuursrecht, Art. 8:64,</para>
      <para>aant. 4.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"Bij de schorsing wordt de verdere gang van zaken doorgaans met</para>
      <para>partijen besproken: soms wordt meteen een nieuwe zittingsdatum</para>
      <para>afgesproken, vaak (met name als het vooronderzoek wordt hervat) is</para>
      <para>dat echter niet mogelijk. In dat laatste geval doet de griffier zo</para>
      <para>spoedig mogelijk aan partijen mededeling van de nadere zitting</para>
      <para>(art. 8:64, tweede lid). In de praktijk wordt gewoon weer een</para>
      <para>nieuwe uitnodiging als bedoeld in art. 8:56 verzonden. Op de</para>
      <para>nieuwe zitting wordt het onderzoek hervat in de stand waarin het</para>
      <para>zich bevond toen het werd geschorst (derde lid). Maar de rechtbank</para>
      <para>kan bepalen dat het onderzoek opnieuw wordt aangevangen (vierde</para>
      <para>lid). Zij zal dat doen als de samenstelling van de rechtbank</para>
      <para>gewijzigd is (bijv.: er was geschorst om de zaak naar een</para>
      <para>meervoudige kamer te verwijzen) of als er een nieuwe partij in het</para>
      <para>geding is geroepen."</para>
      <para>4.21. De parallel tussen het tweede lid van art. 322 Sv en het</para>
      <para>vierde lid van art. 8:64 Awb is opvallend. Wöretshofer&amp;lt;(21) Tekst &amp; Commentaar Strafvordering, Art. 322, aant. 3. Zie ook</para>
      <para>Minkenhof/Reijntjes, De Nederlandse Strafvordering, zevende druk, blz.</para>
      <para>293.</para>
      <para>&amp;gt; schrijft</para>
      <para>over de strafvorderlijke regeling:</para>
      <para>"Volgens het tweede lid van artikel 322 is de rechtbank bevoegd</para>
      <para>bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt</para>
      <para>aangevangen. Soms is de rechtbank daartoe verplicht, namelijk als</para>
      <para>de samenstelling van de rechtbank gewijzigd is en (?). De reden</para>
      <para>voor de eerste is gelegen in de eis van artikel 350, dat de</para>
      <para>rechtbank beraadslaagt en vonnist naar aanleiding van het</para>
      <para>onderzoek ter terechtzitting en is tevens een uitvloeisel van het</para>
      <para>onmiddellijkheidsbeginsel."</para>
      <para>5. Beschouwing naar aanleiding van het beroep in cassatie</para>
      <para>5.1. Een behoorlijke procesorde brengt mee - in de woorden van BNB</para>
      <para>1997/333 - dat in beginsel slechts de leden van een kamer, die</para>
      <para>zelf de zaak ter zitting hebben behandeld, meewerken aan de</para>
      <para>beslissing en dat dit beginsel slechts uitzondering leidt indien</para>
      <para>vervanging van een lid onvermijdelijk is dan wel door gewichtige</para>
      <para>redenen wordt gerechtvaardigd. Aldus wordt benadrukt het belang</para>
      <para>van - wat Snijders noemt - de personele eenheid van behandeling en</para>
      <para>uitspraak, opdat de eigen waarneming van de rechter als</para>
      <para>uitvloeisel van het onmiddellijkheidsbeginsel ten volle in de</para>
      <para>uitspraak tot uitdrukking kan komen.</para>
      <para>5.2. Verbreking van die personele eenheid kan onvermijdelijk zijn</para>
      <para>of door gewichtige omstandigheden worden gerechtvaardigd. Indien</para>
      <para>de wet - zoals te dezen - geen aanwijzingen geeft, moet het -</para>
      <para>zoals in NJ 1985/578 tot uitdrukking komt - ervoor worden gehouden</para>
      <para>dat de feitenrechter zelf heeft te beoordelen of zich een zodanige</para>
      <para>uitzondering voordoet en dat hij in zijn beslissing daarvan geen</para>
      <para>rekenschap behoeft te geven.</para>
      <para>5.3.1. Is in het onderhavige geval de zaak verwezen van de zevende</para>
      <para>naar de tiende enkelvoudige kamer of is rechter Groeneveld</para>
