<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2024:84</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-13T16:04:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SXM2023H00160</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2024:84">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2024:84</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-13T16:03:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2024:84 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 12-06-2024 / SXM2023H00160</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2024:84:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om vergunning tot tijdelijk verblijf gezinsvorming. Er is niet met objectieve en verifieerbare gegevens aangetoond dat echtgenote van vreemdeling over voldoende middelen van bestaan beschikt. Bevestiging aangevallen uitspraak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2024:84:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>SXM2023H00160</para>
    <para>Datum uitspraak: 12 juni 2024</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="caps">gemeenschappelijk hof van jusTitie </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="caps">van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="caps">EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[appellant],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 2 oktober 2023 in zaak nr. SXM202201212, in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>appellant</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de minister van Justitie van Sint Maarten (hierna: de minister)</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikking van 14 mei 2021 heeft de minister het verzoek van [appellant] om een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel gezinsvorming, afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikking van 15 september 2022 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: de bestreden beschikking).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 2 oktober 2023 heeft het Gerecht het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft een verweerschrift in gediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 april 2024. [appellant], vertegenwoordigd door E.I. Maduro, rechtsbijstandverlener, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, advocaat, zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <bridgehead role="italic">Inleiding</bridgehead>
    <para>1. [appellant] is op [geboortedatum] 1957 geboren in Saint Kitts en Nevis en heeft die nationaliteit. Hij is op 24 augustus 2018 in Anguilla gehuwd met [echtgenote], die de Dominicaanse nationaliteit heeft. [echtgenote] beschikt sinds 2013 over een vergunning tot verblijf. Op 9 september 2020 heeft [appellant] verzocht om een vergunning tot tijdelijk verblijf (hierna: vttv) voor het verblijfsdoel gezinsvorming. Dat verzoek heeft de minister afgewezen omdat de echtgenote van [appellant] niet over voldoende middelen van bestaan beschikt (hierna: middelenvereiste). Het daartegen op 9 juli 2021 gemaakte bezwaar heeft de minister bij de bestreden beschikking ongegrond verklaard wegens opnieuw het niet voldoen aan het middelenvereiste. Daaraan is toegevoegd dat er onjuiste informatie is verstrekt voor het verkrijgen van een vttv omdat er drie verschillende werkgeversverklaringen zijn ingebracht met drie verschillende salarissen die niet corresponderen met de bijbehorende loonstrookjes.</para>
    <bridgehead role="italic">Aangevallen uitspraak</bridgehead>
    <para>2. Het Gerecht heeft overwogen dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] met de door hem ingebrachte stukken niet voldoende objectief en verifieerbaar heeft aangetoond dat aan het middelenvereiste is voldaan. Een aangifte inkomstenbelasting of inkomensverklaring van de belastingdienst is volgens vaste rechtspraak daarvoor niet voldoende. Verder kan op basis van de werkgeversverklaring niet eenduidig worden vastgesteld dat het maandelijks inkomen van [echtgenote] minstens NA<emphasis role="italic">f</emphasis> 2.000,- is. Dat dit salaris wordt aangevuld met fooien, is niet onderbouwd met objectief verifieerbare gegevens, aldus het Gerecht.</para>
    <bridgehead role="italic">Hoger beroep</bridgehead>
