<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1998:ZD3874</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-15T10:00:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZD3874</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1998-10-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">108.214</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1998:ZD3874" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1998:ZD3874</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1998:ZD3874">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1998:ZD3874</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-01T12:01:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1998:ZD3874 Parket bij de Hoge Raad , 06-10-1998 / 108.214</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1998:ZD3874:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1998:ZD3874:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 108.214 </para>
  <para>Zitting 6 oktober 1998</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr Fokkens </emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie inzake: </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verzoeker]
      </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. Aan verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam een gevangenisstraf van twee maanden opgelegd, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven, wegens "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd". Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen in voege als in het arrest vermeld.</para>
  <para />
  <para>2. Namens verzoeker heeft mr G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
  <para />
  <para>3. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof heeft nagelaten ambtshalve rekening te houden met het onredelijke, althans onwenselijk lange tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep en de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting, welke tot het eindarrest heeft geleid.</para>
  <para />
  <para>4. In hoger beroep is verdachte samen met zijn raadsvrouw verschenen. Nu blijkens het proces-verbaal van de zitting van 24 april 1997 verdachte noch zijn raadsvrouw aldaar hebben geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn tussen het instellen van hoger beroep en de behandeling daarvan, kan daarover niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd (HR NJ 93.673; HR DD 93.093). Tot een ambtshalve oordeel was het hof niet gehouden. </para>
  <para>Het middel faalt derhalve.</para>
  <para />
  <para>5. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het aanbod tot het verlenen van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte ten onrechte heeft afgewezen, althans dat het hof de afwijzing heeft gebaseerd op gronden die de afwijzing niet kunnen dragen.</para>
  <para />
  <para>6. De klacht is gericht op de volgende overweging van het hof:</para>
  <parablock>
    <para>"Verdachte heeft bij de behandeling van deze zaak ter terechtzitting op 10 september 1996 verklaard de schade aan de [benadeelde] te willen vergoeden. Ter terechtzitting van 24 april 1997 is gebleken dat verdachte nog geen enkele betaling aan genoemde benadeelde partij heeft gedaan."</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Aangevoerd wordt dat het hof zich hier ten onrechte beroept op het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 september 1996, op grond van welk onderzoek ter terechtzitting het arrest echter niet is gewezen, alsmede dat niet blijkt dat verzoeker van de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 september 1996 op de hoogte was, zodat het hof zijn arrest heeft doen steunen op stukken welke verzoeker niet kende.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 september 1996 en het naar aanleiding van die terechtzitting gewezen tussenarrest maken deel uit van de stukken van het geding. Geen wetsbepaling verbood het hof op de inhoud van dat proces-verbaal acht te slaan, voor zover de korte inhoud daarvan was medegedeeld. Dat dit laatste het geval was, blijkt niet uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 april 1997. Dat behoeft echter geen gevolgen te hebben, indien de verdachte geacht kan worden van de inhoud van dat proces-verbaal op de hoogte te zijn geweest.</para>
  <para />
  <para>8. Dat dit laatste het geval was kan niet worden betwijfeld, al wil het middel doen geloven dat dit niet vaststaat. Niet alleen gaat het hier om verklaringen die de verdachte destijds zelf ter terechtzitting heeft afgelegd, maar bovendien blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 april 1997 dat verdachte aldaar heeft verklaard:</para>
  <parablock>
    <para>"Na de behandeling van mijn zaak in hoger beroep op 10 september 1996 heb ik geen betaling meer gedaan aan de hier aanwezige [benadeelde] " </para>
    <para>alsmede</para>
    <para>"Ik ben nog steeds bereid de schade aan [benadeelde] te voldoen".</para>
    <para>en heeft de [benadeelde] onder meer verklaard:</para>
    <para>"Met verdachte had ik een betalingsregeling afgesproken. Ik heb echter van verdachte nog geen enkele betaling ontvangen".</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>9. Gelet op dit alles kan niet alleen worden aangenomen dat verdachte op de hoogte was van hetgeen hij had toegezegd ter terechtzitting van 10 september 1996, maar is ook duidelijk dat het hof zijn onder 6 weergegeven gewraakte overweging heeft doen steunen op het onderzoek ter terechtzitting van 24 april 1997. </para>
  <para>Het middel faalt derhalve.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering.</para>
    <para>Gronden om de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.</para>
    <para>Deze conclusie strekt ertoe dat het beroep zal worden verworpen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>