<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1997:56</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-22T14:44:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1997-10-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16.462</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1997:ZC2520" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1997:ZC2520</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1997:56">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1997:56</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-22T14:44:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1997:56 Parket bij de Hoge Raad , 10-10-1997 / 16.462</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1997:56:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verkeersaansprakelijkheid. Aanrijding volwassen voetganger door automobilist. Op nieuwe wettelijke regeling ter zake kan niet worden vooruitgelopen. Overmacht in de zin van art. 31 (oud) WVW? Het ter zake geldende criterium van ‘rechtens geen enkel verwijt’ en de afstand die door de automobilist is aangehouden bij het passeren van een — op de wegas stilstaande — voetganger. Stelplicht en bewijslast.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1997:56:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Rolnummer 16 462 </para>
  <para>Zitting 10 oktober 1997</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>mr De Vries Lentsch - Kostense </para>
    <para>Conclusie inzake</para>
    <para>
      [eiseres 1] </para>
    <para>
      [eiseres 2] </para>
    <para>
      [eiseres 3] </para>
    <para>
      [eiser 4] </para>
    <para>tegen </para>
    <para>Klaverblad Schadeverzekeringsmaatschappij N.V.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Inleiding</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. In deze zaak vorderen thans eisers tot cassatie, de erven [D], een bedrag van f. 3.061,50 (met rente en kosten) als vergoeding van de door henzelf en hun moeder geleden schade ten gevolge van het fatale verkeersongeval dat hun moeder (verder te noemen [D]) is overkomen.</para>
  <para>Met betrekking tot de toedracht van dit ongeval staat het volgende vast:</para>
  <para>- Op 25 november 1992 is [D] samen met een van haar dochters de St. Antoniusstraat te Oosterhout gaan oversteken ter hoogte van perceel 9.</para>
  <para>- De St. Antoniusstraat werd ter plekke druk bereden.</para>
  <para>- [D] en haar dochter zijn eerst de ene helft van de weg overgestoken en zijn vervolgens op de as van de weg blijven wachten totdat het verkeer zou zijn gepasseerd dat kwam vanuit de richting van de Ridderstraat en reed in de richting van het Wilhelminakanaal.</para>
  <para>- Staande op de as van de weg is [D] gevallen en is zij - terwijl zij viel - aangereden door een personenauto die evenbedoelde route volgde. Deze auto werd bestuurd door mevr. [betrokkene] die tevens houdster is van het kenteken van deze auto. </para>
  <para>- [D] is bij die aanrijding door de zijkant (buitenspiegel) van de auto van [betrokkene] aan haar hoofd geraakt. zij raakte buiten bewustzijn en werd naar het ziekenhuis vervoerd waar zij op 30 december 1992 aan haar verwondingen is overleden. </para>
  <para>- Ten tijde van het ongeval was [betrokkene] tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij thans verweerster in cassatie, Klaverblad.</para>
  <para />
  <para>2. De erven [D] hebben de verzekeraar Klaverblad op de voet van art. 6 lid 1 WAM rechtstreeks aangesproken voor de door hen en hun moeder geleden schade, stellende dat [betrokkene] aansprakelijk is op grond van art. 31 WVW (oud). Zij betwisten Klaverblads beroep op overmacht aan de zijde van [betrokkene]. Zij betogen dat [betrokkene] - gezien de omstandigheid dat [D] en haar dochter duidelijk zichtbaar midden op de weg stonden te wachten om verder over te steken - te snel (40 à 50 km per uur) en te dicht langs [D] en haar dochter reed. Dat [D], een bejaarde dame, viel was naar hun oordeel niet zo onwaarschijnlijk dat [betrokkene] daarmee geen rekening had behoeven te houden.</para>
  <para>Klaverblad bestrijdt dit betoog. Zij voert aan dat [betrokkene] die juist bij een stoplicht optrok, gezien de omstandigheden niet te snel reed of te dicht langs de voetgangers en dat de val niet was te voorzien. Zij voert in dat verband aan dat [D] viel toen [betrokkene] passeerde zodat het niet mogelijk was op deze val nog te reageren; zij betoogt in dat verband dat het ongeval ook zou zijn geschied indien [betrokkene] langzamer had gereden. Verder voert Klaverblad aan dat [betrokkene] onmogelijk kon voorzien dat [D] die met haar dochter stond te wachten totdat zij verder kon oversteken, plotseling zou vallen.</para>
