<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1987:AC1218</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-02T10:05:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AC1218</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1987-09-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1612E Besch</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1987:AC1218" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1987:AC1218</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1988, 453</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1987:AC1218">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1987:AC1218</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-27T15:07:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1987:AC1218 Parket bij de Hoge Raad , 08-09-1987 / 1612E Besch</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1987:AC1218:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Beklag, beslag ex art. 94 Sv op 1.673 (kartons) overhemden onder klaagster (vennootschap) t.z.v. verdenking van invoer van overhemden uit Zuid-Korea zonder vergunning, waarna strafzaak tegen klaagster is geseponeerd en Rb de vordering OvJ tot onttrekking aan het verkeer van overhemden heeft toegewezen. 1. Rechtsgevolgen van overschrijding van redelijke termijn. Had Rb de OvJ n-o moeten verklaren in zijn vordering tot onttrekking aan het verkeer wegens overschrijding van redelijke termijn? 2. Vatbaarheid voor onttrekking aan het verkeer, art. 36c.5 Sr. Kon Rb oordelen dat overhemden van zodanige aard zijn dat ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met wet? </para>
        <para>Ad 1. Ex art. 6.1 EVRM heeft ieder, indien het gaat om (A) vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of (B) bepalen van gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, recht op behandeling van zijn zaak binnen redelijke termijn. Hier doet zich geval voor als onder (A) bedoeld, nu beslissing op vordering OvJ tot onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen 1.673 overhemden onmiddellijk bepalend is voor recht van klaagster om als eigenaresse over die overhemden te beschikken. Anderzijds was sinds onvoorwaardelijk sepot van hoofdzaak nog slechts in beperkte mate sprake van geval als onder (B) bedoeld, aangezien nog slechts behoefde te worden onderzocht: (a) of in vordering genoemd strafbaar feit was begaan, (b) of 1.673 overhemden ex art. 36c dan wel 36d Sr vatbaar waren voor onttrekking aan het verkeer en (c) of geldelijke tegemoetkoming a.b.i. art. 33c.2 Sr diende te worden toegekend. Bij beantwoording van vraag naar gevolgen van overschrijding van redelijke termijn is het ook van belang onderscheid te maken tussen (I) gevallen waarin verdachte moet leven onder dreiging van strafvervolging en daaruit mogelijk voortvloeiende oplegging en tul van straffen en/of maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen, en (II) gevallen waarin betrokkene nog slechts onder ogen behoeft te zien dat vordering tot onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen goederen aan oordeel van rechter wordt onderworpen nadat strafvervolging voor het overige is beëindigd. In de onder (I) bedoelde gevallen is niet-ontvankelijkverklaring OM niet enig mogelijk gevolg van overschrijding van redelijke termijn, aangezien het de feitenrechter vrijstaat lagere straf op te leggen dan hij zonder die overschrijding zou hebben gedaan. Dit geldt te meer voor de onder (II) aangegeven gevallen, waarin overschrijding van redelijke termijn kan leiden tot oordeel dat inbeslaggenomen goederen aan het verkeer moeten worden onttrokken, maar aan rechthebbende (indien deze nadeel heeft geleden doordat onttrekking aan het verkeer niet binnen redelijke termijn heeft plaatsgevonden) ter compensatie van dat nadeel een billijke geldelijke tegemoetkoming moet worden toegekend. Oordeel Rb dat behandeling van vordering OvJ heeft plaatsgevonden binnen redelijke termijn, kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Mede gelet op procesgang en daarin vermelde data kon Rb zonder miskenning van art. 6.1 EVRM tot oordeel komen dat behandeling van vordering OvJ heeft plaatsgevonden binnen redelijke termijn. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat Rb de OvJ wegens overschrijding van redelijke termijn n-o had moeten verklaren in zijn vordering tot onttrekking aan het verkeer van 1.673 overhemden. </para>
        <para>Ad 2. Rb kon tot slotsom komen dat inbeslaggenomen 1.673 overhemden ex art. 36c Sr vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. In overwegingen Rb ligt als haar oordeel besloten dat zij tot oordeel is gekomen dat is voldaan aan de in art. 36c.5 Sr gestelde eis, dat voorwerpen “van zodanige aard zijn, dat ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met wet”. Rb kon tot dit oordeel komen. Rb heeft haar beschikking naar eis van art. 552f.4 Sv met redenen omkleed. Hieraan doet niet af dat Rb naar aanleiding van gevoerd verweer niet met zoveel woorden heeft overwogen dat zij tot dit oordeel is gekomen. </para>
