<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1992:AD1757</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-09T11:20:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AD1757</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1992-10-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">92287</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1993, 156</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1992:AD1757">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1992:AD1757</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-09T11:20:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1992:AD1757 Parket bij de Hoge Raad , 20-10-1992 / 92287</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1992:AD1757:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1992:AD1757:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. . 92.287 </para>
  <para>Zitting 8 juli 1992</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr. Meijers </emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie inzake: </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbaar College,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. Wegens (o.m. ) het samen met een ander meerdere malen verkopen van cocaïne heeft het hof verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan de helft voorwaardelijk, met verbeurdverklaring van een personenauto.</para>
  <para />
  <para>2. Namens verzoeker heeft mr. D.G. Geerdink, advocaat te Enschede, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.</para>
  <para />
  <para>3. Vertrekpunt van het <emphasis role="underline">eerste</emphasis> en het <emphasis role="underline">tweede</emphasis> middel is de verwerping door het hof van het verweer dat het afluisteren van (o.a.) door verzoeker via de aansluiting van een medeverdachte gevoerde gesprekken niet is geschied op een wijze bij de wet voorzien, zodat materiaal uit deze telefoon-taps niet tegen verzoeker mocht worden gebruikt. Beide middelen komen tegen de beslissing tot verwerping op. Het eerste middel klaagt over schending niet alleen van art. 8 EVRM, maar ook van de artt. 27 Sv en 6 EVRM (dit "en" zal wel althans moeten zijn, want in een strafzaak ligt de combinatie van klachten over schending zowel van 27 Sv als van 6 EVRM niet voor de hand: art. 6 EVRM komt in een strafrechtelijke context pas in beeld, wanneer er een verdachte is). Het tweede middel klaagt over de weergave van het hiervoor bedoelde verweer in het bestreden arrest en stelt dat het verweer ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, is verworpen.</para>
  <para />
  <para>4. Het hof heeft het verweer verworpen met de overweging dat de stelling "tapgegevens tegen A mogen nooit worden gebruikt tegen B" geen steun in het recht vindt.</para>
  <para />
  <para>5. Het hof heeft naar mijn mening het verweer zonder van een verkeerde rechtsopvatting blijk te geven op goede gronden verworpen. Het materiaal dat bij een, op regelmatige ( "based on a "law" that is particularly precise" (EHRM 24 april 1990, Kruslin tegen Frankrijk, § 33) wijze ingestelde, tap in de zaak (het g.v.o. ) tegen A te voorschijn komt kan aanleiding zijn voor het ontstaan van een verdenking tegen B of voor het instellen/voortzetten van een vervolging tegen B; dat materiaal mag in een eventuele strafzaak tegen B worden gebruikt. Door die enkele gang van zaken wordt jegens B, hier: verzoeker, geen verdragsaanspraak geschonden. In bepaalde omstandigheden zou dat wel het geval kunnen zijn, in het bijzonder wanneer aan de voorwaarden van het tweede lid van art. 8 EVRM niet is voldaan (vgl. Swart in zijn bespreking van de arresten Kruslin en Huvig in AA 1991, p. 160 e.v., AG Remmelink in zijn conclusie voor HR NJ 1977, 230 en het rapport van de Commissie Moons Herziening van het gerechtelijk vooronderzoek (1990), p. 116 met verwijzing onder meer naar de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit). Omtrent zulke omstandigheden is in deze zaak niets aangevoerd of aannemelijk geworden. Van de rechtspraak van de Hoge Raad vermeld ik NJ 1977, 230 met noot ThWvV, NJ 1988, 515 en NJ 1988, 877. Vgl. ook HR NJ 1984, 421: tussen B en A behoeft met betrekking tot het strafbare feit waarover het gaat niet een bepaalde, strafrechtelijk van belang zijnde, relatie te bestaan.</para>
