<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1992:AD1631</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-09T10:00:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AD1631</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1992-02-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14474</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1992:AD1631" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1992:AD1631</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1992, 458 met annotatie van J.M.M. Maeijer</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 1992, 70</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1992:AD1631">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1992:AD1631</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-29T10:18:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1992:AD1631 Parket bij de Hoge Raad , 28-02-1992 / 14474</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1992:AD1631:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Redelijk belang bij vernietiging besluit van de algemene ledenvergadering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1992:AD1631:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 14 474 </para>
  <para>Zitting 3 januari 1992</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr. Mok </emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie inzake </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [eiser] </emphasis>
    </para>
    <para>tegen </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">VERENIGING BUMA</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbaar college,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">1. Korte beschrijving van de zaak</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">1.1.</emphasis> Buma, verweerster in cassatie, heeft bij overeenkomst van 29 mei 1985 ("kabelovereenkomst") met [antenne]kabelexploitanten afspraken gemaakt ter regeling van auteursrechtelijke aanspraken die voortvloeien uit de kabeldoorgifte van omroepprogramma's.</para>
    <para>Het sluiten van die overeenkomst, en van daarop gevolgde overeenkomsten met individuele kabelexploitanten (in de procedure aangeduid als kabelmodelovereenkomsten), was aan de zijde van Buma het gevolg van een besluit van het bestuur van de vereniging.</para>
    <para>Bij besluit van 9 juni 1986 heeft de algemene ledenvergadering (ALV) van Buma de jaarstukken over 1985 unaniem goedgekeurd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">1.2.</emphasis> [eiser], eiser van cassatie, is componist en tekstdichter en voorts - via een besloten vennootschap - exploitant van een agentschap voor fotografen. In de eerstgenoemde kwaliteiten is hij bij Buma aangesloten.</para>
    <para>In de procedure is gebleken dat de hoedanigheid van aangeslotene bij Buma impliceert dat [eiser] geen lid van die vereniging was<footnote-ref linkend="_e0505f86-aa09-449e-a93f-6e0eb03aa4e6" />.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">1.3.</emphasis> Voor een uitvoeriger weergave van de feiten verwijs ik naar r.o. 1 van het vonnis in eerste aanleg, waarop ook het hof zich heeft gebaseerd (r.o. 3) . </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">1.4.</emphasis> [eiser], van mening dat hij - kort samengevat - door het sluiten van de kabelovereenkomst tenminste potentieel in zijn belangen was geschaad, heeft Buma voor de rechtbank te Amsterdam gedaagd. Hij heeft daarbij nietigverklaring wegens strijd met de statuten of met de goede trouw van het besluit van de ALV van Buma, waarbij het beleid over 1985 werd goedgekeurd, althans vernietiging van dat besluit, gevorderd.</para>
    <para>De vordering was gebaseerd op art. 2:11, lid 1, [aanhef en] onder a, BW. Gezien het tweede lid van dat artikel heeft de rechtbank allereerst onderzocht of [eiser] een redelijk belang bij zijn vordering had.</para>
