<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2020:280</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-18T15:02:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR2020H00288</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:280">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:280</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-18T15:02:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2020:280 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 15-12-2020 / CUR2020H00288</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:280:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Proceskosten vergoeding na intrekking hoger beroep</para>
        <para>Formele relatie: CUR202002230</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:280:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Burgerlijke zaken over 2020						</para>
    <para>Registratienummers: CUR202002230-CUR2020H00288	</para>
    <para>Uitspraak: 15 december 2020</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">VONNIS</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het kort geding van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Appellant]</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te Curaçao,</para>
      <para>in eerste aanleg eiser, thans appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A.V.G. Rooijer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Geïntimeerde]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te Curaçao,  </para>
      <para>oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde. </para>
      <para>gemachtigde: mr. RM.L. Conquet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen zullen hierna [Appellant] en [Geïntimeerde] worden genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Voor de procesgang in eerste aanleg en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) wordt verwezen naar het vonnis in kort geding van 11 september 2020 in de zaak met nummer CUR202002230 (hierna: het bestreden vonnis). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Bij akte van appel van 11 september 2020, ter griffie ontvangen op 14 september 2020, is [Appellant] tijdig in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Bij op 1 oktober 2020 ingekomen memorie van grieven heeft [Appellant] vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van [Appellant] integraal zal toewijzen, met veroordeling van [Geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Bij memorie van antwoord, ontvangen op 30 oktober 2020, heeft [Geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, al dan niet onder verbetering/aanvulling van gronden, met veroordeling van [Appellant] in de kosten in beide instanties. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Bij e-mail van 4 november 2020 heeft mr. Rooijer namens [Appellant] het hoger beroep ingetrokken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>Mr. Conquet heeft bij e-mail van 4 november 2020 verzocht [Appellant] in de proceskosten in beide instanties te veroordelen en die proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <para>Met betrekking tot de proceskostenveroordeling hebben de advocaten van partijen vervolgens nog nader met het Hof en met elkaar per e-mail gecorrespondeerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8</nr>
      <para>Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Dat [Appellant] het hoger beroep heeft ingetrokken, zal worden verstaan als het afstand doen van instantie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het bericht van intrekking is gestuurd nadat een memorie van antwoord was ingediend door [Geïntimeerde]. [Geïntimeerde] heeft verzocht om een proceskostenveroordeling voor de door hem gemaakte kosten in hoger beroep. Het Hof zal, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 60 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, [Appellant] in de proceskosten van deze procedure veroordelen. Er bestaat geen aanleiding van deze hoofdregel af te wijken. Immers, partijen hebben geen familieband met elkaar die volgens dat artikellid tot een kostencompensatie aanleiding kan geven en [Geïntimeerde] heeft door toedoen van [Appellant] in hoger beroep wel kosten moeten maken. Het door [Appellant] voorts nog aangevoerde in de e-mailcorrespondentie van de advocaten na de intrekking, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verstaat dat afstand van instantie is gedaan;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt [Appellant] in de kosten van dit geding in hoger beroep, gevallen aan de zijde van [Geïntimeerde], tot aan dit vonnis begroot op NAf 4.000,- (2 punten, tarief 5);</para>
    <para />
    <para>- verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, Th.G Lautenbach en O. Nijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 15 december 2020 in tegenwoordigheid van de griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>