    <para>3. [ [appellant] voert aan dat het niet mogelijk is om met objectief verifieerbare gegevens aan te tonen dat zijn echtgenote aan het middelenvereiste voldoet, omdat de belastingdienst achterloopt met het opmaken en verzenden van belastingaanslagen. Het Gerecht heeft daar ten onrechte geen rekening mee gehouden.</para>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de Ltu kan de vergunning tot tijdelijk verblijf door de minister worden geweigerd indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.<?linebreak?>	Voor de toepassing van deze bepaling hanteert de minister het beleid zoals opgenomen in de "Richtlijnen van de minister met betrekking tot de toepassing van de Ltu en het Toelatingsbesluit van mei 2012". Op grond van paragraaf 3.7.1 van de richtlijnen, zoals deze luidde ten tijde van de aanvraag en de bestreden beschikking, geldt bij aanvragen van een echtgeno(o)t(e) dat de vreemdeling die voor zijn/haar echtgeno(o)t(e) van vreemde nationaliteit toelating aanvraagt, NA<emphasis role="italic">f</emphasis> 2.000,- bruto per maand aan inkomsten dient aan te tonen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Tussen partijen is in geschil of [appellant] met objectieve en verifieerbare gegevens heeft aangetoond dat zijn echtgenote in 2019, het jaar voorafgaand aan het verzoek om een vttv, zelfstandig en duurzaam over een inkomen van minimaal NA<emphasis role="italic">f </emphasis>2.000,- bruto per maand of NA<emphasis role="italic">f </emphasis>24.000,- bruto per jaar beschikte. Daartoe heeft [appellant] een aangifte inkomstenbelasting 2019 van zijn echtgenote overgelegd, waarin een bruto jaarinkomen van NA<emphasis role="italic">f</emphasis> 24.541,- is aangegeven. Er is voorts een inkomensverklaring van de belastingdienst overgelegd waarin het belastbaar inkomen over het jaar 2019 is bevestigd. Blijkens de belastingaangifte heeft [echtgenote] NA<emphasis role="italic">f </emphasis>17.400,- verdiend met het verrichten van schoonmaakdiensten en NA<emphasis role="italic">f </emphasis>7.641,- voor haar werk bij MB Management B.V. Ter ondersteuning van dat inkomen zijn drie werkgeversverklaringen ingebracht van 24 juli 2020, 12 maart 2021 en 30 mei 2022. De werkgever van [echtgenote] verklaart daarin dat zij sinds 2013 in dienst is en NA<emphasis role="italic">f </emphasis>2.160,-, onderscheidenlijk NA<emphasis role="italic">f</emphasis> 1.840,- onderscheidenlijk NA<emphasis role="italic">f</emphasis> 1.620 bruto per maand verdient. Er zijn voorts twee loonstroken van januari en februari 2021 ingebracht waaruit een brutosalaris van NA<emphasis role="italic">f </emphasis>1.835,91 onderscheidenlijk NA<emphasis role="italic">f </emphasis>1.672,02 blijkt. Wat haar schoonmaakdiensten betreft, heeft [echtgenote] bij brief van 23 juli 2020 aan de belastingdienst verklaard in 2019 schoonmaakdiensten te hebben verricht voor NA<emphasis role="italic">f</emphasis> 1.450,- per maand, vergezeld van maandelijkse betaalbonnen. Haar totale inkomen voor dat jaar is dus NA<emphasis role="italic">f </emphasis>17.400,-, aldus de brief van 23 juli 2020. Ten slotte heeft [appellant] nog twee inkomensverklaringen van de belastingdienst over de jaren 2020 en 2021 overgelegd waarin een belastbaar inkomen van NA<emphasis role="italic">f</emphasis> 25.975,- onderscheidenlijk NA<emphasis role="italic">f</emphasis> 24.503,- is aangegeven.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>In zijn uitspraak van 23 november 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:130, heeft het Hof overwogen dat een aangifte inkomstenbelasting op zichzelf onvoldoende is om aan te tonen dat aan het middelenvereiste is voldaan, omdat dit een eigen opgave betreft die nog niet door de belastingdienst is geverifieerd. Dat geldt ook voor een inkomensverklaring van de belastingdienst. Het Hof heeft in die uitspraak ook overwogen dat het feit dat er door achterstanden bij de belastingdienst nog geen definitieve aanslag over het jaar 2019 beschikbaar is, niet betekent dat genoegen kan worden genomen met een aangifte inkomstenbelasting of inkomensverklaring. [appellant] had met andere objectieve en verifieerbare gegevens kunnen en moeten aantonen dat aan het middelenvereiste is voldaan. In het dossier zijn geen stukken met objectieve en verifieerbare gegevens aangetroffen die aantonen dat zijn echtgenote minimaal NA<emphasis role="italic">f </emphasis>2.000,- bruto per maand verdient. Weliswaar zijn er salarisstroken en betaalbonnen ingebracht, maar er ontbreken stukken waaruit blijkt dat de bedragen op de salarisstroken en betaalbonnen daadwerkelijk aan de echtgenote van [appellant] zijn uitbetaald. Het ontbreken van deze uitbetalingsbewijzen klemt in dit geval temeer, omdat de ingebrachte loonstrookjes niet corresponderen met het bruto maandsalaris dat is genoemd in de werkgeversverklaringen. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat niet is aangetoond dat aan het middelenvereiste is voldaan. Het Gerecht is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Het betoog slaagt niet.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
      <para>5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>bevestigt de aangevallen uitspraak.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>w.g. Bel</para>
              <para>voorzitter</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>w.g. Van der Heide</para>
              <para>griffier</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2024.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>