<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1985:AC4252</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-09T15:17:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AC4252</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1985-07-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">78 375</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1985:AC4252" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1985:AC4252</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1986, 184</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1985:AC4252">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1985:AC4252</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-09T15:16:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1985:AC4252 Parket bij de Hoge Raad , 15-07-1985 / 78 375</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1985:AC4252:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Moord door in 1983 in Arcen en Velden met touw een ander te wurgen, art. 289 Sr. Strafmotivering (gevangenisstraf van 6 jaren). Heeft hof zo veel mogelijk omstandigheden aangegeven waarmee hof bij vaststelling van duur van vrijheidsbeneming rekening heeft gehouden? </para>
        <para>In zijn strafmotivering heeft hof genoegzaam bijzondere redenen opgegeven die strafoplegging hebben bepaald. Rechter die over feiten oordeelt is, binnen de door wet gestelde grenzen, vrij straf op te leggen die hem juist voorkomt. Tegen zijn op feitelijke waardering berustende beslissing kan in cassatie niet met vrucht worden opgekomen. HR merkt op dat mate van schuld niet enige factor is die rechter daarbij in acht behoort te nemen, maar dat hij ook rekening kan houden met andere omstandigheden van feitelijke aard zoals schok die ernstig misdrijf in rechtsorde heeft teweeggebracht en generaal en speciaal preventieve werking die van dergelijke straf uitgaat. </para>
        <para>Volgt verwerping.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1985:AC4252:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Nr. 78.375</para>
  <para>Zitting 11 juni 1985</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr. Meijers.</emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie inzake:</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [verdachte]
      </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbare Heren,</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aan verzoeker is bij inleidende dagvaarding telastegelegd: primair "moord", subsidiair "doodslag". De officier van justitie vorderde terzake van het primair telastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar. De rechtbank te Roermond heeft bij vonnis van 15 december 1983 het primair telastegelegde bewezenverklaard en verzoeker veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf. De officier van justitie is op 15 december 1983 in hoger beroep gegaan, terwijl verzoeker op 23 december 1983 appèl heeft aangetekend. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft het in eerste aanleg gewezen vonnis vernietigd, en vervolgens - na een eis van de procureur-generaal van 9 jaar gevangenisstraf - verzoeker terzake van het primair telastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van de tijd doorgebracht in inverzekeringsstelling en voorlopige hechtenis.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Verzoeker heeft zich van beroep in cassatie voorzien, en namens hem is door mr. K.G.W. van Oven, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld, dat zich richt tegen de motivering van de in hoger beroep opgelegde straf.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het hof heeft met betrekking tot de strafoplegging overwogen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>"dat bij het bepalen van de op te leggen straf enerzijds rekening is gehouden met verdachtes, in voege als hierboven vermeld, sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid, doch daarbij anderzijds is uitgegaan van de aard en de ernst van het bewezen te verklaren feit, tot uitdrukking gebracht in het tegen dit feit bedreigde strafmaximum van levenslange gevangenisstraf of gevangenisstraf voor de tijd van twintig jaar, de omstandigheden, waaronder dit feit is gepleegd, en de persoon van verdachte, zoals een en ander ter terechtzitting naar voren is gekomen;</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>dat het Hof op grond van het vorenstaande en met name met het oog op een juiste normhandhaving van oordeel is, dat geen andere straf dan gevangenisstraf meebrengende vrijheidsneming behoort te worden. opgelegd en dat niet kan worden volstaan met een kortere gevangenisstraf of een mildere vorm van die straf dan door de Rechtbank is opgelegd;".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het middel bevat de klacht dat de hoogte van de door het hof opgelegde straf onvoldoende is gemotiveerd, omdat niet zoveel mogelijk de omstandigheden zijn aangegeven waarmede het hof bij de vaststelling van de duur van de vrijheidsbeneming rekening heeft gehouden. Daardoor heeft verzoeker, aldus het middel, geen inzicht gekregen in de bedoelingen van het hof.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In de eerste plaats wordt gesteld dat het lijkt of het hof, waar het spreekt over "de aard en de ernst" van het feit, enkel het oog heeft gehad op het misdrijf "moord" in zijn algemeenheid. Deze stelling mist feitelijke grondslag, omdat het. hof zijn overwegingen onmiskenbaar betrekt op "het bewezen te verklaren" (lees: bewezenverklaarde) feit.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Voorts wordt in het middel gesteld dat het lijkt of het hof met betrekking tot de strafoplegging slechts heeft overwogen "dat niet kan worden volstaan met een kortere gevangenisstraf .. .. dan door de Rechtbank is opgelegd". Ook deze stelling mist feitelijke grondslag, omdat het hof bij die strafoplegging ook en in het bijzonder heeft betrokken verzoekers verminderde toerekeningsvatbaarheid, de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, het strafmaximum etc., gelijk een en ander is verwoord in de eerste alinea van 's hofs overwegingen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Blijft over de vraag of het hof heeft voldaan aan de in art. 359, lid 6, Sv. besloten liggende eis dat zoveel mogelijk de omstandigheden worden aangegeven, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet. Die vraag beantwoord ik bevestigend, omdat ik van oordeel ben dat in de bovenstaande overwegingen voldoende redengevende. factoren zijn opgenomen waarmede het hof bij de strafoplegging rekening heeft gehouden. Of het hof verzoeker terecht een vrijheidsbenemende straf voor de duur van 6 jaar heeft opgelegd, kan in cassatie niet worden beantwoord, omdat het hof, als feitenrechter, binnen de door de wet getrokken grenzen vrij is die straf op te leggen welke het college juist voorkomt. Tegen zijn op feitelijke waardering berustende beslissing daaromtrent kan in cassatie niet met vrucht worden opgekomen (HR 20 maart 1984, DD 84.312, HR 18 december 1984, DD 85.173).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Gelet reeds op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, en op het strafmaximum, komt mij 's hofs strafoplegging niet als onbegrijpelijk voor. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verzoeker met betrekking tot de straftoemeting aangevoerd dat daarbij rekening diende te worden gehouden met de omstandigheden waaronder het feit is begaan, en het leed dat verzoeker zich ook zelf heeft aangedaan. Het komt mij voor dat het hof in dit - op zichzelf juiste - betoog van de raadsman geen aanleiding behoefde te vinden nader te motiveren waarom het dezelfde straf heeft opgelegd als de rechtbank in eerste aanleg heeft gedaan.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Aangezien ik het middel ongegrond acht, en ambtshalve geen gronden heb aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding zouden geven, concludeer ik tot verwerping van het beroep.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>