<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:ORBBACM:2015:13</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-05-04T10:09:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-05-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_Beroep_voor_Belastingzaken_van_Aruba_Curacao_Sint_Maarten_en_van_Bonaire_Sint_Eustatius_en_Saba" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-03-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">2011/51701</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBBACM:2015:13">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBBACM:2015:13</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-05-04T10:08:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-05-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:ORBBACM:2015:13 Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 09-03-2015 / 2011/51701</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:ORBBACM:2015:13:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tegen het niet tijdig doen van uitspraak op een bezwaar over toepassing van de Precariorechten- en Retributieverordening 1994 staat geen beroep open bij de Raad, nu de ALL op deze verordening niet van toepassing is verklaard. Het beroep is niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:ORBBACM:2015:13:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Beschikking d.d. 9 maart 2015, nr. 2011/51701.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN</para>
      <para>zitting houdende in Sint Maarten,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>X N.V. te Sint Maarten, belanghebbende,</para>
      <para>gemachtigde A,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Minister van Toerisme, Economische Zaken, Verkeer en Telecommunicatie van Sint Maarten, de Minister.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Aan belanghebbende is op 20 mei 2011 een bedrag van NAf 312,50 aan retributie in rekening gebracht voor het verlenen van een vergunning aan J. A (A) om op te treden als haar directeur.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Belanghebbende is op 27 juni 2011 in bezwaar gekomen tegen de retributieheffing. De Minister heeft geen uitspraak op bezwaar gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Belanghebbende is op 31 augustus 2011 in beroep gekomen tegen de fictieve weigering tot het doen van uitspraak op bezwaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>De Minister heeft geen vertoogschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Ter zitting van 25 november 2014 te Philipsburg zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende en namens de Minister B en C.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>Namens de Minister is een pleitnota voorgedragen en overgelegd aan de Raad en aan belanghebbende.  </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De tussen partijen vaststaande feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Belanghebbende is opgericht op 7 juli 1995. Als haar directeur is geregistreerd A, geboren op 	29 januari 1963 te Haarlem, Nederland. Bij Besluit van 18 juli 2003 is op verzoek van 	belanghebbende aan A vergunning verleend om op te treden als directeur van 	belanghebbende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De vergunning is aan belanghebbende verleend op grond van de Landsverordening Vestigingsregeling voor bedrijven van 1 april 1946 (P.B. 1946, 43, hierna: de Vestigingsregeling).  Artikel 1, eerste lid, bepaalt dat (onder meer) bestuurders van naamloze vennootschappen steeds worden geacht een zaak in de zin van de Vestigingsregeling te drijven. Artikel 2 bepaalt dat het niet is toegestaan een zaak te vestigen of te drijven zonder een daartoe strekkende vergunning van het bestuurscollege. De Vestigingsregeling is blijkens artikel 17, eerste lid, niet van toepassing op in de Nederlandse Antillen geboren Nederlanders die de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De bestreden nota retributierechten is aan belanghebbende opgelegd op grond van de 	Precariorechten- en Retributieverordening 1994 (A.B. 1994, nr. 12; hierna: de Verordening). </para>
        <para>	In artikel 1 worden de aard van de heffing en het belastbare feit omschreven. Het tweede lid 	luidt:  “Onder de naam “Retributie” wordt een recht geheven terzake van het gebruik of het genot 	van de voor de openbare dienst bestemde werken, bezittingen of 	inrichtingen, dan wel wegens 	door of vanwege het eilandgebied aan derden bewezen diensten”. </para>
        <para>	Artikel 5 van de Verordening luidt: “Wijze van heffing. De precariorechten worden geheven bij 	wege van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een nota 	of andere schriftuur”. </para>
        <para>	Artikel 6 luidt: “Tarief, tijdvak en maatstaf van heffing. Het tarief, het tijdvak en de maatstaf van 	heffing zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende 	tarieventabel”. </para>
        <para>	Volgens artikel 17, tweede lid, beslist het Bestuurscollege op het bezwaarschrift uiterlijk binnen 	twee maanden na ontvangst. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Onderdeel VI van de Tarieventabel betreft de retributies. In VI B staat geschreven dat “jaarlijks 	bij het begin van het kalenderjaar van de vergunninghouder een recht (wordt) geheven voor het 	hebben van een vergunning voor: </para>
        <para>	a. het vestigen en drijven van een zaak, verleend aan een naamloze maatschappij (“NV”): </para>
        <para>	1. bij een maatschappelijk kapitaal bij oprichting van fl. 10.000 tot fl. 100.000 fl. 1.250 </para>
        <para>	2. bij een maatschappelijk kapitaal bij oprichting van fl. 100.000 tot fl. 200.000 fl. 3.125 </para>
        <para>	3. bij een maatschappelijk kapitaal bij oprichting van fl. 200.000 of meer fl. 6.250 </para>
        <para>	b. het vestigen en drijven van een zaak, niet vallende onder a, fl. 312,50 </para>
        <para>	c. om als direkteur op te treden van een zaak met meer dan een (1) direkteur, fl. 625 </para>
        <para>	d. om als direkteur op te treden van een zaak met slechts een (1) direkteur, fl. 312,50 (…)” 		</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is in geschil: </para>
    </parablock>
    <para>- of voor belanghebbende beroep openstaat bij de Raad tegen het niet doen van uitspraak op 	bezwaar;</para>