      <para>vervangen door rechter Holdert?</para>
      <para>5.3.2. Een in dit opzicht vergelijkbare casus is BNB 1997/333,</para>
      <para>waar de tweede enkelvoudige kamer met rechter A de zaak mondeling</para>
      <para>heeft behandeld en de eerste enkelvoudige kamer met rechter B de</para>
      <para>uitspraak deed. Uw Raad zag hierin niet een verwijzing van de</para>
      <para>tweede naar de eerste enkelvoudige kamer, maar een vervanging van</para>
      <para>rechter A door rechter B. De consequenties van de ene of de andere</para>
      <para>benadering zijn duidelijk. Immers, zou sprake zijn van een</para>
      <para>verwijzing, dan zou BNB 1986/266 hebben meegebracht dat partijen</para>
      <para>opnieuw hadden moeten worden opgeroepen voor de verdere</para>
      <para>behandeling van de zaak door de eerste enkelvoudige kamer,</para>
      <para>aangezien hof en partijen van die behandeling niet hadden kunnen</para>
      <para>afzien&amp;lt;(22) Tenzij juist is wat ik in § 4.14.4 veronderstelde.</para>
      <para>&amp;gt;. Dat laatste kon wel nu het ging om een vervanging.</para>
      <para>5.3.3. Het komt mij voor dat in het onderhavige geval dezelfde weg</para>
      <para>kan worden bewandeld, zodat moet worden gezegd dat rechter</para>
      <para>Groeneveld is vervangen door rechter Holdert. Er is nog een, zij</para>
      <para>het meer triviale reden om niet de kant van de verwijzing op te</para>
      <para>gaan. 's Hofs eigen Reglement van orde kent niet een tiende</para>
      <para>enkelvoudige belastingkamer. Die kamer bestaat rechtens dus niet.</para>
      <para>Verwijzing naar een niet bestaande kamer kan dus geen effect</para>
      <para>hebben. Niettemin is de zaak na het defungeren van mr. Groeneveld</para>
      <para>wel berecht door een ander lid van het Hof, mr. Holdert, en er is</para>
      <para>geen rechtsregel die zich daartegen verzet.</para>
      <para>5.4. De vervanging is gevolgd op een schorsing. Uit de</para>
      <para>gedingstukken begrijp ik dat de schorsing twee doelen diende. Op</para>
      <para>de eerste zitting produceerde belanghebbende als bewijs van zijn</para>
      <para>stelling dat de waarde van zijn onroerende zaak op de</para>
      <para>waardepeildatum 1 januari 1993 ƒ 600.000 bedroeg - naast enkele</para>
      <para>foto's en een kranteknipsel - een taxatierapport van Makelaardij</para>
      <para>Boonstra. De taxatie van Boonstra vermeldt een onderhandse</para>
      <para>verkoopwaarde vrij van huur en gebruik per 7 maart 1995 (de datum</para>
      <para>van opneming) van ƒ 750.000. Belanghebbende werd door het hof in</para>
      <para>staat gesteld om met een nader taxatierapport zijn eerdervermelde</para>
      <para>stelling te bewijzen. Dat was het ene doel van de schorsing. Het</para>
      <para>andere doel was de gemachtigde van het College, die niet direct op</para>
      <para>het taxatierapport van Boonstra kon reageren, de gelegenheid te</para>
      <para>bieden dat later schriftelijk te doen. Beide doelen zijn gehaald:</para>
      <para>belanghebbende heeft nader bewijs bijgebracht en het College heeft</para>
      <para>schriftelijk gereageerd.</para>
      <para>5.5. Na de schorsing zijn partijen opgeroepen voor een tweede</para>
      <para>mondelinge behandeling van de zaak. Beide partijen zijn</para>
      <para>verschenen. Welke procesrechtelijke regels gelden nu? Art. 12 Wet</para>
      <para>ARB is niet rechtstreeks van toepassing - de zaak is immers niet</para>
      <para>verwezen - maar zou bij wijze van analogie kunnen worden</para>
      <para>toegepast. Hetzelfde geldt voor art. 11, vierde lid, Wet ARB. Dat</para>
      <para>betekent dat er een verdere of een nieuwe behandeling van de zaak</para>
