<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2025:117</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-26T09:52:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR2024H00198</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2025:117">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2025:117</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-26T09:52:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2025:117 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 02-05-2025 / CUR2024H00198</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2025:117:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Stopzetting ziekengeld op grond van de Landsverordening Ziekteverzekeringen na twee jaar, vraag of in plaats daarvan ongevallengeld had moeten worden toegekend. Die beschikking stond echter al in rechte vast.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2025:117:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>CUR2024H00198</para>
    <para>Datum uitspraak: 28 mei 2025</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="caps">gemeenschappelijk hof van jusTitie </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="caps">van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="caps">EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[appellante], wonend in Curaçao,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>appellante,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 3 juli 2024 in zaak nr. CUR202400205, in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>appellante</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB)</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikking van 16 januari 2024 heeft de SVB bepaald dat appellante per 16 maart 2024 geen recht meer heeft op ziekengeld voor de ziekteoorzaak met nummer 947.474.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 3 juli 2024 heeft het Gerecht het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De SVB heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2025. Appellante was aanwezig. De SVB werd vertegenwoordigd door mr. N. Dare, vergezeld door de verzekeringsarts E.A. Helstone, beiden werkzaam bij de SVB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Appellante werkt als begeleider bij de Stichting voor Gehandicapten- en Revalidatiezorg. Zij heeft op 23 augustus 2021 een bedrijfsongeval gehad, waarbij zij uitgleed op de parkeerplaats. Daardoor had zij lage rugpijn en is zij arbeidsongeschikt verklaard. Op 6 september 2021 is zij weer arbeidsgeschikt verklaard en terug aan het werk gegaan. Over de periode van 23 augustus 2021 tot 6 september 2021 heeft de SVB ongevallengeld uitgekeerd. Op 31 december 2021 was appellante betrokken bij een verkeersongeluk. Daarna heeft zij zich ziekgemeld bij de SVB. De SVB heeft vanaf 1 januari 2022 ziekengeld aan appellante toegekend, voor de ziekteoorzaak vermeld op de ziektemeldingskaartnummer 947.474, namelijk rugklachten als gevolg van het verkeersongeluk. Bij de beschikking van 16 januari 2024 heeft de SVB bepaald dat het ziekengeld wordt stopgezet per 16 maart 2024. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Appellante wil met deze procedure bereiken dat aan haar alsnog ongevallengeld wordt toegekend na het bedrijfsongeval op 23 augustus 2021. Zij stelt dat haar (huidige) rugpijn door het bedrijfsongeval is ontstaan en door het latere verkeersongeluk alleen maar erger is geworden. Volgens appellante viel zij nooit onder de bepalingen van de Landsverordening Ziekteverzekeringen. Appellante betwist het oordeel van het Gerecht dat de beslissing van de SVB om haar ziekengeld toe te kennen, in rechte vaststaat. In elk geval had de SVB haar meer uitleg moeten geven over haar rechtspositie, zodat haar niet kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de beschikking waarbij aan haar ziekengeld werd toegekend.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het Hof volgt appellante niet in dit betoog. Het Gerecht heeft terecht overwogen dat de beslissing van de SVB om haar geen ongevallengeld (meer) toe te kennen maar ziekengeld, in rechte vaststaat. Hoewel het Hof begrijpt dat appellante er nu pas achter is gekomen dat de beslissing om ziekengeld toe te kennen en geen ongevallengeld later negatieve gevolgen kon hebben, neemt dat niet weg dat het op haar weg had gelegen om zich daarover te laten informeren, door bijvoorbeeld vragen te stellen aan de SVB of aan een rechtsbijstandverlener. Daar komt bij dat op de beschikking waarbij zij na het bedrijfsongeval per 6 september 2021 weer arbeidsgeschikt is verklaard, is vermeld dat daartegen bezwaar kon worden gemaakt of beroep kon worden ingesteld. In deze procedure ligt alleen de vraag voor of de SVB de toekenning van ziekengeld terecht per 16 maart 2024 heeft stopgezet omdat de wettelijke termijn van twee jaar was verstreken. Daartegen voert appellante geen gronden aan. Het Hof merkt tot slot op dat de verzekeringsarts van de SVB ter zitting op voor het Hof overtuigende wijze uiteen heeft gezet dat de medische klachten van appellante niet aan het bedrijfsongeval kunnen worden gerelateerd.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht moet worden bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>bevestigt de aangevallen uitspraak.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>w.g. Bel</para>
              <para>voorzitter</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>w.g. Buntjer</para>
              <para>griffier</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>