<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:ORBAACM:2022:70</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-26T15:58:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_Beroep_in_Ambtenarenzaken_van_Aruba_Curacao_Sint_Maarten_en_van_Bonaire_Sint_Eustatius_en_Saba" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR2021H00283</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2022:70">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2022:70</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-26T15:57:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:ORBAACM:2022:70 Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 20-07-2022 / CUR2021H00283</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:ORBAACM:2022:70:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Nu appellant heeft nagelaten binnen de gegeven termijn gronden tegen de aangevallen uitspraak in te dienen, is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk. De Raad doet dan ook met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de RAr zonder verder onderzoek uitspraak bij beschikking.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:ORBAACM:2022:70:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RAAD VAN BEROEP</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">IN AMBTENARENZAKEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">CURAÇAO</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Beschikking</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op grond van artikel 106, eerste lid, van de RAr in het hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">[Appellant],</bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonend te Curaçao,</para>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van<?linebreak?>26 augustus 2021, CUR202002295 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Regering van Curaçao</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. A.C. van Hoof en L.S. Davelaar, advocaten</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Appellant heeft de Regering bij brief van 5 maart 2019 verzocht hem weer als ambtenaar aan te stellen. Bij beslissing van 15 april 2020 heeft de Regering dit verzoek afgewezen. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. B.L. Lie Atjam, advocaat, heeft als toenmalige gemachtigde van appellant op 24 september 2021 een pro-forma hoger beroepschrift ingediend.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft de gemachtigde van appellant verzocht om uiterlijk 24 oktober 2021, nadien verlengd tot 22 november 2021, een aanvullend hoger beroepschrift in te dienen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij bericht van 19 november 2021 heeft de gemachtigde van appellant zich teruggetrokken als gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 21 december 2021 heeft de Raad appellant zelf verzocht om binnen vier weken na dagtekening van de brief een aanvullend beroepschrift in te dienen. Appellant heeft op 29 december 2021 getekend voor ontvangst van deze brief.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 104, eerste lid, aanhef en onder c, van de RAr houdt het beroepschrift de gronden in waarop het hoger beroep berust. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op grond van artikel 105 van de RAr wijst de voorzitter van de Raad de inzender van een beroepschrift, die de voorschriften van artikel 104 van de RAr niet in acht heeft genomen, op het verzuim en nodigt hem uit dit binnen een bepaalde termijn te herstellen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De Raad kan zonder nader onderzoek, met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de RAr, degene die niet heeft voldaan aan het verzoek van de voorzitter van de Raad het verzuim als bedoeld in artikel 104 van de RAr binnen de gegeven termijn te herstellen, niet-ontvankelijk verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij de onder procesverloop genoemde brief van 21 december 2021 heeft de Raad appellant erop gewezen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien hij niet reageert op het verzoek de gronden van het hoger beroep binnen de gegeven termijn in te dienen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Appellant heeft van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt en evenmin om uitstel daarvoor verzocht. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Nu appellant heeft nagelaten binnen de gegeven termijn gronden tegen de aangevallen uitspraak in te dienen, is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk. De Raad doet dan ook met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de RAr zonder verder onderzoek uitspraak bij beschikking. </para>
        <para>2. 	Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De Raad <emphasis role="underline">verklaart</emphasis> het hoger beroep <emphasis role="underline">niet-ontvankelijk.</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mrs. W.H. Bel, voorzitter en J. Sybesma en P. Klik, leden, en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>