<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1992:52</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-15T10:00:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1992-01-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14.516</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1992:ZC0549" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1992:ZC0549</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1992:52">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1992:52</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-08T14:36:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1992:52 Parket bij de Hoge Raad , 17-01-1992 / 14.516</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1992:52:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Causaliteit (verkeersnorm); Eigen schuld; Onrechtmatige daad overheid (bussluis); Veiligheidsnorm; Zorgplicht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1992:52:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 14 516 </para>
  <para>Zitting 17 januari 1992 </para>
  <para>(bij vervroeging)</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr. Mok</emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie Inzake</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">GEMEENTE DIEMEN </emphasis>
    </para>
    <para>tegen </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">REP-TAX B. V.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbaar college,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">1. Korte beschrijving van de zaak</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="underline">1.1.</emphasis> Op 27 november 1984, omstreeks 1.30 uur, heeft zich op een busbaan te Diemen een ongeval voorgedaan, daarin bestaande dat een taxi, eigendom van Rep-Tax B.V. (verweerster in cassatie, hierna: Rep-Tax) in een bussluis is gereden. De taxi is daarbij ernstig beschadigd en een passagier is gewond geraakt.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">1.2.</emphasis> Aan het vonnis in eerste aanleg ontleen ik het volgende<footnote-ref linkend="_5c6ab8d1-6c8a-4acf-bc8d-a428a6308d0d" />:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>"De bussluis is op 23 december door de Gemeente Diemen aangelegd ter fysieke ondersteuning van bij haar besluit van 28 april 1983 genomen verkeersmaatregelen. De bussluis bestaat uit een in het wegdek aangelegd gat met rondom zodanige stalen constructies en geleidingsbuizen dat autobussen wel maar gewone personenauto's de sluis niet kunnen passeren omdat deze vanwege hun smallere wielbasis in dat gat terecht komen. De weg waarin de bussluis zich bevindt is aan beide ingangen voorzien van verkeersborden «verboden voor alle (rij-)verkeer», voorzien van een onderbord «Uitgezonderd lijndienstbussen», en verkeersborden met het opschrift «bussluis» en een pictogram van een personenauto die gedeeltelijk in een gat in het wegdek is terechtgekomen. Op het wegdek van de busbaan staat aan weerszijden van de sluis met witte letters «BUS» geschilderd. De busbaan is voorzien van straatverlichting. Naast de bussluis staat een lantaarnpaal."</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">1.3.</emphasis> Rep-Tax heeft de gemeente Diemen (eiseres van cassatie, hierna: de gemeente) gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam met een vordering tot schadevergoeding van f 7.100 wegens onrechtmatige daad.</para>
    <para>De rechtbank heeft die vordering bij vonnis van 10 augustus 1988 afgewezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">1.4</emphasis>. Rep-Tax is in beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam. Het hof heeft bij arrest van 22 maart 1990 het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering alsnog toegewezen.</para>
    <para>Tegen dat arrest is het door de gemeente tijdig ingesteld cassatie- beroep gericht. Het steunt op een uit twee onderdelen bestaand middel, welke onderdelen elk in subonderdelen zijn onderscheiden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">2. Het bestreden arrest en de klachten daartegen</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="underline">2.1.</emphasis> In het arrest van het hof zijn twee elementen te onderscheiden:</para>
  <para>
