<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2024:286</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-02-17T14:54:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-02-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA202000213 – AUA2021H000130</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2024:286">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2024:286</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-02-17T14:53:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-02-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2024:286 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 01-10-2024 / AUA202000213 – AUA2021H000130</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2024:286:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Incasso vordering. In eerste aanleg geen conclusie van repliek. In hoger beroep geen memorie van antwoord.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2024:286:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Burgerlijke zaken over 2024</para>
    <para>Registratienummers: AUA202000213 – AUA2021H000130</para>
    <para>Uitspraak: 1 oktober 2024</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</emphasis>
      </para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>V O N N I S</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">JMA INTERNATIONAL ATTORNEYS &amp; CONSULTANTS (ARUBA) N.V</emphasis>., h.o.d.n. <emphasis role="bold">James Martin &amp; Associates</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd in Aruba,</para>
      <para>in eerste aanleg eiseres, thans appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: JMA,</para>
      <para>gemachtigde: mr. G. de Hoogd,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[geïntimeerde]</emphasis>,</para>
      <para>wonend in [woonplaats],</para>
      <para>in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,</para>
      <para>hierna te noemen: [geïntimeerde],</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij op 23 juni 2021 ingekomen akte van hoger beroep is JMA in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 12 mei 2021 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Bij op 29 juli 2021 ingekomen memorie van grieven heeft JMA twee grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten in beide instanties. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3 [</nr>
      <para>[geïntimeerde] heeft geen memorie van antwoord ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Op de daarvoor nader bepaalde dag heeft de gemachtigde van JMA een pleitnota ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het Hof gaat uit van de volgende feiten.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.1.1</nr>
        <para>JMA heeft aan [persoon 1] (juridische) diensten verleend. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1.2</nr>
        <parablock>
          <para>Op 10 oktober 2014 heeft [geïntimeerde] een schriftelijk stuk ondertekend waarin onder meer het volgende is opgenomen:</para>
          <para>
            <emphasis role="italic">‘SCHULDBEKENTENIS</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para>a. <emphasis role="italic">Het advocatenkantoor [JMA] heeft bij de advocaat [advocaat] juridische assistentie aan [persoon 1] voornoemd en haar partner mevrouw [persoon 2] verleend in de strafzaak bekend als zaak ‘CINCO’. </emphasis></para>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="italic">Er is tot op dit moment een openstaande schuld voor honorarium en kosten van Afl. 30.000.00 (zegge: DERTIGDUIZEND ARUBAANSE FLORIN), zoals nader gespecificeerd op de hierbij gevoegde bijlage (…)</emphasis>
        </para>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="italic">De heer [geïntimeerde] komt overeen met de schuldeisers dat hij naast de heer [persoon 1]mede hoofdelijk aansprakelijk is voor de onder sustenu b bedoelde schuld. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)’</emphasis>
        </para>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1.3</nr>
        <para> Het bedrag van Afl. 30.000,00 is door [persoon 1] noch [geïntimeerde] voldaan. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1.4</nr>
        <parablock>
          <para> Op 17 januari 2018 heeft [persoon 3] namens JMA een e-mail aan [geïntimeerde] gestuurd met de volgende inhoud: </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">‘(…). We have come to an agreement for you to pay of the sum of AWG. 30,000.- regarding your ‘’schuldbekentenis’’ with Mr Zara &amp; De Hoogd dated 14 October 2014. You will start paying 12 monthly payments of AWG. 1,000.- as per 30-01-2018 ending 30-12-2018. The remainder balance of AWG. 18,000.- will be due on 30-01-2019 in full. (…)’</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Vorderingen</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>In deze rechtszaak vordert JMA op grond van het hiervoor (in 2.1.2) genoemde schriftelijk stuk de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan haar van Afl. 35.535 (hoofdsom Afl. 30.000,-, wettelijke rente Afl. 900,- en buitengerechtelijke kosten Afl. 4.635,-).  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beslissing van het Gerecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vordering afgewezen omdat </para>
        <para>-samengevat- de schuldbekentenis naar haar inhoud een borgstelling is, [geïntimeerde] zich (bij conclusie van antwoord) heeft beroepen op een wilsontbreken hetgeen JMA (die niet heeft gerepliceerd) onvoldoende heeft betwist. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verweer </emphasis>[geïntimeerde]<emphasis role="italic"> onvoldoende gemotiveerd</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] als verweer tegen de vordering van JMA aangevoerd </para>
        <para>-samengevat- dat hij is meegegaan met [persoon 1] naar JMA en dat JMA bereid was de strafzaak van [persoon 1] te behandelen als [geïntimeerde] als borg meetekende voor de betaling. [geïntimeerde] was naar zijn zeggen daardoor overvallen en stemde in zonder dat hij daarover goed kon nadenken waarbij JMA nog zou hebben meegedeeld dat het slechts een formaliteit betrof en dat alleen [persoon 1] aansprakelijk zou worden gehouden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Bij memorie van grieven betwist JMA het door [geïntimeerde] aangevoerde. Zij stelt dat zij [geïntimeerde] naar behoren volledig heeft geïnformeerd, dat [geïntimeerde]de verplichtingen die hij op zich nam begreep en dat hij wist wat hij tekende. Hij deed dit geheel vrijwillig. Dat het slechts een formaliteit betrof en dat alleen [persoon 1] aansprakelijk zou worden gehouden zijn uitlatingen die van de kant van JMA nooit zijn gedaan, aldus JMA.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6 [</nr>
      <parablock>
        <para>geïntimeerde] heeft hetgeen JMA in de memorie van grieven naar voren heeft gebracht in hoger beroep niet bestreden. In het licht van hetgeen JMA in hoger beroep naar voren heeft gebracht is het verweer van [geïntimeerde] tegen de vordering daarmee onvoldoende gemotiveerd. Het Hof gaat daarom daaraan voorbij. </para>
        <para>Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat een borgstelling tot stand is gekomen tussen JMA en [geïntimeerde]op grond waarvan [geïntimeerde] is gehouden tot betaling van de hoofdsom van Afl. 30.000,- aan JMA, vermeerderd met de wettelijke rente daarover. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar. JMA heeft niet gesteld laat staan onderbouwd dat zij meer kosten heeft gemaakt dan de kosten waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding insluit. De enkele e-mail (2.1.4) is daarvoor onvoldoende.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>De conclusie is dat het bestreden vonnis wordt vernietigd, dat de vordering alsnog wordt toegewezen en dat [geïntimeerde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>B E S L I S S I N G</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het Hof:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>vernietigt het vonnis waarvan beroep,</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>en opnieuw rechtdoende:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan JMA van Afl. 30.900,-  te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening,</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure aan de kant van JMA gevallen en in eerste aanleg tot 12 mei 2021 begroot op Afl. 750,- aan griffierecht en Afl. 1.250,- aan salaris gemachtigde en in hoger beroep tot op heden begroot op Afl. 1.707,- aan verschotten en Afl. 4.000,- aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis,</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, C.J.H.G. Bronzwaer en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 1 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>