<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:ORBAACM:2022:57</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-20T16:43:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_Beroep_in_Ambtenarenzaken_van_Aruba_Curacao_Sint_Maarten_en_van_Bonaire_Sint_Eustatius_en_Saba" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR2020H00172</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2022:57">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2022:57</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-20T16:42:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:ORBAACM:2022:57 Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 09-03-2022 / CUR2020H00172</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:ORBAACM:2022:57:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het verzoek om herziening van het plaatsingsbesluit heeft het Gerecht terecht afgewezen. Geen nieuw gebleken feiten die voor de Regering aanleiding had moeten vormen om terug te komen van haar plaatsingsbesluit. Verklaring had eerder overgelegd kunnen worden. Beroep op gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Geen gelijke gevallen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:ORBAACM:2022:57:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RAAD VAN BEROEP</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">IN AMBTENARENZAKEN</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">VAN CURAÇAO</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">[appellant]</bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonende te Curaçao,</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr. W.E. Fortin, advocaat</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van<?linebreak?>8 mei 2020, CUR201803941, in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Regering van Curaçao, </bridgehead>
    <parablock>
      <para>geïntimeerde (hierna: de Regering),</para>
      <para>gemachtigde: mr. S.I. da Costa Gomez, advocaat</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Regering heeft een contramemorie ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft de zaak ter zitting van 24 februari 2022 aan de orde gesteld waar partijen niet zijn verschenen.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In het kader van de overgang naar het nieuwe Gereorganiseerd Korps Politie Curaçao (GKPC) heeft de Regering bij landsbesluit van 28 oktober 2015 (plaatsingsbesluit) appellant met ingang van 1 december 2013 benoemd in de functie van Tactisch Rechercheur bij de Unit Lokaal Ernstige Criminaliteit (LEC), schaal 7p. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij brief van 28 juli 2016 heeft appellant verzocht het plaatsingsbesluit te herzien en hem te plaatsen in de functie van Senior Tactisch Rechercheur LEC, schaal 8p. Bij dit verzoek heeft appellant een verklaring van 27 mei 2016 van voormalig hoofdinspecteur [X], Unithoofd LEC (hoofdinspecteur), gevoegd. Uit de verklaring van [hoofdinspecteur] is volgens appellant op te maken dat hij in de periode van oktober 2008 tot en met 2014 werkzaamheden heeft verricht die qua taakinhoud voor 2/3e deel passen binnen de functie van Senior Tactisch Rechercheur LEC, zodat hij in aanmerking komt voor plaatsing in die functie.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 2 oktober 2018 (bestreden besluit) heeft de Regering het verzoek om herziening van het plaatsingsbesluit afgewezen. De Regering ziet de verklaring van [hoofdinspecteur] niet als een nieuw gebleken feit op grond waarvan moet worden teruggekomen van het plaatsingsbesluit. </para>
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Gerecht, samengevat, het volgende overwogen. De verklaring van [hoofdinspecteur] kan niet als nieuw gebleken feit worden aangemerkt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij deze verklaring niet eerder in een bezwaarprocedure tegen het plaatsingsbesluit had kunnen overleggen. Verder heeft appellant pas ter zitting onder verwijzing naar een aantal concrete gevallen een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Hieraan wordt in het belang van de goede procesorde voorbij gegaan.  </para>
      <para>3. Appellant heeft op de hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.  </para>
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat toen hij [hoofdinspecteur] destijds verzocht om een referentie, [hoofdinspecteur] hem verwees naar zijn voormalig leidinggevende, inspecteur [inspecteur Y]. Voges heeft appellant in het kader van de plaatsingsprocedure binnen het GKPC een evaluatieformulier, gedateerd 5 maart 2015, over appellants functioneren verstrekt. Dit formulier zag echter niet toe op de voor de plaatsing van belang zijnde periode van 2010 tot 2013 (referentieperiode), waarna appellant [hoofdinspecteur] opnieuw heeft verzocht om een referentie. Daaraan heeft [hoofdinspecteur] bij brief van 27 mei 2016 uiteindelijk voldaan. Deze brief vormt aanleiding om het plaatsingsbesluit te herzien. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Daargelaten of appellant met de brief van [hoofdinspecteur] toereikend heeft onderbouwd dat hij in de referentieperiode merendeels werkzaamheden op het niveau van een Senior Tactisch Rechercheur heeft verricht, kan uit de brief niet worden afgeleid dat appellant [hoofdinspecteur] al eerder had verzocht om een referentie, maar dat [hoofdinspecteur] appellant daarvoor had verwezen naar [inspecteur Y]. Bovendien had [inspecteur Y] het evaluatieformulier opgesteld ruimschoots voordat de Regering het plaatsingsbesluit heeft genomen. Niet valt dan ook in te zien waarom appellant niet direct nadat hij van [inspecteur Y] het evaluatieformulier had gekregen, [hoofdinspecteur] heeft benaderd voor een referentiebrief. Appellant had deze brief dan tijdig kunnen inbrengen in de plaatsingsprocedure voorafgaand aan het plaatsingsbesluit dan wel in een bezwaarprocedure tegen het plaatsingsbesluit. Het Gerecht heeft dan ook met juistheid overwogen dat de brief van [hoofdinspecteur] geen nieuw gebleken feit vormt die voor de Regering aanleiding had moeten vormen om terug te komen van haar plaatsingsbesluit. De beroepsgrond slaagt daarom niet.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Appellant heeft verder een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar een aantal collega’s die wel in de functie van Senior Tactisch Rechercheur zijn benoemd. Ter onderbouwing van zijn beroepsgrond  heeft appellant de op deze collega’s betrekking hebbende benoemingsbesluiten overgelegd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De Regering heeft in haar contramemorie uiteengezet dat de benoeming van de desbetreffende collega’s tot Senior Tactisch Rechercheur voortvloeide uit een sollicitatieprocedure [A] onderscheidenlijk bezwaarprocedures [B en C]. Reeds om die reden is geen sprake van gevallen die gelijk zijn aan dat van appellant. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Tot slot heeft appellant ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van een nieuw gebleken feit een verklaring van 10 februari 2020 overgelegd van inspecteur [Z]. Deze heeft verklaard dat appellant sinds januari 2017 deel uitmaakt van zijn team bij het bureau Veel Voorkomende Criminaliteit (VVC). In zijn verklaring somt [inspecteur Z] de werkzaamheden op die appellant sinds januari 2017 tot 10 februari 2020 heeft verricht. Deze verklaring vormt geen nieuw gebleken feit, reeds omdat de verklaring niet ziet op de referentieperiode.   </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
        <para>5. 	Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Raad van Beroep <emphasis role="underline">bevestigt</emphasis> de aangevallen uitspraak.</para>
      <para>Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. J. Sybesma en mr. P. Klik, leden, uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>