<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2020:35</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-09T11:08:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-01-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">EJ 2019-99 - SXM201900395 – SXM2019H00087</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:35">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:35</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-09T11:06:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2020:35 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 17-01-2020 / EJ 2019-99 - SXM201900395 – SXM2019H00087</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:35:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vereffening. beroepstermijn</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:35:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Burgerlijke zaken over 2020						Vonnis no.:</para>
    <para>Registratienummers: EJ 2019-99 - SXM201900395 – SXM2019H00087</para>
    <para>Uitspraak: 17 januari 2020</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</emphasis>
      </para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>B E S C H I K K I N G	</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[APPELLANTE]</emphasis>,</para>
      <para>wonende In Sint Maarten,</para>
      <para>hierna te noemen: [appellante],</para>
      <para>appellante, </para>
      <para>procederend in persoon,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.<emphasis role="bold"> [GEÏNTIMEERDE SUB 1]</emphasis>, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [naam 1] (hierna: de nalatenschap onderscheidenlijk de erflater),</para>
    <para>kantoorhoudende te Boston, (Mass.), Verenigde Staten van Amerika,</para>
    <para>2. <emphasis role="bold">[GEÏNTIMEERDE SUB 2</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>met gekozen woonplaats in Sint Maarten,</para>
      <para>gezamenlijk te noemen: [geïntimeerde sub 1] c.s.,</para>
      <para>geïntimeerden,</para>
      <para>gemachtigde: mr. F. Kutluer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij een op 10 juli 2019 ingekomen beroepschrift, met producties, is [appellante] in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 29 mei 2019 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht). Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof die beschikking zal vernietigen met het geven van enkele nader omschreven beslissingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2 [</nr>
      <para>geïntimeerde sub 1] c.s. hebben geen verweerschrift in hoger beroep ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Een mondelinge behandeling is bepaald op 14 november 2019.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Op 12 november 2019 heeft [appellante] een e-mail, met producties, ingezonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5 [</nr>
      <para>geïntimeerde sub 1] c.s. hebben op 13 november 2019 producties ingezonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 13 november 2019 heeft [appellante] laten weten dat zij ziek is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <para>Het Hof heeft de zaak verwezen naar de rolzitting van 6 december 2019 opdat [appellante] zich kan uitlaten over haar ontvankelijkheid in hoger beroep. [appellante] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8</nr>
      <para>Beschikking aangezegd en bepaald op heden</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Bij beschikking van het Gerecht van 27 februari 2017 zijn J.F. [geïntimeerde sub 1] (hierna: [geïntimeerde sub 1]) en [naam 2] (hierna [naam 2]) benoemd tot vereffenaars van de nalatenschap. Bij beschikking van 31 oktober 2017 heeft het Gerecht aanwijzingen gegeven aan de vereffenaars. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij beschikking van 23 april 2018 heeft het Gerecht [naam 2] ontslagen als vereffenaar van de nalatenschap en daarbij verstaan dat in haar plaats geen andere vereffenaar zal worden benoemd zodat [geïntimeerde sub 1] zijn werkzaamheden verder zelfstandig zal kunnen verrichten. Verder heeft het Gerecht de aanwijzing gegeven dat [geïntimeerde sub 1] de crediteuren openlijk in twee nader genoemde kranten dient op te roepen om hun vorderingen binnen twee maanden na die publicaties bij [geïntimeerde sub 1] in te dienen. [naam 2] en [appellante] zijn in hun hoger beroep tegen deze beschikking door het Hof op 16 november 2018 (SXM2028H00057) niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Bij de bestreden beschikking van 29 mei 2019 heeft het Gerecht [geïntimeerde sub 1] eveneens benoemd tot vereffenaar van de ontbonden huwelijksgemeenschap van de erflater en [appellante].</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Van de beslissing om [geïntimeerde sub 1] eveneens te benoemen tot vereffenaar van de ontbonden huwelijksgemeenschap, waartegen het hoger beroep is gericht, is ingevolge artikel 676b Rv in verbinding met artikel 4:213 Rv gedurende vijf dagen hoger beroep bij het Hof toegelaten. Beroepstermijnen, ook deze zeer korte, zijn van openbare orde en dienen strikt te worden toegepast. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5 [</nr>
      <para>appellante] is op 10 juli 2019 en daarmee na ommekomst van de in artikel 676b Rv bedoelde vijf dagen tegen de beschikking van 29 mei 2019 in hoger beroep gekomen. Die overschrijding komt in beginsel voor haar rekening. Dat zij in persoon procedeert maakt dat niet anders. Een zogenaamde ‘apparaatsfout’ is niet gebleken. In de hiervóór in rov. 2.2 genoemde niet-ontvankelijkheidsbeslissing van het Hof van 16 november 2018 was zij overigens van de korte appeltermijn in kennis gesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>De conclusie moet dan zijn dan [appellante] niet in haar hoger beroep kan worden ontvangen en dat ook haar nadere verzoeken niet in behandeling kunnen worden genomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Voor een kostenveroordeling ziet het Hof geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de beschikking van 29 mei 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. M.B. van den Enden, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 17 januari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>