  <para />
  <para>3. In zijn vonnis van 5 april 1995 honoreert de Kantonrechter te Breda Klaverblads beroep op overmacht. Dat iemand, ook indien zij bejaard is, valt als zij stilstaat is - aldus de Kantonrechter - een zo incidentele gebeurtenis dat daarmede in redelijkheid geen rekening kan worden gehouden, terwijl is gesteld noch gebleken dat dit vallen in enigerlei mate aan [betrokkene] was te wijten. De Kantonrechter oordeelt het aannemelijk dat [D] die met haar hoofd voorover is gevallen, daarmee de afstand tussen haar en de auto van [betrokkene] aanzienlijk heeft verkleind. Voorts acht de Kantonrechter het aannemelijk dat de afstand die [betrokkene] aanhield tussen haar auto en de voetgangers "niet een ongebruikelijk korte" was; daarbij tekent hij aan dat geen enkele getuigenverklaring rept over "rakelings passeren". Ook in de door de erven genoemde snelheid van de auto is naar het oordeel van de Kantonrechter geen grond te vinden voor een verwijt aan [betrokkene].</para>
  <para />
  <para>4. De Rechtbank te Breda heeft dit vonnis zonder veel omhaal van woorden bekrachtigd. Met betrekking tot het beroep op overmacht overweegt zij ten eerste als volgt:</para>
  <para>"De Erven [D] stellen dat [betrokkene] geen beroep op overmacht toekomt, omdat zij niet  aannemelijk heeft gemaakt dat haar geen enkel verwijt valt te maken. Dit wordt op drie manieren onderbouwd. Volgens de Erven [D]:</para>
  <para>- heeft [betrokkene] met een te hoge snelheid gereden,</para>
  <para>- is zij op te geringe afstand van mevrouw [D] voorbij gereden, en</para>
  <para>- heeft zij geen rekening gehouden met het feit dat mevrouw [D] bejaard was en derhalve zou kunnen vallen. Geen van deze omstandigheden treffen doel om de redenen die de kantonrechter in zijn vonnis heeft aangegeven."</para>
  <para>Resteert - aldus de Rechtbank - het door de erven [D] gedane beroep op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 1982, NJ 1983, 443. Anders dan in dat arrest het geval was heeft het slachtoffer in casu op geen enkele wijze ervan blijk gegeven dat zij zich mogelijk onvoorzichtig zou gedragen en derhalve behoefde [betrokkene] daarop niet te anticiperen anders dan zij deed; met de val van [D] behoefde niemand in redelijkheid rekening te houden. Aldus de Rechtbank, die tot de slotsom komt dat aannemelijk is geworden dat [betrokkene] geen enkel verwijt kan worden gemaakt van het onderhavige ongeval.</para>
  <para />
  <para>5. De erven [D] stellen tijdig cassatieberoep in. Klaverblad concludeert tot verwerping.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Het cassatiemiddel</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <para>6. Het middel komt met vier onderdelen op tegen het oordeel van de Rechtbank dat aan de zijde van [betrokkene] sprake was van overmacht omdat haar geen enkel verwijt kan worden gemaakt van het onderhavige ongeval. Ik behandel eerst het meest verstrekkende onderdeel, middelonderdeel 4; daarna bespreek ik de overige middelonderdelen.</para>
  <para />
  <para>7. De Kantonrechter en de Rechtbank zijn ervan uitgegaan dat voor een beoordeling van een beroep op overmacht in de zin van art. 31 WVW ingeval van aanrijdingen met fietsers en voetgangers van veertien jaar en ouder nog steeds geldt de maatstaf die door Uw Raad in zijn arrest van 22 mei 1992, NJ 1992, 527 (ABP/[…]) mede met het oog op de ratio van art. 31 WVW is aanvaard. Dit houdt het volgende in. Een beroep op overmacht gaat slechts op ingeval de eigenaar/bestuurder van het motorrijtuig aannemelijk maakt dat hem rechtens geen enkel verwijt treft van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval; daarbij zijn eventuele fouten van andere weggebruikers - daaronder begrepen die van het slachtoffer zelf - alleen van belang indien zij voor de bestuurder van het motorrijtuig zo onwaarschijnlijk waren dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden.</para>
  <parablock>
    <para>Het vierde middelonderdeel betoogt dat dit criterium niet langer als juist kan worden aanvaard. Voor alle fietsers en voetgangers dient - aldus dit middelonderdeel - te gelden de regel die door Uw Raad is aanvaard ingeval het slachtoffer jonger is dan veertien jaar; deze regel houdt in dat gedragingen van het kind die hebben bijgedragen aan de aanrijding niet als eigen schuld aan het kind worden toegerekend en voor de bestuurder van het motorrijtuig geen overmacht opleveren tenzij sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid. Zie Uw arresten van 1 juni 1990, NJ 1991, 720, ([…]), van 31 mei 1991, NJ 1991, 721, ([…]) en van 24 december 1993, NJ 1995, 236, ([…]), alle m.nt. CJHB.</para>
