<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1982:AC7574</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-16T13:42:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AC7574</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1982-02-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">7394OU</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1982, 648</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1982:AC7574">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1982:AC7574</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-16T13:42:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1982:AC7574 Parket bij de Hoge Raad , 16-02-1982 / 7394OU</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1982:AC7574:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Vervolgingsuitlevering en executie-uitlevering opgeëiste persoon (Duitse nationaliteit) naar Bondsrepubliek Duitsland t.z.v. verkopen en kopen van heroïne en kopen van hasj. 1. HR als cassatierechter. Onderzoek naar dubbele strafbaarheid t.a.v. kopen van minder dan 30 gram hasj. Heeft Rb dubbele strafbaarheid onderzocht t.a.v. gedragingen m.b.t. middelen vermeld op lijst II van Opiumwet? 2. HR als cassatierechter. Heeft Rb de uitlevering enkel toelaatbaar verklaard ten behoeve van tenuitvoerlegging van vrijheidsstraf v.zv. deze nog niet door hem is ondergaan of ook ter tul van veroordeling in kosten van geding? 3. HR als feitenrechter. Dubbele strafbaarheid t.a.v. kopen van minder dan 30 gram hasj. Uitlevering toelaatbaar o.g.v. art. 2.1 of 2.2 Europees Uitleveringsverdrag? </para>
        <para>Ad 1. Rb heeft niet blijk gegeven dubbele strafbaarheid te hebben onderzocht van de in stukken omschreven gedragingen m.b.t. de op lijst II van Opiumwet vermelde middelen. Daarom is beslissing tot toelaatbaarverklaring van gevraagde uitlevering in zoverre niet naar eis der wet met redenen omkleed. HR zal doen wat Rb had behoren te doen. </para>
        <para>Ad 2. In aanmerking genomen dat Rb in haar uitspraak als “gezien” heeft vermeld verzoek tot executie-uitlevering (tul van nog te ondergane vrijheidsstraf van 59 dagen) en voor tenuitvoerlegging vatbare uitspraak van Duitse rechter (waarbij opgeëiste persoon is veroordeeld tot gevangenisstraf van 6 maanden), moet het ervoor worden gehouden dat Rb in haar beslissing tot uitdrukking heeft willen brengen dat zij uitlevering van opgeëiste persoon aan Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar verklaart ten behoeve van tul van vrijheidsstraf aan hem opgelegd bij uitspraak van Duitse rechter, maar alleen v.zv. deze straf nog niet door hem is ondergaan, en derhalve niet mede ter tul van veroordeling in kosten van geding. Middelen gaan uit van andere lezing van uitspraak Rb. </para>
        <para>Ad 3. In omschrijving van feiten in aanhoudingsbevel en uitspraak van Duitse rechter ligt genoegzaam besloten dat opgeëiste persoon op verschillende tijdstippen opzettelijk op lijst II van Opiumwet vermelde middelen aanwezig heeft gehad. Naar recht van Bondsrepubliek Duitsland zijn deze feiten strafbaar gesteld met vrijheidsstraf van tenminste 1 jaar, terwijl mede voor dit ten laste van opgeëiste persoon bewezenverklaarde feit een vrijheidsstraf van meer dan 4 maanden is opgelegd. Uit omschrijving der feiten valt voorts af te leiden dat daarin bedoelde hoeveelheden van die middelen telkens gewicht van 30 gram niet te boven gingen. Dit leidt ertoe dat voor beoordeling van strafbaarheid naar Nederlands recht van deze feiten i.v.m. art. 11.4 Opiumwet, art. 11.2 Opiumwet buiten toepassing behoort te blijven. Naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar ex art. 3.C jo. 11.1 Opiumwet. Dit brengt mee dat die feiten weliswaar niet beantwoorden aan vereiste van art. 2.1 (eerste volzin) EUV maar dat uitlevering voor deze feiten, nu die ex art. 11.1 Opiumwet o.m. met vrijheidsstraf zijn bedreigd, toch o.g.v. art. 2.2 EUV kan worden toegestaan, zodat uitlevering in zoverre mede toelaatbaar is. </para>
        <para>HR verklaart mede toelaatbaar vervolgingsuitlevering t.z.v. de in aanhoudingsbevel onder 2 en 3 omschreven feiten, v.zv. die betreffen middelen vermeld op lijst II van Opiumwet, alsmede executie-uitlevering ter verdere tul van vrijheidsstraf hem opgelegd bij uitspraak van Duitse rechter, ook v.zv. die straf is opgelegd t.z.v. het in die uitspraak onder 2 vermelde feit, en verstaat dat als toepasselijke wetsbepalingen mede worden vermeld art. 3.C en 11.1 Opiumwet en art. 57 Sr.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1982:AC7574:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>eb </para>
  <para>Nr. 73 940 U </para>
  <para>Zitting 16 februari 1982</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr. Leijten </emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie inzake: </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [rekwirant]
