<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:ORBAACM:2022:1</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-14T10:30:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_Beroep_in_Ambtenarenzaken_van_Aruba_Curacao_Sint_Maarten_en_van_Bonaire_Sint_Eustatius_en_Saba" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR2019H000341</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2022:1">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2022:1</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-14T10:30:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:ORBAACM:2022:1 Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 09-02-2022 / CUR2019H000341</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:ORBAACM:2022:1:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontvankelijkheid bezwaar. Het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule mag niet voor risico van appellant komen. Vernietiging aangevallen uitspraak en terugverwijzing naar het Gerecht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:ORBAACM:2022:1:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RAAD VAN BEROEP</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">IN AMBTENARENZAKEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">CURAÇAO</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">[appellant],</bridgehead>
    <parablock>
      <para>appellant,</para>
      <para>gemachtigde: R.G. Balentin</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 27 augustus 2019, CUR201700118 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">appellant </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Regering van Curaçao,geïntimeerde,gemachtigde: mr. J.G. Ricardo, werkzaam bij het Land Curaçao</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Geïntimeerde heeft zich laten vertegenwoordigen door haargemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij brief van 12 september 2016 heeft geïntimeerde appellant bericht dat hem geen vaste vergoeding voor overwerk wordt toegekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 27 oktober 2016 heeft appellant daartegen bezwaar gemaakt bij de minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening (minister).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij brief van 3 januari 2017 heeft de minister het bezwaar van appellant ongegrond verklaard (bestreden besluit).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Op 10 februari 2017 heeft appellant tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt bij het Gerecht.</para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van appellant gegrond verklaard omdat de minister niet bevoegd was het bezwaar van appellant van 27 oktober 2016 in behandeling te nemen. Het Gerecht heeft het bestreden besluit nietig verklaard en het bezwaar van appellant alsnog behandeld. Dit bezwaar heeft het Gerecht niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet-verschoonbare termijnoverschrijding.</para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep voert appellant aan dat hij door onwetendheid over zijn mogelijkheden om rechtsmiddelen aan te wenden niet tijdig bezwaar heeft kunnen maken. Hij wist niet aan wie hij zijn bezwaar moest richten en ook niet welke termijn daarvoor gold.</para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 41, eerste lid, van de RAr wordt het bezwaarschrift ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen beschikking uitgesproken is. <?linebreak?>	Op grond van het derde lid wordt hij die bezwaar inbrengt na vorenbedoelde termijn, niet op grond daarvan niet-ontvankelijk verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking redelijkerwijs heeft kunnen kennis dragen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Vaststaat dat de bezwaartermijn op grond van artikel 41, eerste lid, van de RAr aanving op 13 september 2016 en verliep op 13 oktober 2016. Met zijn bezwaarschrift van 27 oktober 2016 heeft appellant zijn bezwaar twee weken te laat ingediend. Aldus dient de Raad op grond van artikel 41, derde lid, van de RAr te beoordelen of de termijnoverschrijding van appellant verschoonbaar is te achten. De Raad ziet aanleiding voor het oordeel dat daarvan sprake is. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat geïntimeerde heeft verzuimd een rechtsmiddelenclausule op te nemen in de brief van 12 september 2016 waardoor appellant in het ongewisse verkeerde over de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden (vergelijk de uitspraak van de Raad van 29 juni 2012, ECLI:NL:ORBANAA:2012:BX4890). De Raad ziet aanleiding om onder de gegeven omstandigheden het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule niet voor risico van appellant te laten komen. Het Gerecht heeft het bezwaarschrift dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De beroepsgrond slaagt.</para>
      <para />
      <para>5. Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover het Gerecht het bezwaar van appellant nietontvankelijk heeft verklaard. De Raad acht het bezwaar ontvankelijk en wijst de zaak met toepassing van artikel 127, eerste lid, van de RAr terug naar het Gerecht voor inhoudelijke behandeling.</para>
      <para />
      <para>6. De Raad ziet aanleiding om geïntimeerde met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de kosten van appellant in hoger beroep van NA<emphasis role="italic">f </emphasis>700,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting).</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-<emphasis role="underline">verklaart</emphasis> het hoger beroep <emphasis role="underline">gegrond</emphasis>;</para>
      <para>-<emphasis role="underline">vernietigt</emphasis> de aangevallen uitspraak voor zover het Gerecht het bezwaar van 27 oktober 2016 niet-ontvankelijk heeft verklaard;</para>
      <para>-verklaart het bezwaar ontvankelijk;</para>
      <para>-<emphasis role="underline">wijst</emphasis> de zaak <emphasis role="underline">terug</emphasis> naar het Gerecht om het bezwaar alsnog inhoudelijk te behandelen;</para>
      <para>-<emphasis role="underline">veroordeelt</emphasis> geïntimeerde tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van NA<emphasis role="italic">f</emphasis> 700,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. L.J.J. Rogier en mr. M.A. Evertsz, leden, uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>