        <para>Volgt verwerping.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1987:AC1218:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>as</para>
  <para>Nr. 1612 E </para>
  <para>Parket, 16 april 1985</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr. Remmelink</emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie inzake: </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [klaagster] B.V.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbare Heren,</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In deze zaak waarin de Rechtbank op vordering van de officier van justitie aan het verkeer onttrokken heeft verklaard 1673 in beslaggenomen kartons overhemden, tegen welke beschikking requirante zich van beroep in cassatie heeft voorzien, zijn namens haar twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    <para>In middel I wordt gesteld dat de Rechtbank ten onrechte de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ik moge daartoe het volgende opmerken:</para>
    <para>Requirante stelt zich op het standpunt dat art. 6 lid 1 EVRM op de onderhavige procesgang van toepassing zou zijn. Er zou hier nl. sprake zijn van een "determination" van "civil rights". Het gevolg van de onderhavige onttrekking is immers dat requirante de eigendom van de goederen verliest. Ik kan met deze rubricering van dit proces niet instemmen. Onder "determination" zal toch moeten worden verstaan de vaststelling van een burgerlijk recht: bijv., dat A en niet B eigenaar is van een goed. Of dat A recht op schadevergoeding heeft jegens B. Zelfs in een onteigeningsprocedure kan het komen tot vaststelling van burgerlijke rechten.</para>
    <para>Hier gaat het echter om een maatregel van openbare orde (veiligheid): Wie civielrechtelijke aanspraken op de goederen heeft is voor de toepassing van de maatregel niet terzake. Het gaat er slechts om ze uit de maatschappij, waarin ze onduldbaar zijn, want storend werken, worden verwijderd. Mocht de rechthebbende op die goederen daardoor op onbillijke wijze worden gedupeerd dan kan de rechter hem een schadeloosstelling toekennen.</para>
    <para>De wetgever heeft deze maatregel gerelateerd aan een strafrechtelijke inbeslagneming en toepassing aan de justitiële autoriteiten (0.M. en rechters) opgedragen, doch men kan zich voorstellen, dat zij ook geheel los hiervan door het Bestuur zo'n onttrekking plaatsvindt, bijv. als ergens een bom wordt aangetroffen. Van een strafrechtelijke vervolging (vaststelling van de juistheid van een "charge") - waarover requirante ook rept - is uiteraard evenmin sprake. Ook het door requirante geciteerde HR 16 december 1980, NJ 1980 no. 449 houdt zich hoofdzakelijk in vaststelling van een strafrechtelijke relatie met een persoon, schoon ik dit arrest, zo Uw Raad weet, niet volledig kan onderschrijven.</para>
    <para>Het vorenstaande impliceert, dat de toepasselijkheid in de maatregel m.i. niet afhankelijk kan worden gesteld van (kort gezegd) "tijdsverloop". Zolang vaststaat, dat het goed "socially dangerous" is, moet het onttrokken kunnen worden.</para>
    <para>Mocht Uw Raad hierover anders oordelen, dan ben ik van mening dat de omstandigheid, dat requirante in de persoon van haar directeur die bij de behandeling van de zaak op 5 april 1984 vergezeld van haar rechtsgeleerde raadsman aanwezig was zich blijkbaar tegen de aanhouding voor onbepaalde tijd niet heeft verzet, geen aanleiding geeft om het uitstel tot 9 november 1984 als "undue delay" te qualificeren.</para>
    <para>Requirante stelt ook nog, dat de zaak überhaupt te lang heeft "gesleept", maar ik meen, dat gelet o.m. op de ingewikkeldheid van de zaak hiervan getoetst aan de door Uw Raad gestelde criteria geen sprake is, daargelaten dat requirante die kwestie bij de behandeling van de zaak bij de Rechtbank aan de orde had moeten stellen.</para>
    <para>In middel II wordt aangevoerd dat de maatregel niet zou kunnen worden toegepast (en dus ten onrechte is toegepast) omdat de aard van de goederen niet zodanig is dat het ongecontroleerde bezit in strijd zou zijn met wet of algemeen belang. Ik denk daarover anders, en meen dat de Rechtbank juist heeft geoordeeld. Dit standpunt komt hierop neer: Het gaat hier om goederen die op illegale wijze, nl. kennelijk ter ontduiking van importquota voor textielgoederen uit derde landen, voorzien van valse certificaten in Nederland zijn ingevoerd, en de kans moet zeer aannemelijk worden geacht dat ze, ook als ze aan requirante zouden worden teruggegeven weer op de EEG-markt terecht zouden komen.</para>
    <para>Onder deze omstandigheden kan inderdaad gezegd worden dat de "aard" van de goederen "socially dangerous" is, zoals clandestien gestookte jenever, zwarte drukken van boeken en witte grammofoonplaten (hoe voortreffelijk van qualiteit) dat ook kunnen zijn. Ik verwijs naar mijn standpunt nog naar de conclusies vóór HR 10 januari 1984, NJ 1984 no. 684 met noot van Van Veen.</para>
    <para>De middelen niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Parket, 16 april 1985</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>