<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2024:105</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-15T11:27:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-03-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BON2021H00044</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2024:105">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2024:105</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-15T11:25:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2024:105 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 19-03-2024 / BON2021H00044</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2024:105:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gezag van gewijsde</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2024:105:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Burgerlijke zaken over 2024					</para>
    <para>Registratienummer: BON202000384 – BON2021H00044</para>
    <para>Uitspraak: 19 maart 2024</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>VONNIS</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[APPELLANT],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende op Bonaire,</para>
      <para>oorspronkelijk gedaagde,</para>
      <para>thans appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">ALBERT HEIJN ZEELANDIA B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd op Bonaire,</para>
      <para>oorspronkelijk eiseres,</para>
      <para>thans geïntimeerde, </para>
      <para>gemachtigden: mrs. S.L. Navia  en T.J. Leijsen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als [appellant] en AHZ.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verdere verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het Hof heeft op 21 november 2023 een tussenvonnis gewezen, waarbij [appellant] is toegelaten tot tegenbewijs als bedoeld onder 4.12 van het tussenvonnis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De gemachtigde van [appellant] heeft bij e-mail van 13 februari 2024 het Hof bericht dat het onmogelijk is om de personen te vinden die als getuigen opgeroepen kunnen worden. Nadat de gemachtigde van AHZ vervolgens om vonnis heeft gevraagd heeft de gemachtigde van [appellant] zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Vonnis is bepaald op heden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het Hof heeft in het tussenvonnis de grieven 1 tot en met 5 en 8 van [appellant] verworpen. Ten aanzien van de grieven 6 en 7 heeft het Hof onder meer als volgt overwogen. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Grief 6 is gericht tegen rechtsoverweging 16 van het bestreden vonnis. Het Gerecht heeft hier geoordeeld dat degene die de bonnen op 10 maart 2020, 10 juni 2020, 12 juni 2020, 18 juni 2020 en 25 juni 2020 heeft ingeleverd, te weten [appellant], hoogstwaarschijnlijk dezelfde persoon is als degene die de overgelegde bonnen op andere dagen heeft ingeleverd. Grief 7 is gericht tegen rov. 17 van het bestreden vonnis waarin het Gerecht heeft overwogen dat [appellant] alle door AHZ overgelegde bonnen heeft ingeleverd en zich heeft laten uitbetalen. En dat twee bonnen zijn ingeleverd op een datum dat [appellant] naar eigen zeggen vrij had genomen, daar niet aan af doet. De grieven worden gezamenlijk behandeld. </emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het Gerecht komt tot voormelde oordelen en conclusie op grond van het volgende:</emphasis>
      </para>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">slechts drie werknemers, te weten [appellant] en twee anderen hebben toestemming gekregen om goederen te kopen en bonnen in te leveren;</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">[appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat er een algemene praktijk was tot het inleveren van bonnen in die zin dat meer dan die drie werknemers daartoe bevoegd waren;</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">uit de schriftelijke verklaringen van twee kassières volgt dat [appellant] vaak handgeschreven bonnen inleverde, dat de kassière [kassiere 1] daarop vaak de naam [appellant] schreef en dat [appellant] ook vaak zijn handtekening zette (verklaring kassière [kassiere 2]);</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">het is dus onaannemelijk dat [appellant] buiten de bon van 25 juni 2020 nooit handgeschreven bonnen heeft ingeleverd;</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">het is niet aannemelijk dat de verklaringen van de kassières zien op gasolinebonnen;</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">de overgelegde originele bonnen vertonen een zeer grote gelijkenis.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10	[</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">appellant] ontkent dat de overige handgeschreven bonnen (behalve die van 25 juni 2020) door hem zijn ingediend. In zijn toelichting op grief 6 bespreekt [appellant] voor de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020 verschillende categorieën bonnen:</emphasis>