      <para>plaatsvindt. Ook zou art. 16 Wet ARB van toepassing kunnen zijn,</para>
      <para>zodat partijen opnieuw in de gelegenheid worden gesteld haar</para>
      <para>standpunt mondeling toe te lichten. Hoe dan ook, er is een tweede</para>
      <para>zitting gehouden en partijen hadden op die zitting de mogelijkheid</para>
      <para>hun zaak andermaal te bepleiten en daarbij al hun argumenten</para>
      <para>(nogmaals) naar voren te brengen.</para>
      <para>5.6. Had, nu de samenstelling van de kamer die de zaak behandelde,</para>
      <para>geheel was gewijzigd, het onderzoek ter zitting opnieuw moeten</para>
      <para>aanvangen? Gelet op de aangehaalde bestuursrechtelijke literatuur</para>
      <para>lijkt die vraag onder het Awb-regime bevestigend te moeten worden</para>
      <para>beantwoord. De tweede rechter mist immers de eigen waarneming van</para>
      <para>de eerste zitting. In die lacune kan echter met een proces-verbaal</para>
      <para>worden voorzien. De gang van zaken ter zitting wordt daarin</para>
      <para>zakelijk weergegeven, pleitnotities en andere producties worden</para>
      <para>daaraan aangehecht en de rechter neemt zijn instructie van de zaak</para>
      <para>erin op. Ik zou menen dat een goede procesorde - niet alleen naar</para>
      <para>komend, maar ook naar huidig recht - meebrengt dat in geval van</para>
      <para>schorsing, zeker als deze gepaard gaat met verwijzing of</para>
      <para>vervanging, een proces-verbaal wordt opgemaakt. Eerst dan kan met</para>
      <para>recht een verdere behandeling van de zaak plaatsvinden.</para>
      <para>5.7. De vraag is echter of in het onderhavige geval het ontbreken</para>
      <para>van een proces-verbaal erg bezwaarlijk is. Belanghebbende heeft op</para>
      <para>de eerste zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Uit</para>
      <para>het beroepschrift in cassatie begrijp ik dat in die pleitnota zijn</para>
      <para>hele voor het Hof gehouden betoog staat. Zou belanghebbende op de</para>
      <para>voet van art. 14, tweede lid, Wet ARB hebben verzocht dat van zijn</para>
      <para>verklaring ter zitting proces-verbaal zou worden opgemaakt, dan</para>
      <para>zou dat proces-verbaal nooit meer hebben vermeld dan in de</para>
      <para>pleitnota staat. De pleitnota behoort tot de gedingstukken&amp;lt;(23) Het behoort tot de gedingstukken omdat het Hof de inhoud ervan als</para>
      <para>ingelast in de uitspraak beschouwt. In mijn noot onder HR 21 juni 1995,</para>
      <para>nr. 30.197, FED 1995/778, betoogde ik (in pt. 10) dat ook zonder die</para>
      <para>sacrale woorden een ter zitting voorgedragen en overlegde pleitnota tot</para>
      <para>gedingstukken behoort, mits de rechter het beginsel van hoor en wederhoor</para>
      <para>in acht neemt.</para>
      <para>&amp;gt;. De</para>
      <para>tweede rechter heeft er dus kennis van genomen, waarmee de</para>
      <para>waarneming van de eerste rechter de waarneming van de tweede</para>
      <para>rechter is geworden. Op de tweede zitting kon het proces dus</para>
      <para>worden vervolgd met de berechting van het waardegeschil en de</para>
      <para>daarbij behorende bewijslevering. In die gang van zaken kan ik</para>
      <para>niet een schending van een rechtsregel ontwaren. Immers, aldus is</para>
      <para>gewaarborgd dat hetgeen door partijen op de eerste zitting is</para>
      <para>aangevoerd ook werkelijk bij de totstandkoming van de uitspraak</para>
      <para>door de tweede rechter wordt meegewogen, waarmee mijn in § 1.1</para>
      <para>gesteld vraag is beantwoord.</para>
      <para>5.8. In § 4.14.3 schreef ik dat in rov. 3.4.2 van BNB 1997/333 in</para>
      <para>feite al de thans te nemen beslissing besloten ligt. Ik doel op de</para>
