<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2022:253</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-06T11:14:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SXM2018H00025</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2022:253">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2022:253</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-06T11:13:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2022:253 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 14-04-2022 / SXM2018H00025</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2022:253:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tweemaal erkenning moeder – bezit van staat als kind en als kleinkind – art. 17.RW – Ned. Geboorteakte in 1:208 BW - eindbeschikking</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2022:253:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2022		       BESCHIKKING NO.</para>
    <para>ZAAKNR: SXM2018H00025</para>
    <para>UITSPRAAK: 14 april 2022</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE </para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en </para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Eindbeschikking in de zaak van</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>[Verzoekster], </title>
    <parablock>
      <para>(weduwe van <emphasis role="bold">[oorspronkelijk verzoeker]</emphasis>, overleden op [sterftedatum]2018, hierna: oorspronkelijk verzoeker),</para>
      <para>verzoekster tot vaststelling van het Nederlanderschap van de oorspronkelijk verzoeker, </para>
      <para>wonend in Sint Maarten,</para>
      <para>gemachtigde: mr. B.G. Hofman,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>andere belanghebbenden:</para>
    </parablock>
    <para>2. het <emphasis role="bold">Openbaar Ministerie van Sint Maarten</emphasis>, hierna: OM,</para>
    <para>3. <emphasis role="bold">de Staat der Nederlanden (Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid)</emphasis>, hierna IND,</para>
    <para>4. de <emphasis role="bold">Minister van Justitie van Sint Maarten</emphasis>,</para>
    <para>5. de <emphasis role="bold">Minister van Algemene Zaken van Sint Maarten</emphasis>,</para>
    <para>6. het <emphasis role="bold">Hoofd van de basisadministratie persoonsgegevens van Sint Maarten</emphasis>.</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="underline">1. Nader verloop van de procedure</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het Hof verwijst naar zijn tussenbeschikkingen van 20 maart 2020, 11 december 2020, 26 maart 2021 en 4 mei 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Op 25 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:331) heeft de Hoge Raad een prejudiciële beslissing genomen naar aanleiding van drie door het Hof bij beschikking van 4 mei 2021 (ECLI:NL:OGHACMB:2021:108) gestelde prejudiciële vragen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Op 16 maart 2022 heeft de IND een reactie ingezonden, strekkende tot afwijzing van het verzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Op 22 maart 2022 heeft verzoekster een reactie ingezonden, strekkende tot toewijzing van het verzoek en voor het overige met referte aan het oordeel van het Hof.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Beschikking is bepaald op heden.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">2. Beoordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De Hoge Raad heeft de prejudiciële vragen van het Hof aldus beantwoord:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Eerste prejudiciële vraag: temporele begrenzing betwisting Nederlanderschap door autoriteiten?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.1</nr>
        <para>Met de eerste prejudiciële vraag wenst het hof te vernemen of in het kader van de vaststelling van het Nederlanderschap een grens in de tijd geldt voor het onderzoek door de autoriteiten.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.2</nr>
        <para>De wijzen waarop het Nederlanderschap wordt verkregen, zijn limitatief opgenomen in de RWN en de voor Nederland geldende verdragen. Onder die wijzen van verkrijging is niet begrepen de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.<emphasis role="italic">[ noot 2: HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, rov. 2.12.2.]</emphasis> Hetzelfde gold onder de vóór 1 januari 1985 geldende Wet op het Nederlanderschap en het Ingezetenschap (hierna: WNI).</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.3</nr>
        <para>Voor de beantwoording van de vraag of een persoon Nederlander is, kan het noodzakelijk zijn onderzoek te doen naar het verleden teneinde te kunnen beoordelen of hij het Nederlanderschap van rechtswege heeft verkregen. Dit geldt zowel onder de RWN als onder de WNI. Noch de RWN noch de WNI kent een begrenzing in de tijd voor het betwisten door de autoriteiten van de nationaliteit en het onderzoek naar de nationaliteitsgeschiedenis in het kader van de vaststelling van het Nederlanderschap.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.4</nr>
        <para>Art. 14 lid 1 RWN bevat een termijn van twaalf jaren sinds de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Deze termijn heeft uitsluitend betrekking op de in die bepaling voorziene intrekking van de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap en niet op de toepassing van hoofdstuk 2 RWN inzake de verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.5</nr>
        <para>Het gaat de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten om een termijn te stellen aan de betwisting door de autoriteiten van de nationaliteit en het onderzoek naar de nationaliteitsgeschiedenis in het kader van de vaststelling van het Nederlanderschap. Het is aan de wetgever om te beslissen of hieraan een termijn wordt gesteld en, zo ja, welke.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.6</nr>
