<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA2698</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T15:27:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA2698</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-03-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">33295</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA2698" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA2698</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005108&amp;artikel=116&amp;g=1999-03-17">Waterschapswet 116</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 1999/301</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 1999/179 met annotatie van W.J.N.M. Snoijink</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1999/230</rdf:li>
          <rdf:li>WFR 1999/391, 1</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 1999/17.31</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2698">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA2698</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:45:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA2698 Parket bij de Hoge Raad , 17-03-1999 / 33295</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2698:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA2698:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Nr. 33.295                         Mr Moltmaker</para>
      <para>Derde Kamer B                      Conclusie inzake:</para>
      <para>Ingezetenenomslag 1995             X</para>
      <para>tegen:</para>
      <para>Parket, 29 juli 1998               HET ZUIVERINGSSCHAP VELUWE</para>
      <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
      <para>1 Feiten en procesgang</para>
      <para>1.1 Aan belanghebbende is door het Zuiveringsschap Veluwe (hierna:</para>
      <para>het zuiveringschap&amp;lt;(1) Volgens het Nederlands Woordenboek van Van Dale moet</para>
      <para>zuiveringschap met één s gespeld worden. Volgens de</para>
      <para>Nederlandse woordenlijst bestaat ook de spelling</para>
      <para>zuiveringsschap. Ik neem i.c. als afkorting de</para>
      <para>gebruikelijke spelling met één s, ter aanduiding van de</para>
      <para>eigennaam "zuiveringsschap Veluwe".</para>
      <para>&amp;gt;) een aanslag ten bedrage van ƒ 42,-- opge</para>
      <para>legd in de ingezetenenomslag 1995 van het Waterschap Noord-</para>
      <para>Veluwe (hierna: het waterschap). Op de achterzijde van het</para>
      <para>aanslagbiljet staat vermeld:</para>
      <para>"De (gedeeltelijk) inliggende waterschappen hebben</para>
      <para>voegdheid tot het heffen en invorderen van de ingezetenen</para>
      <para>omslag overgedragen aan het zuiveringsschap Veluwe."</para>
      <para>1.2 Belanghebbende heeft bij brief van 10 januari 1995 bezwaar</para>
      <para>gemaakt tegen de aanslag, met als motivering:</para>
      <para>"Deze aanslag is ten onrechte omdat ik geen enkel belang</para>
      <para>heb bij de taken en verrichtingen van het Waterschap Noord-</para>
      <para>Veluwe."</para>
      <para>1.3 Bij uitspraak van 21 maart 1995 heeft het dagelijks bestuur van</para>
      <para>het zuiveringschap het bezwaar van belanghebbende ongegrond ver-</para>
      <para>klaard en de aanslag gehandhaafd.</para>
      <para>1.4 Bij beroepschrift, gedagtekend 28 april 1995, bij het hof inge</para>
      <para>komen op 1 mei 1995, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen</para>
      <para>de uitspraak op het bezwaarschrift. In het beroepschrift ver</para>
      <para>zoekt belanghebbende het hof haar toe te staan de gronden van</para>
      <para>het beroep in een later stadium aan te vullen.</para>
      <para>1.5 Bij brief van 1 mei 1995 heeft belanghebbende aan het hof</para>
      <para>copieën gestuurd van de aanslag, het bezwaarschrift en de uitspraak</para>
      <para>op het bezwaarschrift met de mededeling:</para>
      <para>"Bijgaand doe ik u de bijlagen toekomen die behoren bij</para>
      <para>mijn brief dd. 28 april jl. waarin ik bovengenoemd beroep</para>
      <para>heb aangetekend.</para>
      <para>In het vertrouwen u thans volledig te hebben voorzien van</para>
      <para>alle stukken, verblijf ik, ...."</para>
      <para>1.6 Nadat het dagelijks bestuur van het zuiveringschap een vertoog</para>
      <para>schrift had ingediend, heeft de griffier van het hof bij brief</para>
      <para>van 21 januari 1997 belanghebbende een oproep gezonden voor een</para>
      <para>mondelinge behandeling op 14 februari 1997. Belanghebbende</para>
      <para>reageerde daarop bij brief van 29 januari 1997 als volgt:</para>
      <para>".....</para>
      <para>In het beroepschrift heb ik destijds vermeld dat ik de</para>
      <para>beroepsgronden nader zou aanvoeren. Ik ben hiertoe niet</para>
      <para>uitgenodigd en heb het ook eigener beweging niet gedaan</para>
      <para>omdat ik wilde afwachten de uitspraak van de Hoge Raad in</para>
      <para>het door het waterschap ingestelde Cassatie Beroep inzake</para>
      <para>de Heffing 1992 ....</para>
      <para>Afgezien evenwel hiervan zou ik graag, ter voorbereiding</para>
      <para>van deze zaak over de verder voor mij nieuwe en onbekende</para>
      <para>"ingezetenen"heffing meer tijd hebben dan mij tot 14 febru</para>
      <para>ari 1997 is gegund.</para>
      <para>Ik verzoek U dan ook de mondelinge behandeling op deze</para>
      <para>datum niet te doen doorgaan en voorts mij alsnog de gele</para>
      <para>genheid te bieden de beroepsgronden aan te voeren, liefst</para>
      <para>nadat de Hoge Raad genoemde uitspraak heeft gedaan."</para>
      <para>1.7 Bij brief van 3 februari 1997 heeft de griffier belanghebbende</para>
      <para>bericht, dat het hof in haar verzoek geen aanleiding heeft</para>
      <para>gevonden de mondelinge behandeling uit te stellen, met als</para>
      <para>toevoeging:</para>
      <para>"U kunt bij de mondelinge behandeling uw beroep desgewenst</para>
      <para>toelichten. Mocht u daarvoor een pleitnota willen bezigen,</para>
      <para>dan verdient het aanbeveling, daarvan ruim vóór de behande</para>
      <para>ling een afschrift aan de wederpartij (...) te zenden."</para>
      <para>1.8 Uit de door het hof als in de uitspraak ingelast beschouwde</para>
      <para>pleitnotitie van belanghebbende blijkt niet, dat belanghebbende</para>
      <para>ter zitting nog op deze kwestie is teruggekomen.</para>
      <para>1.9 Bij schriftelijke uitspraak van 27 maart 1997, nr. 95/0807,</para>
      <para>heeft het hof het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard</para>
      <para>als uitvloeisel van de door het hof onder 7 van de uitspraak</para>
      <para>vermelde inhoudelijke overwegingen.</para>
      <para>1.10 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het hof beroep in</para>
      <para>cassatie ingesteld.</para>
      <para>Zij voert in de eerste plaats aan, dat het hof ten onrechte</para>
      <para>heeft nagelaten haar de gelegenheid te bieden de gronden van</para>
      <para>haar beroep aan te voeren.</para>
      <para>In de tweede plaats richt zij zich tegen de vorenbedoelde</para>
      <para>overwegingen van het hof in het materiële geschil.</para>
      <para>2 De bevoegdheid van het dagelijks bestuur van het zuiveringschap</para>
      <para>2.1 Evenals in de zaak nr. 32.788, waarin ik op 8 april 1998 conclu</para>
      <para>deerde, acht ik het van belang om, alvorens in de gaan op het</para>
      <para>cassatiemiddel van belanghebbende, ook in het onderhavige geval</para>
      <para>te onderzoeken hoe het is gesteld met de bevoegdheid van het</para>
      <para>dagelijks bestuur van het zuiveringschap. Een copie van de</para>
      <para>daartoe strekkende beschouwingen in punt 2 van die conclusie</para>
      <para>voeg ik als bijlage hierbij.</para>
      <para>2.2 Het hof heeft overwogen:</para>
      <para>"4.3. Blijkens bijlage e bij het vertoogschrift hebben het</para>
      <para>waterschap, vertegenwoordigd door zijn voorzitter .... en</para>
      <para>het ZV (= het zuiveringschap, M.), vertegenwoordigd door</para>
      <para>zijn voorzitter ...., een ongedagtekende schriftelijke</para>
      <para>overeenkomst gesloten tot overdracht van de volledige</para>
      <para>uitvoering van de wettelijke bepalingen betreffende de</para>
      <para>heffing en invordering van de ingezetenenomslag aan het ZV</para>
      <para>met ingang van 1 januari 1995. ......</para>
      <para>5.3.2.2. Verwezen wordt naar de uitspraak die dit hof op 28</para>
      <para>oktober 1996 onder nummer 950735 heeft gedaan op het beroep</para>
      <para>van een ingezetene van het waterschap Oost-Veluwe betref</para>
      <para>fende het onderhavige jaar. ......</para>
      <para>6. Beoordeling vooreerst ambtshalve</para>
      <para>6.1. In de onder 5.3.2.2 bedoelde beroepszaak is het vol</para>
      <para>gende onderzocht en bevonden.</para>
      <para>6.2. De dagelijkse besturen van de waterschappen Gelderse</para>
      <para>Vallei &amp; Eem, Noord-Veluwe en Oost-Veluwe en het DB (= dage</para>
      <para>lijks bestuur van het zuiveringschap, M.) van het ZV hebben</para>
      <para>besloten tot overdracht van heffingsbevoegdheid van de drie</para>
      <para>eerstgenoemde besturen aan het DB op grond van art. 124,</para>
      <para>lid 2, van de Waterschapswet.</para>
      <para>6.3. Uit de voormelde besluiten van de betrokken dagelijkse</para>
      <para>besturen, waarnaar tevens wordt verwezen in de considerans</para>
      <para>van de onder 4.3. bedoelde overeenkomst, vloeit voort dat</para>
      <para>de overdracht is beoogd van de heffings- en invorderingsbe</para>
      <para>voegdheden van organen van het waterschap aan de overeenkom</para>
      <para>stige organen van het ZV. Deze besluiten, in onderling</para>
      <para>verband beschouwd, kunnen worden aangemerkt als een gemeen</para>
      <para>schappelijk besluit in de zin van art. 124, lid 2, van de</para>
      <para>Waterschapswet. Uit dien hoofde was het DB bevoegd de</para>
      <para>aanslag vast te stellen."</para>
      <para>De door het hof in overweging 5.3.2.2. aangehaalde (en door mij</para>
      <para>bij het hof opgevraagde) uitspraak vermeldt:</para>
      <para>"4.3. Blijkens de notulen van zijn op 17 augustus 1994</para>
      <para>gehouden vergadering (...) heeft het dagelijks bestuur van</para>
      <para>het waterschap [Oost-Veluwe] besloten tot overdracht van de</para>
      <para>heffingsbevoegdheid ....</para>
      <para>4.4. Blijkens de notulen van zijn op 10 augustus 1994</para>
      <para>gehouden vergadering heeft het [dagelijks bestuur] (...)</para>
      <para>besloten tot integrale heffing van en inning van de ingeze</para>
      <para>tenenomslag van de waterschappen Gelderse Vallei &amp; Eem,</para>
      <para>Noord-Veluwe en Oost-Veluwe (...), zulks behoudens fiatte</para>
      <para>ring van soortgelijke voorstellen in de dagelijkse besturen</para>
      <para>van die schappen ..."</para>
      <para>2.3 De door het hof in overweging 4.3 van zijn onderhavige uitspraak</para>
      <para>bedoelde overeenkomst&amp;lt;(2) Bijlage e bij het vertoogschrift van het zuiveringschap.&amp;gt; is gesloten tussen het waterschap en het</para>
      <para>zuiveringschap, beide vertegenwoordigd ex art. 95 Waterschapswet</para>
      <para>(Wsw) door hun voorzitter. In de considerans van de overeenkomst</para>
      <para>wordt onder meer het volgende gesteld:</para>
      <para>"[Overwegende ...] dat het waterschap aan zijn Dagelijks</para>
      <para>Bestuur heeft voorgesteld de gehele uitvoering van de</para>
      <para>heffing en invordering van de ingezetenenomslag over te</para>
      <para>dragen aan het zuiveringsschap;</para>
      <para>dat het zuiveringsschap in zijn vergadering van het Dage</para>
      <para>lijks Bestuur op 10 augustus 1994 hiermee al in principe</para>
      <para>had ingestemd;</para>
      <para>dat het waterschap in zijn vergadering van het gecombineerd</para>
      <para>college van 15 december 1994 heeft bepaald dat voor de</para>
      <para>uitvoering van de wettelijke bepalingen betreffende de</para>
      <para>heffing en invordering van de ingezetenenomslag het Dage</para>
      <para>lijks Bestuur van het zuiveringsschap voor hem in de plaats</para>
      <para>treedt;</para>
      <para>dat ter uitvoering van deze besluiten de comparanten een</para>
      <para>regeling moeten opstellen ten behoeve van deze indeplaats</para>
      <para>treding, die is gebaseerd op art. 124 lid 2 van de Water</para>
      <para>schapswet;"</para>
      <para>2.4 Anders dan het hof in zijn onderhavige uitspraak heeft overwo</para>
      <para>gen, wordt hier (derde overweging) niet verwezen naar een be</para>
      <para>sluit van het dagelijks, maar van het algemeen bestuur (het</para>
      <para>gecombineerd college) van het waterschap. Zulks is ook niet</para>
      <para>verenigbaar met de voorafgaande overweging dat (onder anderen)</para>
      <para>het dagelijks bestuur van het waterschap tot delegatie van zijn</para>
      <para>heffingsbevoegdheid aan het dagelijks bestuur van het zuivering</para>
      <para>schap heeft besloten. De uitspraak van 28 oktober 1996, nummer</para>
      <para>950735, biedt verder geen inzicht in de besluitvorming aan de</para>
      <para>zijde van het waterschap, om de eenvoudige reden dat het daar</para>
      <para>ging om een ander waterschap.</para>
      <para>2.5 Deze motiveringsgebreken hebben mij genoopt tot nader onderzoek</para>
      <para>naar de besluitvorming omtrent de delegatie van heffingsbevoegd</para>
      <para>heden van het waterschap aan het zuiveringschap. Ik heb daartoe</para>
      <para>de secretaris (hierna: de Secretaris) van het waterschap Veluwe,</para>
      <para>zijnde per 1 januari 1997 de rechtsopvolger van zowel het water</para>
      <para>schap als het zuiveringschap, in zijn wettelijke hoedanigheid</para>
      <para>van hoofd van het betreffende administratieve apparaat verzocht</para>
      <para>om nadere informatie.</para>
      <para>3 De besluitvorming</para>
      <para>3.1 Uit de door de Secretaris verstrekte gegevens blijkt onder meer</para>
      <para>dat:</para>
      <para>-    het dagelijks bestuur van het zuiveringschap blijkens de</para>
      <para>door zijn voorzitter en secretaris ondertekende notulen van zijn</para>
      <para>vergadering van 10 augustus 1994 op het voorstel om</para>
      <para>"[met ingang van 1995] de ingezetenenomslag (waterschaps</para>
      <para>lasten) in het beheersgebied van het Zuiveringsschap Veluwe</para>
      <para>integraal met de zuiveringslasten op te leggen en te innen</para>
      <para>en de hiermee gemoeide extra kosten in rekening te brengen</para>
      <para>bij de betreffende waterschappen, behoudens de fiattering</para>
      <para>van soortgelijke voorstellen in de dagelijkse besturen van</para>
      <para>die betreffende waterschappen",</para>
      <para>conform heeft besloten;</para>
