<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:ORBAACM:2020:30</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-17T09:55:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_Beroep_in_Ambtenarenzaken_van_Aruba_Curacao_Sint_Maarten_en_van_Bonaire_Sint_Eustatius_en_Saba" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR2019H00160</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2020:30">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2020:30</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-17T09:52:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:ORBAACM:2020:30 Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 16-12-2020 / CUR2019H00160</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:ORBAACM:2020:30:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontslag wegens strafrechtelijke veroordeling. Geen procesbelang bij het opschuiven van de datum van ontslag. Bevestiging aangevallen uitspraak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:ORBAACM:2020:30:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep van</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">[appellant],</bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonende te Curaçao,</para>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao van </para>
      <para>4 april 2019, CUR201801984 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr. O.D. Lodowica, advocaat</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Regering van Curaçao</bridgehead>
    <parablock>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. P. Tweeboom, advocaat</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij landsbesluit van 26 maart 2018 (ontslagbesluit) heeft geïntimeerde appellant met ingang van 1 april 2018 ontslagen als Senior Operator bij het ministerie van Justitie, ter beschikking gesteld van de Kustwacht voor het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch Gebied, met toepassing van artikel 103 lid 1 sub d juncto lid 2 van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 20 juni 2018 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen de inhouding van het loon van appellant vanaf mei 2016 en het bezwaar voor zover gericht tegen het ontslagbesluit gegrond verklaard, het ontslagbesluit nietig verklaard en de nietigheid voor gedekt verklaard.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant op 3 mei 2019 hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft appellant aangevoerd dat het Gerecht de nietigverklaring van het ontslag ten onrechte voor gedekt heeft verklaard, omdat ten tijde van het ontslag de daaraan ten grondslag gelegde strafrechtelijke veroordeling nog niet onherroepelijk was en het moment van ontslag ook consequenties heeft voor de doorbetaling van zijn salaris.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep is behandeld ter zitting van de Raad op 3 december 2020. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Geïntimeerde is verschenen bij gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het landsbesluit van 4 maart 2016 waarbij hij in zijn ambt is geschorst met ingang van 25 november 2015 en zijn loon is ingehouden. Uit een verklaring van het Hoofd Personeelszaken van de Kustwacht van 26 november 2020 blijkt dat het landsbesluit door medewerkers van het Maritieme steunpunt is afgegeven bij het SDKK, alwaar appellant destijds verbleef. Verder blijkt uit een verklaring van de vader van appellant van 2 december 2020 dat appellant zijn vader had verzocht na te gaan waarom zijn salaris over april 2016 niet was gestort. De vader verklaart in de tweede helft van de maand mei 2016 een kopie van het landsbesluit te hebben verkregen. Appellant heeft derhalve in mei 2016 kennis kunnen nemen van het landsbesluit van 4 maart 2016. Bovendien had hij, zoals het Gerecht terecht heeft overwogen, nadat hem in mei 2016 duidelijk was geworden dat zijn salaris (opnieuw) niet was uitbetaald, daartegen tijdig bezwaar kunnen maken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de (volledige) inhouding van het salaris in rechte is komen vast te staan. In het licht hiervan heeft het Gerecht terecht de nietigheid van het ontslag van appellant wegens de nog niet onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling ten tijde van zijn ontslag voor gedekt kunnen verklaren. Appellant heeft immers geen procesbelang bij het opschuiven van de datum van zijn ontslag naar 8 januari 2019, de datum waarop de Hoge Raad uitspraak deed op zijn beroep in cassatie en zijn strafrechtelijke veroordeling onherroepelijk werd. Deze verschuiving maakt niet dat ook het besluit tot schorsing en inhouding van salaris verandering ondergaat, nu dat besluit reeds onherroepelijk was.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is, zodat de aangevallen uitspraak, gelet op wat in 1.2 is overwogen met verbetering van gronden, wordt bevestigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. 	Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad <emphasis role="underline">bevestigt</emphasis> de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mrs. W.H. Bel, voorzitter, en L.C. Hoefdraad en L.J.J. Rogier, leden, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>