      <para>tweede alinea van die rov. waarin, nu partijen hadden afgezien van</para>
      <para>een tweede mondelinge behandeling, niet van belang werd geoordeeld</para>
      <para>dat de tweede rechter de eerste mondelinge behandeling niet had</para>
      <para>bijgewoond en evenmin van belang werd geacht dat van die</para>
      <para>mondelinge behandeling geen proces-verbaal is opgemaakt. Welnu, in</para>
      <para>een geval waarin wel een tweede mondelinge behandeling plaatsvond,</para>
      <para>moet a fortiori hetzelfde gelden.</para>
      <para>6. Beoordeling van de klachten</para>
      <para>6.1. Na een inleiding verwoordt belanghebbende op de voorlaatste</para>
      <para>bladzijde van zijn (aanvullende) beroepschrift in cassatie twee</para>
      <para>klachten. De klacht onder 1 betreft de kennisoverdracht van de</para>
      <para>eerste op de tweede rechter. De klacht onder 2 gaat over de</para>
      <para>"weging van de argumenten" door het</para>
      <para>6.2. De klacht onder 2 is gericht tegen de oordelen van het Hof</para>
      <para>inzake de door de gemeente en belanghebbende overgelegde</para>
      <para>taxatierapporten. Deze oordelen berusten op de aan het Hof</para>
      <para>voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen en kunnen</para>
      <para>als zijnde niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden</para>
      <para>bestreden. Deze klacht wordt derhalve tevergeefs voorgesteld.</para>
      <para>6.3. De klacht onder 1 valt uiteen in een algemeen deel (i) en</para>
      <para>twee specifieke onderdelen (ii en iii); zij luidt als volgt&amp;lt;(24) Ter wille van de leesbaarheid bracht ik een subnummering en enkele</para>
      <para>witregels aan.</para>
      <para>&amp;gt;:</para>
      <para>"(i) Door mij niet in kennis te brengen van de vervanging van</para>
      <para>rechter, ben ik niet in staat geweest te kontroleren of alle</para>
      <para>argumenten die in de eerste zitting zijn aangevoerd ook zijn</para>
      <para>meegewogen. M.a.w. of er een overdracht van kennis heeft</para>
      <para>plaatsgevonden tussen de eerste en de tweede rechter.</para>
      <para>(ii) Dit uit zich o.a. in de vermelding in de schriftelijke</para>
      <para>uitspraak dat ik het taxatie rapport van de Gemeente niet heb</para>
      <para>aangevochten. Dat heb ik uitdrukkelijk wel gedaan, maar in de</para>
      <para>mondelinge eerste zitting.</para>
      <para>(iii) Bovendien zijn door de uitspraak van de eerste rechter dat</para>
      <para>er alleen sprake zou zijn van de afgeleide waarde van het huis</para>
      <para>genoemd in het AEGON rapport naar peildatum 1 jan. 1993,</para>
      <para>verwachtingen gewekt die door de tweede rechter volkomen terzijde</para>
      <para>zijn geschoven. Hierdoor is de rechtsgang ernstig verstoord."</para>
      <para>6.4. Subklacht (i) heb ik in feite al behandeld in § 5.1 tot en</para>
      <para>met § 5.8; ik verwijs daarnaar. Te dezen is de kennisoverdracht</para>
      <para>van de eerste op de tweede rechter gewaarborgd door de fictieve</para>
      <para>insertie van belanghebbendes pleitnota in 's Hofs uitspraak. Naar</para>
      <para>komend recht zou de pleitnota aan het proces-verbaal van de</para>
      <para>terechtzitting worden gehecht; het resultaat is hetzelfde. Waar</para>
      <para>het Hof niet gehouden is van de vervanging van de ene rechter door</para>
      <para>de andere rekenschap te geven, is het - a fortiori - evenmin</para>
      <para>gehouden van die vervanging mededeling te doen aan de</para>
      <para>procespartijen. Subklacht (i) faalt dus.</para>
      <para>6.5. Helemaal lekker zit mij dat laatste echter niet. Ik zou menen</para>