  <para />
  <para>6. Op het onderdeel van het verweer waarin werd aangevoerd dat ten aanzien van verzoeker tijdens het afluisteren van telefoongesprekken van [medeverdachte] geen redelijk vermoeden van schuld bestond behoefde het hof niet afzonderlijk in te gaan. Het oordeel van het hof houdt in dat het van geen belang is of verzoeker al meteen als verdachte was aan te merken.</para>
  <para />
  <para>7. De klacht ten slotte (in het tweede middel) dat het hof het verweer niet juist heeft weergegeven is ondeugdelijk. Het hof heeft het verweer kernachtig samengevat. In de overweging van het hof ligt het oordeel besloten dat ook in verzoekers geval geen rechtsregel zich verzet tegen het gebruik van materiaal uit de tap in de zaak [medeverdachte] tegen verzoeker.</para>
  <para />
  <para>8. Het eerste en het tweede middel zijn ongegrond.</para>
  <para />
  <para>9. Het <emphasis role="underline">derde</emphasis> middel bevat twee klachten over de motivering van de verbeurdverklaring van de personenauto: (a) het hof heeft ten onrechte overwogen dat de auto aan verzoeker toebehoorde. En (b) de bijkomende straf is ook overigens onvoldoende gemotiveerd.</para>
  <para />
  <para>10. Ad a. Het hof heeft overwogen dat de auto volgens de eigen opgave van verzoeker aan hem toebehoorde. Die overweging is onbegrijpelijk. Verzoeker heeft weliswaar in hoger beroep over de auto als "mijn auto" gesproken, maar uit de bij de pleitnota in hoger beroep gevoegde kopie van een op 22 mei 1985 opgemaakte akte blijkt dat de bedoelde auto tot zekerheid aan de (ABN-)bank was overgedragen. Bij de toepassing van art. 33a Sr zal de eigendomsvraag "in beginsel volgens de regels van het burgerlijk recht beoordeeld moeten worden" (NLR, aant. la bij art. 33a). Een grenssituatie, als waarop in het vervolg van de aantekening in NLR wordt gedoeld en waarin de rechter zich ten aanzien van de civielrechtelijke eigendomsregels een uitzondering zou kunnen permitteren, vormde de fuduciaire eigendomsoverdracht in deze zaak niet.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>(11.) Dit motiveringsgebrek behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. Met ingang van de inwerkingtreding van boek 3 BW, 1 januari 1992, is een bestaande eigendom tot zekerheid van rechtswege omgezet in pand (art. 86 lid 1 Overgangswet NBW). Uit de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot de Overgangswet leidde:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>"( ... ) de eigendom tot zekerheid wordt pand, de eigenaar tot zekerheid wordt pandhouder, degene te wiens laste de zekerheid is gesteld -de schuldenaar of een derde- wordt eigenaar. De omzetting wordt beperkt tot goederen -gewoonlijk zaken en vorderingen en voorts effecten- die voor verpanding vatbaar zijn" kamerstuk 18 998, nrs. 1-3, p. 45).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Vgl. Nieuwenhuis, tekstuitgave BW, p. 93; Hartkamp, Compendium, nr. 165.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>12. Ad b. Het hof heeft zich met betrekking tot de oplegging van de bijkomende straf van verbeurdverklaring rekenschap gegeven van de draagkracht van verzoeker. Deze, summiere, redengeving kan, meen ik, -ondanks de door en namens aangevoerde bezwaren tegen verbeurdverklaring van de auto- als voldoende worden aangemerkt, gelet ook op de bedragen die in deze handel omgaan. Voor gevallen van ontoereikend geachte motivering: HR NJ 1983, 390 en HR NJ 1987, 771 met noot GEM.</para>
  <para />
  <para>13. Terzijde noteer ik dat de bewezenverklaarde feiten het hof aanleiding hadden moeten geven tot een uitgebreidere kwalificatie. De Hoge Raad kan, indien Hij dat aangewezen acht, eigenhandig de door het hof gegeven kwalificatie uitsplitsen in (1) medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 eerste lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod, neermalen gepleegd, en (2) medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met art. 2 eerste lid onder C van de Opiumwet.</para>
  <para />
  <para>14. Voor ambtshalve vernietiging heb ik geen (andere) grond aangetroffen, zodat ik tot verwerping van het beroep concludeer.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>