    <para>De rechtbank heeft bij vonnis van 1 februari 1989 vastgesteld dat het er [eiser] slechts om ging, via vernietiging van het besluit van de ALV van Buma, waarbij het bestuursbeleid over 1985 was goedgekeurd, te kunnen komen tot aantasting van ([eiser] deelname aan) de kabelovereenkomst, althans van de kabelmodelovereenkomsten.</para>
    <para>Evenwel was, naar het oordeel van de rechtbank, dit doel niet door middel van de ingestelde vordering te bereiken. Het gevolg van vernietiging van het besluit van de ALV zou slechts zijn dat het bestuursbeleid over 1985 niet zou zijn goedgekeurd en dat het bestuur geen decharge zou zijn verleend. De geldigheid van de kabelovereenkomst en van de kabelmodelovereenkomsten zou daardoor niet worden aangetast.</para>
    <para>Op grond hiervan kwam de rechtbank tot de slotsom dat [eiser] geen redelijk belang bij het gevorderde had, zodat zij hem niet ontvankelijk heeft verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">1.5.</emphasis> [eiser] is in hoger beroep gekomen, maar het gerechtshof te Amsterdam heeft het vonnis van de rechtbank (bij arrest van 1 maart 1990) bekrachtigd.</para>
    <para>Tegen dat arrest is het door [eiser] (tijdig) ingestelde cassatieberoep gericht. Het steunt op een vier onderdelen tellend middel.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">2. Bespreking van het cassatiemiddel</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">2.1.1</emphasis>. In zijn appelgrief 1 had [eiser] gesteld dat de rechtbank ten onrechte had overwogen dat [eiser] zou hebben verdedigd dat muziekauteurs en fotografen die in de kabelovereenkomsten niet door een partij worden vertegenwoordigd, een hogere vergoeding van de kabelexploitant [en] zouden hebben kunnen bedingen als de overeenkomsten niet gesloten zouden zijn.</para>
    <para>Het hof heeft die grief verworpen door te verwijzen naar de toelichting die [eiser] op grief 6 had gegeven, waar hij had gesteld dat zijn belang gelegen was in</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>"een betere oplossing van de vergoeding voor het gebruik van auteursrechtelijk beschermd werk"</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>hetgeen het hof in overeenstemming achtte met de inleidende dagvaarding onder 18, luidende</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>"Aangezien het niet ondenkbaar is, dat auteursrechthebbenden, waarvoor Buma zich zonder te zijn gevolmachtigd, opwerpt, kabelnetexploitanten zullen aanspreken waarvoor Buma vrijwaring zal dienen te verlenen uit hoofde van de kabel-modelovereenkomst, hetgeen tot gevolg heeft, dat uiteindelijk de componisten, tekstdichters en muziekuitgevers financieel opdraaien voor aanspraken van andere auteursrechthebbenden."</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">2.1.2</emphasis>. Onderdeel 1 van het middel klaagt erover dat deze overwegingen in het licht van de processtukken niet begrijpelijk zijn. De geciteerde passage uit de inleidende dagvaarding zou een geheel andere strekking hebben dan het hof daaraan "toedicht".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">2.1.3.</emphasis> Wat ook de strekking van de passage geweest moge zijn, het komt aan op de strekking die het hof daarin gelezen heeft. Slechts wanneer het hof in een gedingstuk iets leest dat daarin redelijkerwijze niet te lezen is, kan men - gezien het feitelijk karakter van de uitleg van gedingstukken - van onbegrijpelijkheid van die lezing spreken.</para>
    <para>Dat geval doet zich hier niet voor.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">2.2.1</emphasis>. Subonderdeel 2.1. geeft aan wat volgens [eiser] de kern van het geschil is. Voorzover het hof het in r.o. 4.2. anders heeft gezien is dat oordeel volgens het middel onjuist, althans onbegrijpelijk.</para>
    <para>M.i. heeft [eiser] bij die klacht geen belang.</para>
    <para>Overigens heeft het door de feitenrechter geven van een andere uitleg aan de gedingstukken (ook wanneer daaruit de kern van het geschil moet worden afgeleid) dan een van partijen juist acht, niet tot gevolg dat die uitleg onjuist of onbegrijpelijk is.</para>