      <para>dat een klantgerichte houding&amp;lt;(25) Dat klinkt wellicht wat modieus, maar zo langzamerhand begint bij het</para>
      <para>meer verlichte deel van de rechterlijke macht de gedachte post te vatten</para>
      <para>dat de naar binnen gekeerde blik wat meer naar buiten moet worden</para>
      <para>gericht: op de rechtzoekenden dus. Ik besef dat de term "klant" ware te</para>
      <para>vermijden, maar weet zo gauw in dit verband geen betere.</para>
      <para>&amp;gt; van de hoven meebrengt dat in de</para>
      <para>oproeping voor de mondelinge behandeling de namen van de zitting</para>
      <para>hebbende rechters worden meegedeeld. Immers, dan pas zijn partijen</para>
      <para>in staat na te gaan of er wellicht gronden voor wraking zijn. Nu</para>
      <para>zal men mij wellicht willen tegenwerpen dat daarmee</para>
      <para>wrakingsverzoeken worden uitgelokt en dat dit toch niet de</para>
      <para>bedoeling kan zijn. Maar die critici wijs ik erop dat als partijen</para>
      <para>niet weten wie er zitting heeft - naambordjes zijn ook al niet</para>
      <para>gebruikelijk - het wrakingsartikel in feite een dode letter is, en</para>
      <para>dat kan evenmin de bedoeling zijn. Maar afgezien daarvan is het</para>
      <para>toch eigenlijk wel gek dat partijen tijdens het hele proces worden</para>
      <para>bediend door een anonymus in een toga, van wie de identiteit pas</para>
      <para>met de uitspraak wordt onthuld. Namen noemen dus.</para>
      <para>6.6. Misschien moet daarom wel worden aangenomen dat het tot de</para>
      <para>regels van een goede procesorde behoort dat een verwijzing van een</para>
      <para>zaak naar een andere kamer of - zoals te dezen - een vervanging</para>
      <para>van de zetel, ook al is sprake van een nadere mondelinge</para>
      <para>behandeling, aan de betrokken partijen van te voren wordt</para>
      <para>medegedeeld&amp;lt;(26) Belanghebbende had op grond van de oproepingen kunnen weten dat sprake</para>
      <para>was van een verwijzing van zijn zaak of van een vervanging van de rechter</para>
      <para>nu de tweede mondelinge behandeling zou plaatsvinden voor de tiende</para>
      <para>enkelvoudige kamer terwijl de eerste oproep was gedaan voor de zevende</para>
      <para>enkelvoudige kamer. Hieruit is weliswaar niet zonder meer duidelijk, maar</para>
      <para>wel waarschijnlijk dat een andere rechter de zaak zou behandelen.</para>
      <para>&amp;gt;. Wat daarvan zij, het enkele nalaten hiervan heeft</para>
      <para>echter geen gevolgen want, zo dit verzuim al zou kunnen worden</para>
      <para>aangemerkt als een vormverzuim, dan is het toch niet van dien aard</para>
      <para>dat daaruit de nietigheid van 's Hofs uitspraak als bedoeld in</para>
      <para>art. 99, eerste lid, aanhef en ten 1°, Wet RO voortvloeit, zeker</para>
      <para>nu belanghebbende door dat verzuim niet is benadeeld&amp;lt;(27) Vgl. art. 6:22 Awb.</para>
      <para>&amp;gt;.</para>
      <para>6.7. Ten slotte kan de vraag worden gesteld of de impliciete</para>
      <para>stelling van belanghebbende dat hij door de vervanging van de</para>
      <para>rechter is benadeeld, wel voor het eerst in cassatie naar voren</para>
      <para>kan worden gebracht. Het ligt dunkt mij meer voor de hand dat die</para>
      <para>stelling al eerder en wel tijdens de nadere mondelinge behandeling</para>
      <para>voor het Hof wordt aangevoerd. Of sprake is van benadeling vergt</para>
      <para>immers een onderzoek van feitelijke aard.</para>
      <para>6.8. Subklacht (ii) mist feitelijke grondslag. In de uitspraak van</para>
      <para>het Hof is niet overwogen dat belanghebbende het door het College</para>
      <para>overgelegde taxatierapport&amp;lt;(28) Dit taxatierapport is als bijlage gevoegd bij het voor het Hof</para>