      </para>
      <para />
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">paid-out bonnen waar geen handtekening op staat;</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">bonnen die wel in het schematisch overzicht van het betreffende jaar staan vermeld maar de bon zich niet bij de producties van AHZ bevindt (47543, 47527 en 47512);</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">paid-out bonnen zonder handtekening waarop de naam [appellant] staat vermeld;</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">een bon waarop een te hoog bedrag staat vermeld (US$ 255 in plaats van 225);</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">twee bonnen (genummerd 64101 en 64102) ingediend op 31 december 2019 zijnde een dag waarop [appellant] vrij had genomen;</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">een paid-out bon (behorend bij bon nummer 47530) die niet leesbaar is.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ten aanzien van de bonnen waar geen handtekening op staat en waarop de naam [appellant] staat (rov. 4.10 a en c) oordeelt het Hof als volgt. [appellant] heeft niet gemotiveerd weersproken dat slechts drie werknemers, te weten [appellant] en twee anderen toestemming hebben gekregen om goederen te kopen en bonnen in te leveren. Uit de schriftelijke verklaringen van twee kassières volgt dat [appellant] vaak handgeschreven bonnen inleverde, dat de kassière [kassiere 1] daarop vaak de naam [appellant] schreef en dat [appellant] ook vaak zijn handtekening zette (verklaring kassière [kassiere 2]). Dat die verklaringen zien op gasolinebonnen is onaannemelijk. Ook  constateert het Hof dat de overgelegde originele bonnen die op 10 maart 2020, 10 juni 2020, 12 juni 2020, 18 juni 2020 en 25 juni 2020 zijn ingeleverd een zeer grote gelijkenis vertonen met de overgelegde bonnen die op andere dagen zijn ingeleverd. Vast staat verder dat onderdeel van de procedure bij AHZ is dat bij iedere originele bon een paid-out bon hoort die na ondertekening door de medewerker en de kassière samen met de originele bon wordt bewaard. Die paid-out bon is het bewijs dat de medewerker het betreffende bedrag heeft ontvangen. </emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het Hof acht op grond van het overwogene onder 4.11 voorshands bewezen dat [appellant] behalve de originele bonnen van 10 maart 2020, 10 juni 2020, 12 juni 2020, 18 juni 2020 en 25 juni 2020 ook de paid-outbonnen waar zijn handtekening niet op stond en waar de naam [appellant] op stond heeft ingeleverd en het betreffende bedrag uitbetaald heeft gekregen. [appellant] krijgt conform zijn bewijsaanbod de gelegenheid om tegenbewijs te leveren.   </emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2	[</nr>
      <para>appellant] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om tegenbewijs te leveren. Het Hof neemt dan ook als vaststaand aan dat [appellant] behalve de originele bonnen van 10 maart 2020, 10 juni 2020, 12 juni 2020, 18 juni 2020 en 25 juni 2020 ook de paid-outbonnen waar zijn handtekening niet op stond en waar de naam [appellant] op stond heeft ingeleverd en het betreffende bedrag uitbetaald heeft gekregen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het Hof heeft in het tussenvonnis onder 4.13 tot en met 4.17 al een oordeel gegeven over de hiervoor onder 4.10 sub b, d, e en f genoemde punten. Onder 4.17 van het tussenvonnis heeft het Hof overwogen dat het bedrag waartoe [appellant] in eerste aanleg is veroordeeld zal worden verminderd met US$ 1.020,-. Dit betekent dat grief 6 deels slaagt en dat grief 7 faalt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Het bestreden vonnis zal in zoverre worden vernietigd en voor het overige worden bevestigd. Ook grief 9, gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg faalt nu [appellant] nog steeds geldt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6	[</nr>
      <para>appellant] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij ook worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt het bestreden vonnis voor zover [appellant] daarbij is veroordeeld tot betaling aan AHZ van US$ 18.602,-, met wettelijke rente, en in zoverre opnieuw rechtdoende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant] tot betaling aan AHZ van US$ 17.582,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt het bestreden vonnis voor het overige;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van AHZ gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op US$ 159,- aan verschotten en US$ 3.351,- aan gemachtigdensalaris; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof uitgesproken op 19 maart 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>