<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1993:65</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-07-07T13:58:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1993-02-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">94.300</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1993:ZC9346" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1993:ZC9346</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1993:65">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1993:65</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-22T15:12:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1993:65 Parket bij de Hoge Raad , 16-02-1993 / 94.300</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1993:65:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Als plaats waar de misdrijven, overtreding van art. 68 lid 1 en 3 AWR en art. 225 lid 1 Sr, zijn begaan is mede aan te merken de plaats waar de ingevulde en ondertekende aangiftebiljetten zijn ingeleverd, onderscheidenlijk de plaats waarnaar de valselijk opgemaakte geschriften zijn gezonden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1993:65:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>L.D. </para>
  <para>Nr. 94.300 </para>
  <para>Zitting 16 februari 1993</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr. Leijten </emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie inzake: </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De verzoeker van cassatie is door het gerechtshof van Amsterdam bij arrest van 6 juni 1992 vrijgesproken van twee telastegelegde feiten en voorts terzake van feitelijk leiding geven aan belastingfraude en valsheid in geschrift veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden. Het Hof vernietigde het vonnis, door de rechtbank te Alkmaar op 8 mei 1990 tegen de verzoeker gewezen.</para>
    <para>Tegen dit arrest heeft Mr. A.C. Dekker, advocaat te Hoorn, namens de verzoeker bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In het <emphasis role="underline">eerste middel</emphasis> wordt betoogd dat tussen de berechting in eerste aanleg en de berechting in hoger beroep bij het hof:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>"een onwenselijk lange periode is verstreken". </para>
    <para>De toelichting op dit middel bevat onder meer deze opmerking:</para>
    <para>"Gelet op het feit dat er geen instructie in deze zaak diende plaats te vinden kan hier volgens vaste rechtspraak gesproken worden over een onwenselijk lange periode, die meegewogen moet worden bij het bepalen van de strafmaat".</para>
    <para>In de rechtspraak wordt sinds jaar en dag en voortdurend onderscheid gemaakt tussen een onwenselijk lange periode en een onredelijk lange periode. Alleen met die laatste wordt gedoeld op een periode die meebrengt overschrijding van de termijn gesteld bij art. 6 EVRM en 14 IVBP en als zodanig wordt de onredelijk lange periode ook duidelijk geplaatst <emphasis role="underline">tegenover</emphasis> de onwenselijk lange periode. Is er sprake van een onredelijk lange periode dan dient ofwel het openbaar ministerie in zijn vervolging alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard dan wel - als de vertraging niet al te zeer alle grenzen der redelijkheid overschrijdt - strafverlaging te worden toegepast en in dat laatste geval moet blijken in <emphasis role="underline">welke</emphasis> mate van strafverlaging op deze grond sprake is. Eenvoudig voorbeeld: voor dit feit acht het hof op zich genomen een gevangenisstraf van één jaar passend. Omdat de redelijke termijn is overschreden wordt echter een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd. Daarbij wil ik nog op een zaak wijzen. Het is mogelijk dat in het vorige geval de rechtbank, toen er nog geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, ook zes maanden had opgelegd. De neiging zou kunnen bestaan te menen dat het hof door ook zes maanden op te leggen geen strafverlaging heeft toegepast, maar dat is onjuist. Die verlaging moet bezien worden vanuit de eigen opvatting over wat de straf had moeten zijn zonder dat er sprake was van undue delay.</para>
    <para>Nu in het middel en in de toelichting daarop uitdrukkelijk gesproken wordt over een onwenselijk lange periode mag ik de rechtsgeleerde raadsman niet het affront aandoen dat hij bedoelt zich te beroepen op een onredelijk lange termijn. Maar als er sprake is van een onwenselijk lange periode behoeft de rechter in de strafmotivering niet te laten <emphasis role="underline">uitkomen</emphasis>, dat hij daarmee rekening heeft gehouden. En daarom is het middel ongegrond. Ook hier nog één toevoeging: de rechtbank te Alkmaar had aan de verzoeker de niet zo gebruikelijke straf opgelegd van twaalf maanden geheel voorwaardelijk. Het hof heeft, als reeds opgetekend, vier maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk opgelegd. Dat is volgens een oude theorie theoretisch een lichtere straf dan die van de rechtbank, maar in feite is ze natuurlijk zwaarder. Het hof geeft dan ook aan dat het vindt dat de door de rechtbank opgelegde straf geen recht doet aan de ernst van de schending van de rechtsorde door de gepleegde feiten. Het blijft daarbij heel goed mogelijk dat het hof impliciet met de lange duur van de periode voorafgaande aan het appèl bij de oplegging van die straf heeft rekening gehouden en, bijvoorbeeld, de procureur-generaal in zijn eis van zes maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk zou hebben (zijn) gevolgd als het allemaal niet zo lang geduurd had.</para>
    <para>Voor het geval toch zou worden aangenomen dat in het middel een beroep wordt gedaan op overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld bij EVRM en IVBP, voor de periode gelegen tussen, nauwkeurig gezegd, de datum van het instellen van hoger beroep door de verzoeker en de eerste behandeling van de zaak in hoger beroep, zij het volgende opgemerkt.</para>
