<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2020:334</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-20T17:16:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">H-105/2019</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:334">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:334</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-20T17:16:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2020:334 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 03-12-2020 / H-105/2019</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:334:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Poging doodslag in Sint Maarten door schieten op auto waarin onder meer ex-vriendin zat; bewijsoverwegingen opzet en gebruik verklaar</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:334:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>Zaaknummer: H-105/2019</title>
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 100.00436/18 en 100.00205/17 (tul)	</para>
      <para>Uitspraak:  	3 december 2020		Tegenspraak</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vonnis </title>
    <para>gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 24 april 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[VERDACHTE],</title>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats],</para>
      <para>wonende in [woonplaats],</para>
      <para>thans gedetineerd in Sint Maarten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen genomen ten aanzien van een vordering tot tenuitvoerlegging en een vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft hoger beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, </para>
      <para>mr. R.H. den Haan, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. Z.J. Bary, naar voren is gebracht. Voorts heeft het Hof kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partij [benadeelde partij] in het kader van de vordering tot</para>
      <para>schadevergoeding naar voren heeft gebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door de raadsvrouw is primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft meer subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft voorts betoogd dat de vordering tot tenuitvoerlegging alsmede de vordering van de benadeelde partij dienen te worden afgewezen, althans dat de laatste dient te worden gematigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis waarvan beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het Hof de gronden daarvan verbetert, in die zin dat het Hof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de overwegingen van het Gerecht ten aanzien van het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aanvult;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een onderdeel van de bewijsmotivering van het Gerecht vervangt en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de strafmotivering aanvult.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Aanvullende motivering ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft in hoger beroep nader betoogd dat de aangifte van [benadeelde partij] onbetrouwbaar is gebleken, nu [benadeelde partij] op haar aangifte is teruggekomen toen zij door het Gerecht ter terechtzitting als getuige werd gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het licht van de nadere onderbouwing waarvan dit in hoger beroep andermaal gevoerde verweer is voorzien kan dit verweer niet anders dan tot verwerping leiden. Immers, ook indien van de door de raadsvrouw gestelde discrepantie moet worden uitgegaan valt niet in te zien dat daarin enig verzuim is gelegen, dat tot sanctionering zou hebben te leiden in de door de raadsvrouw bepleite vorm.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Overwegingen ten aanzien van het bewijs</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof verbetert de bewijsmotivering (in het vonnis van Gerecht neergelegd op pagina’s 11 en 12, alinea’s vier, vijf en zes) en overweegt in plaats daarvan als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De als getuigen gehoorde [benadeelde partij] en [getuige 1] herkennen ieder voor zich de verdachte als de schutter. Beiden kennen de verdachte en hebben hem herkend, toen hij direct na de geloste schoten op de motor was gezeten, waarop zij hem volgens hun verklaringen eerder die avond ook al hebben zien rijden. Dat tussen de verdachte en [benadeelde partij] sprake is van een langlopend conflict, brengt met zich dat met hetgeen [benadeelde partij] heeft verklaard in zoverre behoedzaam moet worden omgegaan. Haar verklaringen vinden evenwel bevestiging in en worden ondersteund door de andere bewijsmiddelen, meer in het bijzonder de verklaringen van de als getuigen gehoorde [getuige 1] en [getuige 2], zodat deze voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Aan het andersluidende betoog van de raadsvrouw op dit punt wordt voorbijgegaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de drie aangevers opzettelijk van het leven heeft geprobeerd te beroven door kogels af te vuren op de auto waarin zij toen en daar zaten. De afstand tussen de verdachte en de auto heeft er niet aan in de weg gestaan dat het voor de verdachte mogelijk was om de auto te raken, zoals ook is gebleken. De auto is door het schieten op meer plaatsen beschadigd geraakt, en looddelen en één kogel zijn in (het frame van) de auto aangetroffen. Daarmee heeft naar het oordeel van het Hof de aanmerkelijke kans bestaan dat (een of meer van) de inzittenden van de auto werden geraakt door de kogels die de verdachte heeft afgevuurd, welke kans door de verdachte blijkens zijn bewezen geachte gedragingen ook is aanvaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Aanvullende strafmotivering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof betrekt bij de bepaling van de hoogte van de straf in het nadeel van de verdachte dat hij het bewezen verklaarde heeft gepleegd terwijl voor hem een proeftijd gold uit hoofde van een eerder aan hem opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Opmerking verdient dat ook in die strafzaak [benadeelde partij] het slachtoffer was. Kennelijk heeft ook dat hem niet ervan weerhouden om ernstige strafbare feiten te plegen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts houdt het Hof er in het nadeel van de verdachte rekening mee dat hij kennelijk in een korte periode van iets meer dan één maand over twee vuurwapens heeft kunnen beschikken. Hij heeft er twee keer bewust voor gekozen met een geladen vuurwapen op zak te lopen, terwijl uit zijn strafkaart volgt dat hij al eerder is veroordeeld voor verboden vuurwapenbezit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt het vonnis van het Gerecht met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. W.J. Geurts-de Veld, A.J.M. van Gink en R. Veldhuisen, leden van het Hof, bijgestaan door mr. A.F. van der Heide, (zittings)griffier, en op 3 december 2020 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. A.J.M. van Gink en de uitspraakgriffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>