<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2020:228</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-02T14:31:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA2019H00220</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:228">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:228</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-02T14:31:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2020:228 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 24-09-2020 / AUA2019H00220</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:228:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>erhaald verzoek om inschrijving van een huwelijk in het bevolkingsregister. Naar het oordeel van het Hof heeft het Gerecht met juistheid geoordeeld dat de DBSB dit herhaalde verzoek van appellanten alleen al heeft kunnen afwijzen op grond van het ontbreken van (relevante) nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De (in bezwaar gehandhaafde) afwijzende beschikking op het herhaalde verzoek van appellanten is niet evident onredelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:228:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>AUA2019H00220</para>
    <para>Datum uitspraak: 24 september 2020</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN</para>
    <para>EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN  SABA</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep  van:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1. [appellant sub 1], wonende te   Aruba</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2. [appellante  sub 2],  wonende te Aruba</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>appellanten</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van</para>
    <para>9 september 2019 in zaak nr. AUA201900033, in het geding tussen: appellanten</para>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>het hoofd van de Dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (hierna: de DBSB).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Procesverloop</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij beschikking van 3 mei 2018 heeft de DBSB het herhaalde verzoek van appellanten om hun op 7 januari 2011 in Colombia gesloten huwelijk in te schrijven in het bevolkingsregister afgewezen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij beschikking van 19 december 2018 heeft de DBSB het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij uitspraak van 9 september 2019 heeft het Gerecht het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond  verklaard.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld. De DBSB heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para>Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2020, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. R.L.F. Dijkhoff, advocaat, en de DBSB, vertegenwoordigd door mr. J.M.A.M. Ponsioen, zijn verschenen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Overwegingen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Wettelijk kader</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Het relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze   uitspraak.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Bij de beschikking van 3 mei 2018 heeft de DBSB het herhaalde verzoek van appellanten om hun op 7 januari 2011 in Colombia gesloten huwelijk in te schrijven in het bevolkingsregister afgewezen. Het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar is door de DBSB bij de beschikking van 19 december 2018, wat de motivering betreft deels in afwijking van het advies van 19 september 2018 van de Bezwaaradviescommissie Landsverordening administratieve rechtspraak, ongegrond verklaard. Volgens de DBSB zijn aan het verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag gelegd, zodat (de redenen die ten grondslag zijn gelegd aan) de afwijzing van het eerste gelijkluidende verzoek van appellanten  word(t)(en) gehandhaafd.</para>
      <para>Het door appellanten daartegen ingestelde beroep is door het Gerecht ongegrond verklaard. Appellanten zijn het daar niet mee eens en vechten het oordeel van het Gerecht in hoger beroep    aan.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Appellanten betogen dat het Gerecht niet heeft onderkend dat aan hun herhaalde verzoek nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daartoe voeren zij aan  dat zij nog steeds gehuwd  zijn. Hieruit blijkt, zo benadrukken appellanten, dat zij vanaf het moment van   de sluiting van hun huwelijk het oogmerk hadden en hebben om te voldoen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>aan hun huwelijkse plichten. Van een schijnhuwelijk, gericht op de toelating van appellant sub 1, die de Colombiaanse nationaliteit heeft, tot Aruba, is, anders dan de minister heeft gesteld in zijn afwijzing van het eerste verzoek van appellanten, dan ook geen sprake. Dat hier sprake is van een oprechte affectieve relatie volgt voorts uit de omstandigheid dat appellant sub 1 pas drie jaren na de sluiting van hun huwelijk is afgereisd naar Aruba, waar zijn echtgenote, appellante sub 2, al meer dan twintig jaar rechtmatig verblijft. Bovendien zijn zij sinds 2013 verwikkeld in een rechtsstrijd met de DBSB over diens afwijzing hun huwelijk in te schrijven in het bevolkingsregister.</para>
      <para>Volgens appellanten zou deze strijd, in het geval van een schijnhuwelijk, in een eerder stadium zijn opgegeven. De (in bezwaar gehandhaafde) afwijzing van hun herhaalde verzoek is dan ook in strijd met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van rechtszekerheid, het recht om te huwen, neergelegd in artikel 12 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en de artikelen 9, 11 en 14 van het Verdrag inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken, aldus appellanten.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat de omstandigheid dat appellanten nog steeds gehuwd zijn niet kan worden aangemerkt als relevant nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Uit de vaste rechtspraak     van onder meer de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van  14  juli  2016,  ECLI:NL:RVS:2016:2069),  waarbij het Gerecht aansluiting heeft gezocht, volgt immers dat het oogmerk bij het aangaan  van  het  huwelijk  bepalend  is  voor de  beantwoording  van  de vraag of sprake is van een schijnhuwelijk, en dat aan latere ontwikkelingen in dat verband geen betekenis toekomt. Dat appellant sub 1 pas drie jaren na de sluiting van zijn huwelijk naar Aruba is afgereisd, kan evenmin aangemerkt worden als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, nu die omstandigheid reeds bekend was voorafgaande aan en ten tijde van de (in bezwaar gehandhaafde) afwijzende beschikking op het eerste gelijkluidende verzoek van appellanten. Dat appellanten sinds 2013 verwikkeld zijn in een rechtsstrijd met de DBSB  over diens  afwijzing hun huwelijk in te schrijven  in het bevolkingsregister, levert ook geen relevant nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid op, nu daaruit, anders dan appellanten betogen,  niet volgt dat hier geen sprake is van een schijnhuwelijk. Hetgeen voor het overige door appellanten naar voren is gebracht ziet niet op de hier centraal staande vraag of in dit geval sprake is van (relevante)  nieuw gebleken feiten     of veranderde omstandigheden, zodat daarin geen aanleiding gevonden kan worden voor een ander oordeel daaromtrent en een bespreking daarvan door het Hof achterwege kan   blijven.</para>
      <para>Gelet op al het vorenoverwogene, heeft het Gerecht met juistheid geoordeeld dat de DBSB het herhaalde verzoek van appellanten alleen al heeft kunnen afwijzen op grond van het ontbreken van (relevante) nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Dat de DBSB, zoals appellanten ter zitting naar voren hebben gebracht, op 9 november 2018 (opnieuw) onderzocht heeft of zij samenwonen, leidt niet tot een ander oordeel, te meer nu het resultaat van dat onderzoek wederom in het nadeel</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>van appellanten is. Nu uit dit onderzoek ook deze keer niet blijkt dat appellanten samenwonen, acht het Hof de (in bezwaar gehandhaafde) beschikking van 3 mei 2018     evenmin evident onredelijk.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden  bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen   aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">bevestigt </emphasis>de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>mr. D. Meyer-de Beer, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>w.g. Saleh</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>w.g. Meyer-de Beer</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJLAGE Wettelijk kader</para>
      <para>Landsverordening op het aanleggen en bijhouden van het bevolkingsregister Artikel 1</para>
      <para>“1. De voorschriften omtrent het aanleggen, inrichten en bijhouden  van</para>
      <para>bevolkingsregisters en het doen der daartoe vereiste opgaven aan hen, die met het aanhouden der bevolkingsregisters zijn belast, worden bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen vastgesteld.”</para>
      <para>Landsbesluit bevolkingsregister Artikel 22</para>
      <para>“[…]</para>
      <para>9. Indien het hoofd van het Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister van oordeel is dat een gegeven omtrent een persoon in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, wordt dat gegeven niet ingeschreven.”</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>