<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1997:ZK0235</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T03:02:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZK0235</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1997-05-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">104.692 E</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1997:ZK0235" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1997:ZK0235</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1997:ZK0235">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1997:ZK0235</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T15:27:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-03-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1997:ZK0235 Parket bij de Hoge Raad , 20-05-1997 / 104.692 E</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1997:ZK0235:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uitspraak Hoge Raad van 20 mei 1997.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1997:ZK0235:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>nr. 104.692 E   </para>
      <para>mr Fokkens                            </para>
      <para>zitting 25 maart 1997 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Conclusie inzake:</para>
    <para />
    <para>[verzoekster = verdachte]</para>
    <para />
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
    <para />
    <para>1. Verzoekster is bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam op 2 januari 1996 wegens het medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 93 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie, begaan door een rechtspersoon, veroordeeld tot twee maal een geldboete van tienduizend gulden.</para>
    <para />
    <para>2. Namens verzoekster heeft mr. D.H. Lodder, advocaat te  Rotterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    <para />
    <para>3. Volgens het eerste middel kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgen dat er sprake is geweest van medeplegen,  zoals is bewezenverklaard.</para>
    <para />
    <para>4. In het onderhavige geval is sprake van een overtreding.(1)</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>Dit betekent voor het medeplegen zoals in casu het volgende. </para>
      <para>Voor medeplegen is onder meer een bewuste samenwerking, opzet op het samenwerken, vereist. Dit impliceert dat bij   opzetdelicten er sprake moet zijn van dubbelopzet, te weten opzet op  het (gevolg van het) delict en opzet op de  samenwerking.(2) Nu een overtreding geen opzetdelict is, volgt daaruit dat voor  medeplegen van overtredingen "slechts"  opzet op de samenwerking is vereist. Een andere opvatting zou er immers toe leiden dat via de achterdeur een opzetvereiste  - in de vorm van een voor medeplegen vereist opzet op de bestanddelen van het  delict - voor overtredingen gaat gelden. Vgl.  in dit verband ook de beschouwingen van Remmelink in HSR, 15e, over het medeplegen van culpoze delicten: ook daar is  bewuste samenwerking voldoende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Dit betekent dat voorzover het middel zich op het standpunt  stelt dat er sprake moet zijn van dubbel opzet - hetgeen volgens de steller van het middel niet aanwezig is, nu verzoekster niet de opzet op de bestanddelen van het delict heeft gehad - het berust op een verkeerde rechtsopvatting.</para>
      <para>Opzet op de samenwerking blijkt voldoende uit de gebezigde bewijsmiddelen, te weten uit de omstandigheid dat verzoekster:</para>
      <para>- de partij dahliaknollen (met bemiddeling van [betrokkene 2]) heeft gekocht van [A];</para>
      <para>- [A] opdracht heeft gegeven de partij  te verpakken en  van afbeeldingen te voorzien;</para>
      <para>- met [A] heeft afgesproken dat deze de partij zou bewaren.</para>
      <para>De bewezenverklaring is derhalve toereikend gemotiveerd.</para>
      <para>Het middel faalt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het beroep op afwezigheid van alle schuld heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.</para>
      <para>Het hof heeft het beroep op afwezigheid van alle schuld als volgt verworpen:</para>
      <para>De verdachte is, naar de verdediging ook zelf heeft aangevoerd, bloembollen gaan verhandelen zonder daaromtrent enige deskundigheid te bezitten. Zij heeft de zorg met betrekking tot de geleverde goederen geheel overgelaten aan de verkoper, [betrokkene 1], die ook het verpakken zou behartigen, en aan de bemiddelaar, [betrokkene 2]. Zelf heeft de verdachte geen  enkele controle uitgeoefend, ook niet door inschakeling van een deskundige, op de aan haar geleverde en door haar aan [C] geleverde goederen, terwijl dat wel de verantwoordelijkheid van de verdachte was. Van afwezigheid van alle schuld ten aanzien van het ten laste gelegde is derhalve geen sprake. </para>
      <para>Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte alle maatregelen heeft  genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd om overtreding van het betreffende voorschrift te voorkomen.(3) Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gelet op de vaststelling dat verzoekster geen enkele controle heeft uitgeoefend met betrekking tot de door haar geplaatste opdracht aan [betrokkene 2] en [A]. </para>
      <para>Verzoekster heeft aangevoerd dat zij vertrouwde op de deskundigheid van [betrokkene 2], maar dit is nu deze belanghebbende bij de order was niet voldoende om vast te stellen dat alle schuld bij verzoekster ontbrak. Dat zou - zo volgt ook uit de overweging van het  hof - bijvoorbeeld anders zijn geweest indien zij controle had laten uitvoeren door een  onafhankelijk deskundige en ook door deze fout was voorgelicht.</para>
      <para>Het middel kan niet slagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Nu ik geen gronden heb gevonden voor ambtshalve cassatie, concludeer ik tot verwerping van het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(1) art. 4 Verordening PVS Kwaliteitsnormen bloembollen 1977 jo art. 6 Wet houdende instelling van een productschap  voor  siergewassen jo art. 93 Wet op de Bedrijfsorganisatie jo art. 2, vierde lid en art. 1 sub 4 van de Wet Economische Delicten. </para>
      <para>(2) HSR, 15e, p.436. </para>
      <para>(3) Vgl. HR DD 96.320.</para>
    </parablock>
  </conclusie>
</open-rechtspraak>