<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:ORBAACM:2017:16</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-01-10T11:16:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_Beroep_in_Ambtenarenzaken_van_Aruba_Curacao_Sint_Maarten_en_van_Bonaire_Sint_Eustatius_en_Saba" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-01-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">RvBAz 2014/70934</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2017:16">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2017:16</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-01-10T11:15:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:ORBAACM:2017:16 Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 10-01-2017 / RvBAz 2014/70934</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:ORBAACM:2017:16:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Evident is dat het bezwaar is ingediend ver nadat de op grond van artikel 42, tweede lid, van de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (Rar) geldende termijn was verstreken om in rechte op te kunnen komen tegen de weigering te beschikken op het eerst vermelde verzoek van appellant. De latere verzoeken konden vervolgens niet meer bewerkstelligen dat andermaal fictieve weigeringen zouden ontstaan waartegen opgekomen zou kunnen worden bij de rechter teneinde het betrokken bestuursorgaan alsnog tot beschikken te dwingen. Een andere opvatting zou zich niet verdragen met het doel van vermelde bepaling aan dat procedurele middel uitdrukkelijk een termijn te verbinden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:ORBAACM:2017:16:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="underline">Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951</emphasis> (Rar)</para>
    <para>Uitspraakdatum: 10 januari 2017</para>
    <para>Zaaknummer: RvBAz 2014/70934</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RAAD VAN BEROEP</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">IN AMBTENARENZAKEN</emphasis>
      </para>
      <para>Zittingsplaats Curaçao</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep van</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">[…]</bridgehead>
    <parablock>
      <para>appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr. R.P. Koeijers, advocaat,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Curaçao, van 5 september 2014, in zaaknr. GAZ 2003/113, in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>appellant</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Regering van Curaçao,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. L.M. Virginia, advocaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van appellant tegen de weigering van de rechtsvoorganger van geïntimeerde te beslissen op zijn verzoek van 3 oktober 2003 om hem met terugwerkende kracht tot 30 september 1993 naar het niveau van schaal 17 te bezoldigen, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2016. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en is voor geïntimeerde zijn gemachtigde verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Appellant is op 12 december 1994 gepensioneerd als ambtenaar in de functie van Directeur van het kabinet van de Gevolmachtigd Minister, tevens plaatsvervangend Gevolmachtigd Minister (de dubbelfunctie), bezoldigd naar schaal 15. Hij heeft (de rechtsvoorganger van) geïntimeerde herhaaldelijk verzocht hem met ingang van 30 september 1993 in verband met de bekleding van de dubbelfunctie te bezoldigen naar schaal 17. Op die verzoeken van 22 oktober 1996, 3 januari 1997 en laatstelijk van 3 oktober 2003 heeft (de rechtsvoorganger van) geïntimeerde niet beschikt.</para>
    <para />
    <para>2. De Raad stelt voorop dat het bezwaar, waar het Gerecht bij de aangevallen uitspraak op heeft beslist, was gericht tegen de weigering tijdig een beschikking te nemen op het laatst vermelde verzoek (de fictieve weigering).</para>
    <para />
    <para>3. Ambtshalve daartoe geroepen, is de Raad van oordeel dat het Gerecht het bezwaar tegen de fictieve weigering niet-ontvankelijk had moeten verklaren, in plaats van op de voet van het bezwaar die te toetsen als ware het de afwijzing van een  </para>
    <parablock>
      <para>	Evident is dat het bezwaar is ingediend ver nadat de op grond van artikel 42, tweede lid, van de Rar geldende termijn was verstreken om in rechte op te kunnen komen tegen de weigering te beschikken op het eerst vermelde verzoek van appellant. De latere verzoeken konden vervolgens niet meer bewerkstelligen dat andermaal fictieve weigeringen zouden ontstaan waartegen opgekomen zou kunnen worden bij de rechter teneinde het betrokken bestuursorgaan alsnog tot beschikken te dwingen. Een andere opvatting zou zich niet verdragen met het doel van vermelde bepaling aan dat procedurele middel uitdrukkelijk een termijn te verbinden.</para>
      <para>	Het vorenstaande doet er overigens niet aan af dat op geïntimeerde nog steeds de plicht rust ten langen leste een beschikking op de verzoeken te nemen, maar dit kan niet meer in rechte worden afgedwongen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal de Raad het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaren.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het hoger beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de aangevallen uitspraak; en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. D. Haan, voorzitter, en A.R. Ramirez en mr. J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>