<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2020:227</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-02T14:28:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA2019H00211</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:227">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:227</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-02T14:28:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2020:227 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 28-09-2020 / AUA2019H00211</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:227:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, als neergelegd in artikel 11, eerste lid, van de Lar. Het betoog van appellante dat het Gerecht niet heeft onderkend dat die termijnoverschrijding niet langer aan haar mag worden tegengeworpen, wordt door het Hof niet gevolgd. In de door appellante naar voren gebrachte omstandigheden, ziet het Hof evenmin aanleiding voor het oordeel dat het Gerecht de rechtmatigheid van de beschikking op bezwaar, ondanks die termijnoverschrijding, had moeten beoordelen.  Het betoog van appellante dat het Gerecht niet heeft onderkend dat haar bezwaarschrift ook aangemerkt had moeten worden als een verzoek om terug te komen van de beschikking in primo, faalt eveneens.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:227:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>AUA2019H00211</para>
    <para>Datum uitspraak: 28 september 2020</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN</para>
    <para>EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN  SABA</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep  van:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>[appellante], gevestigd te Aruba, appellante,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 26 augustus 2019 in zaak nr.  AUA201800248,  in het geding   tussen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>appellante</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de minister van Justitie,  Veiligheid en Integratie (hierna: de    minister).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Procesverloop</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij beschikking van 14 september 2015 heeft de minister aan appellante een bestuurlijke boete van Afl. 171.833,20  opgelegd.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij beschikking van 15 december 2017 heeft de minister het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij uitspraak van 26 augustus 2019 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de beschikking op bezwaar vernietigd  en het bezwaar  alsnog niet-ontvankelijk  verklaard.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift   ingediend.</para>
    <para>Geen van de partijen heeft desgevraagd binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna het Hof het onderzoek met toepassing van artikel 37, vijfde lid, in verbinding gelezen met artikel 53c, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak,  heeft gesloten.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Overwegingen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Wettelijk kader</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Het relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze   uitspraak.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Bij de beschikking van 14 september 2015, zoals gehandhaafd bij de beschikking van 15 december 2017, heeft de minister aan appellante, op grond van artikel 25 van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu), een bestuurlijke boete van Afl. 171.833,20  opgelegd.</para>
      <para>Het Gerecht heeft het door appellante tegen de laatstgenoemde beschikking ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd  en het bezwaar van appellante alsnog niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift later dan zes weken na 14 september 2015 is ingediend.</para>
      <para>Appellante is het daar niet mee eens en vecht het oordeel van het Gerecht in hoger beroep aan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Appellante betoogt dat het Gerecht niet heeft onderkend dat de overschrijding van de termijn, als neergelegd in artikel 11, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar), niet langer aan haar mag worden tegengeworpen. Daartoe voert zij aan dat zij, wegens het (aanhoudend) uitblijven van een beslissing op het door haar tegen de beschikking van 14 september 2015 gemaakte bezwaar, tot twee keer toe beroep bij het Gerecht heeft ingesteld. Dit heeft geleid tot de eerder tussen</para>
      <para>partijen gewezen – en inmiddels onherroepelijk geworden – uitspraken van 21 november 2016, ECLI:NL:OGEAA:2016:823 en 18 september 2017 (ECLI:NL:OGEAA:2017:722).  Volgens  appellante  volgt  daaruit  dat  het Gerecht zich twee keer eerder ambtshalve heeft gebogen over de vraag of  het door haar gemaakte bezwaar ontvankelijk is. Die vraag is door het  Gerecht tot twee keer toe (impliciet) bevestigend beantwoord. Het Gerecht kan en mag daarop niet terugkomen, aldus   appellante.</para>
      <para>Subsidiair betoogt appellante, onder verwijzing naar de uitspraak   van  12  november  2014  van  de  Afdeling  bestuursrechtspraak  van  de  Raad van State,  ECLI:NL:RVS:2014:4117,  dat  het  Gerecht  de  rechtmatigheid  van de beschikking van 15 december 2017 had moeten beoordelen, ondanks de voornoemde termijnoverschrijding. Daartoe stelt zij voorop dat de minister    die termijnoverschrijding niet aan haar heeft tegengeworpen, nu de minister inhoudelijk heeft beslist op het door haar gemaakte bezwaar. Voorts voert zij aan dat het in dit geval, waarin sprake is van een tweepartijengeschil, niet bezwaarlijk is om voorbij te gaan aan de ontvankelijkheidsvraag. Verder benadrukt  appellante  dat  deze  zaak  een  zaaksoverstijgend  maatschappelijk en juridisch belang heeft, waaronder het belang van eenduidige toepassing   van wet- en regelgeving door bestuur en rechter. Volgens appellante moet er op korte termijn duidelijkheid komen over de vraag hoe de zinsnede “in dienst te nemen of te houden”, als vervat in artikel 23, derde en vierde lid, van de Ltu, moet worden geïnterpreteerd.  Tot slot voert appellante aan dat     in dit geval sprake is van een boete en dus van een criminal charge in de zin</para>
