<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2021:191</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-12T10:31:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-05-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR201601436 – CUR2019H00407</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2021:191">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2021:191</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-11T14:37:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2021:191 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 04-05-2021 / CUR201601436 – CUR2019H00407</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2021:191:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>naheffing griffierecht</para>
        <para>formele relatie: CUR201601436</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2021:191:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Burgerlijke zaken over 2021					Vonnis no.:</para>
    <para>Registratienummers: CUR201601436 – CUR2019H00407</para>
    <para>Uitspraak: 4 mei 2021</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</emphasis>
      </para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">B.V. BETONBOUW CURAÇAO</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Curaçao,</para>
      <para>hierna te noemen: Betonbouw,</para>
      <para>oorspronkelijk verweerster in conventie en eiseres in voorwaardelijke reconventie, thans appellante,</para>
      <para>gemachtigden: mrs. T.L.H. Peeters en J.T. Frolijk,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">CURAÇAO REFINERY UTILITIES B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Curaçao,</para>
      <para>hierna te noemen: CRU,</para>
      <para>oorspronkelijk eiseres in conventie en verweerster in voorwaardelijke reconventie, thans geïntimeerde,</para>
      <para>gemachtigden: mrs. E.R. de Vries en M.Th. Aanstoot,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht), wordt verwezen naar de tussen partijen op 3 april 2017 en 4 december 2017 uitgesproken tussenvonnissen en het op 25 oktober 2019 uitgesproken eindvonnis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Betonbouw is bij akte van appel op 5 december 2019 in hoger beroep gekomen van voornoemd eindvonnis. In een op 15 januari 2020 ingekomen memorie van grieven tevens vermeerdering van eis, met producties, heeft zij twee grieven voorgedragen en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis vernietigt en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">in conventie:</emphasis>
        </para>
        <para>CRU niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans deze zal afwijzen;</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">in reconventie:</emphasis>
        </para>
        <para>CRU zal veroordelen primair tot betaling aan haar van NAf 281.814,98 en subsidiair van NAf 247.797,83;</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">in conventie en reconventie:</emphasis>
        </para>
        <para>CRU zal veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, te vermeerderen met nakosten ad NAf 250,- zonder betekening en NAf 400,- in geval van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na de dagtekening van dit vonnis en zo niet, te vermeerderen mat de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis; en</para>
        <para>CRU zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen Betonbouw ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met wettelijke rente.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>CRU heeft in een memorie van antwoord, met producties, het appel bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Betonbouw in de kosten van het hoger beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Op 13 oktober 2020, de voor schriftelijk pleidooi bepaalde dag, hebben de gemachtigden van partijen pleitaantekeningen overgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Uitspraak is nader bepaald op heden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De ontvankelijkheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betonbouw is tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen en kan daarin worden ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De grieven</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Griffierecht</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Bij de indiening van de akte van hoger beroep heeft Betonbouw een geldelijk belang van NAf 104.017,15 opgegeven. Bij de indiening van de memorie van grieven heeft Betonbouw NAf 2.300,- aan griffierecht voldaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Betonbouw vordert echter in hoger beroep (zie hiervóór rov. 1.2) in reconventie primair NAf 281.814,98 en (in conventie) terugbetaling van hetgeen Betonbouw ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan. Het Hof weet niet of de NAf 104.017,15, waartoe het Gerecht Betonbouw veroordeeld heeft, al door haar geheel of deels betaald is, maar voor zover niet, heeft Betonbouw een ‘direct geldelijk belang’ bij de vernietiging in conventie van de veroordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De griffier stelt zich op het standpunt dat in hoger beroep door Betonbouw daarom 2% van (281.814,98 + 104.017,15 =) NAf 385.832,13, i.e. afgerond NAf 7.720,- als griffierecht verschuldigd is (artikel 20 lid 2 aanhef en onder f, in verbinding met lid 7, zo nodig in verbinding met lid 3, van het <emphasis role="italic">Landsbesluit tarieven in burgerlijk </emphasis>zaken [Ltbz]).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Betonbouw dient NAf (7.720 – 2.300 =) NAf 5.420,- na te betalen. Zij krijgt de gelegenheid een akte nabetaling griffierecht (P3) te nemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- geeft Betonbouw de gelegenheid een akte nabetaling griffierecht te nemen;</para>
    <para />
    <para>- verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van 1 juni 2021 (P3);</para>
    <para />
    <para>- houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, O. Nijhuis en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 4 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>