    <para>- indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord: of het beroep is ingediend door de adressant 	van de retributienota;</para>
    <para>- indien ook deze vraag bevestigend wordt beantwoord: of de heffing moet worden vernietigd wegens 	strijd met het gelijkheidsbeginsel;</para>
    <para>- indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: of de Raad de Minister kan opdragen om 	uitspraak op bezwaar te doen.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De standpunten van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat er geen reden is om het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk te achten nu bij de indiening ervan is verwezen naar de adressant van de retributienota. Belanghebbende gelooft niet dat de Minister uitspraak op bezwaar zal doen en verzoekt de Raad om over het geschil te oordelen. Zij verwijst naar de uitspraak van de Raad van 20 augustus 2003 waarin, kort gezegd, is geoordeeld dat het onderscheid tussen personen die in de Nederlandse Antillen zijn geboren en personen die elders zijn geboren niet (meer) gerechtvaardigd is. Belanghebbende gelooft niet dat de discriminerende regeling zal worden ingetrokken, ook al zijn daarvoor voorstellen gedaan zoals de Minister stelt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De Minister stelt dat geen beroep mogelijk is tegen de fictieve weigering om uitspraak te doen en verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Raad van 22 februari 1999 (LJN:BU9673). Hij stelt tevens dat bezwaar en beroep zijn ingediend door A en niet door belanghebbende, zodat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien het beroep inhoudelijk wordt behandeld, moet het volgens de Minister ongegrond worden verklaard omdat de discriminerende regeling weliswaar in 2010 nog bestond, maar reparatie daarvan aan de wetgever is en de wetgever een voorstel tot reparatie heeft gedaan bij de landsbegroting voor 2015. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>Beoordeling van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De nota voor de retributie is gericht aan: X NV. Het bezwaarschrift is ingediend 	door A. Een kopie van de nota is bijgevoegd. In het bezwaarschrift wordt gewezen op het bestuurderschap van A bij belanghebbende. Naar het oordeel van de Raad is uit de tekst van 	het bezwaarschrift, in combinatie met de bijgevoegde nota, voldoende duidelijk dat A het bezwaar instelde in zijn functie van directeur van belanghebbende. Indien voor de Minister onvoldoende duidelijk was namens wie bezwaar werd gemaakt, had het op de weg van de Minister gelegen om belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarover duidelijkheid te verschaffen. De Minister heeft dat niet gedaan. Ter zitting is voldoende duidelijk geworden dat A beoogde namens belanghebbende te handelen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Artikel 19 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (ALL) bepaalt dat beroep kan 	worden ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar (fictieve weigering). In 	artikel 2 ALL is bepaald op welke belastingverordeningen de ALL toepassing vindt. De 	Verordening wordt daar niet bij genoemd. Ook in de Verordening zelf is niet bepaald dat de 	rechten worden geheven met toepassing van de ALL. De ALL is derhalve in gevallen als deze niet 	de wettelijke basis voor een beroep tegen een fictieve weigering. De Verordening biedt daarvoor 	evenmin een basis, nu in artikel 17 weliswaar is bepaald dat uitspraak gedaan moet worden binnen 	twee maanden na ontvangst van het bezwaar, maar niet wat er gebeurt indien geen uitspraak 	wordt gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De Raad heeft in zijn uitspraak van 22 februari 1999, waar de Minister naar verwijst, als volgt 	geoordeeld :</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	“6.2. Hoewel ter wille van een behoorlijke rechtsbescherming van de belastingplichtige zeer gewenst zou zijn, dat het 	belastingrecht een regeling zou bevatten van begrippen als “fictieve afwijzing” of fictieve weigering om te beslissen”, 	zijn deze begrippen als zodanig in het Nederlands Antilliaanse belastingrecht niet bekend en dus evenmin daarmee 	samenhangende bepalingen zoals de termijn waarbinnen van een fictieve afwijzing sprake is en waarbinnen een 	belastingplichtige moet reageren. Het gaat daarom de rechtsvormende taak van de Raad te buiten om deze begrippen 	in het belastingrecht te introduceren. Dit zal aan de wetgever moeten worden overgelaten. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gelet op het vorenstaande zal de Raad het beroepschrift van appellante niet ontvankelijk verklaren, omdat een 	voor beroep vatbare beschikking van het Bestuurscollege op het bezwaarschrift ontbreekt.”</emphasis>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Door de invoering van de ALL in 2004 is in zoverre een nieuwe situatie ontstaan dat, anders dan 	in 1999, het begrip “fictieve weigering” inmiddels is geïncorporeerd in het (belasting)recht van Sint Maarten. De wetgever heeft echter niet voorzien in de mogelijkheid van beroep tegen een fictieve 	weigering voor heffingen waar de ALL niet op van toepassing is. De Raad ziet geen aanleiding om terug te komen op zijn eerdere oordeel dat het aan de wetgever is hiervoor een voorziening te treffen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>De Raad is niet bevoegd om de Minister op te dragen om uitspraak op bezwaar te doen, nu de 	Verordening noch enige wet of andere verordening daarvoor een rechtsbasis biedt. Uitsluitend de 	civiele rechter is bevoegd hierover te beslissen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Gelet op het vorenstaande zal de Raad het beroep niet ontvankelijk verklaren voor zover het zich 	richt tegen de retributieheffing. De Raad zal zich onbevoegd verklaren voor zover het betreft het 	verzoek om de Minister op te dragen uitspraak op bezwaar te doen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de retributieheffing en verklaart zich voor het overige onbevoegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan in raadkamer op door mrs. S. Verheijen, voorzitter, T. Groeneveld en A. Beukers-van Dooren, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris mr. N. Martines en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>