<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:1965:AB4404</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-15T10:00:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AB4404</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">1965-10-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9884</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:1965:AB4404" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1965:AB4404</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 1967, 80</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1965:AB4404">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1965:AB4404</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-04T15:40:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:1965:AB4404 Parket bij de Hoge Raad , 28-10-1965 / 9884</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:1965:AB4404:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Motiveringsklacht die niet tot cassatie kan leiden omdat eiseres tot cassatie daarbij geen belang heeft. Motiveringsdefecten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:1965:AB4404:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>K. </para>
  <para>No. 9884 </para>
  <para>Zitting 28 oktober 1965.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Mr. van Oosten.</emphasis>
    </para>
    <para>Conclusie inzake : </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">
        [eiseres] /'DE DRIE HOEFIJZERS" N.V.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Edelhoogachtbare Heren,</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Wijlen [betrokkene 1], in leven caféhouder en overleden op 8 maart 1959, heeft op 17 april 1958, bij notariële akte van die datum, een hypotheek gevestigd op de daarin genoemde onroerende goederen (een huis met aanhorigheden), zulks ten behoeve van de verweerster in cassatie, kortheidshalve te noemen: de Brouwerij. </para>
    <para>De akte vermeldt dat de hypotheek strekt :</para>
    <para>"tot meerdere zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Bierbrouwerij te eniger tijd van hem comparant ([betrokkene 1]) al of niet volgens rekening-courant, wegens wisseltrekkingen, wisselbetalingen, geleende gelden, geleverde bieren, boeten, renten, wegens eventueel als borg voor- of als hoofdelijk medeschuldenares met hem gedane betalingen, of uit welken anderen hoofde ook, van hem te vorderen heeft of zal hebben, tot en ten belope ener som van drie duizend gulden met twee jaren en het lopende jaar renten ad zeven en een half ten honderd in het jaar, van drie maanden extra renten, van de eventueel ingevolge de hierna te maken bedingen en bepalingen verschuldigde boeten, begroot op tweeduizend gulden, en van de kosten ten bedrage van tien procent van de opbrengst bij publieke verkoop der hierna verbonden onroerende zaken, deze laatste begroot op twee duizend gulden".</para>
    <para>De akte behelst voorts dat [betrokkene 1] de hypotheek verleent "teneinde de Bierbrouwerij of hare rechtverkrijgenden in staat te stellen, om al hetgeen blijken zal, dat de onderzetter bij het opeisbaar worden van de aan hem reeds verstrekte of nog te verstrekken gelden, of bij het sluiten der lopende rekening, hetwelk te allen tijde zal kunnen geschieden uit welken hoofde ook aan de Bierbrouwerij verschuldigd is of zal worden te allen tijde ten belope ener som van drieduizend gulden met twee jaren en het lopende jaar renten als voormeld, eventuele extra renten, boeten, deze in totaal begroot op twee duizend gulden en de kosten, begroot op twee duizend gulden, en alzo voor het geheel koste- en schadeloos bij voorrang boven alle andere schuldeisers van de onderzetter op het verbondene te verhalen".</para>
