<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:ORBAACM:2022:64</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-08T16:01:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_Beroep_in_Ambtenarenzaken_van_Aruba_Curacao_Sint_Maarten_en_van_Bonaire_Sint_Eustatius_en_Saba" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR2021H00096</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2022:64">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2022:64</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-08T16:01:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:ORBAACM:2022:64 Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 29-06-2022 / CUR2021H00096</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:ORBAACM:2022:64:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>te laat gemaakt bezwaar tegen de weigering om te beslissen. Herhaling van in beroep aangevoerde gronden. Minister blijft gehouden een beslissing te nemen op het herzieningsverzoek van appellante.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:ORBAACM:2022:64:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RAAD VAN BEROEP</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">IN AMBTENARENZAKEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">VAN CURAÇAO</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">[Appellante]</bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonende te Curaçao,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>gemachtigden: E.P. Kirindongo en S.D. Kwidama </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 15 maart 2021, CUR202004330 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>appellante</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Financiën, </bridgehead>
    <parablock>
      <para>(hierna: de minister),</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.G. Ricardo</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft hoger beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft de zaak behandeld ter zitting van 16 juni 2022. Voor appellante zijn haar gemachtigden verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 27 juni 2018 heeft de minister het verzoek van appellante haar in aanmerking te brengen voor een pensioenuitkering over de periode van 20 mei 1975 tot 1 december 1994 afgewezen. Bij brief van 3 augustus 2018 heeft appellante de minister verzocht het besluit van 27 juni 2018 te herzien (herzieningsverzoek). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Tegen de weigering om te beslissen op haar herzieningsverzoek heeft appellante op 2 maart 2020 bezwaar gemaakt bij het Gerecht. </para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij heeft het Gerecht onder verwijzing naar de toepasselijke rechtspraak overwogen dat een weigering om te beslissen uiterlijk ontstaat na een jaar na het indienen van een verzoek om een beslissing. Ten tijde van de indiening van het bezwaar van appellante waren meer dan 16 maanden verstreken sinds zij het herzieningsverzoek had ingediend. De conclusie van het Gerecht is dat het bezwaar van appellante onredelijk laat is ingediend zodat dit niet-ontvankelijk moet worden verklaard. In de stelling van appellante dat de minister op 3 februari 2020 heeft toegezegd dat op korte termijn een beslissing zou volgen op het herzieningsverzoek heeft het Gerecht geen aanleiding gezien de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Ook op 3 februari 2020 was de beslistermijn al ruim overschreden.</para>
      <para>3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.</para>
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom het Gerecht tot een ander oordeel had moeten komen. De Raad onderschrijft de overwegingen en het oordeel van het Gerecht, weergegeven in overweging 2, en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe. De mogelijkheid van bezwaar tegen een zogeheten fictieve weigering is een door de RAr geboden procedureel middel om het bevoegde orgaan ertoe aan te zetten om een inhoudelijke beslissing te nemen op een aanvraag of, zoals hier aan de orde, verzoek. Dat een (gewezen) ambtenaar om soms begrijpelijke redenen niet tijdig van deze bezwaarmogelijkheid gebruik maakt, ontslaat het bevoegde orgaan niet van de plicht om alsnog een inhoudelijke beslissing te nemen.  Zoals ook het Gerecht heeft overwogen, blijft de minister dus gehouden een beslissing te nemen op het al bijna vier jaar geleden ingediende herzieningsverzoek van appellante. De minister heeft dit echter nog steeds niet gedaan. Gelet op wat ter zitting is besproken, gaat de Raad er vanuit dat de gemachtigde van de minister zal bevorderen dat de minister nu voortvarend tot besluitvorming overgaat.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.  </para>
        <para>5.	Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Raad van Beroep <emphasis role="underline">bevestigt</emphasis> de aangevallen uitspraak. </para>
      <para>Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. J. Sybesma en <?linebreak?>mr. P. Klik, leden, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>