<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1994:AC1452</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T11:43:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AC1452</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1994-05-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">275-93-V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1994:AC1452" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1994:AC1452</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1994, 672</rdf:li>
          <rdf:li>VR 1994, 194</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1994:AC1452">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1994:AC1452</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-08T16:29:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1994:AC1452 Parket bij de Hoge Raad , 10-05-1994 / 275-93-V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1994:AC1452:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wet Mulder. OM-cassatie. Administratieve sanctie t.z.v. parkeren op stoep. Nadat OvJ beroep van betrokkene tegen inleidende beschikking van CJIB waarbij administratieve sanctie is opgelegd ongegrond heeft verklaard, heeft Ktr beroep tegen beslissing OvJ gegrond verklaard en die beslissing vernietigd. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Kan OvJ in zijn cassatieberoep worden ontvangen, nu OvJ in zijn ex art. 10 WAHV gemaakte opmerkingen heeft geconcludeerd dat inleidende beschikking dient te worden vernietigd? 2. Welke gevolgen dienen te worden verbonden aan overschrijding van de in art. 4.2 WAHV voor toezending van inleidende beschikking voorgeschreven termijn van 3 maanden?</para>
      <para />
      <para>Ad 1. In aanmerking genomen dat bij bestreden uitspraak de beslissing van OvJ is vernietigd en gelet op hetgeen door OvJ ter zitting van Ktr is aangevoerd, brengt enkele omstandigheid dat OvJ in zijn ex art. 10 WAHV gemaakte opmerkingen heeft geconcludeerd dat inleidende beschikking dient te worden vernietigd, niet mee dat hij niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.</para>
      <para />
      <para>Ad 2. Hoewel toezending van beschikking in het in laatste volzin van art. 4.2 WAHV (zoals dat gold vóór wetswijziging van 1-1-1994) bedoelde geval niet uitdrukkelijk aan termijn is gebonden, moet worden aangenomen dat ook in dat geval een termijn geldt van 3 maanden. In art. 4.2 WAHV (zoals dat luidt sedert 1-1-1994) is dan ook tot uitdrukking gebracht dat toezending van beschikking in alle gevallen dient te geschieden binnen 3 maanden nadat gedraging heeft plaatsgevonden. Dit brengt mee dat voor beantwoording van hiervoor bedoelde vraag geen onderscheid behoeft te worden gemaakt al naar gelang art. 4.2 (oud) WAHV dan wel sedert 1-1-1994 geldend art. 4.2 WAHV van toepassing is. In aanmerking genomen a) dat opleggen van een bij WAHV voorziene administratieve sanctie moet worden aangemerkt als strafvervolging a.b.i. art. 6.1 EVRM en b) dat het bij constatering van gedragingen a.b.i. art. 2 WAHV niet steeds mogelijk is betrokkene staande te houden en deze er aanstonds van op de hoogte te stellen dat sanctie zal worden opgelegd, moet worden aangenomen dat wetgever met opneming in art. 4.2 WAHV van termijn van 3 maanden heeft beoogd onaanvaardbare vertraging bij oplegging van sanctie en daartegen in WAHV voorziene procedures tegen te gaan en tevens heeft willen bewerkstelligen dat in hiervoor onder b bedoelde gevallen de inleidende beschikking de betrokkene bereikt binnen zodanige termijn, gerekend vanaf tijdstip waarop gedraging is geconstateerd, dat hij redelijkerwijs geacht moet worden te kunnen nagaan op welke gedraging die beschikking betrekking heeft. Bij die stand van zaken kan niet worden geoordeeld, zoals Ktr heeft gedaan, dat inleidende beschikking in de regel moet worden vernietigd in geval deze niet binnen 3 maanden na gedraging aan betrokkene is toegezonden, zulks wegens een in die termijn besloten waarborg. Met hiervoor weergegeven interpretatie spoort wel dat overschrijding van de in art. 4.2 WAHV voorgeschreven termijn van 3 maanden slechts dan tot vernietiging van inleidende beschikking behoort te leiden, indien betrokkene door overschrijding rechtstreeks is geschaad in enig rechtens te respecteren belang. Dat betrokkene door overschrijding, welke i.c. 13 dagen heeft bedragen, in enige mate zou zijn geschaad is in feitelijke aanleg niet gesteld of gebleken. Uit voorgaande volgt dat Ktr van onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, zodat bestreden beslissing niet in stand kan blijven.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1994:AC1452:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 275-93-V</para>
  <para>CJIB 2806994</para>
  <para>Parket, 1 december 1993 </para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr. Meijers</emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie inzake:</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [betrokkene]
