<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1995:49</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-04T15:19:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1995-04-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">4892</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1995:ZD0112" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1995:ZD0112</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1995:49">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1995:49</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-01T10:45:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1995:49 Parket bij de Hoge Raad , 04-04-1995 / 4892</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1995:49:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Herziening. Verlaten plaats van ongeval (art. 30.1.a WVW) en rijden onder invloed (art. 26.2.a WVW). Hof heeft aanvrager veroordeeld tot gevangenisstraf en ontzegging van rijbevoegdheid en bij zijn arrest ook tenuitvoerlegging gelast van voorwaardelijk opgelegde straf. Ontvankelijkheid herzieningsaanvraag van einduitspraak die mede last tot tul bevat. Aangevoerd wordt dat niet aanvrager maar zijn broer de bestuurder was van motorrijtuig, art. 457.1.2 Sv. </para>
        <para>Inhoud van de bij herzieningsaanvraag overgelegde verklaringen geeft steun aan stelling waarop aanvraag berust, te weten dat aanvrager de feiten niet heeft gepleegd. Een en ander levert ernstig vermoeden op dat hof, ware het met deze omstandigheid bekend geweest, aanvrager van het hem tlgd. zou hebben vrijgesproken. Hieruit volgt dat zich in deze zaak een omstandigheid voordoet a.b.i. art. 457.1.2 Sv. </para>
        <para>HR verklaart aanvraag gegrond en verwijst zaak naar hof. CAG (strekking): gegrondverklaring van aanvraag wat betreft veroordeling tot opgelegde straffen en in zoverre verdere behandeling op openbare tz., en niet-ontvankelijkverklaring van aanvraag wat betreft last tot tul van voorwaardelijk opgelegde straf.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1995:49:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 4892 Herz. </para>
  <para>Parket, 4 april 1995</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr Van Dorst </emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie inzake: </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [aanvrager]
      </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. Mr G.H. van Asperen, advocaat te Maastricht, heeft namens aanvrager bij op 11 januari 1995 bij de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift herziening gevraagd van het arrest van het hof te Den Bosch van 22 maart 1993, waarbij de aanvrager ter zake van de misdrijven van (1) art. 30 lid 1 sub a WVW en (2) art. 26 lid 2 sub a WVW is veroordeeld tot (ad 1 en 2) een gevangenisstraf van twee weken, met (ad 2) ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twaalf maanden, en met last tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. Dit arrest is onherroepelijk geworden als gevolg van de verwerping van het daartegen gerichte cassatieberoep bij arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 1994.</para>
  <para />
  <para>2. De aanvrage is gegrond op een door bewijsmiddelen gestaafd novum. Uit de overgelegde verklaringen van aanvrager, diens broer [betrokkene 1] en [betrokkene 2] blijkt dat bovenvermelde misdrijven niet zijn begaan door aanvrager maar door diens evengenoemde broer. Voorts blijkt daaruit dat de drie genoemden onderling hebben afgesproken dat aanvrager de rol van bestuurder op zich zou nemen omdat genoemde broer niet over een rijbewijs beschikte. Overeenkomstig die afspraak hebben zij nadien bij de politie (onjuiste) verklaringen afgelegd, op basis waarvan aanvrager in beide feitelijke instanties bij verstek is veroordeeld. Op dezerzijds verzoek heeft de politie betrokkenen nogmaals gehoord; bij die verhoren zijn ze gebleven bij de inhoud van de verklaringen waarop de aanvrage steunt.</para>
  <para />
  <para>3. Op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad moet worden aangenomen dat het herzieningsverzoek met succes wijst op een omstandigheid als bedoeld in art. 457 lid 1 sub 2° Sv; zie de zaak van de valse bekentenis in HR NJ 1975, 92 m.n. ThWvV.</para>
  <para />
