<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1999:AA1482</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:07:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA1482</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1999-10-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">R99/009HR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1999:AA1482" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:AA1482</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006640&amp;artikel=II&amp;g=1999-10-29">Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding) II</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JOL 1999, 98</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 62</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 1999, 161</rdf:li>
          <rdf:li>EB 2000, 2</rdf:li>
          <rdf:li>FJR 2000, 4</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA1482">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:AA1482</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:33:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1999:AA1482 Parket bij de Hoge Raad , 29-10-1999 / R99/009HR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA1482:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1999:AA1482:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
  <parablock>
    <para>Rek.nr. R99/009HR                  Mr Strikwerda</para>
    <para>Parket, 10 sept. 1999              conclusie inzake</para>
    <para>C.M.A. Kruitwagen</para>
    <para>tegen</para>
    <para>H.E.B. Zuiverloon</para>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para>1.  De partijen in dit geding zijn op 25 oktober 1957 met</para>
    <para>elkaar gehuwd. Hun huwelijk is op 22 juli 1982 ontbonden door</para>
    <para>inschrijving van het echtscheidingsvonnis van de Rechtbank te</para>
    <para>Haarlem van 16 maart 1982 in de registers van de burgerlijke</para>
    <para>stand. In genoemd echtscheidingsvonnis is de man (thans ver</para>
    <para>weerder in cassatie) veroordeeld om aan de vrouw (thans ver</para>
    <para>zoekster van cassatie) een bijdrage in de kosten van haar</para>
    <para>levensonderhoud te betalen van f 2.000,- per maand. Bij be</para>
    <para>schikking van de Rechtbank te Haarlem van 18 december 1992 is</para>
    <para>de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de</para>
    <para>vrouw nader vastgesteld op een bedrag van f 2.200,-.</para>
    <para>2.  Op 15 augustus 1997 heeft de man bij de Rechtbank te 's-</para>
    <para>Hertogenbosch een verzoekschrift ingediend strekkende tot</para>
    <para>wijziging van de zojuist genoemde beschikking van de Rechtbank</para>
    <para>te Haarlem in die zin dat hij primair heeft verzocht zijn</para>
    <para>onderhoudsverplichting jegens de vrouw per 22 juli 1997 te</para>
    <para>beëindigen en subsidiair de onderhoudsbijdrage te verminderen en</para>
    <para>vast te stellen op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.</para>
    <para>In cassatie gaat het nog slechts om het primaire verzoek. De</para>
    <para>man heeft dit verzoek, kennelijk met een beroep op art. II lid</para>
    <para>2 van de Wet van 28 april 1994, Stb. 1994, 324, zoals</para>
    <para>gewijzigd bij wet van gelijke datum, Stb. 1994, 325 (hierna:</para>
    <para>Wet limitering na scheiding), gegrond op het feit dat op 22</para>
    <para>juli 1997 zijn onderhoudsverplichting 15 jaar heeft geduurd.</para>
    <para>3.  De vrouw heeft het verzoek van de man bestreden. Zij</para>
    <para>heeft, wat het primair verzochte betreft, gesteld dat beëindi</para>
    <para>ging van de alimentatieverplichting voor haar te ingrijpend</para>
    <para>zal zijn. De vrouw heeft in dat verband aangevoerd dat zij dan</para>
    <para>genoodzaakt zal zijn een uitkering ingevolge de Algemene</para>
    <para>Bijstandswet aan te vragen hetgeen een aanzienlijke inkomenda</para>
    <para>ling tot gevolg zal hebben.</para>
    <para>4.  Bij beschikking van 3 maart 1998 heeft de Rechtbank zowel</para>
    <para>het primaire als het subsidiaire verzoek van de man afgewezen.</para>
    <para>Ten aanzien van het primaire verzoek was de Rechtbank van</para>