    <emphasis role="underline">a.</emphasis> Door de bussluis aan te leggen en in stand te houden heeft de gemeente onrechtmatig gehandeld jegens Rep-Tax (r.o. 4.3., uitgewerkt in r.oo. 4.4 .- 4.5.).</para>
  <para>
    <emphasis role="underline">b</emphasis>. Dat de bestuurder van de Rep-Tax toebehorende auto een inrijverbod heeft genegeerd brengt niet mee dat van eigen schuld sprake is. Deze chauffeur behoefde geen rekening te houden met wat het hof (het enigszins malicieus gekozen woordgebruik van de m.v.gr. volgend) een "valkuil" noemt. Het verschijnsel bussluis genoot destijds geen algemene bekendheid (r.o. 4.6. ) . Het aangebrachte waarschuwingsbord was volgens het hof (r.o. 4.7.) onvoldoende om ook maar de geringste mate van eigen schuld aan te nemen.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">2.2.</emphasis> Het middel voert in zijn eerste onderdeel tegen de overweging dat de aanleg van de bussluis onrechtmatig jegens Rep-Tax was, een samengestelde rechtsklacht aan, waarvan het hoofdelement is dat het hof hier geen volledige (doch slechts een marginale) onrechtmatigheidstoetsing had mogen aanleggen.</para>
    <para>Het (subsidiair voorgestelde) onderdeel II voert tegen de door het hof aangelegde toetsing een reeks rechts- en motiveringsklachten aan.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">3. Is (de aanleg en instandhouding van) een bussluis onrechtmatig?</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="underline">3.1.</emphasis> Het hof kan voor zijn opvatting steun hebben gevonden in het arrest- Ferwerderadeel van de Hoge Raad<footnote-ref linkend="_bafbd30b-62d4-4caa-88a0-6319e621c020" />. Aldaar is overwogen:</para>
  <parablock>
    <para>"dat op de gemeente de verplichting rust er voor te waken, dat de toestand van het wegdek de veiligheid van personen en goederen, wier vervoer met de normale omzichtigheid langs zoo'n weg plaats vindt, niet in gevaar brengt, en de gemeente, indien zij blijft beneden de eischen, welke die verplichting haar stelt, jegens den weggebruiker, welke dientengevolge schade lijdt, een onrechtmatige daad pleegt; </para>
    <para>dat, anders dan het middel wil, de vraag of de gemeente, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen - waarbij ook het financieel belang der gemeente en de belangen der weggebruikers in beginsel een rol kunnen spelen - de juiste grenzen in acht nam, staat ter beoordeling van de rechterlijke macht;</para>
    <para>dat zulks slechts anders zoude zijn, indien de gemeente in eenig voorschrift van geschreven of ongeschreven recht eenige bijzondere vrijheid mocht vinden om naar eigen inzicht te oordeelen of zij in den, de veiligheid van het verkeer rakenden, toestand van den bij haar in onderhoud zijnden openbaren weg al dan niet zou voorzien, maar zoodanig voorschrift niet aanwezig is;".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">3.2.</emphasis> In Ferwerderadeel viel een motorrijder op een weg, die voor motorrijders openstond, in een door gebrekkig onderhoud aanwezige "diepe inzinking", waartegen de gemeente het verkeer niet had gewaarschuwd. Tussen het feitencomplex in die zaak en dat in de onderhavige zaak bestaan de volgende relevante verschillen:</para>
  </parablock>
  <para>- de weg waarop hier het ongeval heeft plaats gevonden, stond niet voor personenauto's open, hetgeen meebrengt dat aan de in het arrest-Ferwerderadeel gestelde eis, dat het "vervoer met de normale omzichtigheid" plaats vond, niet was voldaan. Het negeren van een inrijverbod is met die eis niet te verenigen;</para>
  <para>- in de onderhavige zaak moet er van worden uitgegaan dat de gemeente wel voor de aanwezige "inzinking" heeft gewaarschuwd;</para>
  <para>- volgens het middel heeft de gemeente hier, gezien de aan haar toevertrouwde belangen, in redelijkheid kunnen komen tot het aanleggen van de bussluis. Men mag dat aldus vertalen dat de gemeente, in de termen van de laatste boven geciteerde overweging uit het arrest-Ferwerderadeel, wel de vrijheid kon vinden tot de geïncrimineerde gedraging.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">3.3.</emphasis> Het hof heeft klaarblijkelijk (r.o. 4.5.) aangenomen dat de bussluis is aangelegd ter bevordering van vlotte doorstroming van het openbaar vervoer. Het heeft voorts verondersteld dat vlotte doorstroming van het openbaar vervoer in het algemeen belang is.</para>
