<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1996:62</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-04T13:25:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1996-06-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">102.846</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1996:ZD0140" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1996:ZD0140</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1996:62">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1996:62</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-01T11:06:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1996:62 Parket bij de Hoge Raad , 25-06-1996 / 102.846</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1996:62:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Rijden onder invloed, art. 26.2.a WVW. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.1.a Sv. 1. Had hof de verdachte ontvankelijk moeten verklaren in zijn h.b. en OM n-o moeten verklaren in zijn vervolging, nu dagvaarding door verdachte als ingetrokken kon en mocht worden beschouwd gelet op bericht van OvJ? 2. Subsidiair (voor het geval HR het cassatieberoep zal verwerpen) verzoek tot herziening van bestreden uitspraak. </para>
        <para>Ad 1. Middelen miskennen dat in cassatie geen beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden die niet vaststaan en waarvan niet blijkt dat daarop in feitelijke aanleg een beroep is gedaan. </para>
        <para>Ad 2. HR zal op herzieningsverzoek geen acht slaan, aangezien herziening ex art. 457 Sv slechts kan worden aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak. </para>
        <para>Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. herzieningsverzoek.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1996:62:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>J.M. </para>
  <para>Nr. 102.846 </para>
  <para>Zitting 25 juni 1996</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr Meijers</emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie inzake: </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verzoeker]
      </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. Verzoeker is bij arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 7 augustus 1995 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, omdat dit hoger beroep te laat was ingesteld.</para>
  <para />
  <para>2. Tegen de beslissing van het hof heeft mr R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
  <para />
  <para>3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof verzoeker ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het hof heeft onder meer overwogen dat de inleidende dagvaarding op 17 januari 1994 in persoon is uitgereikt en dat hij mitsdien binnen veertien dagen na het op 11 februari 1994 door de politierechter te Rotterdam gewezen vonnis hiertegen in hoger beroep had moeten komen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het middel stelt zich op het standpunt dat de inleidende dagvaarding niet aangemerkt kan worden als een dagvaarding cfm art. 408.1.a Sv, omdat het hier gaat om een dagvaarding die door verzoeker als ingetrokken kon en mocht worden beschouwd. De toelichting op het middel voert hiertoe aan dat op 23 december 1993 aan verzoeker door de officier van justitie bericht is verzonden dat verzoeker de dagvaarding als ingetrokken kan beschouwen als hij vóór de uiterlijke betaaldatum van de bij dat schrijven gevoegde acceptgirokaart het daarop voorkomende bedrag zou hebben overgemaakt. Deze brief, die zich niet in het dossier bevindt zoals dat cfm art. 433.3 Sv aan de Hoge Raad is verzonden, is aan de schriftuur gehecht. Tevens is een bewijs bijgevoegd, waaruit blijkt dat op 28 januari 1994 door middel van een acceptgirokaart een bedrag van f 1500 is overgemaakt op het in de brief genoemde gironummer, waarop het griffienummer van de onderhavige zaak in eerste aanleg voorkomt en de datum 3 februari 1994.</para>
    <para>Met de raadsman ben ik van oordeel dat hieruit geconcludeerd kan worden dat verzoeker voor het onderhavige feit een schikking heeft betaald en dat hij, gezien de brief van de officier van justitie, erop mocht vertrouwen dat de inleidende dagvaarding zou worden ingetrokken. Maar dit leidt dit er naar mijn mening niet toe dat op die grond geconcludeerd zou moeten worden dat er geen sprake meer is van een in persoon betekende dagvaarding cfm art. 408.1.a Sv. De betekening van de dagvaarding is volgens de regels gelopen. Zou de politierechter geweten hebben dat verzoeker aan de voorwaarde ter voorkoming van strafvervolging had voldaan, dan zou dit immers niet geleid hebben tot nietigheid van de dagvaarding, maar tot niet-ontvankelijkheid van het OM (vgl. art. 74.1 Sr) .</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uit het voorgaande blijkt dat er in de onderhavige zaak sprake is van de situatie van art. 457.1.2° Sv. Hier ligt ook het punt, waarop het eerste middel afstuit: er wordt een beroep gedaan op feiten waaromtrent de feitenrechter niets heeft vastgesteld en die niet voor het eerst in cassatie aangevoerd kunnen worden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het middel faalt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>4. Het tweede middel borduurt op het eerste voort met de klacht dat het hof ten onrechte niet het OM niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van - kort gezegd - art. 74.1 Sr, waartoe het dezelfde argumenten aanvoert als bij het eerste middel.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Nog afgezien van het feit dat het hier, zoals gezegd, gaat om in cassatie aangedragen nieuwe feiten, kon het hof, na de vaststelling dat het appel te laat was ingesteld, niet meer toekomen aan de vraag naar de ontvankelijkheid van het OM. De vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep gaat immers aan de vraag naar de ontvankelijkheid van het OM vooraf. Overigens zouden de thans in cassatie aangevoerde omstandigheden, zo deze aan het hof bekend waren, naar mijn mening niet zonder meer tot de conclusie hebben moeten leiden dat er sprake was van verschoonbare termijnoverschrijding. Op 12 april 1994 is (ten overvloede) de kennisgeving voorwaardelijke veroordeling aan verzoeker in persoon betekend, terwijl eerst op 31 oktober 1994 namens hem hoger beroep is ingesteld. Dat bij de kennisgeving voorwaardelijke veroordeling niet is medegedeeld dat hij hiertegen hoger beroep kon instellen doet hieraan naar mijn mening niet af, nu het op de weg van verzoeker had gelegen om eerder te informeren naar deze, in zijn ogen vreemde, gang van zaken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ook het tweede middel faalt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>5. Mr Baumgardt houdt in zijn schriftuur rekening met de mogelijkheid dat de Hoge Raad het cassatieberoep zal verwerpen. Voor dat geval verzoekt hij om zijn schriftuur aan te merken als een herzieningsverzoek.</para>
  <para />
  <para>6. Om onnodige formaliteiten te vermijden stel ik voor dat de Hoge Raad het cassatieberoep verwerpt en vervolgens, rechtdoende op het herzieningsverzoek, in een afzonderlijke beslissing het vonnis van de rechtbank als onherroepelijk zal aanmerken en de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren.</para>
  <para />
  <para>7. De -tweeledige- conclusie luidt derhalve:</para>
  <parablock>
    <para>op het cassatieberoep: verwerping van het beroep;</para>
    <para>op de herzieningsaanvraag: gegrondverklaring van de aanvraag met uitvaardiging van de bevelen, die nodig zijn, en met verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>