    <para>oordeel dat in deze zaak beëindiging van de alimentatie met</para>
    <para>ingang van 22 juli 1997 van zo ingrijpende aard is, dat deze</para>
    <para>naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de</para>
    <para>vrouw kan worden gevergd. Daarbij hechtte de Rechtbank belang</para>
    <para>het feit dat (a) het huwelijk van partijen de verdiencapaci</para>
    <para>teit van de vrouw negatief heeft beïnvloed, (b) beëindiging</para>
    <para>van de alimentatie leidt tot een aanmerkelijke inkomensdaling</para>
    <para>bij de vrouw, en (c) de vrouw tot op heden geen recht op</para>
    <para>pensioenverrekening heeft.</para>
    <para>5.  Op het hoger beroep van de man heeft het Gerechtshof te</para>
    <para>'s-Hertogenbosch bij beschikking van 18 november 1998 de</para>
    <para>beschikking van de Rechtbank evenwel vernietigd en de alimen</para>
    <para>tatieverplichting van de man met ingang van 1 juli 1999 beëin</para>
    <para>digd. Het Hof is bij zijn beslissing (kennelijk) uitgegaan van</para>
    <para>de volgende feiten en omstandigheden (r.o. 4.5):</para>
    <para>(i) De vrouw heeft tijdens het huwelijk ongeveer 20 jaar, tot</para>
    <para>1980, gewerkt. Zij verrichtte werkzaamheden als medewerkster</para>
    <para>bij het post sorteren en als gediplomeerd kinderverzorgster in</para>
    <para>de peuteropvang, voor 3 à 4 uur per dag, gedurende 5 dagen per</para>
    <para>week.</para>
    <para>(ii) Op het moment van de echtscheiding was de vrouw 44 jaar</para>
    <para>oud en had zij niet meer de dagelijkse zorg over de inmiddels</para>
    <para>meerderjarige kinderen van partijen.</para>
    <para>(iii) Bij toewijzing van het limiteringsverzoek zal de vrouw</para>
    <para>in netto-inkomen teruggaan van ca. f 1.800,- à f 1.900,- naar</para>
    <para>het bijstandsniveau voor een alleenstaande.</para>
    <para>(iv) Aan de vrouw is in 1989 een bedrag van f 65.000,- uitge</para>
    <para>keerd.</para>
    <para>(v) De vrouw - die in februari 1999 62 jaar is geworden -</para>
    <para>heeft een beperkt eigen ouderdomspensioen opgebouwd van f</para>
    <para>3.314,- bruto per jaar. Zij heeft bij de echtscheiding geen</para>
    <para>rechten op het pensioen van de man verkregen. Op 14 augustus</para>
    <para>1997 is de vrouw een procedure jegens de man gestart waarin</para>
    <para>zij onder meer vordert de man te veroordelen tot medewerking</para>
    <para>aan verdeling van de pensioenrechten zoals opgebouwd tot einde</para>
    <para>huwelijk.</para>
    <para>(vi) De vrouw heeft verklaard een huurlast van f 1.185,- per</para>
    <para>maand te hebben.</para>
    <para>Gelet op deze feiten en omstandigheden is het Hof tot het</para>
    <para>oordeel gekomen dat beëindiging van de alimentatieverplichting</para>
    <para>van de man weliswaar ingrijpend is, maar niet van zo ingrij</para>
    <para>pende aard, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en</para>
    <para>billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden (r.o. 4.6).</para>
    <para>Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen</para>
    <para>"dat de verdiencapaciteit van de vrouw slechts in beperk</para>
    <para>te mate nadelig beïnvloed is geweest. Zij heeft tijdens</para>
    <para>huwelijk een langdurig arbeidspatroon gekend dat aansloot</para>
    <para>bij haar opleiding. Ten tijde van de huwelijksontbinding</para>
    <para>was er slechts een relatief korte arbeidsloze periode en</para>
    <para>had zij geen minderjarige kinderen meer te verzorgen.</para>
    <para>Weliswaar bestaat er thans nog geen duidelijkheid over de</para>
    <para>kwestie van de pensioenverevening maar de vrouw heeft</para>
    <para>voldoende gelegenheid gehad om gelet op de uitkering in</para>
    <para>1989 aanvullende voorzieningen te treffen naast haar</para>
    <para>beperkt ouderdomspensioen."</para>
    <para>6.  De vrouw is tegen de beschikking van het Hof (tijdig) in</para>
    <para>cassatie gekomen met één middel. De man heeft een verweer</para>
    <para>schrift ingediend en daarbij verzocht het beroep te verwerpen.</para>
    <para>7.  Het middel richt zich tegen het in r.o. 4.6 van 's Hof</para>