      </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbare Heren,</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De rechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 17 november 1981 toelaatbaar verklaard de uitlevering van rekwirant aan de Bondsrepubliek Duitsland. Rekwirant heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Namens hem zijn bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. Ter zitting van Uw Raad van 2 februari 1982 heeft de raadsman van rekwirant het eerste dier middelen nader toegelicht en nog een derde middel voorgesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De B.R.D. verzocht de uitlevering van rekwirant zowel ter vervolging als ter tenuitvoerlegging.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het tweede middel houdt de klacht in, dat de rechtbank haar uitspraak niet voldoende met redenen heeft omkleed. Dit omdat de uitlevering toelaatbaar is verklaard terzake van de in het vonnis van het Amtsgericht Kaufbeuren van 16 mei 1977 genoemde feiten, terwijl de verzochte uitlevering alleen kon strekken tot verdere tenuitvoerlegging van dat vonnis. Inderdaad gaat het hier, zoals onder meer uit het inleidend verzoek van de B.R.D. blijkt, om uitlevering van rekwirant terzake van 59 dagen gevangenisstraf. Dit schoonheidsfoutje kan, dunkt mij, door Uw Raad rechtstreeks verbeterd worden, met vernietiging inzoverre van de uitspraak.</para>
    <para>Eigenlijk ligt de zaak moeilijker dan uit het middel blijkt. Het betreft immers een strafrestant dat, ruwweg gezegd, voorwaardelijk was kwijtgescholden ("Die Aussetzung der Strafresten zur Bewährung"). Op grond van verdenking dat rekwirant opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd (met betrekking waartoe de uitlevering ter vervolging is verzocht) willen de gerechtelijke autoriteiten van de B.R.D. zijn voorwaardelijke invrijheidstelling herroepen. Er is een "Sicherheitshaftbefehl" tegen rekwirant uitgevaardigd en de verzoekende staat heeft een geschrift "Zur Erlauterung" bij de stukken gevoegd. Zoals wel meer gebeurt roept dit stuk, dat verduidelijking beoogt, althans bij mij vragen op. Een dergelijk Befehl wordt slechts uitgevaardigd als "'der Widerruf .....einer Freiheitsstrafe ..... mit hoher Wahrscheinlichkeit zu erwarten ist." Het Sicherheitshaftbefehl zelf is nog iets voorzichtiger: "Bei dieser Sachlage ist zu erwarten, dass die den Verurteilten eingeräumte Strafaussetzung zur Bewährung widerrufen wird. "</para>
    <para>Die teksten wekken minstens de indruk, dat de herroeping van wat ik nu maar voorwaardelijke invrijheidstelling zal blijven noemen, nog niet heeft plaatsgevonden. Maar als dat zo is: kan men dan zeggen, dat de B.R.D. uitlevering verzoekt ter verdere executie van het strafrestant? De (wellicht erg kleine) mogelijkheid zit er toch nog in, dat er niet wordt herroepen, nadat rekwirant is "gegrepen" en door de rechter gehoord. Dan valt er, minstens voorlopig, niets te executeren. Ik wijs in dit verband op artikel 9 lid 1 aanhef en sub d onder 2 (onmiddellijke verdere tenuitvoerlegging) van de Uitleveringswet. Over de vraag of onder meer dit artikel rechtstreeks toepasselijk is naast het Europese Uitleveringsverdrag: Prof. mr. A.B.J. Swart: De verhouding tussen verdrag en wet in het uitleveringsrecht, blz. 319 e.v. van de Enschede-bundel Ad Personam.</para>
    <para>Men zou geneigd zijn te zeggen dat hier sprake is van een tussenvorm tussen vervolging en executie: uitlevering wordt verzocht ter vervolging tot <emphasis role="underline">verdere</emphasis> executie.</para>
    <para>Toch ben ik uiteindelijk van mening, dat, niet anders dan in "Nederlandse gevallen", waarbij de herroeping door de administratie (met beroepsmogelijkheid op de penitentiaire kamer bij het hof te Arnhem) zonder meer verdere executie (en een verzoek tot uitlevering daartoe), zou mogelijk maken, ook hier in feite sprake is van de - verdere - executie van de straf, die bij het oorspronkelijke vonnis werd opgelegd en dat het Sicherungshaftbefehl <emphasis role="underline">voor de vraag of uitlevering mogelijk is</emphasis>, gelijk gesteld moet worden met de "andere akte" van artikel 12 van het E.U.V. op grond waarvan de restant straf van de voortvluchtige ten uitvoergelegd kan worden. Zie ook het geschrift "Zur Erlauterung". Maar volmaakt rond is de cirkel niet.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het bij pleidooi voorgestelde middel klaagt over schending van artikel 28 van de Uitleveringswet en van artikel 25 van het Europees Uitleveringsverdrag zulks omdat de uitlevering ter executie ten onrechte toelaatbaar is verklaard terzake van de proceskosten, waarin rekwirant bij het vonnis van 16 mei 1977 van het Amtsgericht Kaufbeuren is veroordeeld, hebbende de rechtbank immers niet met zoveel woorden de ontoelaatbaarheid op dit punt uitgesproken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Zoals reeds ter sprake is gekomen heeft de rechtbank de uitlevering toelaatbaar verklaard, voorzover hier van belang, op grond van de in de uitspraak van het Amtsgericht Kaufbeuren (BRR.D.) d.d. 16 mei 1977 genoemde feiten. Bij dat vonnis is bepaald, dat rekwirant "die Kosten der Verfahrens" moet betalen, welke beslissing berust op par. 465 Strafproceszordnung. Aangezien uitlevering ter executie van de proceskosten niet toelaatbaar is, zal Uw Raad m.i., met vernietiging inzoverre van de uitspraak van de rechtbank te Arnhem, zelf deze beperking in de toelaatbaarheid van de uitlevering kunnen aanbrengen, welke beperking m.i. berust op het bepaalde bij artikel 2 van het Verdrag.