      <para>-    het dagelijks bestuur van het waterschap op 23 augustus</para>
      <para>1994 op het voorstel om</para>
      <para>"- voor de ingezetenenomslag mee te liften met het zuive</para>
      <para>ringsschap Veluwe met overdracht van de heffingsbevoegdheid</para>
      <para>voor een periode van drie jaar [ingaande 1995]"</para>
      <para>conform heeft besloten, zulks blijkens de ondertekening door</para>
      <para>zijn voorzitter en secretaris van het betreffende besluit.</para>
      <para>3.2 Uit deze gang van zaken volgt dat de dagelijks besturen van het</para>
      <para>waterschap en het zuiveringschap een gemeenschappelijk delega</para>
      <para>tiebesluit in de zin van art. 124, lid 2, Waterschapswet (Wsw)</para>
      <para>tot stand hebben gebracht.</para>
      <para>4 De bekendmaking</para>
      <para>4.1 Daarnaast is met het in de considerans van de overeenkomst</para>
      <para>tussen het zuiveringschap en het waterschap genoemde besluit van</para>
      <para>het gecombineerd college van het waterschap van 15 december 1994</para>
      <para>(vermeld onder 2.3 hiervoor) kennelijk gedoeld op zijn besluit</para>
      <para>tot vaststelling van een verordening op de waterschapsomslagen.</para>
      <para>Het eerste lid van art. 26 ('Overdracht bevoegdheden heffing en</para>
      <para>invordering') van die verordening luidt:</para>
      <para>"De bevoegdheden inzake de heffing en invordering van</para>
      <para>[ingezetenen-]omslag, is met inachtneming van het bepaalde</para>
      <para>in artikel 124, tweede lid van de Waterschapswet, overge</para>
      <para>dragen aan het Zuiveringsschap Veluwe te Apeldoorn."</para>
      <para>4.2 Als 'besluit' van het gecombineerd college heeft deze bepaling</para>
      <para>ten deze geen betekenis, doch zij kán gelezen worden als een</para>
      <para>blote mededeling van het gemeenschappelijk delegatiebesluit.</para>
      <para>Aangezien de verordening volgens de Secretaris bekend is gemaakt</para>
      <para>op de wijze van art. 73 Wsw, zou daarmee tevens voldaan zijn aan</para>
      <para>het vereiste dat dergelijke delegatiebesluiten - als algemeen</para>
      <para>verbindende voorschriften - eveneens op die wijze worden bekend</para>
      <para>gemaakt.</para>
      <para>4.3 In ieder geval is het delegatiebesluit 'op een andere geschikte</para>
      <para>wijze' in de zin van art. 3:42 Awb bekend gemaakt (aangenomen</para>
      <para>dat indertijd daarmee volstaan kon worden), namelijk door middel</para>
      <para>van vermelding op de achterzijde van het aanslagbiljet&amp;lt;(3) Zie het duplicaat-aanslagbiljet, nr. 1 van de gedingstuk</para>
      <para>ken.&amp;gt; en in</para>
      <para>een bijsluiter bij de aanslag&amp;lt;(4) Mij toegezonden door de Secretaris.&amp;gt;.</para>
      <para>4.4 Een en ander betekent dat (het dagelijks bestuur van) het zuive</para>
      <para>ringschap in deze zaak bevoegd is.</para>
      <para>5 De eerste klacht</para>
      <para>5.1 Volgens de eerste klacht van de belanghebbende heeft het hof ten</para>
      <para>onrechte</para>
      <para>"(...) nagelaten mij de gelegenheid te bieden de gronden</para>
      <para>van mijn beroep aan te voeren (als in het pro-forma-beroep</para>
      <para>schrift vermeld). Het hof heeft daarmee gehandeld in strijd</para>
      <para>met art. 8, lid 2, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken juncto artikel 6:6 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht. Hierdoor ben ik in mijn belang geschaad</para>
      <para>doordat het vertoogschrift nu is uitgebracht terwijl de</para>
      <para>gronden van mijn beroep niet bekend waren."</para>
      <para>5.2 Volgens art. 6:6 Awb kan een beroep onder meer niet-ontvankelijk</para>
      <para>worden verklaard indien niet is voldaan aan het vereiste dat het</para>
      <para>beroepschrift 'de gronden van het beroep' bevat (art. 6:5, lid</para>
      <para>1, onderdeel d, Awb), mits de indiener de gelegenheid heeft</para>
      <para>gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde</para>
      <para>termijn. Indien van deze gelegenheid geen gebruik is gemaakt,</para>
      <para>draagt art. 8, lid 2, Wet administratieve rechtspraak belasting</para>
      <para>zaken (WARB) de griffier van het gerechtshof op om daarvan</para>
      <para>mededeling te doen bij de toezending van het afschrift van het</para>
      <para>beroepschrift aan de ambtenaar, die de beroepen uitspraak heeft</para>
      <para>gedaan.</para>
      <para>5.3 Ik stel voorop dat het beroep niet niet-ontvankelijk is ver</para>
      <para>klaard, terwijl evenmin een herstelgelegenheid is gegeven, zodat</para>
      <para>de griffier ook geen melding kon doen van niet-gebruikmaking</para>
      <para>daarvan. Strijd met art. 6:6 Awb of art. 8, lid 2, WARB kan uit</para>
      <para>dien hoofde dan ook niet aan de orde komen.</para>
      <para>5.4 Kennelijk echter wil de belanghebbende het hof in wezen verwij</para>
      <para>ten dat het voorbij is gegaan aan haar verzoek in het (zgn. pro-</para>
      <para>forma-)beroepschrift om de gronden van het beroep later te</para>
      <para>geven, c.q. aan het (impliciete) standpunt van de belanghebbende</para>
      <para>dat (in wettelijke termen) het beroepschrift nog verbetering</para>
      <para>behoefde alvorens het beroep verder in behandeling kon worden</para>
      <para>genomen.</para>
      <para>5.5 Ook zo gelezen, kan de klacht niet slagen. De regeling voor</para>
      <para>verzuimherstel moet alleen vooraf gaan aan een eventuele niet-</para>
      <para>ontvankelijk-verklaring; het staat de hoven derhalve vrij om</para>
      <para>gebrekkige beroepschriften ook aanstonds ontvankelijk te ach</para>
      <para>ten.&amp;lt;(5) Vgl. R.T.G. Verstraaten, Het pro-forma beroepschrift in</para>
      <para>belastingzaken, in: Leids fiscaal jaarboek 1984, blz.</para>
      <para>154; P. Meyjes/J. van Soest/J.W. van den Berge/J.H. van</para>
      <para>Gelderen, Fiscaal procesrecht, 1997 (Meyjes), blz. 67.&amp;gt; Bovendien kon het hof de brief van de belanghebbende van 1</para>
      <para>mei 1995 opvatten als een (spontane) nadere motivering, met name</para>
      <para>gelet op de laatste zin daarvan (zie 1.5).</para>
      <para>5.6 Niet valt in te zien hoe de belanghebbende door het uitbrengen</para>
      <para>daarna van het vertoogschrift op zichzelf geschaad kan zijn.</para>
      <para>Daarentegen had de ontvangst van het afschrift daarvan (art. 8,</para>
      <para>lid 4, WARB) haar moeten doen beseffen dat haar beroep in behan</para>
      <para>deling was genomen. Zij had vervolgens de mogelijkheid om haar</para>
      <para>beroep alsnog (nader) te motiveren door middel van een conclusie</para>
      <para>van repliek,&amp;lt;(6) Vgl. Meyjes, blz. 171.&amp;gt; doch kennelijk heeft zij de daartoe benodigde</para>
      <para>stappen nagelaten (zie art. 9, lid 1, WARB). Onder die omstan</para>
      <para>digheden was het hof tevens vrij om de mondelinge behandeling</para>
      <para>niet uit te stellen.&amp;lt;(7) Zie Meyjes, blz. 184.&amp;gt;</para>
      <para>6 Het materiële geschil</para>
      <para>Het materiële geschil betreft de vraag of de belanghebbende, in</para>
      <para>haar hoedanigheid van ingezetene van het waterschapsgebied, be-</para>
      <para>lang heeft bij de behartiging door het waterschap van zijn taken</para>
      <para>en mitsdien aan de bekostiging daarvan dient bij te dragen.</para>
      <para>7 Verband waterschapsgebied en waterschapstaak of -taken</para>
      <para>7.1 Art. 1 Wsw luidt:</para>
      <para>"1.  Waterschappen zijn openbare lichamen welke de water</para>
      <para>staatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel</para>
      <para>hebben.</para>
      <para>2.  De taken die tot dat doel aan waterschappen zijn of</para>
      <para>worden opgedragen betreffen de zorg voor hetzij de water</para>
      <para>huishouding hetzij de waterkering hetzij beide. Aan water</para>
      <para>schappen, die met tenminste een van zulke taken zijn be last, kan daarnaast de zorg voor een of meer andere water</para>
      <para>staatsaangelegenheden worden opgedragen."</para>
      <para>7.2 Het eerste lid drukt het beperkte, functionele verband uit dat</para>
      <para>de waterschappen met hun gebieden hebben. De provinciale en ge</para>
      <para>meentelijke gebieden hebben voornamelijk betekenis als terri</para>
      <para>toria, waarin een overigens onbeperkt aantal algemeen-bestuur</para>
      <para>lijke functies kunnen worden uitgeoefend die op zichzelf geen</para>
      <para>verband behoeven te houden met die gebieden in fysieke zin.</para>
      <para>Daarentegen zijn de waterschapsgebieden als zodanig uitsluitend</para>
      <para>voorwerp in feitelijk opzicht van een bepaalde activiteit, 'de</para>
      <para>waterstaatkundige verzorging'&amp;lt;(8) Memorie van toelichting inzake de Wsw (MvT Wsw), Tweede</para>
      <para>Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19 995, nr. 3, blz. 19-20;</para>
      <para>vgl. J.J.I. Verburg (red.), de Waterschapswet - een</para>
      <para>artikelsgewijs commentaar, 1995 (hierna: Commentaar),</para>
      <para>blz. 20.&amp;gt;.</para>
      <para>7.3 De beperking van het waterschapsdoel tot die verzorging brengt</para>
      <para>mee dat een waterschap</para>
      <para>".... taken in zijn portefeuille moet hebben die een gebied</para>
      <para>niet enkel bestrijken maar ook onmisbaar zijn voor de</para>
      <para>instandhouding daarvan in waterstaatkundig opzicht. Dit</para>
      <para>laatste is bij uitstek het geval bij de zorg voor de water</para>
      <para>huishouding en bij die voor de waterkering. Vandaar dan ook</para>
      <para>dat bij de beoogde wettelijke karakterisering past dat de</para>
      <para>taakopdracht tenminste een van die beide zorggebieden&amp;lt;(9) M.: Het woord gebied heeft hier uiteraard een andere</para>
      <para>betekenis dan "waterschapsgebied".&amp;gt; moet betreffen. Daarmee is de mogelijkheid dat een water</para>
      <para>schap los staat van zorg voor waterhuishouding of</para>
      <para>waterkering uitgesloten."&amp;lt;(10) Memorie van antwoord inzake de Wsw (MvA Wsw), Tweede</para>
      <para>Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 19 995, nr. 6, blz. 15.&amp;gt;</para>
      <para>7.4 Als uitvloeisel van het functioneel karakter van het waterschap</para>
      <para>dient zijn gebied een 'waterstaatkundige begrenzing' te heb</para>
      <para>ben&amp;lt;(11)  MvA Wsw, blz. 16.&amp;gt;, die primair wordt bepaald 'door waterstaatkundige facto ren en</para>
      <para>in verband daarmee door overwegingen van doelmatig beheer'&amp;lt;(12) MvT Wsw, blz. 20.&amp;gt;.</para>
      <para>Zulks levert zoveel mogelijk 'een als waterstaatkundige eenheid</para>
      <para>aan te merken gebied'&amp;lt;(13) Nota naar aanleiding van het eindverslag inzake de Wsw</para>
      <para>(Nota eindverslag Wsw), Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-</para>
      <para>1990,</para>
      <para>19 995, nr. 13, blz. 15.&amp;gt; op als voorwerp van waterschapszorg, met</para>
      <para>dien verstande dat afzonderlijke taken daarbij tot andere uitkom</para>
      <para>sten, c.q. tot evenzoveel verschillende waterschapsgebieden</para>
      <para>kunnen leiden&amp;lt;(14) MvA Wsw, blz. 16. Vgl. punt 7.3.2. van mijn conclusie</para>
      <para>voor HR 11 juli 1984, BNB 1984/259*, m.nt. H.J. Hofstra.&amp;gt;.</para>
      <para>7.5 Andere dan waterstaatkundige factoren vervullen geen zelfstandi</para>
      <para>ge rol voor de gebiedsomschrijving:</para>
      <para>"Naar aanleiding van de omschrijving van het begrip water</para>
      <para>staatkundige eenheid merkten [enkele] leden op dat het</para>
      <para>waterbeheer de laatste jaren een sterke ontwikkeling heeft</para>
      <para>doorgemaakt waarin vele aspecten worden onderkend. Zij</para>
      <para>vroegen in dit verband of niet juist de mate waarin van die</para>
      <para>aspecten en van een samenhang, zowel intern als extern,</para>
      <para>sprake is de keuze van het waterschapsgebied dient te</para>
      <para>bepalen.</para>
      <para>Ik ben die mening niet toegedaan. Tot de bestuurlijk-</para>
      <para>organisatorische uitgangspunten van de waterstaatszorg</para>
      <para>behoort dat deze is gebonden aan fysieke objecten, d.w.z.</para>
      <para>stelsels van aaneensluitende waterkeringen respectievelijk</para>
      <para>van op elkaar aansluitende oppervlaktewateren; voorts dat</para>
      <para>men bij die zorg te maken heeft met bepaalde gebieden. Dit</para>
      <para>kunnen zowel gebieden zijn die door een stelsel van water</para>
      <para>keringen worden beschermd als gebieden waarin het water in</para>
      <para>uiteindelijk dezelfde bedding tot uitstroming komt</para>
      <para>(stroomgebieden), alsook gebieden waarin men uit een oog</para>
      <para>punt van waterbeheersing op een samenhangend stelsel van</para>
      <para>wateren is aangewezen (boezem- of poldergebieden). (...) De</para>
      <para>omstandigheid dat het waterbeheer de laatste jaren een</para>
      <para>sterke ontwikkeling heeft doorgemaakt waarin de noodzaak</para>
      <para>van een samenhangende benadering (zowel intern als extern)</para>
      <para>wordt onderkend, doet geen afbreuk aan genoemde uitgangs</para>
      <para>punten ...."&amp;lt;(15) Verslag van een schriftelijk overleg inzake de Wsw,</para>
      <para>Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 19 995, nr. 20,</para>
      <para>blz. 6-7.&amp;gt;</para>
      <para>7.6 Met betrekking tot de betekenis van de gebiedsomschrijving in</para>
      <para>verband met de ingezetenenomslag verwijs ik naar punt 10.3</para>
      <para>hierna.</para>
      <para>8 Objecten en wijzen van taakuitoefening</para>
      <para>8.1 Zowel de waterkerings- als de waterhuishoudingstaak hebben in de</para>
      <para>eerste plaats betrekking op het oppervlaktewater&amp;lt;(16) MvT Wsw, blz. 20.&amp;gt;; laatstbe</para>
      <para>doelde taak betreft voorts het grondwater voor zover dat door</para>
      <para>het oppervlaktewater wordt be5invloed&amp;lt;(17) MvA Wsw, blz. 17.&amp;gt;. (Ook) voor deze vormen</para>
      <para>van waterbeheer gaat de wetgever uit van de zgn. watersysteembe</para>
      <para>nadering:</para>
      <para>"Voorwerp van studie volgens die methode is de mogelijkheid</para>
      <para>om de verschillende beheersaspecten van het water (waaron</para>
      <para>der naast de zuiver waterstaatkundige ook andere - zoals de</para>
      <para>meer ecologisch gerichte - behoren) als één geheel te</para>
      <para>beschouwen teneinde daarmee ook voor het specifiek door</para>
      <para>waterschappen te voeren beheer te komen tot een systematiek</para>
      <para>voor bestuurlijk samenwerken en voor combineren en afwegen</para>
      <para>van belangen.</para>
      <para>Het betekent voor de waterschappen primair de brede kijk</para>