    <para>Het is duidelijk dat de afsluiting van de weg voor ander verkeer dan lijndienstbussen en de aanleg van een bussluis (met het daaraan verbonden risico) op zichzelf een nadeel vormen, ook in de zin van de wegenverkeerswetgeving: het is immers een aantasting van de vrijheid en veiligheid van het overige verkeer.</para>
    <para>De afweging van de voor- en nadelen van (de instelling van de vrije busbaan en) de aanleg van de bussluis behoort tot het domein van de beleidsvrijheid van (hier) de gemeente. De rechter mag die afweging, zoals het middel terecht aanvoert, slechts marginaal toetsen<footnote-ref linkend="_bdbe36cd-88ac-4762-a7ac-68501cd4473d" />.</para>
    <para>Het hof heeft het nagestreefde doel van algemeen belang gesteld tegenover de "opzettelijke beschadiging van personenauto's". Met enige goede wil zou men hier van impliciete marginale toetsing kunnen spreken door te stellen dat bevordering van de vlotte doorstroming van het openbaar vervoer in redelijkheid niet het opzettelijk beschadigen van personenauto's kan rechtvaardigen.</para>
    <para>De door het hof in r.o. 4.5. gevolgde redenering (ook al in r.o. 4.3. tot uiting komend) inhoudend dat de aanleg van een bussluis tot opzettelijke<footnote-ref linkend="_578cbb23-594e-49b1-97a5-e570604a0fbb" /> beschadiging van personenauto's leidt, is (daargelaten of dit niet ultra petitum is), in tegenspraak tot het veronderstelde beleidsdoel: bevordering van vlotte doorstroming van het openbaar vervoer. Wanneer een personenauto in het gat van de sluis is gevallen, kan de bus er - totdat de auto er weer uitgetakeld is - niet meer door. Uitgaande van het veronderstelde beleidsdoel kan de wil van de gemeente er niet op gericht zijn geweest dat personenauto's in het gat zouden vallen, maar dat zulke auto's zich er door de "sluis" van zouden laten weerhouden (wederrechtelijk) de busbaan te volgen. Het mag waar zijn, zoals het hof in 4.3. ook heeft overwogen, dat de gemeente opzettelijk een verkeersgevaarlijke situatie heeft gecreëerd, zij heeft dit kennelijk gedaan met het oog op afschrikking en niet met het oog op het toebrengen van schade.</para>
    <para>De bevordering van de doorstroming van het openbaar vervoer mocht derhalve niet worden afgewogen tegen het opzettelijk beschadigen van personenauto's, doch slechts tegen het in het leven roepen van een risico voor personenauto's (dat ook bij andere door de overheid genomen fysieke verkeersmaatregelen - met inbegrip van het aanleggen van gelijkvloerse spoorwegovergangen en ophaalbare bruggen - kan ontstaan) . Dat is echter een afweging die de gemeente toekwam. Deze afweging heeft het hof als zodanig niet getoetst.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">3.4.</emphasis> Overigens meen ik dat laatstbedoelde afweging marginale toetsing zou kunnen doorstaan. Met instemming citeer ik de namens de gemeente op het middel gegeven toelichting (nr. 9):</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>"Bij het bevorderen van de verkeersveiligheid zien gemeenten zich gesteld voor het verschijnsel dat verkeersregels en -tekens zoals verbodsborden min of meer massaal worden genegeerd. Iedereen die de moeite neemt daarop attent te zijn kan zien hoe weggebruikers, alsof het de normaalste zaak van de wereld is, in een verboden richting of op een voor hen verboden weggedeelte rijden e.d. Slechts een fractie van deze overtreders loopt tegen de straf- of civielrechtelijke lamp. In de meeste gevallen worden zij niet voor de consequenties van hun gedrag gesteld en kunnen zij ongehinderd hun gang gaan. Er zijn echter ( ... ) wettige beleidsinstrumenten waarmee naleving van het verbod wordt afgedwongen. Daartoe behoort ( ... ) ook de bussluis."</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Hieraan voeg ik toe dat het niet alleen om het bevorderen van de verkeersveiligheid, maar ook (hier: vooral) om het bevorderen van de vrijheid van het overige verkeer (waaronder het openbaar vervoer) gaat.</para>
