<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2022:55</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-09T12:32:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR2021H00346</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2022:55">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2022:55</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-09T12:31:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2022:55 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 11-05-2022 / CUR2021H00346</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2022:55:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep tegen verzetuitspraak. Domiciliekeuze in beroepschrift is verplicht. Beroep terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Bevestiging aangevallen uitspraak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2022:55:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>CUR2021H00346</para>
    <para>Datum uitspraak: 11 mei 2022</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="caps">gemeenschappelijk hof van jusTitie </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="caps">van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="caps">EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[appellante], wonend in Den Haag (Nederland),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>appellante,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van </para>
      <para>7 juli 2021 in zaak nr. CUR202004307, in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>appellante</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB)</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 7 juli 2021 in zaak nr. CUR202004307 heeft de voorzitter van de meervoudige kamer van het Gerecht het door [appellante] in die zaak ingestelde beroep met toepassing van artikel 79 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) nietontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 6 oktober 2021 heeft het Gerecht het door [appellante] daartegen op grond van artikel 80 van de Lar gedane verzet ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2021. [Appellante], vertegenwoordigd door mr. J.A.M. Jansen, advocaat, en de SVB, vertegenwoordigd door mr. N. Dare, werkzaam bij de SVB, zijn verschenen. [Appellante] en haar zoon [zoon van appellante] hebben aan de zitting deelgenomen via een videoverbinding met Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Op grond van artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder f, van de Lar houdt het beroepschrift in de keuze van een domicilie in Curaçao, indien de indiener geen woonplaats heeft in Curaçao.<?linebreak?>	Op grond van artikel 22, eerste lid, van de Lar wordt een beroepschrift dat niet aan de bij artikel 15 gestelde eisen voldoet aan de indiener in persoon met schriftelijke opgave van redenen ter verbetering of aanvulling teruggezonden. Daarbij wordt vermeld de termijn waarbinnen de verbetering of aanvulling van het beroepschrift dient te geschieden. Op grond van het tweede lid kan het Gerecht het beroepschrift niet-ontvankelijk verklaren indien het beroepschrift niet binnen de vastgestelde termijn is verbeterd of aangevuld.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Bij beschikking van 11 november 2019 heeft de SVB de hoogte van het ouderdomspensioen van [appellante] vastgesteld. Het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar is bij beschikking van 3 juni 2021 ongegrond verklaard. De voorzitter van de meervoudige kamer van het Gerecht heeft het door [appellante] ingestelde beroep kennelijk nietontvankelijk geacht omdat het beroepschrift geen keuze van een domicilie in Curaçao inhoudt en daarmee niet voldoet aan het vereiste van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder f, van de Lar. Van de op grond van artikel 22 van de Lar geboden gelegenheid om het verzuim te herstellen heeft [appellante] geen gebruik gemaakt. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>In hoger beroep betoogt [appellante] dat het Gerecht haar beroep ten onrechte vereenvoudigd, en dus zonder zitting, heeft afgedaan. Zij heeft er tweemaal op gewezen dat zij geen domicilie hoeft te kiezen omdat zij al 40 jaar in Nederland woont. Dat is een beroep op verschoonbaarheid en daar heeft het Gerecht niet op gereageerd.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het Hof overweegt dat, nu [appellante] in Nederland woont, zij gelet op artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder f, van de Lar verplicht is domicilie te kiezen in Curaçao. Een domiciliekeuze is van belang voor de correspondentie tussen het Gerecht en de partijen. Zonder een domiciliekeuze kan het Gerecht bijvoorbeeld de op de zaak betrekking hebbende stukken of een oproeping voor de behandeling ter zitting niet verzenden of uitreiken.  <?linebreak?>Vaststaat dat het beroepschrift van [appellante] geen domiciliekeuze bevat. Het Gerecht heeft [appellante] daarop gewezen bij emailberichten van 17 november 2020, 8 april 2021 en 10 juni 2021 en haar in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen door alsnog domicilie te kiezen in Curaçao. Daarbij is ook aangegeven dat als [appellante] niet van die gelegenheid gebruik maakt, haar beroepschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard. [Appellante] heeft daarna geen domicilie gekozen in Curaçao, zodat haar beroepschrift op grond van artikel 22, tweede lid, van de Lar nietontvankelijk kon worden verklaard. Weliswaar verplicht de Lar niet tot niet-ontvankelijkverklaring, maar gelet op het belang van de domiciliekeuze en het feit dat [appellante] enkele malen in de gelegenheid is gesteld alsnog domicilie te kiezen, heeft het Gerecht het beroep terecht vereenvoudigd afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard. Dat [appellante] al 40 jaar in Nederland woont, is geen grond om van niet-ontvankelijkverklaring af te zien.</para>
      <para>4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
      <para>5. De SVB hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>bevestigt de aangevallen uitspraak.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>w.g. Saleh</para>
              <para>voorzitter</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>w.g. Van der Heide</para>
              <para>griffier</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2022.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>