      <para>bij de behartiging van de taak als waterbeheerder, zonder</para>
      <para>dat dit als zodanig behoeft te leiden tot de toedeling van</para>
      <para>meer aan de waterstaatkundige verzorging grenzende (maar</para>
      <para>niet daartoe behorende) taken of het zoeken van een daarop</para>
      <para>beter toegesneden bestuursvorm. Wel zal die brede kijk niet</para>
      <para>zonder gevolg kunnen blijven voor de opvatting over hetgeen</para>
      <para>het beheersobject eigenlijk omvat, in dier voege dat er</para>
      <para>enige ontwikkeling plaats vindt van zuiver waterstaatkundig</para>
      <para>beheer naar het omgaan met water binnen het watersysteem</para>
      <para>waartoe het oppervlaktewater met bodem en oevers behoort.</para>
      <para>Een bredere opvatting over de in het waterbeheer besloten</para>
      <para>opdracht tot behartiging van belangen, nl. ook die welke</para>
      <para>niet enkel of in hoofdzaak het genot en het gebruik van</para>
      <para>onroerend goed maar tevens het watersysteem als zodanig</para>
      <para>betreffen, sluit aan op de gedachten over verbreding van</para>
      <para>bestuurssamenstelling zoals die vorm hebben gekregen in dit</para>
      <para>wetsontwerp."&amp;lt;(18) MvA Wsw, blz. 3.&amp;gt;</para>
      <para>8.2 In antwoord op vragen dienaangaande uit de Tweede Kamer, werd de</para>
      <para>begrenzing van de 'brede kijk' bij de taakuitoefening als volgt</para>
      <para>toegelicht:</para>
      <para>".... kenmerkend voor de watersysteembenadering is dat het</para>
      <para>waterbeheer door het waterschap - dat betrekking heeft op</para>
      <para>het oppervlaktewater - zich afspeelt binnen de context van</para>
      <para>het watersysteem in al zijn onderdelen, te weten: grondwa</para>
      <para>ter en oppervlaktewater, inclusief waterbodem, oevers,</para>
      <para>infrastructuur en biologische component.</para>
      <para>Een en ander betekent dat het watersysteem niet enkel wordt</para>
      <para>bezien binnen het kader van de (waterhuishoudkundige)</para>
      <para>verzorging van een bepaald gebied ten dienste van de mense</para>
      <para>lijke gebruiksfuncties van dat gebied, maar in ruimer ver</para>
      <para>band, namelijk de conditionering van dat gebied uit ecolo</para>
      <para>gisch oogpunt. In zoverre bepaalt het watersysteem mede de</para>
      <para>wijze waarop het waterschap de publieke taak voor zijn</para>
      <para>beheersgebied heeft op te vatten.</para>
      <para>Daarmee is .... niet gezegd dat het waterbeheer ten aanzien</para>
      <para>van oppervlaktewateren als waterschapstaak de zorg in zijn</para>
      <para>totaliteit van het watersysteem omvat.</para>
      <para>Ook zijn voor het goede functioneren van het watersysteem</para>
      <para>.... maatregelen en voorzieningen nodig die zijn gele-gen</para>
      <para>op het vlak van milieubeheer, landinrichting, natuur- en</para>
      <para>landschapsbeheer en ook dat van de ruimtelijke ordening.</para>
      <para>Taakgebieden derhalve die naar hun aard niet waterstaatkun</para>
      <para>dig van aard zijn en die dus per definitie niet kunnen</para>
      <para>worden geacht in de opdracht van het waterbeheer te zijn</para>
      <para>begrepen.</para>
      <para>Zoals deze leden terecht opmerkten, gaat de gewenste brede</para>
      <para>kijk niet zover dat het waterschap bestuurlijk ver</para>
      <para>antwoordelijk is voor de actieve behartiging van alle belan</para>
      <para>gen die bij het watersysteem zijn betrokken. Het beschermen</para>
      <para>en ontwikkelen van gezonde watersystemen gaat meestal</para>
      <para>meerdere overheden aan, elk vanuit eigen taken (invalshoek)</para>
      <para>en ten laste van eigen financiële middelen."&amp;lt;(19) Nota eindverslag Wsw, blz. 8-9. Vgl. A. van Hall, Over</para>
      <para>de brede kijk van de waterschappen, Milieu en Recht 1991,</para>
      <para>blz. 329 e.v.; Commentaar, blz. 30-32; J.T. van den</para>
      <para>Berg/Van Hall, Waterstaats- en waterschapsrecht, 1997,</para>
      <para>blz. 70-72.&amp;gt;</para>
      <para>9 Belang en belanghebbenden</para>
      <para>9.1 De potentiële belanghebbenden bij de taakuitoefening.</para>
      <para>9.1.1 In het kader van de trits belang-betaling-zeggenschap maakt de</para>
      <para>wetgever onderscheid tussen belangen die enkel of in hoofdzaak</para>
      <para>het genot en het gebruik van onroerend goed betreffen enerzijds,</para>
      <para>en belangen die - als uitvloeisel van de 'brede kijk' bij de</para>
      <para>taakuitoefening - tevens het watersysteem als zodanig betreffen</para>
      <para>anderzijds. In verband met laatstbedoelde belangen is een ver</para>
      <para>breding van bestuurssamenstelling tot stand gebracht (zie in het</para>
      <para>bijzonder het laatste gedeelte van het citaat in punt 8.1).</para>
      <para>9.1.2 Genoemde verbreding betreft de categorie van de ingezetenen&amp;lt;(20) Zie nader punt 5 van de conclusie van A-G Loeb in BNB</para>
      <para>1996/288c*.&amp;gt;.</para>
      <para>Dit is in de eerste plaats vastgelegd in art. 11 Wsw, dat 'als</para>
      <para>categorieën van belanghebbenden bij de uitoefening van de taken</para>
      <para>van het waterschap' die voor vertegenwoordiging in het water</para>
      <para>schapsbestuur in aanmerking komen (eerste lid), enerzijds noemt:</para>
      <para>-    de zakelijk gerechtigden tot en bepaalde (bedrijfsmatige)</para>
      <para>gebruikers van ongebouwde of gebouwde onroerende zaken (zie</para>
      <para>het tweede lid, onderdelen a, b, c, en e, Wsw),</para>
      <para>en anderzijds:</para>
      <para>-    de ingezetenen (tweede lid, onderdeel d).</para>
      <para>9.1.3 In de tweede plaats wijst art. 116 Wsw min of meer overeenkom</para>
      <para>stige&amp;lt;(21) De discrepanties zijn i.c. niet belang. Vgl. t.a.v. de</para>
      <para>ingezetenen punt 9 van de conclusie van A-G Loeb in BNB</para>
      <para>1996/</para>
      <para>288c*.&amp;gt; categorieën aan van mogelijke omslagplichtigen 'ter be</para>
      <para>strijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van</para>
      <para>taken die het waterschap zijn opgedragen'. Ingezetenen zijn</para>
      <para>degenen die woonplaats en het gebruik van woonruimte hebben 'in</para>
      <para>het gebied van het waterschap' (art. 118, lid 3, Wsw). Hoewel de</para>
      <para>wettekst dat voor de andere categorieën niet in alle gevallen</para>
      <para>met zoveel woorden zegt, geldt voor hen evenzeer dat de betref</para>
      <para>fende onroerende zaken in het waterschapsgebied moeten zijn gele</para>
      <para>gen&amp;lt;(22) Vgl. punt 5.2. van mijn conclusie voor BNB 1984/259*;</para>
      <para>Commentaar, blz. 20.&amp;gt;.</para>
      <para>9.1.4 Het belang van de gerechtigden tot en de gebruikers van onroe</para>
      <para>rende zaken is als volgt omschreven:</para>
      <para>"Voorzover bij dat belang sprake is van een fysieke gebon</para>
      <para>denheid aan onroerende ongebouwde en gebouwde goederen,</para>
      <para>gelegen in het gebied op welks waterstaatkundige verzorging</para>
      <para>de waterschapstaak per definitie is gericht, kan worden</para>
      <para>onderscheiden tussen tweeërlei soorten belang: t.w. ener</para>
      <para>zijds het belang bij de instandhouding van het onroerend</para>
      <para>goed als vermogensobject en anderzijds het belang van de</para>
      <para>mogelijkheid tot feitelijke aanwending overeenkomstig het</para>
      <para>gebruik waartoe het is bestemd; en wel onder zo gunstig</para>
      <para>mogelijke omstandigheden voor zover die laatste afhankelijk</para>
      <para>zijn van die waterstaatkundige verzorging. Bij het agra</para>
      <para>risch gebruik staat centraal het bereiken of handhaven van</para>
      <para>de opbrengst, bij het gebruik van andere onroerende goede</para>
      <para>ren is dat vooral het belang om gevrijwaard te zijn van</para>
      <para>stoornis in het gebruik door invloeden die zijn terug te</para>
      <para>voeren op hetzij de zorg voor de waterkering hetzij de zorg</para>
      <para>voor de waterbeheersing."&amp;lt;(23) MvT Wsw, blz. 22-23.&amp;gt;</para>
      <para>9.1.5 Dat ook ingezetenen bij de verrichtingen van het waterschap</para>
      <para>zijn betrokken, berust op de volgende overwegingen:</para>
      <para>"Toch is ook die benadering die stoelt op gebondenheid van</para>
      <para>het belang aan een bepaald onroerend goed nog niet ruim</para>
      <para>genoeg, gezien de draagwijdte van de waterschapstaak binnen</para>
      <para>de samenleving. Ook dient nl. in aanmerking te worden</para>
      <para>genomen dat het waterschap door de wijze waarop zijn be</para>
      <para>stuur inhoud geeft aan zijn op de waterstaatkundige verzor</para>
      <para>ging toegeschreven taken een zeer wezenlijke betekenis</para>
      <para>heeft voor de bewoonbaarheid van het land en de bescherming</para>
      <para>en verbetering van het leefmilieu; zaken derhalve waarop</para>
      <para>iedere inwoner in het gebied waarover de waterschapszorg</para>
      <para>zich uitstrekt, in principe aanspraak heeft (vgl. hiermee</para>
      <para>de omschrijving van het betreffende sociale grondrecht in</para>
      <para>artikel 21 van de Grondwet). Behalve aan de bescherming</para>
      <para>tegen onmiddellijk gevaar van overstroming of van aantas</para>
      <para>ting van de waterkwaliteit dient te worden gedacht aan het</para>
      <para>feit dat het waterschap nu eenmaal door de wijze waarop het</para>
      <para>zijn taak verricht raakt aan zaken als natuurbehoud, recre</para>
      <para>atie en landschapsschoon; kortom al die zaken waar eenieder</para>
      <para>als inwoner binnen het waterschapsgebied in principe baat</para>
      <para>bij kan hebben. Inzoverre hebben juist de inwoners, naast</para>
      <para>het specifieke belang bij de waterschapstaak als gebruiker</para>
      <para>van woonruimten .... ook een daarvan te onderscheiden</para>
      <para>rechtstreeks en continu belang van meer algemene aard, dat</para>
      <para>niet fysiek gebonden is aan hun woning doch aan het water</para>
      <para>schapsgebied als geheel."&amp;lt;(24) MvT Wsw, blz. 24.&amp;gt;</para>
      <para>9.2 Rechtstreeks en voortdurend belang</para>
      <para>9.2.1 In punt 7 mijn conclusie voor BNB 1984/259*, merkte ik reeds op</para>
      <para>dat het belang als grondslag voor de omslagheffing een veel</para>
      <para>beperktere betekenis heeft dan het belang, dat alle inwoners van</para>
      <para>Nederland hebben bij een goed functionerend waterschapsbestel</para>
      <para>als zodanig. Blijkens de wetsgeschiedenis van de Wsw is dat</para>
      <para>bestel nog steeds gebaseerd op 'de trits belang-betaling-zeggen</para>
      <para>schap'. Deze dient om</para>
      <para>".... het typisch functionele karakter van deze bestuurs</para>
      <para>vorm - op het terrein van de waterstaatszorg - te veranke</para>
      <para>ren."&amp;lt;(25) Nota eindverslag Wsw, blz. 17. Vgl. par. 4 van de conclu</para>
      <para>sie van A-G Loeb voor HR 26 juni 1996, BNB 1996/288c*,</para>
      <para>m.nt. G.J. van Leijenhorst.&amp;gt;</para>
      <para>Op grond van het functionele karakter van het waterschap zijn</para>
      <para>zowel de zeggenschap over, als de betalingsplicht voor de taak</para>
      <para>uitoefening afhankelijk van de aanwezigheid van een 'recht</para>
      <para>streeks en continu belang bij de waterschapsactiviteit'.</para>
      <para>9.2.2 Alvorens deze eis nader te kunnen duiden, zal over het begrip</para>
      <para>belang zelf meer duidelijkheid moeten bestaan. Ik stel voorop</para>
      <para>dat - althans in dit verband - ieder belang uit de aard der zaak</para>
      <para>steeds met aanwijsbare 'belanghebbenden' zal moeten samenhangen.</para>
      <para>Zulks blijkt bij voorbeeld met zoveel woorden uit de tekst van</para>
      <para>art. 11, lid 1, Wsw en volgt overigens ook uit het fundamentele</para>
      <para>gegeven dat zeggenschap en omslagplicht uiteindelijk altijd bij</para>
      <para>bepaalde personen zullen moeten berusten (rechtspersonen niet -</para>
      <para>op voorhand - uitgesloten). Derhalve kan de betekenis van het</para>
      <para>begrip belang in verband met onroerende zaken, zoals bedoeld in</para>
      <para>punt 9.1.4, nader omschreven worden als:</para>
      <para>"het voordelig effect van de waterschapsverrichtingen (t.w.</para>
      <para>instandhouding van [de gebruiksmogelijkheid van] onroerende</para>
      <para>zaken) voor diegenen, die qualitate qua (rechtens, resp.</para>
      <para>feitelijk) over dat effect kunnen beschikken"&amp;lt;(26) Vgl. A. van Gijn, De algemeene beginselen voor</para>
      <para>heffing van belastingen, Geschriften van de Vereeniging</para>
      <para>voor Belastingwetenschap, nr. 8, 1929, blz. 55-56.&amp;gt;.</para>
      <para>9.2.3 Deze omschrijving brengt tot uitdrukking dat belang in wezen be</para>
      <para>staat uit een relatie, i.c. tussen enerzijds een bepaalde over</para>
      <para>heidsprestatie en anderzijds juist díe personen, voor wie die</para>
      <para>prestatie enigerlei verschil uitmaakt. Dit verschil heeft een</para>
      <para>'potentieel' karakter: het moet kunnen intreden, doch behoeft</para>
      <para>dat niet in werkelijkheid te doen&amp;lt;(27) Vgl. P.C.E. van Wijmen, Recht, belang en rechtsbescher</para>
      <para>ming, 1981, blz. 122, alsmede de punten 2.2.1. en 2.2.3.</para>
      <para>van mijn conclusie voor HR 22 juli 1997, BNB 1997/328c*,</para>
      <para>m.nt. Van Leijenhorst.&amp;gt;. Voldoende verschil is</para>
      <para>bijvoorbeeld reeds de voorstelling wat de gevolgen zijn als</para>
      <para>dijken door onvoldoende onderhoud doorbreken; praktische onder</para>
      <para>vinding zal daar zelden voor nodig zijn.</para>
      <para>9.2.4 Dit voorbeeld illustreert tevens nader de functie van de sub</para>
      <para>ject-object relatie, die het begrip belang in essentie kenmerkt.</para>
      <para>Voor degenen die met het betrokken gebied geen fysieke binding</para>
      <para>hebben, bijvoorbeeld omdat zij elders wonen en er ook overigens</para>
      <para>zelf niets te zoeken hebben, is het belang bij (het onderhoud</para>
      <para>van) de waterkeringen, zo niet geheel afwezig, dan toch van</para>
      <para>geheel andere aard dan het belang van degenen die wel fysiek aan</para>
      <para>het gebied zijn gebonden.</para>
      <para>9.2.5 In dit licht gezien kan worden gesteld, dat met 'rechtstreeks',</para>
      <para>of ook wel 'direct'&amp;lt;(28) MvA Wsw, blz. 25.&amp;gt; belang een feitelijke en persoonlijke</para>
      <para>betrokkenheid van de 'belanghebbende' wordt bedoeld (en niet een</para>
      <para>indirecte betrokkenheid, bijvoorbeeld als familielid, of als lid</para>
      <para>van een natuurbeschermingsorganisatie, die gronden in het water</para>
