<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2020:295</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-29T11:18:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SXM2018H00063</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:295">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:295</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-29T11:18:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2020:295 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 11-12-2020 / SXM2018H00063</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:295:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>burenrecht, art. 5:37 BW onrechtmatige hinder door uibouw appartement. Vordering tot afbraak terecht toegewezen.</para>
      <para />
      <para>Formele relatie: (voorheen AR 2016/96) SXM201600392</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:295:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VONNIS</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>[Appellante 1],</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. [Appellante 2]</emphasis>,</para>
      <para>wonende in  de Verenigde Staten,</para>
      <para>oorspronkelijk gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, </para>
      <para>nu appellanten,</para>
      <para>gemachtigden: mrs. C.F. Klooster en J. Deelstra,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>[Geïntimeerde 1],</title>
    <para>
      <emphasis role="bold">2. [Geïntimeerde 2]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>wonende in Sint Maarten,</para>
      <para>oorspronkelijk eisers in conventie, verweerders in reconventie, </para>
      <para>nu geïntimeerden,</para>
      <para>gemachtigde: mr. K. Huisman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna ook [Appellanten c.s.] en [Geïntimeerden c.s.] genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="underline">1. 	Het verdere verloop van de procedure</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Voor het procesverloop tot 15 mei 2020 verwijst het Hof naar zijn tussenvonnis van die datum. In dat vonnis is de zaak naar de rol verwezen voor opgave van verhinderdata door partijen ten behoeve van de bewijslevering waartoe [Appellanten c.s.] bij dat vonnis zijn toegelaten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op de digitale rolzitting van 26 juni 2020 hebben partijen vervolgens een akte verhinderdata genomen respectievelijk laten weten dat er geen verhinderdata zijn. Vervolgens hebben [Appellanten c.s.] de heer [Naam] als getuige opgegeven en is het getuigenverhoor door het Hof gepland op 29 oktober 2020.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op 22 oktober 2020 hebben [Appellanten c.s.] het Hof per e-mail laten weten dat het getuigenverhoor niet meer zal plaatsvinden en dat zij geen andere getuigen hebben om te doen horen. Daarop hebben [Geïntimeerden c.s.] per e-mail van dezelfde dag vonnis gevraagd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Vonnis is bepaald op vandaag.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">2.	De verdere beoordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het Hof verwijst naar en het volhardt in hetgeen het in voormeld tussenvonnis heeft overwogen en beslist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In het tussenvonnis heeft het Hof overwogen dat de door de uitbouw veroorzaakte hinder onrechtmatig is, tenzij [Geïntimeerden c.s.] voor de uitbouw toestemming hebben gegeven zoals gesteld door [Appellanten c.s.] Aan [Appellanten c.s.] is vervolgens de gelegenheid geboden om bewijs te leveren van die stelling. Nu [Appellanten c.s.] hebben afgezien van bewijslevering en daarin dus niet zijn geslaagd, is daarmee gegeven dat de door hen veroorzaakte hinder door het realiseren van een uitbouw aan hun appartement onrechtmatig is. Zoals reeds in het tussenvonnis is overwogen, leidt een belangenafweging niet tot een ander oordeel. De vordering tot afbraak van [Geïntimeerden c.s.] is zodoende terecht door het Gerecht toegewezen en in zoverre zal het bestreden vonnis worden bevestigd, inclusief de door het Gerecht bepaalde gemaximeerde dwangsom die het Hof op zijn plaats acht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Ten aanzien van de in hoger beroep gewijzigde reconventionele vorderingen van [Appellanten c.s.] heeft het Hof bij zijn tussenvonnis reeds geoordeeld dat de vordering strekkende tot een verklaring voor recht dat de studio een gemeenschappelijk gedeelte van het gebouw is, voor toewijzing in aanmerking komt. Bij dit vonnis zal deze vordering derhalve worden toegewezen. Zoals eveneens reeds overwogen zijn de overige onderdelen van de gewijzigde eis van [Appellanten c.s.] niet toewijsbaar. Deze zullen dus worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De conclusie luidt dat het bestreden vonnis zal worden bevestigd. Verder zal de door [Appellanten c.s.] gevorderde verklaring van recht worden toegewezen en zullen hun overige vorderingen worden afgewezen. [Appellanten c.s.] zullen, als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen, in de kosten van het hoger beroep van [Geïntimeerden c.s.] worden veroordeeld. Deze zullen, zoals door [Geïntimeerden c.s.] is verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para>
        <emphasis role="underline">3.	Beslissing</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het Hof:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- bevestigt het vonnis waarvan beroep;</para>
      <para />
      <para>- verklaart voor recht dat de studio een gemeenschappelijk gedeelte van het gebouw is;</para>
      <para />
      <para>- wijst het meer of anders gevorderde af;</para>
      <para />
      <para>- veroordeelt [Appellanten c.s.] in de kosten van het hoger beroep van [Geïntimeerden c.s.], tot op heden begroot op NAf 249,50 aan betekeningskosten en NAf 6.000,- (3 x tarief 5) aan gemachtigdensalaris;  </para>
      <para />
      <para>- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, M.W. Scholte en Th.G. Lautenbach, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 december 2020 in Sint Maarten, in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>