    <para>Blijkens dezelfde akte heeft [betrokkene 1] zich jegens de Brouwerij verplicht om, "zolang hij eigenaar is" van de bezwaarde zaken, "hetzij hij daarin zelf koffiehuizen of bierbottelarijen exploiteert, hetzij door een ander, in die koffiehuizen of bierbottelarijen en in andere door hem geëxploiteerde of nog te exploiteren koffiehuizen of bierbottelarijen met aanhorigheden, geen ander bier te verkopen of voorhanden te hebben zonder schriftelijke toestemming van de Bierbrouwerij, dan het bier afkomstig uit de Bierbrouwerij en ter keuze van deze rechtstreeks door haar tegen de bij haar gebruikelijke prijzen tegen contante betaling geleverd ofwel door tussenkomst van een door de Bierbrouwerij aangewezen wederverkoper, en wel op verbeurte ener boete van eenhonderd gulden voor elke overtreding en voor elke dag, dat een overtreding voortduurt, ten behoeve van de Bierbrouwerij". Een overeenkomstige verplichting heeft [betrokkene 1] op zich genomen met betrekking tot limonade dranken, benodigd in de bezwaarde zaken en eventueel in andere door hem geëxploiteerde of nog te exploiteren panden.</para>
    <para>De overeenkomst waarbij [betrokkene 1] deze beide verplichtingen op zich heeft genomen wordt in Duitsland een "Bierbezugsvertrag" genoemd, en in Frankrijk: "clause d'exclusivité d'approvisionnement". Dit beding is een variant van een concurrentiebeding.</para>
    <para>Aangaande de duur van het onderhavige exclusieve bevoorradingsbeding is tussen partijen overeengekomen dat de bovengenoemde verplichtingen "slechts zullen gelden, totdat het door de onderzetter verschuldigde met renten en kosten, alsmede boeten zal zijn afgelost en betaald, en de Bierbrouwerij voorts niets meer uit welken hoofde ook - van hem onderzetter te vorderen heeft, en geen borgstellingen of verbintenissen als hoofdelijk medeschuldenares door de Bierbrouwerij voor of met de onderzetter lopen", zulks echter met dien verstande, dat, ongeacht deze bepaling, deze verplichtingen " in elk geval zullen gelden tot en met de dertigste april negentienhonderd drie en tachtig".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het eigenlijk gezegde bevoorradingsbeding houdt in dat [betrokkene 1] zich verplicht om in door hem geëxploiteerde of te exploiteren inrichtingen zonder schriftelijke toestemming van de Brouwerij geen ander bier en geen andere limonadedranken te verkopen of voorhanden te hebben dan uit de Brouwerij afkomstig bier, resp. uit de Brouwerij afkomstige limonadedranken, ter keuze van de Brouwerij ofwel rechtstreeks door de Brouwerij, tegen de bij haar gebruikelijke prijzen à contant te leveren, ofwel door tussenkomst van een door de Brouwerij aangewezen wederverkoper. De prestaties waartoe [betrokkene 1] zich aldus heeft verplicht zijn, op zich zelf beschouwd, m.i. niet onzedelijk te achten.</para>
    <para>Petit heeft het exclusieve bevoorradingsbeding besproken als een quantitatief onzedelijke rechtshandeling, als een overeenkomst, waarbij de onzedelijkheid niet is gelegen in de aard der gedragingen, waartoe ze verplicht, maar in de quantitatieve omvang dier gedragingen (Overeenkomsten in strijd met de goede zeden, diss. Leiden, 1920, p. 122 e.v. ) .</para>
    <para>Aangaande de geldigheid van een dergelijke overeenkomst, beoordeeld naar haar duur, citeert de schrijver, o.c. p.185, o.m. een uitspraak van het Zwitserse Bundesgericht, waarbij dienaangaande is uitgemaakt dat beslissend is: of een der partijen ernstig in haar economische belangen is geschaad. Het Hof heeft, in.r.o. 3, al. d, geoordeeld dat het bevoorradingsbeding, niet zonder meer nadelig was voor [betrokkene 1].</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In dit geding, ook in cassatie, is de vraag aan de orde of het bevoorradingsbeding, zoals dit tussen [betrokkene 1] en de Brouwerij is overeengekomen, al of niet in strijd is met de goede zeden. Het is m.i. niet betwist, dat dit beding samenhangt met de voldoening van de verbintenissen van [betrokkene 1], tot verhaal waarvan de hypotheek strekt. Deze samenhang komt trouwens reeds daar tot uitdrukking, waar in de overeenkomst de gelding van het bevoorradingsbeding afhankelijk wordt gesteld van het door [betrokkene 1], als onderzetter, verschuldigde met renten.</para>
