<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1978:6</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-15T10:00:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1978-09-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11.211</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1978:4" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1978:4</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1978:6">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1978:6</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-08T11:32:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1978:6 Parket bij de Hoge Raad , 29-09-1978 / 11.211</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1978:6:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verblijf; pension; uitblijven betaling; minderjarige zoon; overeenkomst; toe-eigenen geld; schade.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1978:6:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>L.</para>
  <para>Nr. 11 211</para>
  <para>Zitting 29 september 1978.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr. Berger.</emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie inzake:</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [eiser] c.u. / [verweerder] c.u.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbare Heren,</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op 3 juli 1972 heeft verweerster in cassatie sub 2 ( [verweerster 2] ), de moeder van na te noemen -destijds- minderjarige, eisers tot cassatie (het echtpaar [eisers] ) telefonisch verzocht haar zoon [de zoon] gedurende veertien dagen in pension te willen nemen in het door hen gedreven hotel 'De Toerist'. Die zoon was een lastig jongmens en thuis niet meer te handhaven. De bedoeling was, dat de jongen na die veertien dagen elders een werkkring zou aanvaarden. Eisers hebben in het verzoek van de moeder toegestemd, waarop haar zoon diezelfde dag, onder begeleiding van een Inspectrice van de Kinderpolitie, in het hotel van eiseres is gearriveerd. Vader [verweerder 1] heeft aan het echtpaar [eisers] een bedrag van f 300, -- betaald als kostgeld voor het overeengekomen verblijf gedurende veertien dagen. Na ommekomst van deze veertien dagen is het verblijf met instemming van eisers - evenwel zonder betaling - voortgezet. Na aldus voortgezet verblijf van andermaal veertien dagen is de zoon [de zoon] in het hotel van eisers te werk gesteld tegen betaling door eisers van f 50, -- per week alsmede gratis kost en inwoning. Op 24 februari 1973 heeft de zoon [de zoon] uit de kamer van eisers, waar hij met behulp van een valse sleutel was binnengedrongen, diverse geldsbedragen, spaarbankboekjes en een ring weggenomen en is met medeneming van een jas van [eiser 1] vertrokken. In het onderhavig geding vorderen eisers een bedrag van f 13.000, -- van het echtpaar [verweerders] , zijnde het totale beloop van de schade, die het echtpaar [eisers] door het misdrijf van de minderjarige zoon van het echtpaar [verweerders] heeft geleden.</para>
    <para>Aan hun vordering hebben eisers ten grondslag gelegd, dat het echtpaar [verweerders] te hunne opzichte bedriegelijk dan wel onrechtmatig, immers in strijd met de te dezen maatschappelijk betamende zorgvuldigheid heeft gehandeld, omdat noch de vader noch de moeder van de minderjarige [de zoon] eisers bij het aangaan van de pensionovereenkomst dan wel tijdens het voortgezet verblijf van hun zoon bij eisers dezen hebben bekend gemaakt met de criminele inslag van hun zoon, welke criminele inslag de ouders zeer wel bekend was, omdat die zoon zijn ouders had bestolen.</para>
    <para>In de feitelijke instanties hebben de eisers er de nadruk op gelegd, dat zij hunne onderhavige vordering tot schadevergoeding ontlenen zowel aan de tussen partijen gesloten overeenkomst als aan de wet. Uit hetgeen eisers dienaangaande hebben betoogd, maak ik op, dat zij in de eerste plaats doelen op de vorderingen vermeld in de artt. 1485 en 1489 (vernietigbaarheid wegens geweld, dwaling of bedrog met vergoeding van kosten, schaden en interessen) en in de tweede plaats op de vordering gegrond op art. 1402 jº art. 1401 BW. Zoals de Rechtbank m.i. terecht heeft overwogen, hebben de eisers geen vordering tot nietigverklaring van de aangegane overeenkomst op grond van dwaling of bedrog met eventuele schadevergoeding ingesteld, doch uitsluitend een vordering tot schadevergoeding, welke moet worden beoordeeld op de grondslag van de artt. 1402 en 1401. In de door eisers aangehaalde rechtspraak (HR. 16 december 1932 NJ. 1933, 458 m.n. E.M.M. en HR 25 april 1947 NJ. 1947, 270 m.n. E.M.M. ) heeft Uw Raad uitgemaakt, dat de bedragen of gedwaald hebbende contractant bevoegd is enkel schadevergoeding te vorderen, indien aan de vereisten voor een vordering ex art. 1401 is voldaan. Welnu dit laatste is nu juist wat eisers in hun inleidende dagvaarding hebben gesteld. In de loop der procedure hebben eisers de aansprakelijkheid van de ouders [verweerders] voor de onrechtmatige daad van hun minderjarige zoon mede gegrond op art. 1403, tweede lid. Hoewel dit in cassatie niet meer aan de orde is, meen ik, dat het hof terecht in casu gemelde