      </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De officier van justitie te Dordrecht voert in het door hem voorgestelde middel aan dat de kantonrechter het recht heeft geschonden door te oordelen dat de beschikking van de officier van justitie moet worden vernietigd, ‘’nu de initiële beschikking aan betrokkene niet binnen drie maanden na het plegen van de gedraging is toegezonden’’. De officier van justitie geeft niet met zoveel woorden aan, welke rechtsregel hij voor geschonden houdt, maar uit de schriftuur blijkt dat de kantonrechter wordt verweten, in zijn beschikking blijk te hebben gegeven van een verkeerde uitleg van art. 4 lid 2 WAHV, voor zover dit artikellid inhoudt dat de beschikking binnen drie maanden na de, op kenteken geconstateerde, gedraging wordt toegezonden aan het adres dat is opgenomen in het kentekenregister.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De officier van justitie klaagt niet uitdrukkelijk over enig vormverzuim (bij voorbeeld schending van de motiveringsregel van art. 13 lid 2 WAHV). Uit de laatste twee zinnen van de tweede alinea van de schriftuur kan evenwel worden afgeleid dat de officier van justitie aan de kantonrechter tevens verwijt, zijn beslissing niet voldoende te hebben gemotiveerd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar het oordeel van de kantonrechter gaat het in art. 4 lid 2 WAHV om een waarborgnorm voor de betrokkene. In deze zin ook ktg. Amersfoort NJ 1992, 704.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met verwijzing naar De Haan/Drupsteen/Fernhout betoogt Rogier (Artikelsgewijs commentaar, p. 39) dat de termijn weliswaar is bedoeld als een termijn van orde en een instructienorm voor de uitvoerende instanties, doch dat het ook een waarborgnorm voor de betrokkene is. ‘’Bij een grove overschrijding van die termijn zou de betrokkene een beroep kunnen doen op 'undue delay' in de zin van artikel 6 EVRM’’<footnote-ref linkend="_d42d5b64-5162-42b0-ad40-bc428c6d8c51" />. Rogier voegt hieraan toe dat de praktische betekenis gering is, omdat eerst de toezending (dat moet zijn: de ontvangst; zie HR NJ 1993, 181, M.) van de beschikking de betalingsverplichting doet ontstaan.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aan betrokkene is een sanctie van ƒ 50,-- opgelegd vanwege het neerzetten van een auto buiten de rijbaan (R 315 B). De gedraging is geconstateerd op 30 oktober 1992. De initiële beschikking draagt de dagtekening 12 februari 1993.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De rechtsklacht van de officier van justitie is naar mijn mening niet gegrond. Uit de beslissing blijkt niet dat de kantonrechter van een verkeerde uitleg van het gestelde in art. 4 lid 2 WAHV is uitgegaan. Met de kantonrechter zou ik in de tijdsbepaling van art. 4 lid 2 WAHV een waarborgnorm voor de betrokkene willen zien en wel op de volgende gronden: (a) de betrokkene mag erop rekenen dat tussen gedraging en sanctionering ervan niet een onredelijk lange tijd verloopt en (b) het inachtnemen van de in art. 4 lid 2 WAHV genoemde termijn is in het belang van een zorgvuldige procesvoering.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Om twee redenen zal, naar ik meen, de beslissing van de kantonrechter niet in stand kunnen blijven. In de eerste plaats leidt het enkele feit dat de in art. 4 lid 2 WAHV gestelde tijd is overschreden, niet zonder meer tot een processueel gevolg, ook niet als, zoals de kantonrechter terecht doet, in de vaststelling van de drie-maanden-termijn een waarborgnorm voor de betrokkene wordt gezien. Het oordeel dat de termijnoverschrijding moet worden gesanctioneerd zal moeten berusten op de overweging dat is vast komen staan of aannemelijk is geworden dat degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd ten gevolge van de opgetreden vertraging in enig redelijk belang is geschaad. Nadeel voor de betrokkene kan worden verondersteld, indien de termijnoverschrijding van die aard is dat handhaving van de opgelegde sanctie strijdig zou zijn met een behoorlijke procesvoering. In deze zaak is omtrent enig door betrokkene opgelopen nadeel niets aangevoerd of vastgesteld, terwijl de opgelopen vertraging slechts dertien dagen bedraagt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In de tweede plaats zal, zo al blijkt of aannemelijk is dat door de overschrijding van de in art. 4 lid 2 WAHV gestelde termijn een betrokkene nadeel heeft ondervonden, de overschrijding niet noodzakelijkerwijze tot vernietiging van de initiële beschikking behoeven te leiden. De kantonrechter zal moeten beoordelen of de beslissing van de officier van justitie ‘’niet of niet ten volle gehandhaafd kan blijven’’ (art. 13 lid 1 WAHV). Dit betekent, voor zover hier van belang, dat naast nietigverklaring wegens opgelopen vertraging ook matiging van het sanctiebedrag (zie art. 13 lid 1 in verbinding met art. 9 lid 2 onder b WAHV) zich als mogelijk processueel gevolg aandient. Een vergelijking met de sanctionering van vertraging in het strafproces dringt zich op.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd. Voor zover de officier van justitie over dit vormverzuim klaagt, is het door hem voorgestelde middel gegrond.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ik concludeer tot vernietiging en terugwijzing.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
  <para />
  <footnote id="_d42d5b64-5162-42b0-ad40-bc428c6d8c51" label="1">
    <para> De term undue delay komt, zoals bekend, niet in het EVRM voor, maar in art. 14 derde lid onder c van het IVBPR.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>