  <para>4. Wel maak ik de Hoge Raad erop attent dat in de literatuur vraagtekens worden geplaatst bij de aanwending van het buitengewone rechtsmiddel van herziening in gevallen als de onderhavige waarin bewuste misleiding van justitie door of vanwege de aanvrager lonend blijkt te zijn; zie Strijards, Revisie, blz. 187. De Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, blz. 287, oppert zelfs de mogelijkheid om de herzieningsaanvrage niet-ontvankelijk te verklaren indien sprake is van misbruik van de rechtsmiddelenbedeling, hetgeen -als ik het goed begrijp- het geval kan zijn indien het novum reeds in het gewone geding (in eerste aanleg of appel) aangevoerd had kunnen worden. Zie voorts Corstens, handboek blz. 728, die ervoor waarschuwt dat de herzieningsprocedure niet moet verworden tot een vierde instantie nadat reeds in drie instanties is geprocedeerd. Ten slotte zij nog verwezen naar de zijdens het OM genomen conclusie en vordering bij HR NJ 1975, 92.</para>
  <para />
  <para>5. Bij deze verwijzingen wil ik het laten, omdat het mij niet erg waarschijnlijk toeschijnt dat de Hoge Raad op zijn standpunt zal terugkomen. Overigens pleit vóór dat standpunt - hetwelk ook lijkt te stroken met de wetsgeschiedenis, vgl. Strijards, a.w. blz. 109- dat het in het strafproces uiteindelijk om de materiële waarheid gaat. Daarmee verdraagt zich niet dat iemand straf zou moeten ondergaan voor een feit dat hij niet heeft begaan. Ook niet indien die veroordeling tot straf aan zijn eigen schuld te wijten is, al leert de ervaring dat het aan niet-juristen amper is uit te leggen dat dit uitgangspunt impliceert dat per saldo niemand gestraft wordt, bijv. indien het -zoals i.c .- gaat om het misdrijf van art. 26 lid 2 WVW: de aanvrager gaat alsnog vrijuit omdat hij geen bestuurder was en de werkelijke bestuurder kan niet worden veroordeeld omdat indertijd zijn adem/bloedalcoholgehalte niet is onderzocht. Dat beeld wordt in casu nog versterkt doordat de door laatstgenoemde met succes toegedekte overtreding (het rijden zonder rijbewijs) inmiddels is verjaard en diens misdrijf van art. 30 WVW bijna is verjaard.</para>
  <para />
  <para>6. Voor de door De Hullu geopperde niet-ontvankelijkverklaring van de aanvrage -die ik in beginsel mogelijk acht, vgl. ook HR DD 88.416 en in wat verwijderd verband HR NJ 1962, 271-, is dunkt mij in het onderhavige geval onvoldoende grond aanwezig. Aanvrager heeft bij zijn nader verhoor door de politie verklaard dat hij als gevolg van langdurig verblijf in Frankrijk de dagvaardingen niet heeft ontvangen en dat hij beslist verschenen zou zijn indien hij van de zitting(en) op de hoogte was geweest. De gedingstukken bevatten onvoldoende aanknopingspunten die de juistheid van deze stelling ondermijnen. Bij die stand van zaken moet worden aangenomen dat verzoeker geen gebruik heeft kunnen maken van de gewone procedure om het thans gestelde novum naar voren te brengen. Zie ook Strijards, a.w. blz. 121.</para>
  <para />
  <para>7. De aanvrage ware derhalve ontvankelijk te achten voor zover herziening wordt verzocht van de veroordeling tot de hiervoren vermelde straffen.</para>
  <para />
  <para>8. Niet-ontvankelijk evenwel is mijns inziens de aanvrage voor zij betrekking heeft op de door het hof gegeven last tot tenuitvoerlegging van de eerder aan verzoeker voorwaardelijk opgelegde ontzegging der rijbevoegdheid voor de tijd van drie maanden.</para>
  <para />
  <para>9. Deze last is immers niet op één lijn te stellen met een veroordeling waarop art. 457 lid 1 Sv doelt, terwijl er evenmin sprake is van een bewezenverklaring in de zin van art. 457 lid 2 Sv. Bovendien kan de in art. 36la Sv jo art. 14j Sr bedoelde beslissing van de rechter na de in art. 14i Sr geregelde behandeling van de tenuitvoerleggingsvordering nimmer uitmonden één der einduitspraken als vermeld in art. 457 Sv, te weten niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (in zijn vervolging, vD), vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of toepassing van een minder zware strafbepaling.</para>
  <para />
  <para>10. De wet voorziet derhalve niet in de mogelijkheid tot herziening van een last tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. Zie ook De Ranitz, Herziening van arresten en vonnissen, blz. 45 ev, De Hullu, a.w. blz. 266, Strijards, a.w. blz. 115, 126 alsmede HR DD 87.047 (bij ad info-zaak is geen sprake van een bewezenverklaring) en HR DD 95.001 (geen herziening mogelijk van beslissingen van de militaire tuchtrechter) .</para>
  <para />
  <para>11. Ten overvloede merk ik op dat gratie kan worden verleend van een last tot tenuitvoerlegging; vgl. artt. 2 en 3 lid 1 van de Gratiewet.</para>
  <para />
  <para>12. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage ontvankelijk zal achten in voege als hierboven is vermeld en in zoverre de verdere behandeling op de openbare terechtzitting zal bevelen en de aanvrage voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>