<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:ORBAACM:2018:4</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-18T16:25:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_Beroep_in_Ambtenarenzaken_van_Aruba_Curacao_Sint_Maarten_en_van_Bonaire_Sint_Eustatius_en_Saba" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-01-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA2016H00037 (voorheen RvBAz 2016/78219)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2018:4">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2018:4</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-18T16:25:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:ORBAACM:2018:4 Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 25-01-2018 / AUA2016H00037 (voorheen RvBAz 2016/78219)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:ORBAACM:2018:4:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ter zitting is gebleken dat de gemachtigde van de minister eveneens is gemachtigd door de Gouverneur, die de afwijzing van de gratificatie voor zijn rekening neemt. Beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:ORBAACM:2018:4:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="underline">Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)</bridgehead>
    <para>Uitspraakdatum: 25 januari 2018</para>
    <para>Zaaknummer: AUA2016H00037 (voorheen RvBAz 2016/78219)</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RAAD VAN BEROEP</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">IN AMBTENARENZAKEN</emphasis>
      </para>
      <para>Zittingsplaats Aruba</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">[Appellant],</bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonende in Aruba,</para>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Aruba, van 15 februari 2016, in zaaknr. GAZA nr. 2015/1809, in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>appellant</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Minister van Algemene Zaken (de Minister),</bridgehead>
    <parablock>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.O. Senchi, werkzaam bij de Dienst Wetgeving en Juridische zaken (DWJZ).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 9 april 2013 heeft geïntimeerde afwijzend beslist (de afwijzing) op het verzoek van appellant om hem een gratificatie toe te kennen voor zijn bemoeienis met de samenvoeging per 1 november 2010 (de samenvoeging) van de Directie Personeel en Organisatie (DPO) en de Dienst Personeel en Organisatie Justitie en Volksgezondheid (P&amp;OJV) tot het Departamento di Recurso Humano (DRH).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2017. Partijen zijn daar verschenen, appellant in persoon en geïntimeerde bij zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op grond van artikel 4 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) wordt voor de toepassing van de landsverordening en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften, voor zover hier van belang, onder het bevoegde gezag verstaan: de Gouverneur.</para>
    <para>	Op grond van artikel 75, eerste lid, kan de ambtenaar wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke dienstverrichting door het bevoegde gezag worden beloond. Op grond van het tweede lid aanhef en onder b, kan dat zijn in de vorm van een gratificatie.</para>
    <para />
    <para>2. Zoals de Raad inmiddels reeds herhaaldelijk heeft overwogen  zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 februari 2017, ECLI:NL:ORBAACM:2017:10  doet de omstandigheid dat de Gouverneur van Aruba (de Gouverneur) alleen een landsbesluit kan nemen op voordracht van een verantwoordelijke Minister, er niet aan af dat de inhoudelijke beslissing op, zoals hier aan de orde, een verzoek om toekenning van een gratificatie aan een ambtenaar alleen door hem bevoegd kan worden genomen. Dat houdt tevens in dat de afwijzing van een dergelijk verzoek aan de Gouverneur als bevoegd gezag is voorbehouden. De gegroeide bestuurspraktijk dat de betrokken Minister beslissingen tot afwijzing van verzoeken op eigen gezag in beschikkingen vastlegt, verdraagt zich daarmee niet.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de afwijzing onbevoegd is gegeven. Het Gerecht heeft dat niet onderkend en de afwijzing ten onrechte niet op die grond vernietigd. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd en doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal de Raad het bezwaar tegen de afwijzing alsnog gegrond verklaren en de afwijzing vernietigen.</para>
      <para />
      <para>3. Ter zitting is gebleken dat de gemachtigde van de Minister eveneens door de Gouverneur is gemachtigd hem in deze zaak te vertegenwoordigen en dat de Gouverneur de rechtsgevolgen van de afwijzing voor zijn rekening wil nemen. Daarmee is het bevoegdheidsgebrek geheeld, zodat de Raad in het navolgende zal bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van de vernietigde afwijzing in stand te laten.</para>
      <para />
      <para>4. Ook naar het oordeel van de Raad kan appellant niet met succes staande houden dat de gratificatie hem in redelijkheid niet geweigerd kon worden. Dat twaalf anderen wel een gratificatie werd toegekend door de Gouverneur in verband met hun bemoeienis met de samenvoeging, betekent ook niet dat hem die op grond van het gelijkheidsbeginsel niet kon worden geweigerd. Appellant heeft ook in appel niet weerlegd dat het tot zijn toenmalige functie van directeur van de DPO behoorde de samenvoeging te realiseren en te coördineren. In die zin onderscheidde hij zich op een relevant punt van degenen die wel een gratificatie toegekend hebben gekregen, omdat het bij die anderen ging om niet tot hun functie behorende werkzaamheden. Reeds gelet daarop moet zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel falen.</para>
      <para />
      <para>5. De slotsom is dat de Raad voldoende grond ziet om te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde afwijzing in stand kunnen blijven.</para>
      <para />
      <para>6. Nu niet is gebleken van daarvoor in aanmerking komende kosten aan de zijde van appellant, ziet de Raad geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">verklaart</emphasis> het hoger beroep van appellant <emphasis role="underline">gegrond</emphasis>;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">vernietigt</emphasis> de aangevallen uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">verklaart</emphasis> het bezwaar van appellant tegen de afwijzing alsnog <emphasis role="underline">gegrond</emphasis>;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">vernietigt</emphasis> de afwijzing; en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">bepaalt </emphasis>dat de rechtsgevolgen van de vernietigde afwijzing in stand blijven.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. D. Haan, voorzitter, en mrs. L.C. Hoefdraad en A.H.M. van de Leur, leden, en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>