    <para>Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat aldus een sluitende rechtsbescherming van de groep voetgangers en fietsers kan worden bereikt terwijl inmiddels ook wetgeving in voorbereiding is ter invoering van een zuivere risicoaansprakelijkheid van het gemotoriseerde verkeer. Met het oog op die wetgeving is aan de Tweede Kamer een Notitie verkeersaansprakelijkheid gezonden waarin is uiteengezet welk stelsel de Minister voor ogen staat (zie Kamerstukken II 1989/90, 21.528, nr. 1). De Tweede Kamer heeft over die notitie vragen gesteld die door de Minister zijn beantwoord (kamerstukken II 1995/96, nr. 6 en 1996/97, nr. 7). Inmiddels is het wetsvoorstel ter advisering aan de Raad van State gezonden.</para>
    <para>De in de jurisprudentie van Uw Raad voor kinderen tot 14 jaar ontwikkelde regel is mede gebaseerd op art. 6:164 BW dat een leeftijdsgrens van veertien jaar instelt voor de aansprakelijkheid van kinderen. Voor oudere verkeersslachtoffers geldt daarentegen art. 6:165 BW dat bepaalt dat een geestelijke of lichamelijke tekortkoming geen beletsel is voor aansprakelijkheid voor een als een doen te kwalificeren gedraging. Het toepassen op oudere verkeersslachtoffers van de voor kinderen aanvaarde regel past dan ook niet in ons huidige systeem. In dit systeem kunnen verkeersslachtoffers van veertien jaar en ouder bescherming ontlenen aan de billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW, een bepaling die niet aan de orde komt ingeval de eigenaar/bestuurder niet aansprakelijk is omdat hij zich op overmacht kan beroepen in verband met de onvoorzienbaarheid van de verkeersfout van het slachtoffer. In het kader van de billijkheidscorrectie geldt inmiddels de vaste regel dat minstens de helft van de schadelijke gevolgen van de fietser/voetganger voor rekening van de automobilist moet blijven. Ik verwijs hier naar Uw arrest van 28 februari 1992, NJ 1993, 566, m.nt. CJHB (IZA/ […]) en naar Uw hiervoor genoemde arrest van 24 december 1993.</para>
    <para>Anders dan de steller van het middel meen ik dat op de nieuwe wetgeving dan ook reeds daarom niet kan worden vooruitgelopen. Terecht zijn de Kantonrechter en de Rechtbank ervan uitgegaan dat een eigenaar/bestuurder van een motorrijtuig zich tegenover slachtoffers van veertien jaar en ouder op overmacht kan beroepen ingeval hem rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen en het ongeval is veroorzaakt door een gedraging van dat slachtoffer waarmee de bestuurder redelijkerwijs geen rekening behoefde te houden. Zij hebben terecht de hiervoor genoemde maatstaf van Uw arrest van 22 mei 1992 gehanteerd, een maatstaf die ook in recente arresten van Uw Raad nog als juist is aanvaard. Ik verwijs hier naar HR 16 februari 1996, NJ 1996, 393 (de Staat/Royal) en HR 4 oktober 1996, NJ 1997, 147, m.nt. CJHB ([…]) .</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>8. Middelonderdeel 1 strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan het uitvoerig geadstrueerde betoog van de erven [D] dat [betrokkene] meer rechts had kunnen en - gezien art. 22 RVV oud (art. 3 RVV nieuw) - had moeten houden en dat zij aldus het ongeval had kunnen voorkomen. In dat verband bestrijdt middelonderdeel 2 als onjuist, althans onduidelijk, de door de Rechtbank op dit punt overgenomen overweging van de Kantonrechter dat de afstand die [betrokkene] aanhield tussen haar auto en [D] "niet ongebruikelijk kort" was; betoogd wordt dat niet beslissend is of [betrokkene] verkeersgedrag ongebruikelijk was doch of haar van dat gedrag geen enkel verwijt kon worden gemaakt.</para>
  <para />
  <para>9. De Rechtbank heeft het betoog van de erven [D] dat [betrokkene] op te geringe afstand langs [D] is gereden verworpen "om de redenen die de Kantonrechter in zijn vonnis heeft aangegeven". Dat betekent op zichzelf niet dat het oordeel van de Rechtbank onvoldoende is gemotiveerd; dat kan wel zo zijn ingeval in appel nieuwe aspecten aan de orde zijn gesteld die in eerste aanleg niet aan de orde zijn gekomen. Dat doet zich in casu niet voor al is in appel wel nader ingegaan op de stelling dat [betrokkene] niet voldoende rechts heeft gehouden.</para>
  <parablock>