      <para>schapsgebied bezit)&amp;lt;(29) Vgl. Nota eindverslag Wsw, blz. 22-23; Van Wijmen, a.w.</para>
      <para>blz. 201.&amp;gt;. Deze eis geeft dus een nadere invulling</para>
      <para>aan het subjectieve element van de belang-relatie. In feite is</para>
      <para>hij reeds verwoord in de opsommingen van categorieën van exclu</para>
      <para>sief belanghebbenden. Daarmee zijn anderen dan degenen die</para>
      <para>individueel tot die categorieën behoren, ook al kunnen die een</para>
      <para>zeker belang hebben, nochtans van zeggenschap en betaling uitge</para>
      <para>sloten&amp;lt;(30) Zie Verslag van een schriftelijk overleg inzake de Wsw,</para>
      <para>Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 19 995, nr. 20,</para>
      <para>blz. 10.&amp;gt;.</para>
      <para>9.2.6 Continu (of duurzaam&amp;lt;(31) Zie MvT Wsw, blz. 23.&amp;gt;) belang betekent, dat het bestaan van</para>
      <para>het belang bij voortduring afhankelijk is van de betreffende</para>
      <para>waterschapstaak. Niet voldoende zijn dus incidentele of toeval</para>
      <para>lige factoren, zoals een tijdelijke aanwezigheid in het water</para>
      <para>schapsgebied, of waterstaatswerken ter plaatse of elders die de</para>
      <para>waterstaatkundige toestand onvoldoende be5invloeden om een wezen</para>
      <para>lijk verschil voor het betreffende belang te kunnen uitmaken.</para>
      <para>Deze eis betreft mitsdien het objectieve element van de belang-</para>
      <para>relatie. De vraag of hij vervuld is, hangt uit de aard der zaak</para>
      <para>af van de concrete waterschapstaak(-vervulling) in samenhang met</para>
      <para>de omstandigheden ter plaatse.</para>
      <para>9.2.7 Gegeven een zekere kring van als zodanig potentieel</para>
      <para>rechtstreeks belanghebbenden, is derhalve uiteindelijk de conti</para>
      <para>nu-eis (de voortdurende betrokkenheid bij de verrichtingen van</para>
      <para>het waterschap) beslissend voor de vraag wie van hen een belang</para>
      <para>hebben van zodanig gewicht, dat daar (zeggenschapsrechten en)</para>
      <para>betalingsverplichtingen aan verbonden kunnen worden.</para>
      <para>10 Het ingezetenenbelang</para>
      <para>10.1 De benadering van de Wsw</para>
      <para>10.1.1 Blijkens art. 13, eerste lid, en art. 119, zesde lid, Wsw wordt</para>
      <para>door de wet het antwoord op de vraag of, en zo ja, in hoeverre</para>
      <para>een bepaalde categorie in concreto in aanmerking komt voor zeg</para>
      <para>genschap en omslagplicht, afhankelijk gesteld van de aard en de</para>
      <para>omvang van het belang en de belangen die de betreffende catego</para>
      <para>rie heeft bij de behartiging van de taken van het waterschap.</para>
      <para>Dit criterium geldt zowel voor de zeteltoekenning en -verdeling</para>
      <para>als voor de taaksgewijze toedeling van de waterschapskosten, de</para>
      <para>zgn. kostentoedeling.</para>
      <para>10.1.2 Het ingezetenenbelang mag niet vereenzelvigd worden met het</para>
      <para>belang van de gebruikers van woonruimten als zodanig:</para>
      <para>"[De ingezetenenomslag] kan slechts strekken tot omslag van</para>
      <para>dat deel van de kosten van bepaalde waterschapstaken dat</para>
      <para>valt toe te delen aan het algemeen belang van «wonen-wer</para>
      <para>ken-leven» in het waterschapsgebied, wel te onderscheiden</para>
      <para>van de (klassieke) specifieke belangen bij het genot en het</para>
      <para>gebruik van het onroerend goed. .... Daarmee wordt niet</para>
      <para>miskend dat ingezetenen op zich een specifiek en continu</para>
      <para>belang hebben bij het gebruik van «woongebouwd», doch dat</para>
      <para>belang moet toch veeleer worden beschouwd als deel uit te</para>
      <para>maken van het bovenaangeduide algemeen belang (waarin het</para>
      <para>a.h.w. opgaat) zodat geen plaats is voor een afzonderlijke</para>
      <para>toedeling van kosten aan de gebruikers woongebouwd als</para>
      <para>zodanig en dus ook niet voor een gebruikersomslag."&amp;lt;(32) MvA Wsw, blz. 57-58.&amp;gt;</para>
      <para>10.1.3 Voorts staat het ingezetenenbelang in geen geval voor niet-</para>
      <para>waterstaatkundige of zgn. bovenwaterschappelijke belangen&amp;lt;(33) Zie Nota eindverslag Wsw, blz. 9, 12.&amp;gt;.</para>
      <para>Voor zover de taakbehartiging redelijkerwijs moet worden geacht</para>
      <para>het belang van het gebied van het waterschap te boven te gaan op</para>
      <para>grond dat deze tevens in belangrijke mate de behartiging is van</para>
      <para>een nationaal of provinciaal belang, komen de kosten ten laste</para>
      <para>van het Rijk, onderscheidenlijk de daarbij betrokken provincie</para>
      <para>of provincies (art. 98, tweede volzin, Wsw).</para>
      <para>10.1.4 De wetgever heeft het ingezetenenbelang kennelijk willen verbin</para>
      <para>den aan de gevolgen van de watersysteembenadering, voor zover</para>
      <para>toegepast door de waterschappen:</para>
      <para>".... ook al wordt het waterbeheer uitgeoefend binnen</para>
      <para>context van het begrip watersysteem, kan dit toch niet</para>
      <para>verder reiken dan het geven van een bepaalde inhoud aan het</para>
      <para>de waterstaatkundige verzorging van het waterschapsgebied.</para>
      <para>Daarmee blijft het waterbeheer als taak voor het waterschap</para>
      <para>zijn functionele karakter behouden. Tegelijkertijd</para>
      <para>onderstreept de als wenselijke geoordeelde taakopvat ting</para>
      <para>dat het bij het waterbeheer - evenals bij de water</para>
      <para>staatkundige verzorging in zijn totaliteit genomen - om</para>
      <para>meer gaat dan de specifiek aan instandhouding en gebruik</para>
      <para>van onroerend goed verbonden belangen. Juist het onder</para>
      <para>kennen van de invloed van dat beheer op de conditionering</para>
      <para>van het beheersgebied als geheel is het motief om de inwo</para>
      <para>ners als zodanig, en wel als zelfstandige categorie belang</para>
      <para>hebbenden, een plaats te geven in het stelsel van de wet.</para>
      <para>Dat stelsel biedt nl. ruimte voor invoering van een ....</para>
      <para>inwonersomslag op basis van een kostentoedeling.</para>
      <para>Voor wat betreft de vraag .... naar de consequenties van de</para>
      <para>watersysteembenadering voor het omslagstelsel komt het er</para>
      <para>dus op neer dat dit stelsel daarmee rekening houdt doordat</para>
      <para>het ruimte biedt voor een afzonderlijke inwonersomslag.</para>
      <para>Naarmate die consequenties door de concrete behartiging van</para>
      <para>het algemene taakbelang ook in financieel opzicht</para>
      <para>duidelijker zijn aan te wijzen, ligt gebruik van die ruimte</para>
      <para>- door het waterschap dat de kostentoedeling heeft vast te</para>
      <para>stellen - ook meer voor de hand. ...."</para>
      <para>10.2 Rapportages en literatuur, algemeen</para>
      <para>10.2.1 In het rapport 'Het bestuur van het waterschap' van de Commis</para>
      <para>sie Waterschapsbestuur van de Unie van Waterschappen (hierna:</para>
      <para>UvW) van 1979 (Commissie Merkx) werd reeds binnen de zgn. taakbe</para>
      <para>langen (d.w.z. de belangen die direct afhankelijk zijn van de</para>
      <para>aan het waterschap opgedragen taak in het vlak van de water</para>
      <para>staatszorg) het volgende onderscheid gemaakt&amp;lt;(34) Rapport blz. 13-14.&amp;gt;:</para>
      <para>"Enerzijds vormt de bodem [inclusief oppervlaktewateren]</para>
      <para>ruimte die, en het milieu dat, voor diverse doeleinden van</para>
      <para>algemeen en bijzonder belang, mede door de waterstaatszorg</para>
      <para>ingericht en beheerd moet worden. Anderzijds is de bodem,</para>
      <para>in de meer beperkte betekenis van onroerend goed, een</para>
      <para>specifiek belangenobject in relatie tot de waterstaatszorg.</para>
      <para>Daarbij valt te constateren dat, voor zover het gaat om de</para>
      <para>bodem in de meer ruime betekenis van ruimte en leefmilieu,</para>
      <para>de taakuitoefening door het waterschap gericht is op de</para>
      <para>verzorging van de belangen van een ieder die in het gebied</para>
      <para>van het waterschap woonachtig is of verblijft. Deze belan</para>
      <para>gen kunnen als algemene taakbelangen worden aangeduid.</para>
      <para>Daarnaast valt te onderkennen dat bepaalde groepen van</para>
      <para>personen een specifiek belang hebben bij de waterstaatkun</para>
      <para>dige verzorging van de bodem in de meer beperkte betekenis</para>
      <para>van onroerend goed. De commissie heeft hierbij het oog op</para>
      <para>de personen die als eigenaar [waaronder mede te verstaan de</para>
      <para>anderszins zakelijke gerechtigden] of gebruiker [de eige</para>
      <para>naar-gebruiker, de pachter en de huurder] een bijzondere relatie tot die bodem hebben en uit dien hoofde, anders dan</para>
      <para>een ieder, een direct en onlosmakelijk taakbelang hebben</para>
      <para>bij de waterstaatkundige verzorging van die bodem. Welke</para>
      <para>groepen van personen in concreto een specifiek taakbelang</para>
      <para>hebben, hangt af van de aard van de betreffende water</para>
      <para>schapstaak en de wijze waarop zij daarbij betrokken zijn."</para>
      <para>10.2.2 Voortbouwend op dit onderscheid tussen algemeen en specifiek</para>
      <para>taakbelang werd in het rapport 'De financiën van het waterschap'</para>
      <para>(1983) van de Werkgroep waterschapsfinanciën van het Interpro</para>
      <para>vinciaal overleg en de UvW (Werkgroep Elfferich) de mogelijkheid</para>
      <para>geopperd van een algemene inwonersomslag&amp;lt;(35) Zie hierover punt 3.5. van de conclusie van A-G Loeb</para>
      <para>voor BNB 1996/288*.&amp;gt;. Deze omslag moest</para>
      <para>samenhangen met een algemeen taakbelang, door de Werkgroep als</para>
      <para>volgt omschreven&amp;lt;(36) Rapport blz. 23.&amp;gt;:</para>
      <para>"Het algemene taakbelang omvat het belang van het kunnen</para>
      <para>wonen, werken en recreëren in de leefruimte en het leefmi</para>
      <para>lieu, die worden geschapen en instandgehouden door de</para>
      <para>waterstaatkundige conditionering van de bodem."</para>
      <para>10.2.3 J. T. van der Wal, Financiering van de waterschapszorg, in:</para>
      <para>Waterstaatswetgeving - verleden, heden, toekomst, 1992, blz.</para>
      <para>270, concludeert,</para>
      <para>".... dat invoering van de ingezetenenomslag geen invloed</para>
      <para>heeft op de omvang van de taak van het waterschap, namelijk</para>
      <para>daardoor geen algemene belangen als recreatie, landschaps</para>
      <para>behoud enz. gaat omvatten. Voorts dat de invoering van de</para>
      <para>ingezetenenomslag geen verband houdt met de verdergaande</para>
      <para>eisen, die nu en in de toekomst aan de waterschappen worden</para>
      <para>gesteld bij het waterbeheer en ten aanzien van het in acht</para>
      <para>nemen van verdergaande belangen. Deze omslag beoogt niet de</para>
      <para>daaruit voortvloeiende kosten te dekken. Deze kosten zul</para>
      <para>len, als onderdeel van de totale onderhouds- en beheerskos</para>
      <para>ten over alle betrokken categorieën van de belanghebbenden</para>
      <para>bij de taakuitoefening door het waterschap moeten worden</para>
      <para>omgeslagen."</para>
      <para>10.2.4 Onder verwijzing naar de hiervóór onder 10.1.3 bedoelde passage</para>
      <para>in de Nota eindverslag Wsw, waarin wordt gezegd, dat het ingeze</para>
      <para>tenenbelang in geen geval staat voor niet-waterstaatkundige of</para>
      <para>zgn. bovenwaterschappelijke belangen, wordt in het Rapport</para>
      <para>Financieringsstructuur integraal waterbeheer van 1992 opge</para>
      <para>merkt&amp;lt;(37) Rapport van de Commissie Onderzoek Financieringsstelsel</para>
      <para>Waterbeheer (Commissie Zevenbergen), ingesteld door de</para>
      <para>Minister van Verkeer en Waterstaat, blz. 52-53.&amp;gt;:</para>
      <para>"De invoering van een ingezetenenomslag leidt op zich ook</para>
      <para>niet tot verruiming van de financiële middelen van het</para>
      <para>waterschap, maar slechts tot een verschuiving in de verde</para>
      <para>ling van de kosten. Meer categorieën betalen immers voor</para>
      <para>uitvoering van dezelfde taken.</para>
      <para>.......</para>
      <para>Ook vanuit dit oogpunt bezien, kan worden geconcludeerd dat</para>
      <para>een brede kijk niet afhankelijk is (en ook niet moet zijn)</para>
      <para>van een eventuele invoering van de ingezetenenomslag. Een</para>
      <para>dergelijke opstelling doet geen recht aan de mogelijke</para>
      <para>gevolgen van de invoering van een ingezetenenomslag en een</para>
      <para>ingezetenenvertegenwoordiging in de praktijk. De invoering</para>
      <para>van een ingezetenenvertegenwoordiging in het waterschapsbe</para>
      <para>stuur zal er namelijk toe kunnen leiden dat de samenstel</para>
      <para>ling van de besturen evenwichtiger wordt. Met name in</para>
      <para>waterschapsbesturen waar de agrarische belanghebbenden</para>
      <para>sterk zijn vertegenwoordigd, kan de introductie van een</para>
      <para>ingezetenenvertegenwoordiging in het bestuur wellicht van</para>
      <para>belang zijn om ervoor te zorgen dat de gewenste brede kijk</para>
      <para>eerder wordt opgepakt."</para>
      <para>10.2.5 Volgens de Toelichting op de model-omslagverordening Water-</para>
      <para>schapswet van de UvW (1993)&amp;lt;(38) Toelichting, Algemeen deel, blz. 2.&amp;gt; heeft</para>
      <para>".... de ingezetene als persoon een rechtstreeks belang</para>
      <para>.... bij de uitoefening van een of meer waterschapstaken.</para>
      <para>Het belang waar het bij de ingezetenen om gaat, is een</para>
      <para>algemeen taakbelang, dat wordt gekenmerkt doordat het</para>
      <para>subject- of persoonsgericht is. Dit belang bestaat hierin</para>
      <para>dat een ingezetene ongestoord kan wonen, werken en recre</para>
      <para>ëren, dus ook zich vrijelijk kan verplaatsen in het gebied van</para>
      <para>het waterschap. Aangezien het in casu om een immaterieel</para>
      <para>belang gaat kan dan ook niet worden gesteld dat de ene</para>
      <para>ingezetene een groter belang heeft dan de andere.</para>
      <para>Daarentegen is het belang dat ten grondslag ligt aan de</para>
      <para>omslagheffingen ongebouwd en gebouwd, een specifiek taakbe</para>
      <para>lang dat daardoor uit zijn aard object- of zaakgericht is.</para>
      <para>Dit houdt in dat het belang van de ongebouwde en gebouwde</para>
      <para>objecten bij de uitoefening van een of meer waterschapsta ken op de voorgrond staat. De instandhouding en het opti</para>