    <para>Daarenboven ging het in appel, gezien het vonnis van de rechtbank en de meeste daartegen gerichte grieven, allereerst om de vraag of [eiser] een redelijk belang bij zijn vordering had. Bij ontkennende beantwoording van die vraag konden andere geschilpunten niet meer aan de orde komen. Dat het hof deze vraag, zoals blijkt uit r.o. 4.2., als de kern heeft beschouwd is in die omstandigheden geenszins onbegrijpelijk.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">2.2.2.</emphasis> Het door subonderdeel 2.2. ingeleide subonderdeel 2.3. stelt dat het vereiste redelijk belang bij een op art. 2:11, lid 2 BW gebaseerde actie niet reeds dan afwezig is, indien vernietiging van het besluit niet het (onmiddellijk) gevolg heeft dat aan hetgeen de rechtspersoon voorafgaand aan het besluit heeft verricht, de rechtsgrond komt te ontbreken.</para>
    <para>Indien het (in het middel) tussen haakjes geplaatste woord "onmiddellijk" een bestanddeel van die klacht is, mist deze klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft - met de rechtbank - overwogen dat bij vernietiging van het aangevallen besluit de geldigheid van de kabelovereenkomst onaangetast zou blijven. Hierin is niet te lezen dat aantasting van de geldigheid van de overeenkomst niet als onmiddellijk maar eventueel wel als indirect gevolg van de vernietiging zou kunnen optreden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">2.2.3. </emphasis>Over redelijk belang bij vernietiging schrijft Asser-v.d.Grinten<footnote-ref linkend="_ff404441-1bb2-4eec-a6ed-26a5c5f55762" />:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>"Een redelijk belang kan ( ... ) ontbreken, omdat vernietiging van het besluit geen effect kan hebben. Men denke in dit verband aan besluiten die in externe rechtshandelingen zijn uitgevoerd. De geldigheid van de externe rechtshandeling is in het algemeen niet afhankelijk van het besluit. Vernietiging van het besluit heeft geen zin."</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hier gestelde geldt m.i. a fortiori voor het onderhavige geval, waarin het ging om een besluit waarbij achteraf het bestuursbeleid, mede inhoudend het aangaan van de litigieuze overeenkomsten (voor het aangaan waarvan geen voorafgaande toestemming van de ALV was vereist<footnote-ref linkend="_ec15c387-39af-4f8d-9b1f-c1d14891888d" /> ), goedgekeurd werd en aan het bestuur decharge werd verleend<footnote-ref linkend="_7bc228b8-4b89-412a-85f7-7a00a922483b" />.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">2.2.4.</emphasis> Vernietiging van het goedkeuringsbesluit,en dus van de decharge zou weliswaar (bij niet behoorlijke taakvervulling) tot persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van het bestuur kunnen leiden. Zoals de rechtbank heeft overwogen zou die aansprakelijkheid echter slechts jegens de vereniging gelden<footnote-ref linkend="_45d59f9d-a1c0-4741-a080-089358cc7e1d" />, terwijl de rechtbank voorts heeft vastgesteld dat niet gesteld of gebleken is welk belang [eiser] zou kunnen hebben bij het laten voortduren van deze bestuurdersaansprakelijkheid jegens Buma<footnote-ref linkend="_68fe1f6b-ff2a-49a6-95d3-bfcc9bd2f420" />.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">2.2.5.</emphasis> De subonderdelen 2.4. en 2.5. behoeven geen behandeling. Het eerste richt zich tegen een overweging ten overvloede en het tweede heeft geen zelfstandige betekenis.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">2.3.1.</emphasis> Subonderdeel 3.1. bestrijdt de afwijzing door het hof van grief 5, die volgens het hof feitelijke grondslag miste omdat van het daarin vermelde uitgangspunt in het vonnis niet blijkt.</para>
