<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1998:ZD3896</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-15T10:00:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZD3896</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1998-10-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">108.612</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1998:ZD3896" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1998:ZD3896</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1998:ZD3896">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1998:ZD3896</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-01T15:45:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1998:ZD3896 Parket bij de Hoge Raad , 06-10-1998 / 108.612</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1998:ZD3896:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1998:ZD3896:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 108.612 </para>
  <para>Zitting 6 oktober 1998</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr Fokkens </emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie inzake: </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. Verdachte is door het gerechtshof te Leeuwarden veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van éénhonderdveertig uren, in plaats van drie maanden gevangenisstraf wegens "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd". Het hof heeft voorts de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand in dier voege dat het hof in plaats van die straf het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van zestig uren heeft gelast.</para>
  <para />
  <para>2. Namens verdachte heeft mr H.A. de Boer, advocaat te Workum, één middel van cassatie voorgesteld.</para>
  <para />
  <para>3. Het middel bevat de klacht dat het hof een door dan wel namens verdachte gevoerd verweer ten onrechte, althans op niet toereikende gronden, niet heeft gevolgd en dat het hof verdachte derhalve ten onrechte niet heeft vrijgesproken.</para>
  <para />
  <para>4. Kennelijk doelt het middel op het betoog van de raadsman dat verdachte en zijn ex-echtgenote "over en weer op elkaar scholden" en de opmerking van verdachte dat zijn ex-echtgenote ook op die manier tegen hem sprak. Dit "verweer" wordt echter toereikend weerlegd door de gemotiveerde bewezenverklaring, waarbij met name betekenis toekomt aan de verklaring van [aangeefster] dat zij in de telefoontjes van verdachte, vastgelegd op de band van het antwoordapparaat, wordt bedreigd met de dood, dat zij zich door die telefoontjes zeer bedreigd voelt en dat zij haar ex-echtgenoot zeer goed in staat acht om zijn bedreigingen uit te voeren, alsmede aan de verklaring van verdachte waarin hij toegeeft zijn ex-vrouw door de telefoon te hebben bedreigd. Het hof behoefde in het in het middel bedoelde opmerkingen geen aanleiding te vinden de bewezenverklaring nader te motiveren (vgl. HR DD 89.371).</para>
  <para />
  <para>5. De grief dat verdachte met de woorden "je gaat eraan" zou hebben willen aangeven dat hij zijn ex-echtgenote civiel juridisch zou aanspreken in verband met het geldprobleem van de zoon mist feitelijke grondslag. Dienaangaand is door of namens verdachte, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting, immers niets aangevoerd.</para>
  <para />
  <para>6. Ook de grief, dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet onomstotelijk valt op te maken dat de verklaring van verdachte inhoudt dat verdachte zijn ex-echtgenote met die woorden bedreigd heeft met de dood, faalt. De woorden "Je gaat eraan", gelezen in samenhang met de onder 2 tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte, inhoudende: "Ik zou haar door de telefoon hebben bedreigd. Ik geef toe dat dit het geval is geweest.", heeft het hof aldus kunnen verstaan dat verdachte [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht (Vgl. HR DD 76.130). Die uitleg is niet onbegrijpelijk - zie ook de verklaring van het slachtoffer over de vraag hoe zij de opmerkingen van verdachte heeft ervaren - en kan voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden beoordeeld.</para>
  <para />
  <para>7. Tenslotte vermag ik niet in te zien wat de omstandigheid, dat verdachte de gewraakte woorden niet in persoon tegen [aangeefster] heeft geuit maar heeft ingesproken op een antwoordapparaat, bijdraagt aan de stelling van het middel dat verdachte [aangeefster] niet met de dood zou hebben bedreigd (vgl. HR DD 95.261).</para>
  <para />
  <para>8. Het middel faalt derhalve in alle onderdelen. Uw Raad kan volstaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering. </para>
  <para />
  <para>Deze conclusie strekt er toe dat het beroep zal worden verworpen.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>