    <para>De Rechtbank heeft het bevoorradingsbeding rechtsgeldig geacht., met verwerping van het verweer van [eiseres], de eiseres tot cassatie, dat dit beding, als strijdig met de goede zeden, nietig is, omdat er - aldus [eiseres] - een wanverhouding bestaat tussen de wederzijdse prestaties, te weten, enerzijds, "een geldlening van slechts f. 3000 .- tegen 7,5 %" en, anderzijds, "een verplichting tot bierafname gedurende 25 jaren". De Rechtbank heeft geoordeeld, dat onevenredigheid tussen deze wederzijdse prestaties zonder meer nog geen nietigheid "der overeenkomst" medebrengt. Aldus oordelende heeft de Rechtbank m.i. mede verstaan, dat het overeengekomen bevoorradingsbeding niet in strijd is met de goede zeden, zowel uit het oogpunt van de inhoud als de geldigheidsduur daarvan. De door [eiseres] tegen deze beslissing gerichte appelgrief, grief II, heeft het Hof verworpen, en m.i. terecht.</para>
    <para>Immers een wanverhouding tussen de wederzijdse prestaties maakt op zich zelf de overeenkomst niet onzedelijk, althans niet onzedelijk wegens "misbruik van omstandigheden" (H.R. 11 jan. 1957, N.J. 1959, no. 37, n. H.B.). </para>
    <para>
      [eiseres] heeft in appel, ter ondersteuning van de appelgrief II, aangevoerd, dat het bevoorradingsbeding "betekent economische slavernij tot in het nageslacht". Maar de verplichting van [betrokkene 1] om zich uitsluitend bij de Brouwerij te bevoorraden met bier en limonadedranken is, beschouwt men het bevoorradingsbeding uit het oogpunt van de vrijheid van de handel of van de economische vrijheid in het algemeen, niet in strijd met deze vrijheden, nu de overeenkomst, waarbij de exclusieve bevoorrading is gestipuleerd, geen algemeen en volstrekt verbod behelst, maar begrensd is voor een tijd van <emphasis role="underline">maximaal</emphasis> 25 jaren, en wel voor een tweetal producten, bier en limonadedranken, waarbij dan nog bedacht dient te worden dat het beding niet meer zal gelden, wanneer (1)het door de onderzetter verschuldigde met renten, kosten en boeten zal zijn afgelost en betaald; (2) de Brouwerij niets meer, uit welken hoofde ook, van de onderzetter te vorderen heeft; (3) geen borgstellingen of verbintenissen als hoofdelijk medeschuldenares door de Brouwerij voor of met de onderzetter (zullen) lopen.</para>
    <para>De Franse cassatierechter heeft bij arrest van 17 februari 1931 (D. 1931, p.41) uitgemaakt dat begrenzing naar de tijd voldoende is om het exclusieve bevoorradingsbeding geldig te doen zijn, een uitspraak, welke - aldus de annotator Voirin - de traditionele rechtspraak van de Franse hoven van appel bevestigt. Het voormalige Reichsgericht heeft, naar Palandt, p. 101, mededeelt, een "Bierbezugsvertrag" strijdig met de zeden geacht bij bovenmatige vrijheidsbeperking. De Franse en de Belgische rechtspraak op dit stuk wordt uitvoerig medegedeeld en critisch besproken door Petit, diss. p. 168/9, die (diss. p.167) van gevoelen is dat bij de beoordeling van bedingen als de litigieuze onderzocht moet worden, vooreerst, of de beperking van de bedrijfsvrijheid degene, aan wie deze is opgelegd, in onbehoorlijke mate aan banden legt of zijn economisch bestaan onmogelijk maakt, en, vervolgens, of, in het concrete geval, "de beperking der bedrijfsvrijheid door eenig rechtsbelang wordt gerechtvaardigd". De eiseres tot cassatie heeft m.i. niet de vraag opgeworpen of de beperking der bedrijfsvrijheid, welke het onderhavige bevoorradingsbeding medebrengt, door enig rechtsbelang wordt gerechtvaardigd.</para>
