<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2021:464</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-26T14:11:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SXM2018H00244</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2021:464">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2021:464</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-26T14:08:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2021:464 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 08-07-2021 / SXM2018H00244</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2021:464:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verkrijging door verjaring</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2021:464:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Burgerlijke zaken over 2022						Vonnis no.:</para>
    <para>Registratienummers:  SXM201700675 - SXM2018H00244</para>
    <para>Uitspraak: 8 juli 2022</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</emphasis>
      </para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>V O N N I S   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Appellant 1],</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Appellant 2]</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Appellant 3]</emphasis>,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Appellant 4]</emphasis>,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">wijlen [appellant 5]</emphasis>,</para>
      <para>allen (bij leven) wonende in [woonplaats],</para>
      <para>hierna: [appellanten]</para>
      <para>oorspronkelijk eisers,</para>
      <para>thans appellanten, </para>
      <para>gemachtigde: voorheen wijlen mr. R.A. Groeneveldt, thans mr. L.G.J. Berman (voor [appellant 2] en [appellant 4]),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de openbare rechtspersoon</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">HET LAND SINT MAARTEN</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd in Sint Maarten,</para>
      <para>hierna: Het Land,</para>
      <para>oorspronkelijk gedaagde,</para>
      <para>thans geïntimeerde, </para>
      <para>gemachtigde: mr. R.F. Gibson jr.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verdere verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het Hof verwijst naar zijn tussenvonnis van 10 december 2021 waarbij het de zaak heeft verwezen voor mondelinge behandeling op 20 mei 2022.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Op 26 maart 2022 heeft mr. Groeneveldt een aantal e-mailberichten met bijlage aan het Hof gestuurd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Op 20 mei 2022 is de zaak mondeling behandeld via een videoverbinding tussen de gerechtsgebouwen van Sint Maarten en Curaçao waar de voorzitter van de Hofcombinatie aanwezig was. In Sint Maarten zijn:  verschenen mr. Groeneveldt namens [appellanten] alsmede de appellanten genoemd onder 2 tot en 4, [appellant 2], [appellant 3] en [appellant 4]. De aanwezige partijen hebben ingestemd met een enkelvoudige behandeling. De zaak is, nadat was geconstateerd dat de zaak ex artikel 185 Rv was geschorst in verband met het overlijden van [appellant 5], verwezen naar de rol van 27 mei 2022 voor akte aan de kant van [appellanten] voor het in het geding brengen van een schriftelijke bevestiging van de mededeling ex artikel 187 Rv, waarna vonnis zou worden gewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Bij e-mailberichten van 27 en 31 mei 2022 heeft mr. Berman laten weten dat hij de zaak overneemt van de eerder die maand overleden mr. Groeneveldt en zich stelt voor [appellant 2] en [appellant 4].</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 4 juli 2022 heeft mr. Berman bericht dat de zaak op naam van [appellant 5] kan worden voortgezet en is wederom vonnis gevraagd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>Vonnis is nader bepaald op vandaag. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het Hof gaat er op basis van de mededelingen van wijlen mr. Groeneveldt en mr. Berman van uit dat de zaak op naam van wijlen [appellant 5] kan worden voortgezet en dat thans vonnis kan worden gewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Uit de door [appellanten] overgelegde stukken blijkt dat zij hebben voldaan aan de opdracht om op de voet artikel 12a juncto 5 aanhef en sub 7 Rv alle belanghebbenden op te roepen om ter zitting van 20 mei 2022 te verschijnen. Er hebben zich op deze oproepingen (noch op de eerdere, ongeldige) geen leden van de familie [naam] of andere belanghebbenden gemeld. Gelet daarop, alsook op het feit dat door de familie [appellanten] al geruime tijd, ook in rechte, aanspraak op dit perceel wordt gemaakt, wat op een klein eiland als Sint Maarten naar mag worden aangenomen niet onopgemerkt zal zijn  gebleven, wordt afgezien van nadere maatregelen of bewijsopdrachten en zal thans de door [appellanten] gevraagde verklaring op de voet van artikel 3:27 lid 1 BW worden gegeven. Het bestreden vonnis zal daartoe worden vernietigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>In de omstandigheden van dit geval, waaronder de aard van de vordering en de (latere) referte van het Land, ziet het Hof aanleiding om de kosten in appel voor rekening van [appellanen] te laten en het Land alleen in de kosten van de eerste aanleg te veroordelen. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>BE S L I S S I N G</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het Hof:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>verklaart op de voet van artikel 3:27 lid 1 BW dat de gezamenlijke erfgenamen van [naam 1] en [naam 2] door middel van verjaring de volle juridische eigendom hebben verkregen van de percelen met de meetbriefnummers 013/2015 en 014/2015 gelegen te [adres], lokaal bekend als de [adres], te Sint Maarten;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>bepaalt dat deze verklaring, wanneer dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, op de voet van artikel 3:17 lid 1, aanhef en onder e BW in verbinding met artikel 25 van de Landsverordening openbare registers door [appellanten]. kan worden ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>veroordeelt het Land in de proceskosten zijdens [appellanten]. begroot op NAf 450,- aan griffierecht en NAf 3.750,- voor salaris van de gemachtigde;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van </para>
        <para>het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 8 juli 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>