        <para>Het vorenstaande betekent dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Derde prejudiciële vraag: is een latere erkenningsakte een geboorteakte (art. 1:209 BW)?</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.1</nr>
        <para>De derde prejudiciële vraag heeft betrekking op de term ‘geboorteakte’ in art. 1:209 BW.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.2</nr>
        <para>Art. 1:209 BW bepaalt dat iemands afstamming volgens zijn geboorteakte door een ander niet kan worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft. Art. 1:209 BW is gelijkluidend aan art. 1:209 BW Sint Maarten (hierna: BWSM). Het strookt met het in art. 39 lid 1 Statuut voor het Koninkrijk neergelegde concordantiebeginsel, dat ertoe strekt het burgerlijk recht binnen het Koninkrijk zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze te regelen, om voor de uitleg van art. 1:209 BWSM aan te sluiten bij de uitleg van art. 1:209 BW.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.3</nr>
        <para>Er is sprake van zogenoemd bezit van staat in de zin van art. 1:209 BW indien de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt, naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking staat tot een ander.<emphasis role="italic">[noot 3: Zie o.a. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, rov. 2.8.1, HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5084, rov. 3.5 en HR 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0360, rov. 3.4.]</emphasis> Bezit van staat beoogt rechtszekerheid en bescherming van het belang van het kind te bieden.<emphasis role="italic">[noot 4: HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, rov. 2.8.2 en HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, rov. 5.3.6.]</emphasis> Deze rechtszekerheid en bescherming strekken zich mede uit tot buitenlandse geboorteaktes waaraan een gebrek kleeft.<emphasis role="italic">[noot 5: Vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, rov. 2.8.2, HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186, rov. 3.5 en HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, rov. 5.3.6.]</emphasis></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.4</nr>
        <para>Noch uit de tekst noch uit de parlementaire geschiedenis van art. 1:209 BW blijkt dat de wetgever de term geboorteakte in deze bepaling heeft willen uitbreiden naar latere afzonderlijke akten houdende erkenning indien de afstamming reeds volledig uit de binnen- of buitenlandse geboorteakte blijkt. Het strookt met de tekst en de strekking van art. 1:209 BW dat in een geval zoals het onderhavige alleen de buitenlandse geboorteakte als geboorteakte in de zin van art. 1:209 BW wordt aangemerkt.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.5</nr>
        <para>Het antwoord op de derde prejudiciële vraag luidt derhalve dat de term ‘geboorteakte’ in de zinsnede ‘afstamming volgens zijn geboorteakte’ in art. 1:209 BW – in het geval een kind in het buitenland is geboren en erkend – ziet op de oorspronkelijke geboorteakte die zich in het buitenland bevindt.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Tweede prejudiciële vraag: te stellen eisen aan het bewijs van bezit van staat</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.1</nr>
        <para>De tweede prejudiciële vraag ziet op de eisen die moeten worden gesteld aan het bewijs van bezit van staat zoals bedoeld in art. 1:209 BW.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.2</nr>
        <para>Voor de vaststelling van bezit van staat zoals bedoeld in art. 1:209 BW geldt het gewone bewijsrecht.<emphasis role="italic">[noot 6: Kamerstukken II 1995/96, 24649, nr. 3, p. 22.]</emphasis> De rechter kan aan het bewijs van bezit van staat eisen stellen die passen bij de omstandigheden van het geval. Het antwoord op de tweede prejudiciële vraag luidt derhalve dat op het bewijs van bezit van staat het gewone bewijsrecht van toepassing is.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Er geldt, blijkens het antwoord op de eerste vraag, voor de autoriteiten geen begrenzing in de tijd om het Nederlanderschap te betwisten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De moeder van oorspronkelijk verzoeker is op 6 januari 1945 in Saint Martin erkend door [naam 1] die de Franse nationaliteit had. De moeder is op 27 december 1958 in Sint Maarten opnieuw erkend en wel door de Nederlander [naam 2]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Deze tweede erkenning is nietig aangezien een kind dat al een vader heeft niet kan worden erkend. Volgens de <emphasis role="italic">wet</emphasis> is dus de Fransman [naam 1] de vader van de moeder van oorspronkelijk verzoeker.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Volgens de <emphasis role="italic">oorspronkelijke geboorteakte</emphasis> in Saint Martin, die blijkens het antwoord op de derde vraag de ‘geboorteakte’ is in de zinsnede ‘afstamming volgens zijn geboorteakte’ in art. 1:209 BW, is [naam 1] de vader.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Tussen de<emphasis role="italic"> staat volgens de wet</emphasis> en de <emphasis role="italic">staat volgens de geboorteakte</emphasis> bestaat derhalve geen discrepantie, zodat artikel 1:209 BW (bescherming van bezit van staat) niet van toepassing is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Het verzoek moet dan ook worden afgewezen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof wijst het verzoek af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, M.W. Scholte en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten op 14 april 2022 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>