      <para>maal functioneren van die objecten zijn afhankelijk van</para>
      <para>goede waterschapsvoorzieningen. Gelet op het verschil in</para>
      <para>oppervlakten van de ongebouwde objecten en het verschil in</para>
      <para>waarden in het economisch verkeer van de gebouwde objecten,</para>
      <para>behoeft het geen betoog dat het belang van het ene object</para>
      <para>groter kan zijn dan dat van het andere bij de behartiging</para>
      <para>van een of meer waterschapstaken. ...."</para>
      <para>10.2.6 In verband met art. 15 van de model-verordening (omslagplicht</para>
      <para>ingezetenen) wordt in de voormelde Toelichting&amp;lt;(39) Blz. 29.&amp;gt; gezegd:</para>
      <para>"De rechtsgrond voor de omslagheffing ingezetenen</para>
      <para>omstandigheid dat dezen binnen het beheersgebied van het</para>
      <para>waterschap ongestoord kunnen wonen, werken en recreëren,</para>
      <para>zodat zij zich daarin vrijelijk kunnen verplaatsen, een en</para>
      <para>ander voorzover de behartiging van de waterschapstaak of -</para>
      <para>taken hen daartoe in staat stelt. Daarmee is tevens het</para>
      <para>ingezetenenbelang aangegeven. Aangezien de behartiging van</para>
      <para>de waterschapstaak of -taken ten aanzien van de ingezetenen</para>
      <para>immateriële waarden dient, moet het ingezetenenbelang</para>
      <para>worden gezien als een immaterieel belang. Doordat het</para>
      <para>ingezetenenbelang het waterschappelijk welzijn van natuur</para>
      <para>lijke personen tot oogmerk heeft, is dit belang naar zijn</para>
      <para>aard subject- of persoonsgericht."</para>
      <para>10.2.7 In min of meer gelijke zin luiden in het onderhavige geval de</para>
      <para>toelichting op de omslagverordening van het waterschap, blz. 2</para>
      <para>(bijlage d bij het vertoogschrift van het zuiveringschap) en de</para>
      <para>stellingname van het zuiveringschap voor het hof (zie het ver</para>
      <para>toogschrift, punten 5.5. e.v.).</para>
      <para>10.2.8 J. J. I. Verburg (red.) De Waterschapswet - een artikelsgewijs</para>
      <para>commentaar, 1995, blz. 70, stelt:</para>
      <para>"Het algemene taakbelang, waarvan de ingezetenen</para>
      <para>'dragers' zijn, is immers subject-gericht. Dat wil zeggen</para>
      <para>dat het belang, anders dan bij een specifiek taakbelang,</para>
      <para>niet aan een bepaald object (een onroerende zaak) is gebon</para>
      <para>den maar aan de persoon van de ingezetene zelf. Dit sub</para>
      <para>ject-gerichte karakter van het ingezetenenbelang blijkt ook</para>
      <para>uit de wetsgeschiedenis. In de memorie van toelichting</para>
      <para>wordt immers gesteld dat het ingezetenenbelang niet gebon</para>
      <para>den is aan de woonruimte maar aan het waterschapsgebied als</para>
      <para>geheel (MvT, p. 24)."</para>
      <para>Met betrekking tot het onderscheid tussen het belang van het</para>
      <para>woongebouwd en het ingezetenenbelang wordt nog gezegd (a.w. blz.</para>
      <para>251):</para>
      <para>"Met andere woorden: het algemeen taakbelang is subjectge</para>
      <para>richt en heeft een 'mobiel' karakter."</para>
      <para>10.2.9 Van den Berg/Van Hall, Waterstaats- en waterschapsrecht, 1997,</para>
      <para>blz. l93, beschouwen op soortgelijke gronden de ingezetenen</para>
      <para>omslag als een subjectieve of persoonlijke belasting.</para>
      <para>10.2.10 Voor diverse beschouwingen over de "brede kijk" verwijs ik voorts</para>
      <para>de bundel "Brede kijk, smalle marges" (red. J. J. de Graeff en</para>
      <para>J. C. de Looff, 1998). Uit de bijdrage "IJsvogels boven</para>
      <para>Dinkel?" van Th. G. Drupsteen citeer ik&amp;lt;(40) T.a.p. blz. 22/23.&amp;gt;:</para>
      <para>"Primair moet voor de waterschappen blijven staan de behar</para>
      <para>tiging van waterstaatkundige belangen in de zin van de zorg</para>
      <para>voor de waterkering en de waterhuishouding. Die zorg moet</para>
      <para>op een moderne, eigentijdse wijze worden uitgeoefend. Dit</para>
      <para>betekent dat dijken en kades op een andere wijze worden</para>
      <para>aangelegd en versterkt dan vroeger en dat bij de waterhuis</para>
      <para>houding met meer belangen rekening wordt gehouden dan</para>
      <para>vroeger. Maar het blijft naar mijn mening een kwestie van</para>
      <para>meenemen. Het waterschap heeft niet tot taak om los van</para>
      <para>waterstaatkundige belangen aan natuurbouw of natuurontwik</para>
      <para>keling te gaan doen. In het kader van dit meenemen zullen</para>
      <para>de extra kosten ook moeten worden bekeken. Zij zullen in</para>
      <para>een redelijke verhouding moeten staan tot de - wat ik nu</para>
      <para>maar even noem - primaire uit waterstaatkundig oogpunt te</para>
      <para>maken kosten. Overigens zal het lang niet altijd mogelijk</para>
      <para>zijn deze kosten zo uit te splitsen ...."</para>
      <para>10.3 Ingezetenenbelang en gebiedsomschrijving</para>
      <para>10.3.1 Bij de Rondzendbrief van 29 september 1993, nr. U 7990 AJBZ/EK,</para>
      <para>Belastingblad 1993, blz. 690 e.v., heeft de UvW de waterschappen</para>
      <para>over dit onderwerp geïnformeerd. Ik ontleen aan deze rondzend</para>
      <para>brief een aantal passages.</para>
      <para>10.3.2 "Betekenis reglementaire begrenzing</para>
      <para>.......</para>
      <para>Indien geconstateerd werd dat er onroerende zaken binnen het</para>
      <para>waterschapsgebied zijn, die geen belang hebben bij de taakuitoe</para>
      <para>fening, konden deze onroerende zaken eenvoudig buiten de omslag</para>
      <para>worden gehouden door het vaststellen van een omslagplichtig</para>
      <para>gebied waar deze onroerende zaken buiten vallen of door onroeren</para>
      <para>de zaken bij classificatie in te delen in een nul-klasse.</para>
      <para>Bij de ingezetenenomslag hebben de reglementaire waterschaps</para>
      <para>grenzen echter een veel "hardere" betekenis. Op grond van de</para>
      <para>Waterschapswet is iedereen die binnen die grenzen woont ingeze</para>
      <para>tene en wordt geacht als zodanig een belang bij de taakuitoe</para>
      <para>fening te hebben. Als het reglementaire waterschapsgebied echter</para>
      <para>niet aansluit bij het gebied dat daadwerkelijk belang heeft bij</para>
      <para>de taakuitoefening, kan deze benadering ertoe leiden dat ingeze</para>
      <para>tenen in de omslag worden betrokken waarbij niet of nauwelijks</para>
      <para>valt aan te geven wat hun belang is bij de taakuitoefening van</para>
      <para>het waterschap. Uit de jurisprudentie blijkt dat het waterschap</para>
      <para>het belang van belastingplichtigen desgevraagd aan moet tonen.</para>
      <para>Indien bepalingen in reglementen en verordeningen er toe leiden</para>
      <para>dat niet-belanghebbenden in de omslag worden betrokken, zal de</para>
      <para>belastingrechter dergelijke bepalingen onverbindend kunnen ver</para>
      <para>klaren. Een te ruime gebiedsomschrijving in het reglement kan er</para>
      <para>dan ook toe leiden dat de belastingrechter aanslagen in de</para>
      <para>waterschapsomslag vernietigt.</para>
      <para>......</para>
      <para>Het is echter ook de primaire verantwoordelijkheid van de pro</para>
      <para>vincie en niet van het waterschap de grenzen vast te leggen en</para>
      <para>in die zin lijkt een aanvullende regelgeving door het waterschap</para>
      <para>op dit punt twijfelachtig. Classificatie is ingevolge artikel</para>
      <para>120 uitsluitend mogelijk voor de specifieke taakbelangen en niet</para>
      <para>voor de algemene taakbelangen, waarvan de ingezetenen de dragers</para>
      <para>zijn.</para>
      <para>Om problemen te voorkomen is het derhalve dringend noodzakelijk</para>
      <para>dat de provincie bij het bepalen van de grenzen, zonodig per</para>
      <para>taak, vaststelt welke grenzen voor het waterschap gelden en deze</para>
      <para>grenzen vervolgens ook nauwkeurig vastlegt in het waterschaps-re</para>
      <para>glement. Benadrukt zij daarbij dat de noodzaak om de reglemen</para>
      <para>taire gebiedsomschrijving nauw te doen aansluiten bij het gebied</para>
      <para>dat feitelijk belang heeft bij de taakuitoefening met zich mee</para>
      <para>brengt dat een waterschap met verschillende taken ook verschil</para>
      <para>lende reglementaire gebieden kan hebben."</para>
      <para>10.3.3 "Reglementaire begrenzing</para>
      <para>......</para>
      <para>Er zijn echter omstandigheden denkbaar dat een algemeen taakbe</para>
      <para>lang bij de taakuitoefening van het waterschap is te onderken</para>
      <para>nen, hoewel de dragers van het belang (de ingezetenen) niet in</para>
      <para>het gebied wonen waar het waterschap die taak feitelijk uitoe</para>
      <para>fent. Dit wordt veroorzaakt door het verschil in karakter tussen</para>
      <para>het algemene en het specifieke taakbelang.</para>
      <para>Uit de wetsgeschiedenis van de Waterschapswet blijkt dat het</para>
      <para>belang van de ingezetenen niet is gebonden aan de plaats van hun</para>
      <para>woning ......</para>
      <para>Uit de wetsgeschiedenis blijkt derhalve dat het algemene taakbe</para>
      <para>lang subject- (of persoons-)gericht is en derhalve 'mobiel',</para>
      <para>terwijl de specifieke taakbelangen object- of zaakgericht zijn</para>
      <para>en (aangezien het om onroerende zaken gaat) niet mobiel. Hiervan</para>
      <para>uitgaande kan gesteld worden dat ingezetenen een belang kunnen</para>
      <para>hebben bij de taakuitoefening van het waterschap, ook indien zij</para>
      <para>niet wonen in het gebied waarin het waterschap zijn taken daad</para>
      <para>werkelijk uitoefent. Dit is in het bijzonder het geval indien de</para>
      <para>bewoonbaarheid en bruikbaarheid van het desbetreffende gebied in</para>
      <para>sterke mate afhankelijk is van het gebied waar het waterschap</para>
      <para>wel taken uitoefent. Te denken valt bijvoorbeeld aan de bewoners</para>
      <para>van het huis in het buitendijks gebied; voor alle voorzieningen</para>
      <para>zijn ze toch in sterke mate afhankelijk van het achter de dijk</para>
      <para>gelegen gebied en derhalve van de instandhouding daarvan door de</para>
      <para>taakuitoefening van het waterschap.</para>
      <para>De stelling dat het ingezetenenbelang zich onderscheidt van de</para>
      <para>specifieke taakbelangen, in de zin dat het 'mobiel' is en het</para>
      <para>derhalve mogelijk is dat voor dit belang een uitstralingseffect</para>
      <para>bestaat buiten het gebied waar de taak feitelijk wordt uitgeoe</para>
      <para>fend, wordt niet algemeen gedeeld.[M.: hierbij is een noot</para>
      <para>geplaatst; zie punt 10.3.4.]</para>
      <para>Het aannemen van de theorie dat er wat betreft het ingezetenen</para>
      <para>belang, gelet op het 'mobiele' karakter ervan, aanleiding kan</para>
      <para>zijn om ook een zeker belang te accepteren in gebieden waar het</para>
      <para>waterschap feitelijk geen taak uitoefent, is naar ons inzicht</para>
      <para>echter zeker verdedigbaar. .....</para>
      <para>Een belangrijke beperking van de keuzemogelijkheden van provin</para>
      <para>cie en waterschap is gelegen in de toetsing door de belasting</para>
      <para>rechter. Met ander woorden, het belang van de ingezetenen moet</para>
      <para>van een gedegen onderbouwing zijn voorzien."</para>
      <para>10.3.4 De in het vorige punt bedoelde noot luidt:</para>
      <para>"De vertegenwoordigers van het IPO (= Interprovinciaal over</para>
      <para>leg, M.) in de werkgroep gaat deze uitleg te ver. Naar hun</para>
      <para>oordeel biedt de Waterschapswet geen ruimte om bij de</para>
      <para>vaststelling van het belanghebbende gebied subjectgebonden</para>
      <para>algemene taakbelangen principieel anders te behandelen dat</para>
      <para>objectgebonden specifieke taakbelangen. Met andere woorden,</para>
      <para>daar waar groepen van onroerende zaken niet in de omslag</para>
      <para>kunnen worden betrokken, bijvoorbeeld omdat zij buitendijks</para>
      <para>zijn gelegen, of anderszins geen belang hebben bij de taken</para>
      <para>waterkering en/of waterbeheersing, kan voor de bewoners van</para>
      <para>de hierbedoelde onroerende zaken bezwaarlijk wel een dien</para>
      <para>overeenkomstig belang worden staande gehouden."</para>
      <para>10.4 Kostentoedeling ingezetenen</para>
      <para>10.4.1 De MvA Wsw, blz. 58, zegt:</para>
      <para>"In de lijn van het algemene 'ingezetenen-belang' ligt, dat</para>
      <para>voor de hoogte van de omslag wordt gedacht aan een gelijk</para>
      <para>bedrag per omslagplichtige. Anderzijds moet worden bedacht</para>
      <para>dat een ingezetenen-omslag, waaraan iedere ingezetene (...)</para>
      <para>zou zijn onderworpen, ondoelmatig zou zijn (...). Niet onredelijk is het naar mijn mening om de ingezetenen voor</para>
      <para>de ingezetenen-omslag te identificeren met huishoudens, in</para>
      <para>dier voege dat per huishouden slechts één aanslag wordt</para>
      <para>opgelegd aan één omslagplichtige die als ingezetene wordt</para>
      <para>aangemerkt."</para>
      <para>10.4.2 In het rapport 'De financiën van het waterschap' (zie 10.2.2)</para>
      <para>zijn kostentoedelingsmethoden ontwikkeld met inbegrip van inge</para>
      <para>zetenenkostendelen. Het onderscheid tussen algemene en speci</para>
      <para>fieke taakbelangen betekende volgens het rapport (blz. 31), dat</para>
      <para>de kostenverdeling tussen deze belangen 'slechts op gevoelsmati</para>
      <para>ge gronden kan worden aangegegeven.'</para>
      <para>10.4.3 Op blz. 30 van het 'Rapport inzake de kostentoedeling' (1989)</para>
      <para>van de Werkgroep vervolgstudie waterschapsfinanciën van de UvW</para>
      <para>(Werkgroep Havelaar) wordt deze problematiek als volgt uitge</para>
      <para>drukt:</para>
      <para>"Terwijl de algemene taakbelangen betrekking hebben</para>
      <para>bewoonbaarheid van het gebied als geheel, zijn de specifie</para>
      <para>ke taakbelangen gericht op de instandhouding en de aanwen</para>
      <para>dingsmogelijkheden van de onroerende goederen. In verband</para>
      <para>hiermee is het niet mogelijk de belangen van de represen</para>
      <para>tanten van de algemene taakbelangen (ingezetenen, subjec</para>
      <para>ten) met behulp van rekenkundige methodieken af te wegen</para>
      <para>tegen de belangen van de representanten van de specifieke</para>
      <para>taakbelangen (onroerende goederen, objecten). Een en ander</para>
      <para>heeft tot gevolg dat de afweging tussen algemene en speci</para>
      <para>fieke taakbelangen meer 'zoekenderwijs' met meeweging van</para>
