<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:ORBAACM:2018:6</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-18T16:30:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_Beroep_in_Ambtenarenzaken_van_Aruba_Curacao_Sint_Maarten_en_van_Bonaire_Sint_Eustatius_en_Saba" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-01-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA2016H00038 (voorheen RvBAz 2016/78599)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2018:6">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2018:6</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-18T16:30:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:ORBAACM:2018:6 Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 25-01-2018 / AUA2016H00038 (voorheen RvBAz 2016/78599)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:ORBAACM:2018:6:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Strafontslag na onherroepelijke veroordeling. Beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:ORBAACM:2018:6:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="underline">Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)</bridgehead>
    <para>Uitspraakdatum: 25 januari 2018</para>
    <para>Zaaknummer: AUA2016H00038 (voorheen RvBAz 2016/78599)</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RAAD VAN BEROEP</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">IN AMBTENARENZAKEN</emphasis>
      </para>
      <para>Zittingsplaats Aruba</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">[Appellante],</bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonende in Aruba,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr. P.M.E. Mohamed, advocaat,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Aruba, van 15 februari 2016, in zaaknr. GAZA nr. 2015/2026, in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>appellante</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Minister van Onderwijs en Gezin (de Minister),</bridgehead>
    <parablock>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>gemachtigde: A. Lumenier, werkzaam bij de Dienst Wetgeving en Juridische zaken (DWJZ).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikking van 3 augustus 2015 heeft geïntimeerde aan appellante de disciplinaire straf van ontslag opgelegd (het strafontslag).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2017. Appellante is daar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Geïntimeerde heeft zich daar doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Appellante was in vaste dienst aangesteld als leerkracht in het openbaar onderwijs. Bij onherroepelijk geworden strafvonnis is zij voor het medeplegen van witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 416 dagen. Over de strafmaat heeft de strafrechter overwogen dat “in het nadeel van verdachte geldt dat, nadat haar partner (…) wegens invoer van drugs in Duitsland werd aangehouden en veroordeeld en zij op de hoogte was van de illegale activiteiten van haar partner, zij (…) toch op verzoek van haar partner is doorgegaan met het witwassen van gelden en bijhouden van de administratie ter zake van “schuldenaars” van haar partner”. Op grond van deze veroordeling heeft geïntimeerde appellante ernstig plichtverzuim verweten en dit aan het strafontslag ten grondslag gelegd.</para>
    <para />
    <para>2. De Raad ziet in hetgeen appellante in appel heeft aangevoerd geen grond om anders te oordelen dan het Gerecht heeft gedaan en onderschrijft de overwegingen die het Gerecht daartoe heeft gebezigd.</para>
    <parablock>
      <para>Een onherroepelijke veroordeling tot een gevangenisstraf van vermelde duur vormt op zichzelf voldoende grond om zeer ernstig plichtverzuim aan te nemen, waaraan de disciplinaire straf van ontslag niet onevenredig is, wat temeer geldt voor de functie van leerkracht, die appellante bekleedde.</para>
      <para>De verwijzing door appellante naar andere leerkrachten die ook niet van ‘onbesproken levensgedrag’ zouden zijn, maar aan wie geen strafontslag is opgelegd, noopt niet tot een ander oordeel. Wat daar verder ook van zij, diegenen zijn niet zoals appellante tot gevangenisstraf veroordeeld, zodat het geen gelijke gevallen betreft op grond waarvan het gelijkheidsbeginsel geschonden zou kunnen worden geoordeeld.</para>
      <para>Dat appellante naar zij stelt in een financieel zeer lastige situatie is geraakt door het ontslag heeft zij aan zichzelf te wijten en dat kan dan ook niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt, die tot een lichtere disciplinaire straf noopte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>4. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad <emphasis role="underline">bevestigt</emphasis> de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. D. Haan, voorzitter, en mrs. L.C. Hoefdraad en A.H.M. van de Leur, leden, en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>