wetsbepaling niet van toepassing heeft geacht, nu vaststaat, dat de zoon [de zoon] ten tijde van het plegen van de litigieuze onrechtmatige daad niet bij zijn ouders -feitelijk- inwoonde. Dit brengt overigens niet mede, dat die ouders niet aansprakelijk zouden kunnen worden gesteld voor de door hun minderjarige zoon veroorzaakte schade, maar dan zal wel moeten komen vast te staan, dat ten aanzien van die ouders aan de vereisten van art. 1401 is voldaan. D.w.z. dat moet komen vast te staan, dat de aan eisers toegebrachte schade een gevolg is van een verwijtbare handeling of nalatigheid van de ouders [verweerders] . Als zodanig kan, naar mijn oordeel, zeer wel gelden, dat zij eisers hebben bewogen hun minderjarige zoon in hun hotel op te nemen, daarmede bewust, immers bekend met de criminele inslag van hun zoon, het risico scheppend dat eisers schade zouden lijden tengevolge van een onrechtmatige daad van die zoon. Duidelijk essentitel voor de onrechtmatigheid van het handelen c.q. nalaten is dan wel, dat de ouders bekend waren met de criminele inslag van hun zoon, die hen op het risico van onrechtmatige daden attent had moeten doen zijn, omdat immers slechts in die omstandigheid het verwijt zijn grond kan vinden, dat de ouders [verweerders] eisers niet op die criminele inslag hebben gewezen. Welnu in het bestreden arrest heeft het Hof - feitelijk - vastgesteld, dat in rechte geenszins is komen vast te staan, dat de zoon [de zoon] vóór februari 1973 van een criminele inslag had blijk gegeven en nog minder, dat zijn ouders zodanige inslag kenden. Daarmede was aan de vordering van eisers de grondslag komen te ontvallen.</para>
    <para>In het eerste onderdeel van het middel van cassatie wordt het Hof onder a verweten, dat het Hof niet is ingegaan op de in hoger beroep door eisers tot nader bewijs van hun stellingen overgelegde stukken. Hier ziet het middel er evenwel aan voorbij, dat de rechter, die over de feiten oordeelt, in de motivering van zijn oordeel of een feit of omstandigheid niet bewezen is niet behoeft in te gaan op al datgene, dat ten processe als bewijs naar voren is gebracht. De beslissing of een feit of omstandigheid al dan niet bewezen is, is voorbehouden aan de judex facti en kan in cassatie niet ten toets komen.</para>
    <para>In het eerste onderdeel van het middel sub b wordt er van uitgegaan, dat het Hof de criminele inslag als feitelijke grondslag van de vordering (te) onbepaald heeft geacht. Hier mist het onderdeel van het middel feitelijke grondslag in het bestreden arrest. Het Hof heeft immers overwogen: " dat de grieven I tot en met IVA uitgaan van de stelling, dat de ouders van de litigieuze minderjarige diens criminele inslag kende, welke bestond in het feit, dat de jongen zijn ouders had bestolen". Het Hof heeft aldus zelf bepaald, waaruit de gestelde criminele inslag bestond. Dit oordeel, berustend op de uitleg van de stukken van het geding, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.</para>
    <para>In het eerste onderdeel wordt sub c gesteld, dat het Hof zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed. Uit de 'toelichting' blijkt volgens mij, dat de steller van het middel andermaal bedoeld te klagen over het oordeel van het Hof, dat in rechte geenszins is komen vast te staan, dat de zoon [de zoon] vóór februari 1973 van een criminele inslag had blijk gegeven en nog minder, dat zijn ouders zodanige inslag kenden.</para>
    <para>Evenwel kan dit oordeel, dat begrijpelijk en voldoende is gemotiveerd, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst.</para>
    <para>Het tweede onderdeel van het middel stelt, dat het Hof het bestreden arrest onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat het Hof de verwerping der grieven niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed. Mij dunkt, dat dit onderdeel van het middel stoelt op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Na een zakelijke weergave van de aangevoerde grieven heeft het Hof vastgesteld "dat de grieven I tot en met IVA uitgaan van de stelling, dat de ouders van de litigieuze minderjarige diens criminele inslag kenden, welke bestond in het feit, dat de jongen zijn ouders had bestolen".</para>
    <para>Het Hof is daarop tot het oordeel gekomen, dat deze aan de grieven ten grondslag liggende stelling in rechte niet is komen vast te staan. Daarmede was tevens gegeven, dat grieven I tot en met IVA geen nadere bespreking meer behoefden, omdat zij toch niet tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank zouden kunnen leiden. Na het weggevallen zijn van de grondslag, waarop de grieven rustten, mistten zij ten processe iedere betekenis. Het derde onderdeel van het middel is gericht tegen een overweging in het door het Hof bekrachtigde vonnis van de Rechtbank. Dit onderdeel zal evenwel niet tot vernietiging van het bestreden arrest kunnen leiden, omdat die overweging van de Rechtbank de beslissing van het Hof tot bekrachtiging van dat vonnis niet draagt.</para>
    <para>Ik moge concluderen tot verwerping van het beroep met de veroordeling van de eisers tot cassatie in de kosten op de voorziening gevallen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>