      <para>niet-kwantificeerbare factoren dient te geschieden."</para>
      <para>In het Rapport wordt met betrekking tot de waterkeringszorg</para>
      <para>gezegd (samenvatting, blz. 8), dat daarvoor alleen kosten aan de</para>
      <para>ingezetenen worden toegedeeld,</para>
      <para>"indien het waterschap primaire waterkeringen in de zin van</para>
      <para>de (ontwerp-)Wet op de waterkering in beheer heeft. Indien</para>
      <para>hiervan sprake is dient het kostenaandeel van de ingezete</para>
      <para>nen zich te bewegen tussen de 35 en 50% van de totale</para>
      <para>kosten voor waterkeringszorg, waarbij dan geen onderscheid</para>
      <para>meer wordt gemaakt tussen de kosten van primaire en overige</para>
      <para>waterkeringen. Binnen deze bandbreedte van 35 tot 50% wordt</para>
      <para>het kostenaandeel van de ingezetenen nader ingevuld aan de</para>
      <para>hand van de bevolkingsdichtheid van het waterschap."</para>
      <para>Met betrekking tot het waterkwantiteitsbeheer wordt op blz. 9</para>
      <para>gezegd:</para>
      <para>"Aangezien de nadruk van het waterkwantiteitsbeheer ligt</para>
      <para>de waterstaatkundige verzorging van de bodem ten behoeve</para>
      <para>van gebouwd en ongebouwd wordt aan het kostenaandeel van de</para>
      <para>ingezetenen een maximum verbonden van 30%.</para>
      <para>.....</para>
      <para>Voorts mag aangenomen worden dat de ingezetenen alleen in</para>
      <para>het waterschapsbestuur vertegenwoordigd worden als er</para>
      <para>sprake is van een zeker substantieel belang. Toegepast op</para>
      <para>het waterkwantiteitsbeheer betekent dit dat ingezetenen</para>
      <para>niet in het bestuur komen en er dus geen kosten aan de</para>
      <para>ingezetenen toegedeeld behoeven te worden indien deze</para>
      <para>categorie voor zijn functioneren in het waterschapsgebied</para>
      <para>niet of nauwelijks afhankelijk is van de waterstaatkundige</para>
      <para>verzorging door het waterschap. In verband hiermee en mede</para>
      <para>gelet op de praktische toepasbaarheid van de ingezetenenom</para>
      <para>slag, wordt bij het kostenaandeel uitgegaan van een onder</para>
      <para>grens van 15%.</para>
      <para>Op deze wijze onstaat een bandbreedte van 15 tot 30%,</para>
      <para>waarbinnen het kostenaandeel van de ingezetenen bij het</para>
      <para>totale waterkwantiteitsbeheer zich dient te bewegen. De</para>
      <para>invulling binnen deze bandbreedte wordt gerelateerd aan de</para>
      <para>mate waarin de ingezetenen voor hun functioneren in het</para>
      <para>waterschapsgebied afhankelijk zijn van het waterkwanti</para>
      <para>teitsbeheer. Daarbij wordt van de volgende indeling uitge</para>
      <para>gaan.</para>
      <para>__________________________________________________________</para>
      <para>Mate van afhankelijkheid      Kostenaandeel ingezetenen</para>
      <para>__________________________________________________________</para>
      <para>Gering                                15 à 20%</para>
      <para>Aanmerkelijk                          20 à 25%</para>
      <para>Sterk                                 25 à 30%</para>
      <para>Binnen deze marges kan het kostenaandeel van de ingezetenen</para>
      <para>per waterschap nader geconcretiseerd worden aan de hand van</para>
      <para>de bevolkingsdichtheid, in die zin dat het kostenaandeel</para>
      <para>kleiner/groter is, naar mate de bevolkingsdichtheid lager/</para>
      <para>hoger is."</para>
      <para>En op blz. 10 voor wat betreft de overige taken (mits sprake is</para>
      <para>van een reglementaire taak):</para>
      <para>"Voor de toedeling van de kosten van het wegenbeheer ...</para>
      <para>de functie van het wegennet van belang. Op grond van de</para>
      <para>algemene verkeersfunctie kunnen kosten toegedeeld worden</para>
      <para>aan de ingezetenen. De ontsluitingsfunctie van wegen is</para>
      <para>daarentegen met name van belang voor de onroerende goede</para>
      <para>ren. De kostentoedeling aan de ingezetenen respectievelijk</para>
      <para>aan de onroerende goederen kan geschieden op basis van</para>
      <para>algemene weging van de algemene verkeersfunctie en de</para>
      <para>ontsluitingsfunctie ...."</para>
      <para>10.4.4 De kostentoedelingsverordening van het waterschap (vertoog</para>
      <para>schrift, bijlage f) is blijkens haar toelichting gebaseerd op</para>
      <para>laatstgenoemd rapport.</para>
      <para>10.4.5 De onder 10.3 bedoelde Rondzendbrief van de UvW bevat de volgen</para>
      <para>de slotopmerking:</para>
      <para>"Als een waterschap meerdere taken heeft, en deze taken</para>
      <para>verschillende delen van het waterschapsgebied uitoefent, is</para>
      <para>het op grond van het bovenstaande mogelijk dat er in het</para>
      <para>waterschapsgebied verschillende taakgebieden zijn. Dat</para>
      <para>heeft tot gevolg dat onder omstandigheden ingezetenen niet</para>
      <para>voor alle taken van het waterschap zullen hoeven te beta</para>
      <para>len. De hoogte van de ingezetenenomslag is dan niet voor</para>
      <para>alle ingezetenen gelijk ....</para>
      <para>Dit is niet in strijd met art. 121 Waterschapswet, dat</para>
      <para>bepaalt dat de ingezetenenomslag wordt vastgesteld op een</para>
      <para>gelijk bedrag per woonruimte. Een logische wetsinterpreta</para>
      <para>tie brengt met zich mee dat dit artikel (analoog aan arti</para>
      <para>kel 120, zesde lid, over het tarief gebouwd en ongebouwd en</para>
      <para>overeenkomstig de opzet van de kostentoedeling- en omslag</para>
      <para>structuur per taak) wordt gelezen in de zin van een gelijk</para>
      <para>bedrag per taak."</para>
      <para>10.4.6 In het Rapport Water centraal - Waterbeheer in de volgende</para>
      <para>eeuw, van een 'denktank' van de UvW, 1996, wordt een drieledig</para>
      <para>onderscheid gemaakt van de belangen die betrokken zijn bij het</para>
      <para>beheer van watersystemen (blz. 36):</para>
      <para>"-   leefbelangen: de taakuitoefening van het waterschap</para>
      <para>gericht op de bescherming van watersystemen ten behoe</para>
      <para>ve van een gezond leefmilieu en de bewoonbaarheid van</para>
      <para>het land;</para>
      <para>-   economisch belang: door de taakuitoefening van het</para>
      <para>waterschap kan het watersysteem worden gebruikt voor</para>
      <para>allerlei economische activiteiten (inclusief conditio</para>
      <para>nering van de bodem) en zijn economische waarden be</para>
      <para>schermd tegen overstroming;</para>
      <para>-   negatief belang: door de taakuitoefening van het wa</para>
      <para>terschap wordt het watersysteem beschermd tegen be</para>
      <para>dreigingen als gevolg van de activiteiten van derden</para>
      <para>(bijvoorbeeld via het lozen van afvalwater)."</para>
      <para>Als dragers van deze belangen ziet de Commissie twee catego</para>
      <para>rieën: burgers en bedrijven, die tezamen het leefbelang, het econo</para>
      <para>misch belang en het negatief belang vertegenwoordigen. Met</para>
      <para>betrekking tot de maatstaf van heffing moet volgens de Commissie</para>
      <para>een keuze worden gemaakt hetzij voor een benadering op basis van</para>
      <para>het solidariteitsprincipe (forfaitaire heffingen), hetzij juist</para>
      <para>een sterk geïndividualiseerde benadering waarbij gedacht kan</para>
      <para>worden aan het waterspoor (blz. 37).</para>
      <para>10.4.7 Als vervolg hierop stelt de Commissie onderzoek financiering</para>
      <para>van de UvW (Commissie Togtema) in een tussenrapport (april 1998)</para>
      <para>op blz. 7 het volgende:</para>
      <para>"Vanuit de gedachte dat met name het watersysteembeheer</para>
      <para>de zorg voor de veiligheid als een collectief goed zijn te</para>
      <para>beschouwen, wordt het kostenveroorzakingsbeginsel tot op</para>
      <para>zekere hoogte losgelaten en vervangen door het solidari</para>
      <para>teitsbeginsel. Eerstgenoemd beginsel speelt in die zin</para>
      <para>weliswaar nog een rol dat het bepalend is bij de beantwoor</para>
      <para>ding van de vraag of er een belang is en er dus betaald</para>
      <para>moet worden; de omvang van het belang en daarmee van de</para>
      <para>betaling wordt evenwel niet langer door het kostenveroorza</para>
      <para>kingsbeginsel bepaald.</para>
      <para>......</para>
      <para>Bij dit basispakket, dat de commissie aanwezig acht bij het</para>
      <para>watersysteembeheer, de veiligheidszorg en het wegenbeheer,</para>
      <para>zijn twee soorten belangen te onderscheiden:</para>
      <para>- het objectbelang, dat zich richt op de instandhouding van</para>
      <para>ongebouwde en gebouwde onroerende zaken en daarmee een</para>
      <para>specifiek eigenaarsbelang is. De dragers van het objectbe</para>
      <para>lang oftewel de belastingplichtigen zijn dan ook de eige</para>
      <para>naren van ongebouwde en gebouwde onroerende zaken;</para>
      <para>- het subjectbelang, dat zich richt op het kunnen wonen,</para>
      <para>werken, recreëren en produceren. De dragers van dit</para>
      <para>subjectbelang zijn de gebruikers van ongebouwde en gebouwde</para>
      <para>onroerende zaken.</para>
      <para>De kosten van het basispakket zullen door de dragers van</para>
      <para>deze object- en subjectbelangen moeten worden opgebracht.</para>
      <para>Als verdeelsleutel tussen beide categorieën stelt de com</para>
      <para>missie hierbij 50-50 voor onder verwijzing naar de bestaan</para>
      <para>de kostenverdeling tussen eigenaren en pachters van cul</para>
      <para>tuurgronden. Voorts stelt de commissie voor om voor de</para>
      <para>bepaling van het objectbelang en het subjectbelang de</para>
      <para>economische waarde van de onroerende zaken als uniforme</para>
      <para>maatstaf te nemen. Voor tariefsdifferentiatie in de vorm</para>
      <para>van classificatie is niet langer plaats. Verschillen in</para>
      <para>economische waarde leiden uiteraard wel tot verschillen in</para>
      <para>betaling."</para>
      <para>10.4.8 Het laatstvermelde tussenrapport is besproken door J. A.</para>
      <para>Monsma, Belastingblad 1998, blz. 427 e.v. Hij beoordeelt het</para>
      <para>rapport als geheel positief. Wel beschouwt hij (t.a.p. blz. 432)</para>
      <para>enerzijds het (tot op zekere hoogte) loslaten van het kostenver</para>
      <para>oorzakings beginsel en anderzijds vasthouden aan de aanwezigheid</para>
      <para>van belang als criterium voor het kunnen ontstaan van een beta</para>
      <para>lingsverplichting enigszins hinken op twee gedachten. Hetzelfde</para>
      <para>geldt naar zijn mening voor de gedachte dat de economische</para>
      <para>waarde een maatstaf vormt voor de bepaling van niet alleen het</para>
      <para>objectbelang, maar ook het subjectbelang. Het is hem niet duide</para>
      <para>lijk waarom met name de gebruiker van een duurdere onroerende</para>
      <para>zaak meer belang zou hebben bij de taakuitoefening van het</para>
      <para>waterschap dan die van een minder dure onroerende zaak&amp;lt;(41) Een kritische kanttekening die naar de mening van de</para>
      <para>schrijver overigens ook voor de gemeentelijke onroerende</para>
      <para>zaakbelastingen - die ook geacht wordt te zijn gebaseerd</para>
      <para>op het profijtbeginsel in ruime zin - kan worden gemaakt.&amp;gt;. Voorts</para>
      <para>vraagt hij zich af of de 50-50 verdeelsleutel tot een maatschap</para>
      <para>pelijk aanvaardbare lastenverdeling leidt.</para>
      <para>10.4.9 Het tussenrapport is ook besproken door Y.J. van Hijum in Het</para>
      <para>Waterschap, 1998, blz. 517 e.v. Hij stelt voorop dat eerst over</para>
      <para>de inhoud en reikwijdte van de waterschapstaken duidelijkheid</para>
      <para>moet bestaan, voordat men aan herziening van het belastingstel</para>
      <para>sel begint. Dienaangaande vraagt hij zich eveneens af of de</para>
      <para>waarde in het economische verkeer en een uitsluitend aan die</para>
      <para>waarde gerelateerde kostentoedeling het belang behalve eenvoudi</para>
      <para>ger ook rechtvaardiger uitdrukt dan de huidige maatstaven.</para>
      <para>Daarnaast lijkt hem een bezwaar dat het systeem van het tussen</para>
      <para>rapport uniformerend werkt, waardoor het niet langer mogelijk is</para>
      <para>om op regionaal niveau uitgangspunten voor de kostentoedeling</para>
      <para>vast te stellen en het belang invulling te geven.</para>
      <para>11 Beschouwingen</para>
      <para>11.1 Algemeen</para>
      <para>11.1.1 Met betrekking tot de vraag in welke gevallen een ingezetene</para>
      <para>een zodanig belang heeft bij de activiteiten van het waterschap</para>
      <para>dat het heffen van een omslag gerechtvaardigd is, kunnen naar</para>
      <para>het mij voorkomt in hoofdzaak vier opvattingen worden onder</para>
      <para>scheiden.</para>
      <para>11.1.2 De eerste, meest ruime, opvatting is, dat alle ingezetenen</para>
      <para>binnen het gebied van het waterschap, zoals dat gebied door de</para>
      <para>provincie is vastgesteld, geacht worden belang te hebben bij de</para>
      <para>activiteiten van het waterschap.</para>
      <para>11.1.3 De tweede opvatting is gelijk aan de eerste opvatting maar met</para>
      <para>de beperking, dat er voor een ingezetenenomslag slechts ruimte</para>
      <para>is als - en eventueel in zoverre - het waterschap in het kader</para>
      <para>van de "brede kijk" meer kosten maakt dan het zou hebben gemaakt</para>
      <para>zonder die "brede kijk".</para>
      <para>11.1.4 De derde opvatting is, dat van een relevant ingezetenenbelang</para>
      <para>slechts sprake kan zijn, als er tenminste een zodanige object-</para>
      <para>relatie is, dat de gebruikte onroerende zaak (voor bewoners: het</para>
      <para>"woongebouwd") een specifiek taakbelang heeft, d.w.z. in de</para>
      <para>waterschapsomslag gebouwd betrokken wordt voor wat betreft</para>
      <para>waterkering en/of waterhuishouding (in geval van classificatie</para>
      <para>hoger dan de nul-klasse).</para>
      <para>11.1.5 De vierde opvatting is gelijk aan de derde opvatting, maar met</para>
      <para>dezelfde beperking als in de tweede opvatting.</para>
      <para>11.2 De eerste opvatting</para>
      <para>11.2.1 Het is duidelijk dat het alle inwoners van Nederland op eniger</para>
      <para>lei wijze zou treffen in hun wonen, werken en recreëren als de</para>
      <para>waterschappen hun werk niet deden en Nederland voor meer dan de</para>
      <para>helft onder water zou staan. Dit betekent, dat alle inwoners</para>
      <para>enig belang hebben bij de activiteiten van de waterschappen. Het</para>
      <para>zou dus heel wel denkbaar zijn om die activiteiten - althans</para>