    <para>Tot ondersteuning van haar tweede appelgrief had [eiseres] voorts, met zoveel woorden, betoogd, dat het bevoorradingsbeding medebrengt dat een café aan het vrije economische verkeer wordt onttrokken, "daar als enige gegadigde de brouwerij overblijft". Ook hier wordt m.i. voorbijgezien, dat de exclusieve bevoorrading door de Brouwerij gelimiteerd is, zowel naar de tijd, en als naar het product.</para>
    <para>Ten slotte heeft [eiseres], ter motivering van appelgrief II, er nog op gewezen, dat, naar de maatstaven, aangelegd bij de door haar geciteerde uitspraak van het Oberlandesgericht te Frankfort van 26 juni 1962, "bij een reeële lening van f.3.000 .- " in Duitsland de geldigheidsduur van het beding 12 jaar zou zijn, en, beoordeeld naar art. 6 van het Belgische K.B. van 28 november 1961, 3 jaren.</para>
    <para>Bij "de goede zeden", waaraan het onderhavige beding getoetst moet worden, zal echter, vooral waar het geldt de economische verhouding tussen een Nederlandse caféhouder en een Nederlandse brouwerij, te denken zijn aan de zeden die heden ten dage en hier te hier te lande, in de Nederlandse samenleving, als goede zeden worden erkend in die sector van maatschappelijk leven, waarin caféhouders en bierbrouwers met elkander verkeren als afnemers, resp. als leveranciers. [eiseres] heeft m.i. niet gesteld, dat het litigieuze beding strijdig is met de zeden, welke in dit verkeer als goede zeden worden aanvaard op het stuk van de bevoorrading van café's met bier en limonadedranken. In de rechtsopvattingen dezer kringen zou, aldus Petit, diss. p. 51 e.v., de juiste oplossing moeten worden gezocht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De in r.o. 4, al.c, van het aangevallen arrest vervatte beslissing omtrent de tweede appelgrief is naar mijn mening, op grond van de beschouwingen, die ik mij in het voorgaande veroorloofde, noch qua inhoud, noch qua overeengekomen duur, in strijd met de goede zeden, te meer nu: (1) [eiseres] niet heeft gesteld, dat de beperking van de bedrijfsvrijheid, waaraan [betrokkene 1] zich had onderworpen, niet door enig rechtsbelang wordt gerechtvaardigd; (2) [eiseres] evenmin heeft aangevoerd dat het bevoorradingsbeding strijdig is met de rechtsopvattingen of met de zeden die heden ten dage hier te lande heersen in de kring van belanghebbenden, waar tussen overeenkomsten plegen te worden aangegaan waarbij een dergelijk beding wordt gemaakt; (3) in r.o.4, al. d, van 's Hofs arrest is vastgesteld dat het omstreden beding [betrokkene 1] de mogelijkheid liet als caféhouder een normale winst te maken.</para>
    <para>Door de tweede appelgrief, welke [eiseres] had opgeworpen, te verwerpen, heeft - gelijk gezegd - het Hof m.i. blijk gegeven van een juiste rechtsopvatting, zodat het m.i. niet ter zake doet hoe de vaststelling, vermeld in <emphasis role="underline">onderdeel a</emphasis> van het voorgedragen middel moet worden opgevat en of uit die vaststelling al of niet kan worden afgeleid of het Hof van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan.</para>
    <para>Om dezelfde reden kan, naar ik meen, worden daargelaten waarom het Hof in de in <emphasis role="underline">onderdeel b </emphasis>van het middel weergegeven overweging is uitgegaan, en of het Hof, - als het is uitgegaan van de veronderstelling "dat het beding ook bij een geldigheidsduur van 12 jaren mogelijk in strijd met de goede zeden was" -, het Hof "niet, althans niet zonder meer, rechtskracht aan het beding had mogen toekennen voor een kortere periode". Nu het Hof, door de tweede appelgrief te verwerpen en door mede op grond van deze beslissing het beroepen vonnis te bekrachtigen, het bevoorradingsbeding óók voor de duur van 25 jaar rechtsgeldig heeft geacht, zou ik, hoewel aarzelend, menen, dat het al evenmin ter zake doet of in een der overwegingen, waarmede deze beslissing is gemotiveerd, van een