    <para>beschikking neergelegde oordeel dat, gelet op de in r.o. 4.5</para>
    <para>van die beschikking opgesomde feiten en omstandigheden, beëin</para>
    <para>diging van de alimentatieverplichting van de man weliswaar</para>
    <para>ingrijpend is, maar niet van zo ingrijpende aard, dat deze</para>
    <para>naar maatstaven van redelijkheid niet van de vrouw kan worden</para>
    <para>gevergd. Het middel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een</para>
    <para>onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende begrijpelijk is</para>
    <para>gemotiveerd. Het Hof zou een onjuiste afweging van belangen</para>
    <para>hebben gemaakt en niet hebben voldaan aan de zware motive</para>
    <para>ringseisen die moeten worden gesteld aan een beslissing als de</para>
    <para>onderhavige.</para>
    <para>8.  De Hoge Raad heeft in een drietal beschikkingen, alle van</para>
    <para>26 maart 1999, RvdW 1999, 52C, 53C en 54C, aanwijzingen gege</para>
    <para>ven voor de toepassing van de in het tweede lid van art. II</para>
    <para>van de Wet limitering na scheiding vervatte uitzonderingsre</para>
    <para>gel. Als uitgangspunt stelt de Hoge Raad in die beschikkingen</para>
    <para>voorop dat aan beslissingen waarin het beroep van de alimenta</para>
    <para>tiegerechtigde op de uitzondering aanstonds wordt verworpen</para>
    <para>dan wel slechts voor een beperkte termijn en met de uitslui</para>
    <para>ting van de mogelijkheid van verlenging van de termijn in</para>
    <para>verband met hun ingrijpend karakter hoge motiveringseisen</para>
    <para>moeten worden gesteld. De Hoge Raad vervolgt (ik citeer uit HR</para>
    <para>26 maart 1999, RvdW 54C, r.o. 3.3):</para>
    <para>"Ter beantwoording van de voor het beroep op voormelde</para>
    <para>uitzondering beslissende vraag of de beëindiging van de</para>
    <para>uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maat</para>
    <para>staven van redelijkheid en billijkheid niet van degene</para>
    <para>die tot de uitkering is gerechtigd, kan worden gevergd,</para>
    <para>dienen - teneinde te beoordelen of toepassing van de</para>
    <para>hoofdregel in dit individuele geval hoogst onrechtvaardig</para>
    <para>zou zijn - alle relevante omstandigheden van het geval,</para>
    <para>zowel die aan de zijde van de tot alimentatie gerechtigde</para>
    <para>als die aan de zijde van de alimentatieplichtige in</para>
    <para>aanmerking te worden genomen en in onderling verband te</para>
    <para>worden gewogen. (...).</para>
    <para>De hoge motiveringseisen brengen daarom mee dat de rech</para>
    <para>ter, indien de alimentatiegerechtigde voldoende gemoti</para>
    <para>veerd stelt dat voor toepassing van de uitzondering grond</para>
    <para>is en de feiten waarop deze stelling steunt bij betwis</para>
    <para>ting, althans voor zover het gaat om omstandigheden van</para>
    <para>de alimentatiegerechtigde, aannemelijk maakt, bij het</para>
    <para>nemen van de beslissing als hiervoor bedoeld moet doen</para>
    <para>uitkomen welke omstandigheden hij in aanmerking heeft</para>
    <para>genomen en hoe hij deze in zijn afweging heeft betrokken.</para>
    <para>Terwille van de hanteerbaarheid van het systeem dient</para>
    <para>daarbij evenwel als vuistregel te worden aanvaard dat</para>
    <para>ingeval de beëindiging van de uitkering voor de alimenta</para>
    <para>tiegerchtigde geen of slechts een relatief onbetekenende</para>
    <para>terugval in inkomen ten gevolge heeft, de rechter in</para>
    <para>beginsel zonder meer, en met name zonder in zijn motive</para>
    <para>ring de verdere omstandigheden van het geval te hoeven</para>
    <para>betrekken, mag aannemen dat het beroep op de uitzondering</para>
    <para>faalt. In uitzonderlijke gevallen zal voor toepassing van</para>
    <para>deze vuistregel echter geen plaats zijn. Dat zal zo zijn</para>
    <para>indien de verdere omstandigheden van het geval onmisken</para>
    <para>baar zó zwaarwegende billijkheidsargumenten tegen afwij</para>
    <para>zing van het beroep op de uitzondering opleveren, dat de</para>
    <para>rechter daaraan in zijn motivering niet voorbij kán gaan</para>