      <para>voor een deel - te bekostigen uit de algemene middelen via de</para>
      <para>normale belastingheffing. De uitkeringen aan de waterschappen</para>
      <para>zouden m.i. dan gerelateerd moeten zijn aan de kosten die de</para>
      <para>onderscheiden waterschappen maken en niet aan het aantal inwo</para>
      <para>ners binnen het beheersgebied van het waterschap. Het maakt</para>
      <para>immers voor het algemeen belang en voor de kosten niet uit of</para>
      <para>een bepaalde zeedijk 10.000 of 100.000 inwoners beschermt.</para>
      <para>11.2.2 Het is denkbaar dat iedere provincie haar totale gebied zodanig</para>
      <para>verdeelt in waterschapsgebieden, dat iedere ingezetene van de</para>
      <para>provincie in het gebied van een waterschap woont. In het licht</para>
      <para>van het gestelde in het vorige punt zou geen van die ingezetenen</para>
      <para>kunnen beweren, dat hij geen enkel belang bij de verrichtingen</para>
      <para>van "zijn" waterschap heeft. Zijn belang heet voortaan</para>
      <para>algemeen belang maar algemeen taakbelang. Het enige wat verder</para>
      <para>nog verandert, vergeleken met de situatie in het vorige punt, is</para>
      <para>dat de hoogte van de ingezetenenomslag per waterschap gaat</para>
      <para>verschillen, afhankelijk van de totale kosten van dat waterschap</para>
      <para>en van de vraag hoe hoog het waterschap het algemeen taakbelang</para>
      <para>van de ingezetenen schat vergeleken met de specifieke belangen</para>
      <para>(gebouwd en ongebouwd). Verder hangt de hoogte van de omslag dan</para>
      <para>af van het aantal ingezetenen (zie bijv. 10.4.3). De enige</para>
      <para>zekerheid die de ingezetenen in deze opvatting hebben is, dat de</para>
      <para>omslag wordt vastgesteld op een gelijk bedrag per woonruimte</para>
      <para>(art. 121 Wsw), m.a.w. classificatie komt niet aan de orde (zie</para>
      <para>voor een variant 10.4.5).</para>
      <para>11.2.3 Dat bepaalde opvattingen tot de consequenties leiden als om</para>
      <para>schreven in het vorige punt is m.i. geenszins denkbeeldig. Uit</para>
      <para>geen van de talrijke citaten in de punten 9 en 10 hiervóór is</para>
      <para>mij duidelijk geworden, wat het - in termen van kostentoedeling</para>
      <para>relevante - verschil is tussen het algemeen belang als bedoeld</para>
      <para>in punt 11.2.1 en het algemeen taakbelang dat ingezetenen geacht</para>
      <para>worden te hebben bij de taakverrichting van één bepaald water</para>
      <para>schap. In de vorenbedoelde citaten tref ik hierover slechts vage</para>
      <para>noties aan, bijv. waar in algemeen luidende termen wordt gewaar</para>
      <para>schuwd tegen een te grote uitbreiding voor wat betreft bovenwa</para>
      <para>terschappelijke taken (10.1.3, 10.2.3, 10.2.4 eerste alinea,</para>
      <para>10.2.10), waar de kostenverdeling tussen de onderscheiden belan</para>
      <para>gen slechts "op gevoelsmatige gronden" kan worden aangegegeven</para>
      <para>(10.4.2) of "zoekenderwijs met meeweging van niet-kwantificeer</para>
      <para>bare factoren" (10.4.3), waar het algemeen taakbelang wordt</para>
      <para>aangeduid als een "immaterieel belang", zulks ter rechtvaardi</para>
      <para>ging van de gedachte dat iedere ingezetene een even groot belang</para>
      <para>heeft (10.2.5, 10.2.6), waar dat belang "niet fysiek gebonden</para>
      <para>aan de woning doch aan het waterschapsgebied als geheel" (9.2.5,</para>
      <para>slot), "subject- of persoonsgericht" (10.2.5, 10.2.6, 10.2.8,</para>
      <para>10.2.9) of "mobiel" wordt genoemd ter verdediging dat het een</para>
      <para>uitstralingseffect heeft buiten het gebied waar de taak feite</para>
      <para>lijk wordt uitgeoefend, met bijv. als consequentie dat ook de</para>
      <para>bewoner van een buitendijks gelegen huis, dat geen specifiek</para>
      <para>taakbelang heeft bij de verrichtingen van het waterschap&amp;lt;(42) En dus in zoverre hetzij niet tot het gebied van het</para>
      <para>waterschap behoort te worden gerekend (zie HR 11 juli</para>
      <para>1984, BNB 1984/259* m.nt. H. J.Hofstra en recentelijk Hof</para>
      <para>Leeuwarden 14 november 1997, nr. BK 1061/95 M I,</para>
      <para>Belastingblad 1998, blz. 406), dan wel binnen een</para>
      <para>classificatie in de nul-klasse behoort te zijn ingedeeld</para>
      <para>(vgl. HR 1 maart 1995, BNB 1995/133c*, m.nt. G. J. van</para>
      <para>Leijenhorst, waar het overigens ging om een hooggelegen</para>
      <para>perceel; voor wat betreft de bewijsvoering inzake de</para>
      <para>specifieke taakbelangen verdedigde ik in punt 2.2.7 van</para>
      <para>mijn conclusie voor dat arrest een ruime opvatting in die</para>
      <para>zin, dat de taakvervulling van het waterschap zich ook</para>
      <para>geheel buiten het wateroverlast veroorzakende perceel kan</para>
      <para>afspelen).&amp;gt; in de</para>
      <para>ingezetenenomslag kan worden betrokken (10.3.3). Het is dan ook</para>
      <para>niet te verwonderen, dat men in de latere rapportages niet goed</para>
      <para>raad lijkt te weten met het belangcriterium als richtsnoer voor</para>
      <para>de ingezetenenomslag en men er meer en meer over denkt het</para>
      <para>kostenveroorzakingsbeginsel te vervangen door het solidariteits</para>
      <para>beginsel (10.4.6 - 10.4.9). De stap naar een systeem als om</para>
      <para>schreven in punt 11.2.1 is dan niet erg groot meer.&amp;lt;(43) A. van Hall (Samen verantwoordelijk, óók voor de centen,</para>
      <para>in: Brede kijk, smalle marges, blz. 38) vindt het</para>
      <para>vervangen van de ingezetenenomslag door een rijksbijdrage</para>
      <para>in een nationaal fonds, waaruit vervolgens waterschappen</para>
      <para>een uitkering per ingezetene ontvangen, vooralsnog</para>
      <para>ongewenst. De band van de ingezetene met het gebied, die</para>
      <para>sinds 1995 geleidelijk sterker wordt, zou onnodig onder</para>
      <para>druk komen te staan. &amp;gt;</para>
      <para>11.2.4 Nu wordt in de vermelde rapportages en literatuur niet, althans</para>
      <para>niet met zoveel woorden verdedigd, dat de wetgever bedoeld zou</para>
      <para>hebben dat het begrip ingezetenenbelang zodanig ruim moet worden</para>
      <para>opgevat, dat het de provincie vrij zou staan de grenzen van de</para>
      <para>waterschapsgebieden min of meer willekeurig te bepalen en de</para>
      <para>waterschappen vervolgens de inwoners van die gebieden zonder</para>
      <para>meer als omslagplichtige ingezetenen te verklaren op grond van</para>
      <para>hun veronderstelde (wellicht fictieve) algemene taakbelang.</para>
      <para>In het Rapport inzake de kostentoedeling, geciteerd in punt</para>
      <para>10.4.3, wordt gezegd dat geen kosten aan de ingezetenen toege</para>
      <para>deeld behoeven te worden indien deze categorie voor zijn functi</para>
      <para>oneren in het waterschapsgebied niet of nauwelijks afhankelijk</para>
      <para>is van de waterstaatkundige verzorging door het waterschap.</para>
      <para>Vervolgens onderscheidt het rapport de mate van afhankelijkheid</para>
      <para>(en het dienovereenkomstig te bepalen kostenaandeel) van de</para>
      <para>ingezetenen in gering, aanmerkelijk en sterk.</para>
      <para>In het citaat in punt 10.3.2 uit de Rondzendbrief van 1993,</para>
      <para>wordt gezegd dat bij de ingezetenenomslag de reglementaire</para>
      <para>waterschapsgrenzen een veel "hardere" betekenis hebben en dat</para>
      <para>ieder die binnen die grenzen woont geacht wordt als zodanig een</para>
      <para>belang bij de taakuitoefening te hebben, maar vervolgens wordt</para>
      <para>gezegd, dat als het waterschapsgebied niet aansluit bij het</para>
      <para>gebied dat werkelijk belang heeft bij de taakuitoefening deze</para>
      <para>benadering ertoe kan leiden dat ingezetenen in de omslag worden</para>
      <para>betrokken waarbij niet of nauwelijks valt aan te geven wat hun</para>
      <para>belang is bij de taakuitoefening van het waterschap. Dit kan er</para>
      <para>dan toe leiden dat de belastingrechter de bepaling van de water</para>
      <para>schapsgrenzen vernietigt. Het citaat in punt 10.3.3 besluit "Met</para>
      <para>andere woorden, het belang van de ingezetenen moet van een</para>
      <para>gedegen onderbouwing worden voorzien." Wat een onderbouwing als</para>
      <para>daar bedoeld meer of anders zou kunnen inhouden dan een verwij</para>
      <para>zing naar het algemene taakbelang zoals in abstracte termen</para>
      <para>omschreven in de wetsgeschiedenis en de rapportages, is mij</para>
      <para>overigens niet duidelijk. Het zou mij welkom zijn geweest als er</para>
      <para>in de rapportages en literatuur enkele voorbeelden zouden zijn</para>
      <para>genoemd waarin een ingezetene geen enkel "algemeen taakbelang"</para>
      <para>heeft bij de verrichtingen van het waterschap in wiens gebied</para>
      <para>hij is ingedeeld.</para>
      <para>11.2.5 In de door belanghebbende in het onderhavige geval als bijlage</para>
      <para>3 bij het beroepschrift in cassatie overgelegde Toelichting bij</para>
      <para>het Reglement voor de Gelderse waterschappen van de provincie</para>
      <para>Gelderland wordt op blz. 4 opgemerkt:</para>
      <para>"Het belang van de ingezetenen is zo algemeen, dat slechts</para>
      <para>in zeer uitzonderlijke gevallen tot ontbreken van belang</para>
      <para>van de ingezetenen geconcludeerd moet worden. In den lande</para>
      <para>is aanvaard dat deze uitzonderlijke gevallen zich kunnen</para>
      <para>voordoen indien door de waterkeringszorg niet het gehele</para>
      <para>gebied van een waterschap direct wordt beschermd. ...."</para>
      <para>en op blz. 5:</para>
      <para>"In geval van overstromingen zal het regionale maatschappe-</para>
      <para>lijk verkeer sterk worden verstoord. Dit hangt mede samen</para>
      <para>met het feit dat de Veluwe een door waterhuishoudkundige</para>
      <para>hoofdsystemen ingesloten gebied is. In geval van doorbraak</para>
      <para>van de waterkeringen ligt de Veluwe, evenals de Utrechtse</para>
      <para>Heuvelrug, geïsoleerd. De mate van belang van de ingezete</para>
      <para>nen op de Veluwe is natuurlijk niet overal gelijk, maar is</para>
      <para>ook nergens zodanig te verwaarlozen dat er geen belang</para>
      <para>aanwezig is."</para>
      <para>11.2.6 In het voorafgaande heb ik betoogd, dat in beginsel iedere in-</para>
      <para>woner van Nederland enig belang heeft bij de taakuitoefening van</para>
      <para>de waterschappen (11.2.1) en dus ook bij die van het waterschap</para>
      <para>waarin hij is ingedeeld. Voorts achtte ik het onderscheid tussen</para>
      <para>dit (algemene) belang en het algemene taakbelang dat een indivi</para>
      <para>duele ingezetene van een waterschap geacht wordt te hebben,</para>
      <para>onduidelijk (11.2.2 en 11.2.3) en kon ik mij (categorieën van)</para>
      <para>gevallen waarin een zodanig belang geheel afwezig is, moeilijk</para>
      <para>voorstellen (11.2.4).</para>
      <para>11.2.7 Ik neem aan dat de hier weergegeven (eerste) opvatting onjuist</para>
      <para>is, m.a.w. dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn ge</para>
      <para>weest, dat de provincies een onbeperkte vrijheid hebben met</para>
      <para>betrekking tot de gebiedsomschrijving van de waterschappen en de</para>
      <para>daarmee samenhangende veronderstelde ingezetenenbelangen. Hier</para>
      <para>van uitgaande rijst de vraag hoe het begrip ingezetenenbelang</para>
      <para>(en daarmee de vertegenwoordiging en de omslag) zou kunnen</para>
      <para>worden beperkt op een zinvolle en uitvoerbare wijze.</para>
      <para>11.3 De tweede opvatting</para>
      <para>11.3.1 De tweede opvatting, zoals weergegeven in punt 11.1.3, kan</para>
      <para>worden verdedigd met een beroep op de wetsgeschiedenis, blijkens</para>
      <para>welke zowel de zeggenschap van ingezetenen als de ingezetenenom</para>
      <para>slag direct samenhangen met het "integraal waterbeheer" of de</para>
      <para>"watersysteembenadering" door middel van een "brede kijk" van de</para>
      <para>waterschappen. Zie daarover de punten 8.1, slot, 8.2, 9.2.1,</para>
      <para>9.2.2, 9.2.5 en 10.1.4. In de laatste alinea van het citaat in</para>
      <para>punt 10.1.4 wordt bijv. uitdrukkelijk gezegd, dat de consequen</para>
      <para>tie van de watersysteembenadering voor het omslagstelsel erop</para>
      <para>neerkomt, dat dit stelsel ruimte biedt voor een afzonderlijke</para>
      <para>inwonersomslag en dat het gebruik van die ruimte ook meer voor</para>
      <para>de hand ligt naarmate die consequenties door de concrete behar</para>
      <para>tiging van het algemene taakbelang ook in financieel opzicht</para>
      <para>duidelijker zijn aan te wijzen.</para>
      <para>11.3.2 Op grond van deze wetsgeschiedenis zou het begrip "belang"</para>
      <para>ingezetenen kunnen worden beperkt tot de gevallen waarin als</para>
      <para>gevolg van de "brede kijk" van het waterschap de kosten van de</para>
      <para>verrichtingen hoger uitvallen dan zonder die "brede kijk" het</para>
      <para>geval zou zijn. Ook de hoogte van de ingezetenenomslag zou</para>
      <para>kunnen worden gerelateerd aan die hogere kosten. Zowel voor wat</para>
      <para>betreft de ingezetenenomslag als zodanig als de hoogte ervan</para>
      <para>geeft deze visie een rechtvaardigingsgrond, enerzijds doordat</para>
      <para>daarmee aan de ingezetenen duidelijk wordt gemaakt in welk</para>
      <para>opzicht hun algemeen taakbelang zich onderscheidt van het alge</para>
      <para>meen belang als bedoeld in punt 11.2.1, anderzijds in welk</para>
      <para>opzicht (en in hoeverre) hun algemeen taakbelang zich onder</para>
      <para>scheidt van de specifieke taakbelangen, waarop de specifieke</para>
      <para>omslagen gebouwd en omgebouwd betrekking hebben.</para>
      <para>11.3.3 Een bezwaar tegen deze benadering zou kunnen zijn dat het moei</para>
      <para>lijk is om onderscheid te maken tussen waterschappen die opere</para>
      <para>ren vanuit een "brede kijk" en waterschappen die dat niet doen.</para>
      <para>Wellicht zijn er waterschappen die (min of meer vanzelfsprekend)</para>
      <para>vanuit een "brede kijk" opereren, zonder dat uitdrukkelijk zo te</para>
      <para>noemen, maar ook het omgekeerde lijkt mij denkbaar. Denkbaar is</para>
      <para>wellicht ook dat een waterschap een bepaalde taak wel en een</para>
      <para>andere taak niet vanuit die visie verricht.</para>
      <para>Dit bezwaar lijkt mij niet onoverkomelijk. De bewijslast,</para>
      <para>dat er met de brede visie samenhangende kosten worden gemaakt</para>