onjuiste rechtsbeschouwing zou zijn uitgegaan en of het Hof met die rechtsopvatting een m.i. juiste beslissing zou hebben gemotiveerd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In de memorie van grieven wordt inderdaad door [eiseres] het standpunt ingenomen dat de termijn, waarvoor het bevoorradingsbeding geldig had kunnen worden aangegaan, reeds was verstreken. In het licht van de memorie van grieven is, ook naar mijn mening, onbegrijpelijk 's Hofs overweging dat niet is gesteld, dat reeds thans - het bestreden arrest is uitgesproken op 24 november 1964 - het einde bereikt zou zijn van de periode waarvoor het beding geacht moet worden te gelden. Ik vraag mij trouwens af hoe [eiseres] vóór de datum van het arrest, 24 november 1964, redelijkerwijze zou hebben kunnen stellen, dat op 24 november 1964 reeds het tijdstip van zulk een periode bereikt zou zijn. De motiveringsklacht van <emphasis role="underline">onderdeel c</emphasis> is derhalve, naar mijn mening, gegrond.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het Hof heeft in r.o. 3, al. 4b, van het arrest wel vermeld, voor welke periode het beding geacht moet worden te gelden: het beding moet, aldus het Hof, geacht worden te gelden "voor een periode welke niet in strijd is met de goede zeden". <emphasis role="underline">Onderdeel f</emphasis> van het middel mist dus zijn feitelijke grondslag voor zover het stelt dat "het Hof niet heeft vermeld, voor welke periode het beding geacht moet worden te gelden".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Rechtbank heeft het bevoorradingsbeding beoordeeld naar de overeengekomen geldigheidsduur van 25 jaren en het beding uit dat oogpunt rechtsgeldig geacht, terwijl het Hof, het vonnis van de eerste rechter bekrachtigende, zich m.i. met deze beslissing van de Rechtbank heeft verenigd. Met de eiseres acht ik 's Hofs arrest, inhoudende de bekrachtiging van het door de Rechtbank gewezen vonnis, in strijd met 's Hofs overweging, dat de looptijd van het beding van 25 jaren op 12 jaren wordt teruggebracht. Er is dus innerlijke tegenstrijdigheid tussen het dictum van 's Hofs arrest en een der overwegingen, waarmede de beslissing omtrent de tweede appelgrief is gemotiveerd, zodat de motiveringsklacht aan het slot van <emphasis role="underline">onderdeel d</emphasis> m.i. doel treft. Ik zie niet voorbij dat 's Hofs beslissing omtrent deze grief en het daardoor uitgesproken oordeel niet in strijd is met de bekrachtiging van het in prima gewezen vonnis. De motivering van de in r.o. 4, al. c, vervatte beslissing is m.i. in haar geheel verre doorzichtig en begrijpelijk.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In haar memorie van grieven, p. 1, al. 2, heeft [eiseres] gesteld dat [betrokkene 1] bij de overeenkomst van 17 april 1958 aan de Brouwerij "een credithypotheek heeft verschaft tot zekerheid van gelden welke reeds aan hem waren verstrekt of nog zouden worden verstrekt, ten belope van f.3.000 .-- met daarop twee jaar rente ad 7,5% en f.2.000 --- extra voor mogelijke verdere renten en boeten". Blijkens de overgelegde fotocopie van de door [betrokkene 1] en [eiseres] afgegeven schuldbekentenis van 15 april 1958 hebben dezen van de Brouwerij ter leen ontvangen de som van f.2000 .-- , tegen een rente van 7,5% 's jaars.</para>
