<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:ORBAACM:2016:3</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-01-08T11:49:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Raad_van_Beroep_in_Ambtenarenzaken_van_Aruba_Curacao_Sint_Maarten_en_van_Bonaire_Sint_Eustatius_en_Saba" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-08-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">RvBAz 2015/71058</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2016:3">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:ORBAACM:2016:3</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-01-08T11:48:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:ORBAACM:2016:3 Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 02-08-2016 / RvBAz 2015/71058</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:ORBAACM:2016:3:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Nu het verzoek van appellant is gedaan in het kader van zijn ambtelijke aanstelling en de persoonsregistratie daarop betrekking heeft, is de Raad van oordeel dat de afwijzing als een beschikking moet worden aangemerkt waartegen bij het Gerecht, als bijzondere bestuursrechter voor rechtsgeschillen die uit ambtelijke aanstellingen voortvloeien, bezwaar kan worden gemaakt. Het Gerecht moet de afwijzing, bij afwezigheid van een op de Landsverordening bescherming persoonsgegevens (Lbp) gebaseerd privacyreglement voor het ambtelijk personeelsdossier (of gelijksoortige uitwerking), toetsen aan de criteria vermeld in artikel 28 van de Lbp, toegespitst op de uit de ambtelijke aanstelling voortvloeiende rechtsverhouding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:ORBAACM:2016:3:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="underline">Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951</emphasis> (Rar)</para>
    <para>Uitspraakdatum: 2 augustus 2016</para>
    <para>Zaaknummer: RvBAz 2015/71058</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RAAD VAN BEROEP</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">IN AMBTENARENZAKEN</emphasis>
      </para>
      <para>Zittingsplaats Curaçao</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep van</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">[…],</bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonend in Curaçao,</para>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Curaçao, van 31 maart 2015, in zaaknr. GAZ 2014/71058, in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>appellant</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Minister van Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. N.R. Romero.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 24 juni 2014 heeft geïntimeerde afwijzend gereageerd op het verzoek van appellant bij brief van 7 mei 2014 om twee brieven van 30 maart 2009 (met kenmerk DBB:080/09) onderscheidenlijk van 14 september 2009 (met kenmerk DBB:247/09) uit zijn personeelsdossier te verwijderen (de afwijzing).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het daartegen door appellant gemaakte bezwaar, bij het Gerecht ingekomen op 11 november 2014, niet‑ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2016. Daar is appellant in persoon verschenen en heeft geïntimeerde zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Rar kan een bezwaarschrift worden ingediend ter zake dat beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen) ten aanzien van een ambtenaar door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, feitelijk of rechtens met de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften strijden of dat bij het nemen, verrichten of uitspreken daarvan het administratief orgaan van zijn bevoegdheid kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden, waarvoor die bevoegdheid is gegeven.</para>
    <para>	Op grond van artikel 36, eerste lid, is bevoegd tot het indienen van een bezwaarschrift de ambtenaar die door de aangevallen beschikking of de aangevallen handeling of weigering rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen.</para>
    <para />
    <para>2. Aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar heeft het Gerecht ten grondslag gelegd dat de afwijzing niet gericht is op rechtsgevolg, zodat het geen beschikking is waartegen bezwaar openstond.</para>
    <para />
    <para>3. De Raad acht het oordeel van het Gerecht onjuist.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De omstandigheid dat, zoals geïntimeerde ter zitting heeft aangevoerd, er na de verzelfstandiging van het land Curaçao geen regels zijn gesteld over de informatie welke in een ambtelijk personeelsdossier mag worden opgenomen, betekent niet dat daarvoor geen door een onafhankelijke rechter te controleren rechtsnormen gelden. De over (het functioneren van) appellant door geïntimeerde in het kader van zijn ambtelijke aanstelling verzamelde gegevens, of die nu in zijn personeelsdossier zijn opgenomen of daarvan separaat worden bewaard in een zo aangeduide omslag, en ongeacht of het nu beoordelingen betreft of niet, vormen onderdeel van de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening bescherming persoonsgegevens (Lbp).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Geabstraheerd van zijn ambtelijke aanstelling, zou voor appellant op grond van artikel 37 van de Lbp rechtsbescherming openstaan bij de Lar-rechter tegen de afwijzing van zijn verzoek om aan het bepaalde in artikel 28 van de Lbp toepassing te geven in overeenstemming met de in het eerste lid van dat artikel vermelde criteria. Die eerste bepaling merkt immers een beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om verwijdering van persoonsgegevens aan als een beschikking in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Nu het verzoek van appellant evenwel is gedaan in het kader van zijn ambtelijke aanstelling en de persoonsregistratie ook daarop betrekking heeft, is de Raad van oordeel dat de afwijzing als een beschikking moet worden aangemerkt waartegen bij het Gerecht, als bijzondere bestuursrechter voor rechtsgeschillen die uit ambtelijke aanstellingen voortvloeien, bezwaar kan worden gemaakt. Het Gerecht moet de afwijzing, bij afwezigheid van een op de Lbp gebaseerd privacyreglement voor het ambtelijk personeelsdossier (of gelijksoortige uitwerking), toetsen aan de criteria vermeld in artikel 28 van de Lbp, toegespitst op de uit de ambtelijke aanstelling voortvloeiende rechtsverhouding.</para>
      <para />
      <para>4. Uit voorgaande volgt dat het Gerecht niet op goede grond tot het oordeel is gekomen dat het bezwaar van appellant tegen de afwijzing niet-ontvankelijk was. Nu de Raad niet heeft kunnen vaststellen dat de, als beschikking aan te merken, afwijzing eerder aan appellant bekend is gemaakt dan op 4 november 2014, moet worden aangenomen dat het bezwaar tijdig bij Gerecht werd ingediend. De Raad is dan ook van oordeel dat het bezwaar ontvankelijk is, en zal de zaak op grond van artikel 127, eerste lid, van de Rar naar het Gerecht terugwijzen om daar te worden hervat in de stand, waarin zij zich bevond.</para>
      <para />
      <para>5. Nu niet gebleken is van daarvoor in aanmerking komende kosten, ziet de Raad geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het hoger beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst de zaak terug naar het Gerecht om daar te worden hervat in de stand waarin zij zich bevond.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. D. Haan, voorzitter, en R.A. Ramirez en mr. L.C. Hoefdraad, leden, en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>