      <para>alsmede betreffende de omvang van die kosten, ligt naar het mij</para>
      <para>voorkomt bij het waterschap, dat toch in staat moet zijn aan de</para>
      <para>hand van de plannen en de kostenbegrotingen daarover een uit</para>
      <para>spraak te doen.</para>
      <para>11.3.4 Een tweede bezwaar zou kunnen zijn dat het, aangenomen dat een</para>
      <para>waterschap vanuit een "brede kijk" opereert, veelal moeilijk kan</para>
      <para>zijn om de hogere kosten van die visie te kwantificeren (vgl.</para>
      <para>Drupsteen, geciteerd in punt 10.2.10). En veronderstellend dat</para>
      <para>zodanige kwantificering mogelijk is en het ingezetenenbelang aan</para>
      <para>die hogere kosten wordt gerelateerd, hoe zit het dan met de eis</para>
      <para>van de duurzaamheid van dat belang als er een bepaald project is</para>
      <para>voltooid en volledig betaald en er bijv. in een volgend jaar</para>
      <para>geen projecten met hogere kosten zijn?</para>
      <para>Het lijkt mij aannemelijk, dat per project ongeveer (dus</para>
      <para>globaal en niet tot op de laatste cent nauwkeurig) kan worden</para>
      <para>berekend in hoeverre de kosten als gevolg van de "brede kijk"</para>
      <para>hoger zijn geworden, dan het geval zou zijn geweest als het</para>
      <para>project zou zijn uitgevoerd op basis van een louter waterstaat</para>
      <para>kundig beheer. En wat de duurzaamheid betreft: de kosten zullen</para>
      <para>worden geactiveerd en via afschrijving over een aantal jaren via</para>
      <para>de omslag moeten worden betaald. Voor zover de kosten slechts op</para>
      <para>één jaar betrekking hebben, kunnen zij in de omslag van dat jaar</para>
      <para>worden betrokken. Denkbaar is in deze benadering dat er een jaar</para>
      <para>kan zijn waarin geen kosten van de hier bedoelde aard te verha</para>
      <para>len zijn. Welnu, dan is er ook geen reden voor een ingezetenen</para>
      <para>omslag in dat jaar.</para>
      <para>11.3.5 In de literatuur wordt soms het verband tussen de ingezetenenom</para>
      <para>slag en de eerderbedoelde hogere kosten ontkend (Van der Wal,</para>
      <para>zie punt 10.2.3) of soms betoogd, dat de introductie van de</para>
      <para>ingezetenenvertegenwoordiging (en -omslag) ervoor kan zorgen dat</para>
      <para>de gewenste brede kijk eerder wordt opgepakt (Rapport Financie</para>
      <para>ringsstructuur integraal waterbeheer, zie punt 10.2.4). Voor het</para>
      <para>standpunt, dat de kost voor de baat uitgaat, m.a.w. dat een</para>
      <para>waterschap zich pas een "brede kijk" kan veroorloven, indien het</para>
      <para>een bepaalde zekerheid heeft deze (via een tevoren in te stellen</para>
      <para>ingezetenenomslag) te kunnen financieren (vgl. de punten 10.2.4.</para>
      <para>en 10.2.5) is wel iets te zeggen.</para>
      <para>Het lijkt mij niet in strijd met hetgeen onder 11.3.3 en</para>
      <para>11.3.4 is betoogd, dat de aanloopkosten van een in voorbereiding</para>
      <para>zijnde project, dat voldoende concreet is en waarvan de uitvoe</para>
      <para>ring op korte termijn wordt ter hand genomen, voor wat betreft</para>
      <para>het aandeel van de "brede kijk" in de ingezetenenomslag wordt</para>
      <para>betrokken. Zelfs lijkt het mij verdedigbaar dat met betrekking</para>
      <para>tot een project, dat aan deze eisen voldoet, een zekere mate van</para>
      <para>fondsvorming mogelijk moet zijn via de omslag.</para>
      <para>11.3.6 Van Hall betoogt&amp;lt;(44) Brede kijk, smalle marges, blz. 41.&amp;gt;:</para>
      <para>"Ik zou het liefst af willen van kwalificaties zoals brede</para>
      <para>kijk en taak- en verwante belangen. ..... Brede kijk als</para>
      <para>adagium roept in zoverre misverstanden op als zou je water</para>
      <para>systeembeheer met een gedateerde 'jaren zeventig'-kijk</para>
      <para>kunnen uitoefenen. Er is maar één kijk mogelijk: garant</para>
      <para>staan voor je taak zoals die uit regelgeving en nota's</para>
      <para>volgt. Dit alles gericht op duurzaamheid van watersystemen.</para>
      <para>Brede kijk suggereert dat het ook smaller kan. Dat is niet</para>
      <para>zo. Duurzaamheid verdraagt zich niet met te enge bestuur</para>
      <para>lijke opvattingen ...."</para>
      <para>11.3.7 Dit - op zichzelf toe te juichen - (toekomst)beeld roept in het</para>
      <para>kader van de hier aan de orde zijnde tweede opvatting het be</para>
      <para>zwaar op, dat als alle waterschappen verondersteld mogen worden</para>
      <para>te opereren vanuit een "brede kijk" met de daarbij behorende</para>
      <para>ingezetenenomslag, het ingezetenenbelang en daarmee de -omslag</para>
      <para>geen territoriale beperkingen meer kent en wij weer terug zijn</para>
      <para>bij de eerste opvatting van punt 11.2, met alle bezwaren daar</para>
      <para>van.</para>
      <para>11.3.8 Gelet op de genoemde bezwaren en met name het laatste bezwaar</para>
      <para>is het de vraag of het niet denkbaar is om het begrip ingezete</para>
      <para>nenbelang (al dan niet naast een op basis van de "brede kijk"-ge</para>
      <para>dachte te verdedigen beperking) op een andere wijze te beperken.</para>
      <para>11.4 De derde opvatting</para>
      <para>11.4.1 De in punt 11.1.4 bedoelde opvatting is reeds vermeld in punt</para>
      <para>10.3.4, waarin het standpunt van de vertegenwoordigers van het</para>
      <para>Interprovinciaal overleg wordt weergegeven. De opvatting komt</para>
      <para>erop neer, dat voor de aanwezigheid van een relevant algemeen</para>
      <para>taakbelang van de ingezetene tenminste vereist is, dat diens</para>
      <para>woning enig belang heeft bij de "klassieke" taken van het water</para>
      <para>schap met betrekking tot de waterkering en/of waterbeheersing</para>
      <para>(waterhuishouding). Valt die woning voor wat betreft die taken</para>
      <para>buiten de gebiedsomschrijving van het waterschap (of, wat in</para>
      <para>resultaat op hetzelfde neerkomt, binnen de gebiedsomschrijving</para>
      <para>is - of zou behoren te zijn - ingedeeld in de nul-klasse), dan</para>
      <para>kan van een algemeen taakbelang geen sprake zijn.</para>
      <para>11.4.2 De eerste alinea van het citaat in punt 10.3.2 uit de Rondzend</para>
      <para>brief van de UvW van 1993 lijkt - zij het aarzelend - in de</para>
      <para>richting van deze opvatting te wijzen. In het citaat in punt</para>
      <para>10.3.3 uit die Rondzendbrief wordt dit echter duidelijk terugge</para>
      <para>nomen met een beroep op de wetsgeschiedenis, waaruit blijkt dat</para>
      <para>het belang van de ingezetenen niet is gebonden aan de plaats van</para>
      <para>hun woning (zie ook punt 9.2.5, slot).</para>
      <para>11.4.3 Als ervan mag worden uitgegaan dat niet iedere inwoner van Ne</para>
      <para>derland een algemeen taakbelang heeft bij de taakuitoefening van</para>
      <para>een bepaald waterschap en er dus enige beperking moet worden</para>
      <para>gesteld aan het ingezetenenbelang, lijkt mij de beperking beslo</para>
      <para>ten deze derde opvatting het meest zinvol en tevens uitvoerbaar.</para>
      <para>Het ligt naar mijn mening bepaald niet voor de hand dat ingeze</para>
      <para>tenen wier woning geen enkel (of nauwelijks enig) specifiek</para>
      <para>taakbelang heeft bij de activiteiten van het waterschap bij het</para>
      <para>bestuur van het waterschap zouden moeten worden betrokken. Het</para>
      <para>heffen van een ingezetenenomslag is dan evenmin op zijn plaats.</para>
      <para>Het is een zodanige ingezetene niet gemakkelijk duidelijk te</para>
      <para>maken waarom hij zou moeten meebetalen aan kosten van verrich</para>
      <para>tingen die geen enkel (althans geen enkel direct) verband houden</para>
      <para>met zijn woning (vgl. het vraagstuk dienaangaande in het onder</para>
      <para>havige geval, alsmede het geval in de zaak, aanhangig onder nr.</para>
      <para>32.788).</para>
      <para>11.5 De vierde opvatting</para>
      <para>11.5.1 Deze opvatting is vermeld in punt 11.1.5. Door de combinatie</para>
      <para>met de derde opvatting vervalt het belangrijkste bezwaar tegen</para>
      <para>de tweede opvatting (zoals verwoord in punt 11.3.7). Dit bete</para>
      <para>kent, dat deze vierde opvatting mijn voorkeur heeft.</para>
      <para>11.5.2 Samenvattend moet in deze opvatting bij elke ingezetenenomslag</para>
      <para>worden onderzocht:</para>
      <para>a.   of de woning van de in de omslag betrokken ingezetenen</para>
      <para>enig (meer dan een zeer gering) specifiek taakbelang heeft bij</para>
      <para>de (klassieke) waterschapsverrichtingen (waterkering en/of</para>
      <para>waterbeheersing) en zo ja,</para>
      <para>b.   wat (globaal beoordeeld) de totale kosten zijn van de</para>
      <para>"brede kijk" van het waterschap, die aan het jaar, waarop de</para>
      <para>omslag betrekking heeft, kunnen worden toegerekend;</para>
      <para>c.   of de onder b bedoelde totale kosten, marginaal ge</para>
      <para>toetst, op een redelijke wijze over de ingezetenen zijn omgesla</para>
      <para>gen (vgl. bijv. de differentiatie als aangegeven in punt</para>
      <para>10.4.5).</para>
      <para>12  Het onderhavige geval</para>
      <para>12.1 Belanghebbende heeft in haar pleitnotitie voor het hof (ingelast in</para>
      <para>de uitspraak) gesteld:</para>
      <para>"Het waterschap vindt rechtvaardiging in het heffen van</para>
      <para>bijvoorbeeld het ingezetenen-aandeel, in het feit dat de</para>
      <para>taken van het waterschap zijn geïntensiveerd. Belanghebben</para>
      <para>de spreekt deze redenering niet tegen, echter blijft zij</para>
      <para>erbij dat inwoners uit een gebied dat absoluut geen belang</para>
      <para>heeft bij de taken en verrichtingen van het waterschap,</para>
      <para>moeten meebetalen aan voorzieningen die niet nodig zijn</para>
      <para>voor hun gebied. Belanghebbende wordt, wonend in een deel</para>
      <para>van het Centraal Veluws Natuurgebied, betrokken in heffin</para>
      <para>gen voor zaken waarvoor het natuurgebied geen waterschap</para>
      <para>nodig heeft."</para>
      <para>12.2 Het hof heeft overwogen:</para>
      <para>"7.1. De ingezetenenomslag is, blijkens de geschiedenis van</para>
      <para>de totstandkoming van artikel 116, meer in het bijzonder</para>
      <para>onderdeel d, van de Waterschapswet, bedoeld als een heffing</para>
      <para>van alle ingezetenen, die verondersteld worden belang te</para>
      <para>hebben bij de taakuitoefening van het waterschap die wonen,</para>
      <para>werken en leven in zijn gebied mogelijk maakt. Volgens</para>
      <para>artikel 118, lid 3, wordt als ingezetene aangemerkt degene</para>
      <para>die blijkens het persoonsregister van de gemeente bij het</para>
      <para>begin van het belastingjaar wooonplaats heeft in het water</para>
      <para>schapsgebied en aldaar het gebruik heeft van woonruimte.</para>
      <para>Gebruik van woonruimte door leden van een gezamenlijke</para>
      <para>huishouding wordt aangemerkt als gebruik door één lid van</para>
      <para>dat huishouden. Artikel 121 bepaalt voorts nog dat de om-</para>
      <para>slag wordt vastgesteld op een gelijk bedrag per woonruimte.</para>
      <para>7.2. Aan de heffing van de ingezetenenomslag van belangheb</para>
      <para>bende kan dan ook, anders dan zij bepleit, niet de voorwaar</para>
      <para>de worden gesteld dat haar perceel belang heeft bij enig</para>
      <para>specifiek onderdeel van de aan het waterschap opgedragen</para>
      <para>waterstaatkundige zorg. De in het bezwaarschrift opgeworpen</para>
      <para>en in beroep herhaalde grief, toegelicht als onder 5.3.1.3</para>
      <para>is weergegeven, stuit hierop af."</para>
      <para>12.3 In de onder 11.5 verdedigde vierde opvatting is - anders dan het hof</para>
      <para>in rov. 7.2 overweegt - een (eerste) voorwaarde voor het heffen</para>
      <para>van ingezetenenomslag dat de woning  belang heeft bij enig speci</para>
      <para>fiek onderdeel van waterstaatkundige zorg. Het oordeel van het</para>
      <para>hof is dus onjuist. Aan een feitelijke vaststelling dat de</para>
      <para>woning van belanghebbende geen bijzonder taakbelang heeft bij de</para>
      <para>taakuitoefening van het waterschap is het hof niet toegekomen.</para>
      <para>In zijn opvatting was wat ook niet nodig, evenmin als het hof</para>
      <para>het nodig zal hebben geoordeeld vast te stellen of deze stelling</para>
      <para>van belanghebbende al dan niet door het zuiveringschap is</para>
      <para>weersproken.</para>
      <para>12.4 In haar beroepschrift in cassatie zegt belanghebbende, onder</para>
      <para>verwijzing naar de Toelichting op het Reglement voor de Gelderse</para>
      <para>waterschappen (geciteerd in punt 11.2.5), dat</para>
      <para>"(...) ingezetenenheffing misplaatst kan zijn als het</para>
      <para>betrokken gebied geen belang heeft bij water-keringszorg,</para>
      <para>wat naar in confesso is met het mijn perceel omringende</para>
      <para>gebied het geval is (van gebouwd en ongebouwd onroerend</para>
      <para>goed worden alleen lasten geheven voor de water-beheersing</para>
      <para>en niet voor de waterkering). Daarmee staat m.i. vast dat</para>
      <para>mij de aanslag ingezetenenheffing ten onrechte is opge</para>
      <para>legd."</para>
      <para>12.5 Indien Uw Raad met mij de vierde opvatting de juiste acht, zal</para>
      <para>de uitspraak van het hof moeten worden vernietigd en zal de zaak</para>
      <para>moeten worden verwezen naar een ander hof ten einde te doen</para>
      <para>vaststellen (zie punt 11.5.2):</para>
      <para>a.   of de woning van belanghebbende enig (meer dan een zeer</para>
      <para>gering) specifiek taakbelang heeft bij de taakuitoefening van</para>
      <para>het waterschap voor wat betreft de waterkering en/of de</para>
      <para>waterbeheersing;</para>
      <para>b.   bij bevestigende beantwoording van vraag a, of het</para>
      <para>waterschap aan het betreffende jaar toerekenbare kosten heeft</para>
      <para>gemaakt in verband met de "brede kijk" en zo ja, wat de globale</para>
      <para>omvang van die kosten is;</para>
      <para>c.   bij bevestigende beantwoording van vraag b, of de</para>
      <para>ingezetenenomslag van het waterschap, marginaal getoetst, in</para>
      <para>overeenstemming is met de onder b bedoelde omvang van de kosten.</para>
      <para>13 Conclusie</para>
      <para>Het tweede cassatiemiddel gegrond bevindend, concludeer ik tot</para>
      <para>vernietiging van de uitspraak van het hof en tot verwijzing van</para>
      <para>de zaak naar een ander hof ter verdere afdoening.</para>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
      <para>A-G i.b.d.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>