    <para>Die periode is inderdaad zeer lang gewest en naar mijn overtuiging veel en veel te lang. Toch acht ik het middel niet gegrond. Het recht om berecht te worden binnen een redelijke termijn als vastgelegd in meergenoemde Verdragen is een fundamenteel recht, een mensenrecht, gegeven aan het individu en zich richtend tegen de (lakse) overheid. In dit geval komt het recht toe aan degene die als verdacht van een strafbaar feit door de overheidsrechter wordt berecht. Zo iemand kan er onder omstandigheden zelfs belang bij hebben dat zijn zaak met grote vertraging wordt berecht. Ik ga daar niet diep op in, maar zou toch willen zeggen dat heel wat mensen bij de keuze tussen berechting over vier weken of over vier jaar, niet voor het eerste zullen kiezen. Nog wat langer en zelfs een misdrijf kan verjaard zijn enz. Maar wie intussen vastzit, voorlopig gedetineerd is, zal er heel anders over denken. Ik bedoel te zeggen, dat het in deze materie van groot belang is of de verdachte, de verdediging namens hem, op de overschrijding van de redelijke termijn, nadat die zich volgens hen had voorgedaan, ook werkelijk heeft beroepen. Ik wil er niet mee zeggen, dat het in acht nemen van de redelijke termijn daarom nooit een zaak is van ambtshalve onderzoek. Er kunnen allerlei gevallen zijn waarin dat wel moet gebeuren. Ik noem er twee: de verdachte die geen rechtskundige hulp heeft, kent simpelweg dit nog niet zo stokoude recht niet. En: de termijn is zo lang dat het recht van de verdachte daardoor is geschonden vanuit de gedachte dat de overheid fatsoenlijk met mensen moet omgaan zelfs als zij daar zelf geen prijs meer op stellen of niet (durven) laten merken dat ze er prijs op stellen. En dat is lang geen uitputtende opsomming. Dat het daarnaast ook een belang van openbare orde en van humaniteit is (ook jegens de slachtoffers) om strafzaken binnen een redelijke periode af te werken, staat buiten het voorgaande. Daarmee houden de Verdragen zich ook niet bezig.</para>
    <para>Terug naar deze zaak. In hoger beroep is daarin op overschrijding van de redelijke termijn door of namens de verzoeker geen beroep gedaan. De verzoeker werd ook in appel bijgestaan door een rechtsgeleerde raadsman en toen de zaak op 20 maart 1992 voor het eerst in hoger beroep behandeld zou worden kwamen er van de (voormalige) raadsman van de verzoeker en van de verzoeker zelf verzoeken binnen om de behandeling van de zaak aan te houden, wat vervolgens ook gebeurd is. </para>
    <para>Onder die omstandigheden meen ik dat de termijn waar het over gaat en die wanneer er een beroep op was gedaan dat daardoor de redelijke termijn was overschreden, daar <emphasis role="underline">minstens</emphasis> toch heel dicht bij in de buurt was gekomen, nu niet van zodanige aard en lengte is dat het hof haar ongevraagd als onredelijk lang had dienen aan te merken.</para>
    <para>Daarom acht ik het middel ongegrond.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het<emphasis role="underline"> tweede middel</emphasis> richt zich tegen de bewezenverklaring van de feiten II en III. Uit de bewijsmiddelen kan niet blijken dat de feiten zijn gepleegd in de - bewezenverklaarde - plaatsen Alkmaar en Amsterdam.</para>
    <para>Van feit II is bewezenverklaard dat het is gepleegd in Alkmaar. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de aangiftebiljetten - waarvan niet blijkt waar de verzoeker ze heeft ingevuld - zijn uitgereikt door en terugontvangen bij de belastinginspectie te Alkmaar. Het handelen van verzoeker heeft derhalve in Alkmaar de beoogde gevolgen gehad; ook Alkmaar kan derhalve worden beschouwd (naast de plaats waar de verzoeker de formulieren invulde) als locus delicti. Vgl. HR 6 april 1915, NJ 1915, p. 427 (Azewijnse paard). De bewezenverklaring van feit II is op dit punt voldoende gemotiveerd.</para>
    <para>Voor feit III geldt hetzelfde: de ingevulde en ondertekende verzamelloonstaten heeft de verzoeker, zo blijkt uit de bewijsmiddelen, toegezonden aan het GAK te Amsterdam. Daar hebben zij hun gevolgen gehad. Amsterdam is dus terecht als plaats van het feit telastegelegd, en bewezenverklaring ervan is uit de bewijsmiddelen af te leiden. Het middel is ongegrond.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In het <emphasis role="underline">derde middel</emphasis> wordt gesteld dat het Hof ten onrechte bij de strafoplegging heeft rekening gehouden met een in het dossier aanwezig artikel uit een vakblad, hetwelk niet op voorhand aan de verzoeker was toegezonden.</para>
    <para>Dit middel faalt, reeds omdat uit de strafmotivering noch uit enig ander processtuk kan blijken, dat het Hof zich door het bedoelde artikel heeft laten leiden.</para>
    <para>Bovendien stelt de raadsman in de toelichting op het middel zelf, dat hij - en ook de verzoeker - voor de aanvang van de behandeling van de zaak in hoger beroep van de aanwezigheid van het artikel in het dossier op de hoogte was. Ter zitting van het Hof is hierover niets gezegd; uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juni 1992 blijkt immers niet dat het artikel daar ter sprake is geweest. Onder deze omstandigheden kan een klacht over de aanwezigheid van het artikel in het dossier naar mijn mening niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden opgeworpen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De middelen falen en gronden voor cassatie ambtshalve zie ik niet. De conclusie luidt: verwerping van het beroep.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, </para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>