    <para>Die overweging berust op in cassatie in beginsel onaantastbare uitlegging van het vonnis in eerste aanleg. Weliswaar betoogt het middel dat die uitlegging van het vonnis onbegrijpelijk is, maar dat betoog kan ik niet volgen. Het lijkt te steunen op grammaticale interpretatie van de woorden "het enige gevolg" in de aanhef van de laatste alinea van r.o. 4 in het vonnis van de rechtbank. Wat er van die interpretatie zij, het hof heeft "gevolg" opgevat, en ook kunnen opvatten, als rechtsgevolg.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">2.3.2.</emphasis> Subonderdeel 3.2. bestrijdt de uitleg (en afwijzing) van grief 8. Ook die uitleg noemt het middel onbegrijpelijk.</para>
    <para>De grief luidde dat de rechtbank heeft nagelaten af te wegen dat [eiser] als aangeslotene van Buma een heel direct en duidelijk materieel belang heeft. Het hof heeft overwogen dat de rechtbank niet tot taak had buiten het gestelde rechtsbelang materiële belangen af te wegen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">2.3.3.</emphasis> De bezwaren die het subonderdeel hier tegen aanvoert maken duidelijk dat de steller van het middel de grond waarop [eiser] niet ontvankelijk is verklaard en waarop zijn beroep hiertegen is verworpen, miskent.</para>
    <para>
      [eiser] was van mening dat Buma zijn (materiële) belangen had geschaad, door de kabel (model) overeenkomsten zoals zij luidden, aan te gaan. Die opvatting wilde [eiser] in rechte doen toetsen. De hiertoe door hem gevolgde weg liep volgens de rechtbank dood. Bij dat oordeel wilde [eiser] zich niet neerleggen. Hij kon dat doen door een nieuwe actie op een andere grondslag in te stellen<footnote-ref linkend="_65f19cf2-0600-4ac7-a970-1748814e6ae2" />, of door in hoger beroep te gaan. Hij heeft, wat zijn goed recht was, voor het laatste gekozen, maar daarbij het risico aanvaard dat het hof de opvatting van de rechtbank zou onderschrijven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">2.4.</emphasis> Onderdeel 4 voegt geen nieuwe gezichtspunten toe. Het stuit af op het hiervóór betoogde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">3. Conclusie</emphasis>
  </para>
  <para>De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van eiser in de kosten.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
  <para />
  <footnote id="_e0505f86-aa09-449e-a93f-6e0eb03aa4e6" label="1">
    <para>C.v.a. in eerste aanleg sub 2. In de c.v.r. (p. 3) lees ik een erkenning van die stelling, al was [eiser] van mening dat de rechter in een geval waarbij de kwestie (aangeslotene of lid) doorslaggevend zou zijn, zou bepalen dat de aangeslotenen gewoon lid zijn.</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_ff404441-1bb2-4eec-a6ed-26a5c5f55762" label="2">
    <para>De rechtspersoon (Asser 2-II) m.m.v. J.M.M. Maeijer, 1991, nr. 136, p. 116 (over art. 2:15, lid 3 aanhef en onder a, dat per 1 januari 1992 art. 2:11, lid 2, op dit punt zal vervangen). De auteur verwijst naar HR 19 mei 1989, NJ 1989, 652. Zie voorts: T.J. Dorhout Mees, Nederlands handels en faillissementsrecht 1, 1984, nr. 4.368, p. 257.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ec15c387-39af-4f8d-9b1f-c1d14891888d" label="3">
    <para>Vonnis in eerste aanleg, r.o. 4, voorlaatste al .; niet bestreden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7bc228b8-4b89-412a-85f7-7a00a922483b" label="4">
    <para>Vgl. art. 22, lid 7 van de statuten van Buma, prod. 1 bij c.v.a. in prima.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_45d59f9d-a1c0-4741-a080-089358cc7e1d" label="5">
    <para>Dit volgt uit art. 2:8 (art. 2:9 nieuw) , BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_68fe1f6b-ff2a-49a6-95d3-bfcc9bd2f420" label="6">
    <para>R.o. 4, laatste al., als zodanig niet bestreden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_65f19cf2-0600-4ac7-a970-1748814e6ae2" label="7">
    <para>Bijv. een actie uit onrechtmatige daad tegen Buma. Die had waarschijnlijk wel tot een materiële beoordeling geleid. Welk resultaat zulk een beoordeling zou hebben gehad kan nu in het midden blijven.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>