    <para>Men kan voorts de aanleg van een bussluis (omdat, naar uit de stukken - zie ook r.o. 4.4. van het bestreden arrest - valt af te leiden, een aantal bestuurders van personenauto's het enkele inrijverbod bij de busbaan negeert) niet vergelijken met het ongerepareerd laten van een gat in de weg, als in Ferwerderadeel.</para>
    <para>In dit verband verdient vermelding dat de gemeente bij c.v.d. in prima heeft aangevoerd dat het treffen van voorzieningen ter fysieke ondersteuning van verkeersmaatregelen toelaatbaar is en die stelling heeft onderbouwd door een passage uit de, op verzoek van het ministerie van Verkeer en Waterstaat uitgebrachte, "Aanbevelingen" in het geding te brengen<footnote-ref linkend="_6481d3d6-b356-4d70-ab1c-545c535645fc" />.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">3.5.</emphasis> Uit het bovenstaande volgt dat het hof in r.o. 4.3. ten onrechte tot de bevinding is gekomen dat de gemeente door de bussluis aan te leggen en in stand te houden, onrechtmatig heeft gehandeld. Onderdeel I (a) van het middel, te lezen in samenhang met subonderdeel II.a.2., keert zich daartegen terecht.</para>
    <para>De overwegingen van het hof over de vraag of er sprake was van eigen schuld bij (de chauffeur van) Rep-Tax en onderdeel II (behalve subonderdeel a.2.) van het middel behoeven derhalve geen bespreking. Hetzelfde geldt voor onderdeel I (b), maar zoals in § 3.4. uiteengezet, meen ik dat dit op zichzelf ook gegrond is.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">4. Afdoening; onrechtmatigheid in concreto?</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">4.1.</emphasis> Ook al is de aanleg en instandhouding van een bussluis op zichzelf niet onrechtmatig, daarvan zou door begeleidende omstandigheden toch sprake kunnen zijn. Het nodeloos in het leven roepen van een groter gevaar voor een ander dan waarop een normaal mens bedacht moet zijn is in strijd met de zorgvuldigheidsnorm, dus met ongeschreven recht<footnote-ref linkend="_cc7346e5-ce9d-46eb-bfdf-4c16ed39857e" />.</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">4.2.</emphasis> De rechtbank was (r.o. 5) tot de slotsom gekomen dat de aanleg van een bussluis niet onrechtmatig is, "mits voldoende duidelijk is aangegeven dat personenauto's daar niet zijn toegelaten en welk gevaar aanwezig is voor dit niet-toegelaten verkeer".</para>
    <para>Volgens de rechtbank was aan de door haar gestelde (hierboven gecursiveerde) voorwaarde voldaan. Tegen de overweging dat het gevaar voor het niet-toegelaten verkeer voldoende duidelijk was aangegeven, was Rep-Tax opgekomen in haar appelgrieven II en III (weergegeven in r.o. 2 van het bestreden arrest), welke grieven door het hof niet, althans niet uitputtend, zijn behandeld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">4.3.</emphasis> De vraag is nu of de vaststaande feiten voldoende grond bieden voor de bevinding dat deze grieven niet kunnen slagen.</para>
  </parablock>
  <para>- Omstreden is of de straatverlichting brandde. De rechtbank heeft op grond van een politierapport aangenomen van wel, maar Rep-Tax heeft dit in grief II aangevochten.</para>
  <para>Vaststaat dat aan beide zijden van de bussluis</para>
  <para>- zich borden bevonden met het opschrift bussluis en een pictogram van een personenauto die gedeeltelijk in een gat in het wegdek is terechtgekomen<footnote-ref linkend="_82e4b294-04cf-48c3-9e08-441ce9efaa4e" />;</para>
  <para>- op het wegdek met witte letters "BUS" was geschilderd.</para>
  <para>Bovendien bevond de bussluis zich aan het begin van de busbaan, die was aangegeven met een bord "gesloten in beide richtingen voor bestuurders" (rode cirkel om wit vlak), met een onderbord dat een uitzondering voor lijndienst-bussen aangaf. De busbaan begon bij een T-kruising en in de zijstraat en in de zijstraat die de verbinding gaf met de busbaan stond (met hetzelfde onderbord) aangegeven dat het verboden was linksaf (resp. rechtsaf) te slaan<footnote-ref linkend="_42f92731-42aa-4f8f-942b-d2a01ba57687" />.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">4.4.</emphasis> Ook indien men aanneemt dat de straatverlichting niet gebrand heeft en dat het regende, is het niet aannemelijk dat de chauffeur in het licht van zijn eigen koplampen de waarschuwingen voor de bussluis niet heeft kunnen zien.</para>