    <para>en moet laten uitkomen dat en hoe hij ook die verdere</para>
    <para>omstandigheden in zijn afweging heeft betrokken."</para>
    <para>9.  Waar het Hof ervan is uitgegaan dat de vrouw bij toewij</para>
    <para>zing van het limiteringsverzoek in netto-inkomen zal teruggaan</para>
    <para>van ca. f 1.800,- à f 1.900,- naar het bijstandsniveau voor</para>
    <para>een alleenstaande, kan niet gezegd worden dat in het onder</para>
    <para>havige geval de beëindiging van de uitkering voor de vrouw</para>
    <para>geen of slechts een relatief onbetekenende terugval in inkomen</para>
    <para>ten gevolge heeft. Voor toepassing van de door de Hoge Raad be</para>
    <para>doelde vuistregel is dus geen plaats. Het Hof had dan ook alle</para>
    <para>relevante omstandigheden van het geval, zowel die aan de zijde</para>
    <para>van de vrouw als die aan de zijde van de man, in aanmerking</para>
    <para>moeten nemen en in onderling verband moeten wegen en het Hof</para>
    <para>had in zijn beschikking moeten doen uitkomen welke omstan</para>
    <para>digheden hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij deze in</para>
    <para>zijn afweging heeft betrokken.</para>
    <para>10.  Aan deze hoge motiveringseisen voldoet 's Hof beslissing</para>
    <para>naar mijn oordeel niet. Het Hof heeft onvoldoende duidelijk</para>
    <para>gemaakt waarom beëindiging van de alimentatieverplichting van</para>
    <para>de man per 1 juli 1999 naar maatstaven van redelijkheid en</para>
    <para>billijkheid van de vrouw kan worden gevergd. Met name blijkt</para>
    <para>niet of en, zo ja, hoe het Hof omstandigheden aan de zijde van</para>
    <para>de man, met name diens financiële omstandigheden, in zijn</para>
    <para>afweging heeft betrokken. Aldus heeft het Hof miskend dat alle</para>
    <para>relevante omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te</para>
    <para>worden genomen en dat de financiële omstandigheden van de</para>
    <para>alimentatieplichtige in beginsel niet zonder belang zijn voor</para>
    <para>het antwoord op de vraag wat naar maatstaven van redelijkheid</para>
    <para>en billijkheid van ieder van partijen kan worden gevergd. De</para>
    <para>daarop gerichte klacht van het middel treft dan ook naar mijn</para>
    <para>oordeel doel.</para>
    <para>11.  Bovendien is zonder nadere motivering - welke ontbreekt -</para>
    <para>niet begrijpelijk hoe het Hof heeft kunnen oordelen dat de</para>
    <para>vrouw, al aangenomen dat haar financiële omstandigheden in</para>
    <para>1989 haar voldoende ruimte lieten om de toen ontvangen uitke</para>
    <para>ring geheel of ten dele aan te wenden om een aanvullende</para>
    <para>pensioenvoorziening te treffen (de vrouw heeft dat gemotiveerd</para>
    <para>ontkend), een zodanige voorziening had kunnen treffen dat zij</para>
    <para>de terugval in inkomen juist per 1 juli 1999 (de vrouw is in</para>
    <para>februari 1999 62 jaar oud geworden) had kunnen opvangen. Ook</para>
    <para>de daarop gerichte klacht van het middel komt mij derhalve</para>
    <para>gegrond voor.</para>
    <para>12.  Op grond van dit een en ander meen ik dat het middel doel</para>
    <para>treft en dat de bestreden beschikking niet in stand kan blij</para>
    <para>ven. Na verwijzing zullen ter beantwoording van de vraag of de</para>
    <para>beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat</para>
    <para>deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van</para>
    <para>de vrouw kan worden gevergd alsnog alle relevante omstandighe</para>
    <para>den van het geval, ook die aan de zijde van de man, in aanmer</para>
    <para>king dienen te worden genomen en in onderling verband dienen</para>
    <para>te worden gewogen.</para>
    <para>De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschik</para>
    <para>king van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en tot verwijzing</para>
    <para>van de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar een</para>
    <para>ander gerechtshof.</para>
    <para>De Procureur-Generaal</para>
    <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>