      <para>ingediende vertoogschrift.</para>
      <para>&amp;gt; niet heeft betwist, maar dat hij het</para>
      <para>rapport onvoldoende heeft betwist. Immers het Hof overwoog:</para>
      <para>"6.1. Gelet op de onderbouwing van de waarde zoals vermeld in het</para>
      <para>door de inspecteur overgelegde taxatierapport, welke door</para>
      <para>belanghebbende onvoldoende is betwist, acht het Hof aannemelijk</para>
      <para>dat de waarde van het pand niet te hoog is vastgesteld."</para>
      <para>6.9. Bovendien stelt belanghebbende in de inleiding van zijn</para>
      <para>(aanvullende) beroepschrift in cassatie op de tweede pagina over</para>
      <para>de gang van zaken op de eerste zitting:</para>
      <para>"Tijdens of na mijn betoog vroeg de griffier mij: "heeft U dit zo</para>
      <para>allemaal opgeschreven, (wat inderdaad met de hand zo was), dan</para>
      <para>hoef ik dat niet allemaal op te schrijven.""</para>
      <para>6.10. Subklacht (iii) begrijp ik aldus. Belanghebbende stelt dat</para>
      <para>door de rechter op de eerste zitting een toezegging is gedaan, die</para>
      <para>door de tweede rechter niet is nagekomen. Uit de stukken van het</para>
      <para>geding is af te leiden dat belanghebbende tijdens de eerste</para>
      <para>mondelinge behandeling een taxatierapport van zijn woonhuis heeft</para>
      <para>overgelegd. Aangezien in dit rapport een waarde wordt aangegeven</para>
      <para>per de datum van opneming, 7 maart 1995, is belanghebbende op de</para>
      <para>eerste zitting in de gelegenheid gesteld gegevens aan te dragen</para>
      <para>inzake de waarde voor de hier geldende waardepeildatum van 1</para>
      <para>januari 1993. De toezegging zou hieruit hebben bestaan dat, indien</para>
      <para>een (nader) taxatierapport door belanghebbende ten aanzien van de</para>
      <para>juiste peildatum zou zijn overgelegd, de door belanghebbende</para>
      <para>voorgestane waarde als juist zou worden aangemerkt.</para>
      <para>6.11. Dit onderdeel van de klacht faalt naar mijn mening evenzeer.</para>
      <para>Zij mist feitelijke grondslag omdat in 's Hofs uitspraak noch in</para>
      <para>de stukken van het geding - de enige kenbronnen voor Uw Raad -</para>
      <para>steun voor de subklacht valt te vinden.</para>
      <para>6.12. Hoewel juist is die afdoening niet echt bevredigend nu het</para>
      <para>belanghebbende vooral dwars zit dat - volgens hem - de tweede</para>
      <para>rechter niet wist wat de eerste rechter had gedaan. Laat ik daarom</para>
      <para>veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat de eerste rechter</para>
      <para>inderdaad een toezegging&amp;lt;(29) In feite ging het, zoals ik in § 5.4 betoogde, om een bewijsopdracht.</para>
      <para>&amp;gt; heeft gedaan. Dan zou ervan kunnen worden</para>
      <para>uitgegaan dat door hem een (mondelinge) tussenuitspraak is gedaan.</para>
      <para>Een tussenuitspraak is in het belastingprocesrecht niet</para>
      <para>gebruikelijk maar behoort wel tot de mogelijkheden. Maar deze</para>
      <para>vergaande veronderstelling zou belanghebbende nog niets opleveren</para>
      <para>omdat een tussenuitspraak, zelfs als deze schriftelijk is gedaan,</para>
      <para>voor het hof en partijen niet bindend kan worden geacht. Op in een</para>
      <para>tussenuitspraak genomen beslissingen kan het Hof immers altijd</para>
      <para>terugkomen&amp;lt;(30) Zie Meyjes/Van Soest/Van den Berge/Van Gelderen, a.w., blz. 189.</para>
      <para>&amp;gt;.</para>
      <para>7. Conclusie</para>
      <para>De klachten ongegrond bevindend concludeer ik tot verwerping van</para>
      <para>het beroep in cassatie.</para>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>