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In het eerste middel wordt betoogd, dat de rechtbank de uitlevering terzake van het kopen van hashish door rekwirant niet toelaatbaar had mogen verklaren, omdat kopen van hashish naar Nederlands recht geen strafbaar feit is, subsidiair dat het onderhavige kopen van hashish in Nederland niet als misdrijf strafbaar is en meer subsidiair, dat als toepasselijke Nederlandse strafbepalingen hadden moeten worden vermeld de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In het reeds meermalen genoemde vonnis van het Amtsgericht Kaufbeuren wordt als grond van de veroordeling terzake van hashish vermeld:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2) im oktober/november 1976 kaufte der Angeklagte von dem Zeugen Hell in etwa vier bis fünf Fällen insgesamt etwa 15 g Haschisch zu einem Grammpreis von 6, - DM.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar het mij voorkomt moeten handelingen die als "erwerben" en "kaufen" naar Duits recht strafbaar zijn, bij ons worden begrepen onder: aanwezig hebben. (Zie bijv. HR 7 november 1978 NJ 1979, 188 waar "erwerben" wordt vertaald als: aanwezig hebben.) Nu kan men civielrechtelijk iets kopen zonder het daadwerkelijk geleverd te krijgen en dus aanwezig te hebben, maar met dat begrip moeten we, dunkt mij, hier niet werken. "Kaufen" is hier het resultaat van "übergeben" tegen een koopprijs (zie het Haftbefehl van 8 juli 1981, blz. 2 onder 2).</para>
    <para>Het door koop opzettelijk aanwezig hebben van in totaal 15 gram hashish is echter naar Nederlands recht alleen strafbaar ingevolge artikel 11 lid 1 van de Opiumwet. Maar omdat ook art. 11 <emphasis role="underline">lid 1</emphasis> met vrijheidsstraf dreigt en de veroordeling daarnaast betrekking heeft op het opzettelijk aanwezig hebben van heroïne (het vonnis spreekt van "kaufen" en van "Ubergabe des Stoffes"), kan ingevolge het tweede lid van artikel 2 E.U.V. ook voor de (kleine) hashish-transacties uitlevering toelaatbaar worden verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Deze gedachtengang, ontwikkeld in HR 1979, 187, kan mut. mut. ook toegepast worden wat betreft de koop van 30 gram hashish en de poging tot verkoop van 27 gram hashish (blz. 2, onder 2 en 3 Haftbefehl van 8 juli 1981).</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Toch heb ik mij nog afgevraagd of - ten dele afwijkend van het hiervoor betoogde - uitlevering ter vervolging kan worden toegestaan terzake van de verdenking vermeld onder 3 van het Haftbefehl van 8 juli 1981.</para>
    <para>Het betreft hier immers de poging tot opzettelijk verkoop van 27 gram hashish. De strafbaarheid zou moeten berusten op artikel 11 lid 1 van de Opiumwet. Dat is een overtreding en poging tot overtreding is niet strafbaar (art. 46 Sr. ).</para>
    <para>Echter: rekwirant had de hashish die hij te koop aanbood aanwezig ("Dort angekommen zeigte der Beschuldigte Kuhn das vor ihm mitgeführte Haschisch"). Dit voltooide delict is, naar Nederlands recht, wel strafbaar, zij het als overtreding. Wel betekent dit dat artikel 45 Sr. <emphasis role="underline">niet</emphasis> moet worden aangehaald.</para>
    <para>Juist is, zoals uit het voorafgaande blijkt, dat de rechtbank als naar Nederlands recht toepasselijke artikelen ook had moeten vermelden de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet terwijl ook artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht ten onrechte ontbreekt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ik concludeer thans als volgt: dat Uw Raad zal vernietigen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 november 1981 maar slechts inzoverre daarbij de uitlevering toelaatbaar is verklaard op grond van de in het vonnis van het Amtsgericht Kaufbeuren (B.R.D.) d.d. 16 mei 1977 genoemde feiten èn inzoverre na te noemen, naar Nederlands recht toepasselijke, artikelen niet zijn aangehaald; dat Uw Raad, inzoverre doende wat de rechtbank had behoren te doen, de uitlevering toelaatbaar zal verklaren met betrekking tot de verder executie van de bij voormeld vonnis opgelegde gevangenisstraf, maar ontoelaatbaar wat betreft de executie van de ten laste van rekwirant komende proceskosten, een en ander met aanhaling mede, als naar Nederlands recht toepasselijke artikelen, van de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en van artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht; met verwerping van het beroep voor het overige.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, </para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>