    <para>De Rechtbank heeft - naar ik aanneem mede op grond van de in appel overgelegde foto's van de situatie ter plaatse - het oordeel van de Kantonrechter onderschreven dat aannemelijk moet worden geoordeeld dat [betrokkene] voldoende afstand hield van de wegas waarop [D] zich bevond, althans dat haar op dit punt geen enkel verwijt kon worden gemaakt gegeven de toedracht van het ongeval (het voorover vallen van [D] over de weghelft waarop [betrokkene] reed en de omstandigheid dat [D] bij die val met haar hoofd de autospiegel raakte) en gegeven de omstandigheid dat de getuigenverklaringen niet repten van een rakelings passeren. Daarbij ga ik ervan uit - anders dan het derde middelonderdeel - dat de Kantonrechter ook in de visie van de Rechtbank met zijn overweging dat de door [betrokkene] aangehouden afstand niet "ongebruikelijk" was, heeft willen aangeven dat die afstand voldoende was althans dat [betrokkene] op dit punt geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 22 RVV oud; deze bepaling verplicht verkeersdeelnemers immers "zoveel mogelijk" rechts te houden, dat wil zeggen zoveel als in de gegeven omstandigheden gewenst moet worden geoordeeld. Vgl. R.J. Polak, Inleiding tot het wegenverkeersrecht, deel I, 1996, p. 236 en 237.</para>
    <para>Anders dan het eerste middelonderdeel meen ik ook dat een nadere motivering niet was vereist. Met name behoefde de Rechtbank niet expliciet in te gaan op de door Klaverblad betwiste en overigens niet nader geadstrueerde stellingen van de erven [D] over de breedte van de weghelft waarop [betrokkene] reed, in welk verband overigens opmerking verdient dat de erven op dit punt niet consistent zijn geweest. (Zie met name de memorie van antwoord onder 3.2.1 waar wordt gesproken van een breedte van 4.60 exclusief fietsstrook van ongeveer 50 cm en dezelfde memorie onder 4.2.3 waar wordt gesproken van een breedte van 4.85 exclusief fietsstrook.)</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>10. Middelonderdeel 3 verwijt de Rechtbank uitsluitend beslissend te hebben geacht of [betrokkene] rekening moest houden met een val van het slachtoffer. Betoogd wordt dat de bestuurder van een motorrijtuig zijn gedrag moet afstemmen op alle voorzienbare fouten van andere weggebruikers, zodat de Rechtbank niet zonder meer mocht volstaan met een onderzoek naar de vraag of de fout die uiteindelijk schade veroorzaakte (de val) op zichzelf voorzienbaar was voor [betrokkene]. De Rechtbank had met name ook onder ogen moeten zien of - zoals de erven [D] betoogden - [betrokkene] erop bedacht had moeten zijn dat [betrokkene] onverwachts zou oversteken en of die mogelijkheid haar tot een (aangepast) verkeersgedrag had moeten brengen dat het onderhavige ongeval zou hebben voorkomen.</para>
  <para />
  <para>11. Bij de beantwoording van de vraag of de eigenaar zich op overmacht kan beroepen gaat het inderdaad niet uitsluitend om de vraag of de verkeersfout van het slachtoffer die het ongeval veroorzaakte zo onwaarschijnlijk was dat de bestuurder bij het bepalen van zijn verkeersgedrag daarmede in redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Aan de eigenaar/bestuurder komt immers slechts een beroep op overmacht toe ingeval hem rechtens geen enkel verwijt treft van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen voor zover van belang voor het veroorzaken van het ongeval. Aan die voorwaarde is pas voldaan indien de bestuurder zijn rijgedrag heeft afgestemd op de verkeerssituatie ter plaatse. Zo zal een bestuurder zijn rijgedrag moeten aanpassen aan de omstandigheid dat ter plaatse voetgangers aan het oversteken zijn. Dat heeft de Rechtbank echter - anders dan het middel suggereert - niet miskend. De Rechtbank heeft immers onder ogen gezien of [betrokkene] enig verwijt kan worden gemaakt met name gezien de snelheid waarmee zij reed en de afstand waarop zij [D] en haar dochter passeerde. De Rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord, kennelijk - zo begrijp ik uit haar overwegingen in onderling verband gelezen - mede omdat in casu vaststond dat [D] en haar dochter stilstonden en op geen enkele wijze blijk ervan hebben gegeven dat zij zich mogelijk onvoorzichtig zouden gedragen. Dat oordeel is - verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard - in cassatie niet op zijn juistheid te toetsen. Onbegrijpelijk is het evenmin terwijl het geen nadere motivering behoefde.</para>
  <para>Anders dan het middel wil, was de Rechtbank niet gehouden onder ogen te zien wat [betrokkene] had moeten doen ingeval zij erop had moeten rekenen dat [D] wel haar weg zou vervolgen en of het op die verkeersfout afgestemde rijgedrag het door de val veroorzaakte ongeval had kunnen voorkomen. Ook het vierde middelonderdeel moet derhalve falen.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
    </para>
    <para>Nu ik het middel in al zijn onderdelen ongegrond acht concludeer ik tot verwerping van het beroep.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>