<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1998:ZD3886</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-15T10:00:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZD3886</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1998-11-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">108.439</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1998:ZD3886" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1998:ZD3886</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1998:ZD3886">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1998:ZD3886</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-01T14:35:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1998:ZD3886 Parket bij de Hoge Raad , 24-11-1998 / 108.439</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1998:ZD3886:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1998:ZD3886:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 108.439 </para>
  <para>Zitting 6 oktober 1998</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr Fokkens </emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie inzake: </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. Verdachte is door het gerechtshof te Amsterdam veroordeeld wegens diefstal in vereniging tot drie maanden gevangenisstraf .</para>
  <para />
  <para>2. Namens verdachte heeft mr E.C. Gelok, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.</para>
  <para />
  <para>3. Het middel klaagt over schending van art. 6 EVRM en art. 14 lid 3 sub c IVBPR omdat de berechting niet binnen redelijke termijn heeft plaatsgevonden. In het bijzonder de termijn tussen de bestreden uitspraak en de verstekmededeling daarvan zou onredelijk lang zijn geweest.</para>
  <para />
  <para>4. De procesgang is als volgt geweest. Het onderhavige feit dateert van 28 september 1992. De behandeling in eerste aanleg vond plaats op 16 oktober 1992, in het bijzijn van verdachte en zijn raadsman. De politierechter heeft op dezelfde dag vonnis gewezen. Namens verdachte is op 30 oktober 1992 hoger beroep ingesteld. De zaak is door het hof bij verstek behandeld op 9 december 1993. De bestreden uitspraak is op 23 december 1993 gewezen. Namens verdachte is door mr Gelok op 30 oktober 1997 beroep in cassatie ingesteld.</para>
  <para />
  <para>5. Uit de stukken van het geding valt niet af te leiden dat verdachte op enig moment bekend is geweest bij de Inspectie voor de bevolkingsregisters c.q. het Vestigingsregister, terwijl verdachte bij het instellen van hoger beroep en cassatie telkens heeft doen opgeven dat hij zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande was. Ook bij de politie heeft hij opgegeven zonder bekende woon- of verblijfplaats te zijn. Navraag bij het Vestigingsregister leerde dat verdachte aldaar ook thans niet bekend is. Voorts houden de stukken niets in waaruit kan volgen dat verdachte voorzieningen heeft getroffen om aan hem gerichte post te kunnen ontvangen. Gelet hierop valt het Openbaar Ministerie geen verwijt te maken dat het zo lang geduurd heeft voordat de verstekmededeling verdachte bereikt heeft. De omstandigheid dat verdachte o.a. van 12 juli 1996 tot 7 november 1996 gedetineerd was (van die detentie blijkt uit door mij ingewonnen informatie bij het Bureau Bijzondere Diensten van het ministerie van justitie) maakt de termijn niet zonder meer onredelijk lang. Vgl. HR 16 december 1997, DD 98.112 in welke zaak een periode van 5 jaar en ruim vier maanden tussen de bestreden uitspraak en de verstekmededeling niet onredelijk lang werd geoordeeld, ook al was de verdachte bijna vijftien weken gedetineerd geweest en had het Openbaar Ministerie in die periode de verstekmededeling aan verdachte kunnen doen toekomen. Het middel faalt derhalve.</para>
  <para />
  <para>6. Ambtshalve wil ik nog de aandacht vestigen op het volgende. De appeldagvaarding is op 6 oktober 1993 ter griffie van de rechtbank uitgereikt omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Niet blijkt dat is onderzocht of verdachte toen gedetineerd was. Uit de hierboven vermelde informatie van het Bureau Bijzondere Diensten van het ministerie van justitie valt af te leiden dat verdachte op die datum gedetineerd was in het Huis van Bewaring te Amsterdam. De plaats van detentie heeft dan te gelden als bekende verblijfplaats als bedoeld in art. 588 lid 1 sub b onder 3° Sv (HR 14 februari 1995, NJ 1995, 536 m.nt. Sch .; HR 7 februari 1995, NJ 1995, 618 m.nt. C.). Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de appeldagvaarding op geldige wijze is betekend, is derhalve onjuist.</para>
  <para />
  <para>7. Ik concludeer dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd en dat de appèldagvaarding nietig zal worden verklaard.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>