    <para>Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat vaststaat dat de taxi op een voor personenauto's verboden weggedeelte reed en dat niet is gesteld dat de chauffeur zich daarvan niet bewust was. Dat had voor de chauffeur aanleiding moeten zijn met meer dan normale voorzichtigheid te rijden en versterkt bedachtzaam te zijn op waarschuwingen of hindernissen. Van belang is voorts dat het bedoelde "bussluis"-bord (zie voetnoten 7 en 8), ongeacht het feit dat het geen officieel verkeersteken was en ongeacht de kleur en vorm daarvan, zeer beeldend is en zich niet tot een andere uitleg leent dan die welke de rechtbank daaraan gegeven heeft.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">4.5.</emphasis> Mijn slotsom is derhalve dat de door het hof niet (uitputtend) behandelde grieven niet kunnen slagen zodat het hoger beroep in zijn geheel verworpen had behoren te worden.</para>
    <para>De Hoge Raad kan op die voet de zaak zelf afdoen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="underline">5. Conclusie</emphasis>
  </para>
  <para>De conclusie luidt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 22 maart 1990, tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank aldaar van 10 augustus 1988 en tot veroordeling van verweerster in cassatie in de kosten van alle instanties.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
  <footnote id="_5c6ab8d1-6c8a-4acf-bc8d-a428a6308d0d" label="1">
    <para>Blijkens r.o. 3 van het bestreden arrest heeft deze feitenvaststelling ook in appel als uitgangspunt gediend.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bafbd30b-62d4-4caa-88a0-6319e621c020" label="2">
    <para>HR 9 jan. 1942, NJ 1942, 295, waarnaar de raadslieden van beide partijen in hun schriftelijke toelichtingen in cassatie verwijzen. Zie voorts HR 23 feb. 1968, NJ 1968, 192, m.nt. G.J. Scholten; 10 april 1970, NJ 1970, 292, VR 1972, 27, m.nt. H. F. v.d. Haak.</para>
    <para>Literatuur: Asser-Hartkamp, De verbintenis uit de wet (Asser 4-III), 1990, nr. 45, p. 47; Onrechtmatige Daad, losbl., VII 228-234 (L.J.A. Damen) ; L.E.H. Rutten in VR 1953, p. 85 met reactie van B. de Goede, p. 139 en onderschrift L.E.H. Rutten, p. 141; B. Kuizenga in VR 1981, p. 1 e.v., i.h.b. nrs. 4 e.v., p. 4-5; L.D. Pels Rijcken in BR 1985, p. 281 e.v., met reactie C.J.J.M. Stolker, p. 745 en naschrift L.D. Pels Rijcken, p. 748.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bdbe36cd-88ac-4762-a7ac-68501cd4473d" label="3">
    <para>Vgl. HR 9 okt. 1981, NJ 1982, 332 (i.h.b. p. 1222 1.k., onderaan), m.nt. C.J.H. Brunner (AB 1982, 49, m.nt. J.G. Steenbeek) ; Asser-Hartkamp t.a.p., nr. 290b-d, p. 252 e.v .; J.A.E. v.d. Does-J.L. de Wijkerslooth, Onrechtmatige overheidsdaad, Mon. NBW B-48, 1985, § 15, p. 38 e.v .; J. Spier, Onrechtmatige overheidsdaad, Studiepockets privaatrecht 28, 1987, § 12, p. 37 e.v .; Praktijkboek administratief recht, losbl., XVI-6.4. en 7 (R.S. Meijer).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_578cbb23-594e-49b1-97a5-e570604a0fbb" label="4">
    <para>Hetgeen men mag verstaan in de zin van: willens en wetens; vgl. Hazewinkel-Suringa/Remmelink, Inleiding, 1991, p. 185</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6481d3d6-b356-4d70-ab1c-545c535645fc" label="5">
    <para>Handboek "Aanbevelingen voor stedelijke verkeersvoorzieningen", 1986, waarin op p. 336 de bussluis genoemd wordt als mogelijke voorziening tegen misbruik van een busbaan door het overige verkeer.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cc7346e5-ce9d-46eb-bfdf-4c16ed39857e" label="6">
    <para>HR 5 nov. 1965, NJ 1966, 136 (p. 228), m.nt. G.J. Scholten ; 27 mei 1988, NJ 1989, 29 (r.o. 3.2.), m.nt. W.C.L. van der Grinten. Zie ook Asser-Hartkamp, t.a.p., nr. 45, p. 47.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_82e4b294-04cf-48c3-9e08-441ce9efaa4e" label="7">
    <para>Prod. 4 bij c.v.a. in eerste aanleg.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_42f92731-42aa-4f8f-942b-d2a01ba57687" label="8">
    <para>Zie de in het door de gemeente gefourneerde dossier aanwezige foto's en tekeningen (geproduceerd bij akte uitlating produkties, zitting rechtbank te Amsterdam van 11 mei 1988) .</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>