      <para>van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van   de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) Het Gerecht had hierin eveneens aanleiding moeten zien om de rechtmatigheid van de beschikking   van  15 december 2017 te beoordelen, aldus    appellante.</para>
      <para>Meer subsidiair betoogt appellante dat het Gerecht niet heeft onderkend dat haar bezwaarschrift ook aangemerkt had moeten worden als een verzoek aan de minister om terug te komen van de beschikking van</para>
      <para>14 september 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Zoals ook het Gerecht heeft vastgesteld, is de beschikking in primo gedagtekend op 14 september 2015. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Lar, begon op 15 september 2015 en eindigde op 26 oktober 2015. Appellante heeft haar bezwaarschrift op 27 oktober 2015, en dus buiten de geldende termijn, ingediend. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat hier sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Lar, had de minister, zoals het Gerecht terecht heeft geoordeeld, het bezwaar(schrift) van appellante, ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Lar, niet-ontvankelijk moeten verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Het betoog van appellante dat de overschrijding van de termijn, als neergelegd in artikel 11, eerste lid, van de Lar, niet langer aan haar mag worden tegengeworpen, wordt niet gevolgd. Het Gerecht heeft in de eerder tussen partijen gewezen onherroepelijke uitspraken, anders dan appellante</para>
      <para>veronderstelt, het bezwaar(schrift) van appellante niet (impliciet) ontvankelijk geacht. Het Gerecht heeft daarin slechts geoordeeld dat de minister (om de</para>
      <para>verbeurte van (een) dwangsom(men) te voorkomen) binnen drie maanden een reële beslissing op het bezwaarschrift van appellante moe(s)t nemen. Daaronder valt, anders dan appellante lijkt te veronderstellen, ook een niet-ontvankelijkverklaring  van  het bezwaar(schrift).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het betoog van appellante dat het Gerecht, de voornoemde termijnoverschrijding ten spijt, de rechtmatigheid van de beschikking van</para>
      <para>15 december 2017 had moeten beoordelen, wordt verworpen. Het Hof wijst daartoe op zijn uitspraak van  18  december  2009,  ECLI:NL:OGHNAA:2009:1 (vgl. r.o. 2.3 in die uitspraak). Het openbare orde karakter van  artikel  11  van  de Lar brengt mee dat noch de minister noch het Gerecht deze bepaling     buiten toepassing mag laten. Bij een te laat ingediend bezwaarschrift wordt   aan toetsing van de inhoud van de beschikking niet toegekomen. Dat is niet anders als het gaat om een boetebeschikking en dus een criminal charge als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het door appellante gedane beroep op de door de Afdeling bestuursrechtspraak  van  de  Raad  van  State  gewezen  uitspraak  van 12 november 2014, faalt reeds omdat het Hof niet gebonden is aan de rechtspraak  van  die  Afdeling.  Bovendien  heeft  die  uitspraak  betrekking  op een andere casus. Zo heeft die Afdeling in die zaak, hoewel zij betwijfelde of  alle  appellanten  in  die  zaak  als  belanghebbenden  aangemerkt  konden worden, in de in die uitspraak vermelde omstandigheden aanleiding gezien de rechtmatigheid van de verlening van de evenementenvergunning voor de Sinterklaasintocht  in Amsterdam in 2013  te   beoordelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het betoog van appellante dat het Gerecht niet heeft onderkend dat haar bezwaarschrift ook aangemerkt had moeten worden als een verzoek aan de minister om terug te komen van de beschikking van 14 september 2015, wordt evenmin gevolgd. Uit de bewoordingen van het bezwaarschrift volgt, zoals ook het Gerecht heeft vastgesteld, niet dat ook is beoogd de minister ertoe te bewegen de beschikking van 14 september 2015, los van het bezwaar, te herzien.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden  bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen   aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curacao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">bevestigt </emphasis>de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. B.J. van Ettekoven, in tegenwoordigheid van mr. D. Meyer-de Beer, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>voorzitter</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJLAGE Wettelijk kader</para>
      <para>Landsverordening administratieve rechtspraak Artikel 11</para>
      <para>“1. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken</para>
      <para>en gaat in op de dag na die waarop de beschikking is gedagtekend.</para>
      <para>[…].”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 12</para>
      <para>“1. Een bezwaarschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het is ingediend  voordat  de  termijn  is  ingegaan  of  nadat  de  termijn  is verstreken.</para>
      <para>2. Deze beslissing wordt, met redenen omkleed, schriftelijk aan de indiener van  het  bezwaarschrift meegedeeld.</para>
      <para>3. Ten aanzien van een na  afloop  van  de  termijn  ingediend  bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt.”</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>