    <para>Wanneer nu [betrokkene 1] bij de overeenkomst van 17 april 1958 een "crediethypotheek" heeft verleend tot zekerheid van hem reeds verstrekte gelden, dan is - waar een crediethypotheek per definitionem is een hypotheek voor een aan de hypotheekgever geopend credict (Asser-Scholten, Zakenrecht, 8e dr., p. 475) - volgens de eigen stelling van [eiseres] de bij de akte van 17 april 1958 gevestigde hypotheek mede verleend tot zekerheid van het crediet waarvoor de schuldbekentenis van 15 april 1958 is afgegeven. En als - zoals [eiseres] zelf in haar memorie van grieven stelt - de Brouwerij mede een "crediethypotheek" heeft gevestigd "tot zekerheid van gelden, welke ... nog zouden worden verstrekt, ten belope van f.3000 .-- ... ", dan houdt deze stelling m.i. mede in dat de hypotheek is gevestigd voor een, zij het ook nog niet verstrekt, maar geopend, in de zin van een toegezegd, crediet. Het Hof heeft dus in r.o. 4, al.d, van het arrest geredelijk kunnen oordelen dat "de overeenkomst een crediet voor hem" ([betrokkene 1]) "opende", terwijl het Hof dit oordeel heeft kunnen doen steunen op de hierboven aangehaalde tekst van de memorie van grieven, zodat <emphasis role="underline">onderdeel e</emphasis> van het middel m.i. in zijn geheel ongegrond is.</para>
    <para>Ongegrond is m.i. almede <emphasis role="underline">onderdeel f</emphasis> van het middel. Tegenover de verplichtingen, welke [betrokkene 1] op zich heeft genomen, wel te verstaan die om zich bij uitsluiting bij de Brouwerij te bevoorraden met bier en limonadedranken, stond de verplichting van de Brouwerij om aan [betrokkene 1] het geopende crediet ten belope van f. 3000 .-- te verstrekken. Daarenboven impliceert het eigenlijk gezegde bevoorradingsbeding noodwendig een eenzijdige verkoopbelofte (van de Brouwerij), welke in nauw verband staat tot de belofte van de caféhouder om het benodigde bier en de benodigde limonadedranken van de Brouwerij te betrekken. Nu de Brouwerij van wijlen [betrokkene 1] heeft bedongen dat deze zich uitsluitend bij haar bevoorraadt, heeft zij hem daardoor zelfs verzekerd, des verzocht, de voor de exploitatie van het door [betrokkene 1] gehouden café benodigde bier en limonade te zullen verkopen (vgl. de vorenaangehaalde annotatie van Voirin, II, c). Anders dan in onderdeel f wordt gesteld, heeft de Brouwerij dus wèl enigerlei verplichting jegens [betrokkene 1] op zich genomen, namelijk: de verplichting om het geopende crediet te verstrekken, benevens de verplichting tot verkoop van de benodigde dranken als voormeld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Rechtbank heeft bij haar vonnis van 13 februari 1964 [eiseres] gelast om "aanstonds" het bevoorradingsbeding stipt in acht te nemen "met alle daarbij in de in het achtste ""aangezien"" der dagvaarding genoemde nummers 1 tot en met 8 behorende bepalingen", derhalve ook met inachtneming van het beding, dat de verplichting tot het betrekken van bier en limonade bij de Brouwerij in elk geval zal gelden tot en met 30 april 1983. Het Hof heeft het vonnis ook ten aanzien van deze last bekrachtigd.</para>
    <para>Het komt mij voor dat, wanneer de Brouwerij, - zoals zij ter inleidende dagvaarding heeft gesteld - , "uit louter tegemoetkomendheid aan gedaagde te kennen heeft gegeven. dat zij - eiseres - voormelde termijn inkortte in dier voege, dat gedaagde slechts tot 30 april 1970 aan voorschreven bier en limonade-afname-deding zou onderworpen zijn, het alleszins de vraag is of de Brouwerij van [eiseres] in rechte mocht eisen dat deze het bevoorradingsbeding tot en met 30 april 1983 in acht neemt, en of [eiseres] daartoe door de lagere rechter veroordeeld mocht worden. Mocht de Hoge Raad het aangevallen arrest vernietigen, dan is dit een punt waaromtrent alsnog uitspraak gedaan zal moeten worden. Ik moge - voor dat geval - de Hoge Raad in overweging geven het geding daartoe of mede daartoe te verwijzen naar het Hof, welks arrest m.i. wegens vormverzuim vernietigd moest worden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ik concludeer dat de Hoge Raad. het bestreden arrest vernietige, het geding verwijze naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en omtrent de kosten van het geding in cassatie zodanige uitspraak geve als hij vermeent te behoren.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,</para>
  </parablock>
</conclusie>
</open-rechtspraak>